Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7828

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
827080-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wettig en overtuigend bewezen: Poging doodslag, meermalen gepleegd. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827080-13

Datum uitspraak: 27 juni 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [pi].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 23 december 2013, 17 maart 2014 en 13 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. L.A. Versteegh, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

1.

hij te Zoetermeer, op of omstreeks 14 september 2013, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 1] (die daarbij in de linkerbil en/of rechter urineleider en/of de dikke darm en/of de dunne darm, althans het lichaam, is geraakt waardoor de noodzaak bestond om een stoma aan te leggen) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2013 te Zoetermeer aan een persoon (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in de linkerbil en/of (ten gevolge daarvan) letsel aan de rechter urineleider en/of de dikke darm en/of de dunne darm waardoor de noodzaak bestond om een stoma aan te leggen) heeft toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een vuurwapen een of meer kogels op of in de richting van die [slachtoffer 1] af te vuren;

2.

hij te Zoetermeer, op of omstreeks 14 september 2013, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 2] (die daarbij in het linker bovenbeen en/of het rechter bovenbeen, althans het lichaam, is geraakt) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2013 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 2] (die daarbij in de achterzijde van het linker bovenbeen en/of de rechterbil, althans het lichaam, is geraakt) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 14 september 2013 te Zoetermeer ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 3], die daarbij in het rechter bovenbeen, althans het lichaam, is geraakt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2013 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 3] (die daarbij in het rechter bovenbeen, althans het lichaam, is geraakt) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 14 september 2013 te Zoetermeer een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Crvena Zastava, model 99, kaliber 9 mm para), en/of munitie van categorie III, te weten 7 stuks scherpe patronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

3 Beoordeling van de tenlastelegging

3.1

Inleiding1

Verdachte heeft in de vroege ochtend van 14 september 2013 in randstadrailstation Stadhuisplein te Zoetermeer meerdere malen met een vuurwapen geschoten en daarbij [slachtoffer 1]2 (hierna ook: [slachtoffer 1]), [slachtoffer 2]3 (hierna ook: [slachtoffer 2]) en [slachtoffer 3]4 (hierna ook: [slachtoffer 3]) geraakt.

De vraag waarvoor de rechtbank zich allereerst ziet gesteld, is hoe het handelen van verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich jegens [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Dat verdachte met voorbedachte raad zou hebben gehandeld en zich dus schuldig zou hebben gemaakt aan poging tot moord, acht zij evenwel niet bewezen. De officier van justitie heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat verdachte – zoals onder 4 ten laste gelegd – in strijd met de Wet wapens en munitie een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt gesteld dat een eventuele bewezenverklaring beperkt dient te worden tot driemaal poging tot doodslag. Over het bewijs van het onder 4 ten laste gelegde heeft zij zich niet uitgelaten.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De feiten

Verdachte heeft in totaal acht kogels afgevuurd met een pistool met een kaliber van 9 millimeter.5 Hij heeft verklaard bewust te hebben geschoten in de richting van zijn belagers, van wie [slachtoffer 2] er één was. [slachtoffer 3] stond, volgens verdachte, op het verkeerde moment op de verkeerde plek.6 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] stonden op dat moment op een trap die leidt naar het lagergelegen perron waarop verdachte zich bevond.7 [slachtoffer 1] liep langs de personen die op de trap een confrontatie hadden gehad; ook hij bevond zich volgens verdachte op het verkeerde moment op de verkeerde plek.8 [slachtoffer 1] is geraakt in de linkerbil. De kogel is doorgedrongen tot de buikholte, alwaar de dunne en dikke darm respectievelijk vier- en tweemaal zijn geperforeerd. Verder is de rechter urineleider volledig verscheurd. Het projectiel eindigde via een dwarse breuk in het bot van de rechterbekkenhelft. Volgens H.N.J.M. van Venrooij, forensisch arts, moet het letsel – kort gezegd – vanwege de vitale functie van de geraakte organen worden aangemerkt als zeer ernstig en op korte termijn levensbedreigend van aard. Voor de acute behandeling ter voorkoming van levensbedreigende complicaties op korte termijn moest [slachtoffer 1] een zeer langdurige chirurgische en urologische buikoperatie ondergaan. Hierbij werd voor de duur van – zo is achteraf gebleken – vier maanden een darmstoma aangelegd.9 [slachtoffer 2] is geraakt in beide benen. In het linkerbeen was sprake van een in- en uitschotopening van de bil naar de lies en in het rechterbeen was sprake van een inschotopening.10 [slachtoffer 3] is geraakt in het rechterbovenbeen. Het letsel bestond uit een doorschotverwonding van de weke delen halverwege het rechterbovenbeen. Volgens Venrooij voornoemd had dit letsel tot (levensbedreigende) complicaties kunnen leiden, indien een grote slagader in het bovenbeen en/of de in het bovenbeen verlopende grote beenzenuw zou(den) zijn verscheurd.11

Onderzoek heeft uitgewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt en dus in het bezit is geweest van een pistool van het merk Crvena Zastava, model 99, kaliber 9 mm para en munitie van categorie III, te weten – na te hebben geschoten nog – 7 stuks scherpe patronen, kaliber 9 mm.12

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door meerdere malen te schieten in de richting van de zich in zijn nabijheid bevindende [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat hij hen dodelijk zou treffen. Door op hen te schieten terwijl zich diverse personen bij de trap bevonden, heeft verdachte tevens de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij de toevallige passant [slachtoffer 1] dodelijk zou verwonden, al was het maar door een afketsende kogel. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] dodelijk zou treffen bewust heeft aanvaard, waarbij de rechtbank nog in aanmerking neemt dat verdachte heeft verklaard dat, als je gaat schieten, er van alles kan gebeuren.13

De onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde pogingen tot doodslag zullen derhalve wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Ook ter zake van de onder 4 ten laste gelegde overtreding van de Wet wapens en munitie zal gelet op het voorgaande een bewezenverklaring volgen. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de voorbedachte raad niet bewezen kan worden verklaard, zodat verdachte van de onder 1 tot en met 3 impliciet primair ten laste gelegde pogingen tot moord zal worden vrijgesproken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij te Zoetermeer op 14 september 2013, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1] (die daarbij in de linkerbil en rechter urineleider en de dikke darm en de dunne darm is geraakt waardoor de noodzaak bestond om een stoma aan te leggen) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij te Zoetermeer op 14 september 2013, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 2] (die daarbij in het linker bovenbeen en/ het rechter bovenbeen is geraakt) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 14 september 2013 te Zoetermeer ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 3], die daarbij in het rechter bovenbeen is geraakt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 14 september 2013 te Zoetermeer een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Crvena Zastava, model 99, kaliber 9 mm para), en munitie van categorie III, te weten 7 stuks scherpe patronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

4 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

4.1

Inleiding

Voordat verdachte de kogels afvuurde, heeft er tweemaal een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden tussen onder meer [slachtoffer 2] en [betrokkene] (hierna ook: [betrokkene]) enerzijds en verdachte anderzijds. Na het eerste incident, dat plaatsvond op het Stadhuisplein in Zoetermeer, reed verdachte op zijn scooter weg. Na ongeveer vijf minuten kwam hij weer terug, naar eigen zeggen om zijn aldaar achtergebleven jas en telefoon terug te krijgen. Op de trap richting het lagergelegen perron van randstadrailstation Stadhuisplein ontstond een schermutseling tussen verdachte en [slachtoffer 2]. Nadat [betrokkene] zich in de schermutseling aan de zijde van [slachtoffer 2] voegde, belandde verdachte onderaan het bovenste gedeelte van de trap op de grond van een plateau. Terwijl verdachte daar op de grond lag, werd hij, totdat [slachtoffer 3] tussen beiden kwam, gedurende ongeveer 25 seconden geschopt en geslagen door [slachtoffer 2] en [betrokkene]. Op de camerabeelden is te zien dat het geweld jegens verdachte om 5:17:35 uur stopt, dat verdachte om 5:17:41 uur overeind komt en vanaf het plateau de trap afdaalt naar het perron, dat hij om 5:17:47 uur alleen op het perron staat en ten slotte dat hij zijn wapen uit zijn broeksband pakt en daarmee, na dit te hebben doorgeladen, om 5:17:53 uur begint te schieten richting van onder meer zijn eerdere opponenten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat, toen hij na de schermutseling op het perron was beland, hij hoorde roepen “ga dat wapen halen!” en “we gaan hem schieten!”. Verdachte dacht op dat moment naar eigen zeggen “dan schiet ik eerst”. Hij had niet gezien dat iemand daadwerkelijk een vuurwapen had. Zijn besluit om te schieten, was naar eigen zeggen ingegeven door de gedachte dat een aanval de beste verdediging is.

4.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte handelde ter noodzakelijke verdediging tegen de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2] en [betrokkene] en dat hem daarom een beroep op noodweer toekomt. Indien zou worden aangenomen dat verdachte hierbij de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreven, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat dit het onmiddellijke gevolg was van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, zodat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.

4.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet kan slagen. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de noodweersituatie reeds was geëindigd op het moment dat verdachte begon te schieten en voorts dat ook niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft geschoten als gevolg van een hevige gemoedsbeweging.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de gevoerde verweren voorop dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] geenszins betrokken zijn geweest bij enige wederrechtelijke aanranding van verdachte. [slachtoffer 1] was een toevallige voorbijganger en [slachtoffer 3] heeft bij de eerdere schermutseling, mede naar zeggen van verdachte, juist een de-escalerende rol vervuld. Van een geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces jegens hen kan reeds daarom geen sprake zijn. Dat verdachte hierover verschoonbaar zou hebben gedwaald, is niet aangevoerd en ook overigens niet aannemelijk geworden. Het verweer treft derhalve in zoverre geen doel.

De rechtbank stelt voorts vast dat de aanranding door [slachtoffer 2] en [betrokkene] reeds 15 seconden was geëindigd op het moment dat verdachte de eerste schoten loste. Niet aannemelijk is geworden dat zij of één van hen op dat moment poogde(n) de aanval te hervatten. De verklaring van verdachte dat hij hoorde roepen dat er een wapen gehaald zou worden en dat er geschoten zou gaan worden, vindt geen steun in de overige verklaringen. Mede gelet hierop is het bestaan van een voortdurende dan wel actuele noodweersituatie op het moment dat verdachte de schoten loste, niet aannemelijk geworden.

Dat verdachte jegens [slachtoffer 2] een beroep op noodweerexces toekomt, omdat hij zou hebben geschoten als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de (eerdere) aanranding, is evenmin aannemelijk geworden. Hetgeen de raadsvrouw dienaangaande heeft aangevoerd, strookt niet met wat verdachte daaromtrent heeft verklaard. Weliswaar heeft verdachte verklaard angstige momenten te hebben doorgemaakt (vooral ten tijde van de aanranding op het plateau), de rechtbank kan zijn hiervoor onder 4.1 weergegeven verklaring echter niet anders begrijpen dan dat hij heeft geschoten ter afwending van een in zijn beleving te verwachten schot. Nog daargelaten dat, zoals hiervoor reeds overwogen, zijn verklaring op dit punt niet wordt ondersteund en voorts dat verdachte niet heeft verklaard in de veronderstelling te zijn geweest dat op dat moment onmiddellijk op hem zou worden geschoten, valt niet in te zien dat een dergelijke afweging was ingegeven door een hevige gemoedsbeweging (zoals door de raadsvrouw verwoord), te meer nu verdachte over het bestaan van een dergelijke gemoedsbeweging niet concreet heeft verklaard. Integendeel, uit de verklaring van verdachte kan juist worden opgemaakt dat hij een bewuste afweging heeft gemaakt.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is eveneens strafbaar, omdat evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van acht jaren, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Hierbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich jegens drie slachtoffers schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een vuurwapen in totaal acht kogels op hen af te vuren. De slachtoffers zijn daarbij geraakt in respectievelijk de buikstreek en de bovenbenen. Hiermee heeft hij op zeer ernstige en brute wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Een van de slachtoffers heeft een zeer ingrijpende hersteloperatie moeten ondergaan, bij het uitblijven waarvan hij ongetwijfeld was overleden. Zoals mede blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring, heeft het voorval de slachtoffers zeer veel leed berokkend. Hoewel een van de drie slachtoffers zich in de eerdere vechtpartij met verdachte niet onbetuigd heeft gelaten, heeft verdachte zich kennelijk in belangrijke mate laten leiden door agressieve gevoelens en daarbij ook de andere, volstrekt onschuldige slachtoffers ernstig benadeeld. Dat een en ander niet fataal is afgelopen, is een omstandigheid die niet aan verdachte is toe te schrijven. Mede gelet op het aantal afgevuurde kogels is het evenmin aan verdachte te danken dat niet meer van de aanwezige omstanders zijn geraakt. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Verder is bewezen verklaard dat verdachte een met munitie gevuld vuurwapen voorhanden heeft gehad; een ernstig misdrijf waarop door de wetgever niet zonder reden een zware straf is gesteld. Zoals ook in de onderhavige zaak is gebleken, leidt het voorhanden hebben van een dergelijk gebruiksklaar vuurwapen immers niet zelden tot het gebruik ervan, met alle gruwelijke gevolgen van dien.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 september 2013. Hieruit volgt dat verdachte meermalen is veroordeeld tot onder meer (langdurige) gevangenisstraffen vanwege ernstige (gewelds)delicten.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van pro justitia-rapporten van A.M.T. Spies, gz-psycholoog, d.d. 7 maart 2014 en van V. Vuijk, psychiater onder supervisie van B. van der Hoorn, psychiater, d.d. 2 juni 2014. De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid. De psychiater deelt deze conclusie echter niet zonder meer. Wel komt uit beide rapporten naar voren dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsorganisatie met narcistische, borderline en/of antisociale trekken. Anders dan de psycholoog beantwoordt de psychiater de vraag of een en ander kan worden aangemerkt als een persoonlijkheidsstoornis in engere zin ontkennend, omdat niet volledig is voldaan aan de toepasselijke criteria. Waar de psycholoog adviseert verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren, komt de psychiater niet tot een ziektebeeld dat van invloed kan zijn geweest op het tenlastegelegde. Mede omdat de psycholoog, anders dan de psychiater, haar conclusies in belangrijke mate heeft gestoeld op het feitelijke verloop van het bewezenverklaarde en de beleving van verdachte daarvan, kent de rechtbank meer waarde toe aan de bevindingen van de psychiater dan aan die van de psycholoog. De rechtbank zal dan ook, in navolging van de psychiater, verdachte als volledig toerekeningsvatbaar beschouwen.

Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 5 juni 2014. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de reclassering wordt geadviseerd, is evenwel, gelet op de ernst van de feiten, niet aan de orde.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat alleen een langdurige gevangenisstraf recht kan doen aan de gepleegde feiten. De door de officier van justitie gevorderde straf acht zij passend en geboden.

6 De vordering van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

a. [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 16.666,66, bestaande uit € 14.000,-- ter zake van immateriële schade en € 2.666,66 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

b. [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 3.287,65, bestaande uit € 3.000,-- ter zake van immateriële schade en € 287,65 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

c. [slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 3.050,--, bestaande uit € 3.000,-- ter zake van immateriële schade en € 50,-- ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat:

a. [slachtoffer 1] deels eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade, zodat zijn vordering moet worden gematigd, ten aanzien van de immateriële schade tot een bedrag van maximaal € 10.000,--;

b. [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding;

c. de vordering van [slachtoffer 3] moet worden gematigd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

a. [slachtoffer 1]

Materiële schade

De rechtbank zal het gevorderde toewijzen. De vordering is genoegzaam onderbouwd en de schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.

Immateriële schade

De rechtbank zal het gevorderde toewijzen. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij ernstig letsel aan het handelen van verdachte heeft overgehouden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 16.666,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2013, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan. De stelling van de raadsvrouw dat de benadeelde partij naar civiele maatstaven eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade, mist feitelijke grondslag en wordt als volstrekt ongefundeerd ter zijde geschoven.

Dit brengt mee dat verdachte voorts dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

b. [slachtoffer 2]

Materiële schade

De rechtbank acht het gevorderde in beginsel toewijsbaar. De vordering is genoegzaam onderbouwd en de schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.

Immateriële schade

De rechtbank acht het gevorderde in beginsel toewijsbaar. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat benadeelde partij ernstig letsel aan het handelen van verdachte heeft overgehouden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 3.287,65. De rechtbank zal evenwel overeenkomstig artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek de vergoedingsplicht verminderen met 33%, omdat de schade mede het gevolg is van de eerdere aanranding door de benadeelde partij jegens verdachte. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 2.202,73, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2013, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan.

Dit brengt mee dat verdachte voorts dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

c. [slachtoffer 3]

Materiële schade

De rechtbank zal het gevorderde toewijzen. De vordering is genoegzaam onderbouwd en de schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.

Immateriële schade

De rechtbank zal het gevorderde toewijzen. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat benadeelde partij ernstig letsel aan het handelen van verdachte heeft overgehouden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 3.050,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2013, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan.

Dit brengt mee dat verdachte voorts dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens voornoemde slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht en verdachte voor die feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van voornoemde bedragen, ten behoeve van de respectievelijke slachtoffers.

7 De in beslag genomen goederen

Onder verdachte zijn een vuurwapen en een kogelhuls in beslag genomen. Conform de vordering van de officier van justitie – tegen toewijzing waarvan de raadsvrouw zich niet heeft verzet – zal de rechtbank beide voorwerpen onttrekken aan het verkeer, nu hiermee het bewezenverklaarde is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 24 c, 36b, 36c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, 2 en 3:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 16.666,66, vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 14 september 2013 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 16.666,66, vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 118 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2], een bedrag van € 2.202,73, vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 14 september 2013 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.202,73, vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 32 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3], een bedrag van € 3.050,--, vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 14 september 2013 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.050,--, vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten een pistool (C. Zastava) en een huls.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mrs. V.J. de Haan en C. Fetter, rechters

in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van de politie met het nummer PL2013180714.

2 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], blz. 407 en 408; verklaring van verdachte ter zitting d.d. 13 juni 2014.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], blz. 379; verklaring van verdachte ter zitting d.d. 13 juni 2014.

4 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3], blz. 376 en 377; verklaring van verdachte ter zitting d.d. 13 juni 2014.

5 NFI-rapport, blz. 598; proces-verbaal van bevindingen, blz. 208; verklaring van verdachte ter zitting d.d. 13 juni 2014.

6 Verklaring van verdachte ter zitting d.d. 13 juni 2014.

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 221; verklaring van verdachte ter zitting d.d. 13 juni 2014.

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 13 juni 2014.

9 NFI-rapport H.N.J.M. van Venrooij d.d. 13 maart 2014, blz. 6.

10 Brief van [x], blz. 586.

11 NFI-rapport H.N.J.M. van Venrooij d.d. 5 maart 2014, blz. 5.

12 Verklaring van verdachte ter zitting d.d. 13 juni 2014; proces-verbaal van bevindingen, blz. 208 t/m 2010.

13 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 13 juni 2014.