Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7607

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
23-06-2014
Zaaknummer
AWB 13/10380
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2815, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat verweerder tot 1 januari 2013 Zuid-Korea niet als beschermingsalternatief tegenwierp aan Noord-Koreaanse asielzoekers. Geen rechtsregel staat in de weg aan het wijzigen van een uitvoeringspraktijk. Een dergelijke wijziging dient echter wel deugdelijk te worden gemotiveerd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat in afwijking van de tot 1 januari 2013 bestaande uitvoeringspraktijk ervan kan worden uitgegaan dat eiser zich in Zuid-Korea op het staatsburgerschap kan beroepen en dit van hem in redelijkheid kan worden verwacht. Verweerder werpt aan eiser een beschermingsalternatief tegen. Het is dan ook aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser zich in Zuid-Korea op het staatsburgerschap kan beroepen, en dus door het veiligheidsonderzoek zal komen, en toegang tot en bescherming van Zuid-Korea zal krijgen. Voorts heeft eiser aangevoerd dat in Zuid-Korea Noord-Koreaanse spionnen zijn en hij vreest voor repercussies voor zijn in Noord-Korea woonachtige opa en tante. De enkele overweging in het bestreden besluit dat de vrees van eiser slechts is gebaseerd op vermoedens die hij niet concretiseert of op enigerlei wijze onderbouwt, is een onvoldoende weerlegging van het gestelde risico. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 3:46 Awb niet deugdelijk gemotiveerd en dient om die reden te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Gelet op de in beroep ingebrachte informatie, de schriftelijk ingebrachte standpunten en het verhandelde ter zitting, heeft verweerder alsnog deugdelijk gemotiveerd dat in redelijkheid kan worden verwacht dat eiser zich onder de bescherming kan stellen van Zuid-Korea waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen. Dat eiser niet bereid is ten overstaan van de Zuid-Koreaanse autoriteiten in Nederland ter verkrijging van een laissez-passer te verklaren dat hij naar Zuid-Korea wil gaan, leidt niet tot een ander oordeel. De bereidheid een dergelijke verklaring af te leggen speelt geen rol bij de beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: AWB 13/10380

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 juni 2014 in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

gemachtigde: mr. H.C. van Asperen,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigden: mr. W. Vrooman en mr. M.O. Kanhai.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. W. Vrooman. Voorts is verschenen H.K. Kang, tolk in de Koreaanse taal.

Bij tussenbeslissing van 31 juli 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Bij brief van 26 september 2013 heeft de rechtbank verweerder verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en daartoe opgedragen een zevental vragen aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor te leggen.

Verweerder heeft bij brief van 2 december 2013 een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 november 2013 ingebracht. Eiser heeft bij brief van 3 januari 2014 gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 30 januari 2014 gereageerd.

Op 4 februari 2013 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.O. Kanhai.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Bij brief van 17 februari 2014 heeft verweerder nadere informatie ingebracht. Eiser heeft bij brief van 25 februari 2014 gereageerd. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de rechtbank op 17 april 2014 het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1.

Eiser heeft aan zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Hij bezit de Noord-Koreaanse nationaliteit en is geboren op 22 augustus 1994. Zijn vader is in 2000 gearresteerd door de Noord-Koreaanse veiligheidsdienst, tijdens die arrestatie ontsnapt en gevlucht naar China. Zijn vader heeft er vervolgens voor gezorgd dat in 2001 zijn moeder en zus en in 2006 eiser naar China konden komen. In China heeft het gezin geen legaal verblijf waardoor het in angst leeft te worden teruggestuurd naar Noord-Korea. Op 26 februari 2013 is eiser uit China vertrokken en via Duitsland naar Nederland gereisd. Eiser vreest bij terugkeer naar Noord-Korea te worden opgepakt.

2.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de grond dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gebaseerd op feiten en omstandigheden die grond voor verlening van een asielvergunning vormen. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiser toerekenbaar geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en reisroute heeft overgelegd. Verweerder heeft de Noord-Koreaanse nationaliteit van eiser geloofwaardig geacht. De vrees dat hij vanwege zijn vlucht uit Noord-Korea bij terugkeer zal worden vervolgd of onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden leidt niet tot vergunningverlening omdat van eiser in redelijkheid kan worden verwacht dat hij zich onder bescherming stelt van Zuid-Korea waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen.

3.

De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) aan eiser heeft tegengeworpen, faalt.

3.1.

Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. Eiser wordt geacht zijn verantwoordelijkheid voor het kunnen overleggen van bescheiden te onderkennen, zowel ten tijde van zijn beslissing zijn land te ontvluchten als tijdens zijn reis.

3.2.

Eiser heeft met zijn stelling dat hij jong, afhankelijk en ongeschoold is niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser door het meenemen en overleggen van Noord-Koreaanse postzegels en Noord-Koreaans geld blijk heeft gegeven van het besef van de verantwoordelijkheid zijn aanvraag te onderbouwen met bescheiden. Uit de verklaringen van eiser volgt niet dat sprake is geweest van dwang bij het afstaan van zijn paspoort. Eiser verklaart (pagina 10 van het verslag van het eerste gehoor) dat hij met een (vals) paspoort naar Duitsland is gereisd en dat hij dit paspoort heeft teruggegeven aan de reisagent nadat hij in Duitsland was aangekomen. Ook het vliegticket en de treinkaartjes van de reis van Duitsland naar Nederland zijn in handen geweest van de reisagent. De verklaring van eiser dat hij zich niet druk maakte over dergelijke dingen (pagina 11 van het verslag eerste gehoor) heeft verweerder in redelijkheid onvoldoende kunnen achten.

3.3.

Gelet hierop dient van eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht uit te gaan om het geloofwaardig te achten.

4.

De beroepsgrond dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht mist, faalt.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK8672, volgt dat reeds een enkele ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot de slotsom leidt dat het relaas positieve overtuigingskracht mist.

Verweerder heeft voor het standpunt dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht mist redengevend kunnen achten dat eiser vage, summiere en bevreemdende verklaringen heeft afgelegd op het niveau van relevante bijzonderheden van het relaas. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat eiser summiere verklaringen heeft afgelegd over de arrestatie van zijn vader door de veiligheidsdienst. Verweerder heeft in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser hierover op latere leeftijd niet meer te weten is gekomen en hier ook niet of nauwelijks naar heeft geïnformeerd nu de arrestatie aanleiding is geweest voor zijn vaders vertrek uit Noord-Korea en daarmee ook van eisers vertrek uit Noord-Korea. Eiser heeft niet bestreden dat verweerder voorts in redelijkheid bevreemdend heeft kunnen achten dat de ontsnapping en vlucht van de vader geen gevolgen heeft gehad voor het gezin. Tevens heeft verweerder in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat eiser vaag heeft verklaard over zijn verblijf in China en over hoe het gezin illegaal in China zou hebben kunnen verblijven. Ook als het gezin illegaal verbleef in China, heeft verweerder van eiser in redelijkheid kunnen verwachten dat hij meer over zijn verblijf van meer dan zes jaar in China kan verklaren. Daarbij is van belang dat verweerder ter zitting van 4 februari 2014 onweersproken heeft gesteld dat in China een gemeenschap van Noord-Koreaanse burgers permanent woonachtig is. Voor het relaas is een relevante bijzonderheid of eiser behoort tot die gemeenschap of een Noord-Koreaan is die naar China is gevlucht en daarom moet vrezen te worden teruggestuurd. Verweerder kan dat niet vaststellen als eiser vaag verklaart over dat verblijf.

5.

De beroepsgrond dat het bestreden besluit niet inzichtelijk maakt dat in redelijkheid kan worden verwacht dat eiser zich onder de bescherming kan stellen van

Zuid-Korea waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen, slaagt.

5.1

Op grond van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder e, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) vindt de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a dan wel b, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd plaats op individuele basis en houdt deze onder meer rekening met de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de vreemdeling zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen.

5.2

Eiser heeft aangevoerd dat sinds januari 2013 sprake is van een wijziging in de beoordeling van asielaanvragen van Noord-Koreanen en dat verweerder deze wijziging niet heeft gemotiveerd.

Verweerder heeft het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen gebaseerd op de Operational Guidance Notes North Korea van UK Home Office van september 2008, 2 juli 2010 en 27 september 2012 (Guidance Notes) en het Country of Origin Report ‘Democratic People’s Republic of Korea’ van 15 september 2008 van UK Border Agency (COI- rapport). Volgens verweerder blijkt uit de Guidance Note van 27 september 2012 en het COI-rapport dat Noord-Koreanen die Noord-Korea illegaal hebben verlaten toegang hebben tot Zuid-Korea en daar mogen verblijven. Uit de Guidance Notes van september 2008 en juli 2010 blijkt dat Noord-Koreanen door Zuid-Korea als eigen onderdanen worden beschouwd, mits een veiligheidsonderzoek niet anders doet besluiten. Verweerder heeft gesteld meer inzicht te hebben verkregen in het te verrichten veiligheidsonderzoek, hetgeen mede aanleiding heeft gevormd voor de beleidswijziging.

5.3

Niet in geschil is dat verweerder tot 1 januari 2013 Zuid-Korea niet als beschermingsalternatief tegenwierp aan Noord-Koreaanse asielzoekers. Dit was niet neergelegd in een beleidsregel maar was uitvoeringspraktijk. Met het bestreden besluit is verweerder van die uitvoeringspraktijk afgeweken. Geen rechtsregel staat in de weg aan het wijzigen van een uitvoeringspraktijk. Ook het gelijkheidsbeginsel vormt, anders dan eiser stelt, daarvoor geen beletsel. Een dergelijke wijziging dient echter wel deugdelijk te worden gemotiveerd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat in afwijking van de tot 1 januari 2013 bestaande uitvoeringspraktijk ervan kan worden uitgegaan dat eiser zich in Zuid-Korea op het staatsburgerschap kan beroepen en dit van hem in redelijkheid kan worden verwacht. Immers, verweerder stelt in het bestreden besluit enkel dat uit de genoemde bronnen blijkt dat Noord-Koreanen door Zuid-Korea als eigen onderdanen worden beschouwd, mits een veiligheidsonderzoek niet anders doet besluiten, zonder daarbij toe te lichten wat het veiligheidsonderzoek inhoudt. Eiser voert terecht aan dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij niet door het veiligheidsonderzoek zal komen en geen toegang tot en bescherming van Zuid-Korea zal krijgen. Verweerder werpt aan eiser een beschermingsalternatief tegen. Het is dan ook aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser zich in Zuid-Korea op het staatsburgerschap kan beroepen, en dus door het veiligheidsonderzoek zal komen, en toegang tot en bescherming van Zuid-Korea zal krijgen.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat in Zuid-Korea Noord-Koreaanse spionnen zijn en hij vreest voor repercussies voor zijn in Noord-Korea woonachtige opa en tante. Eiser heeft daarbij verwezen naar bij de zienswijze overgelegde landeninformatie, te weten een artikel uit de Australian Refugee Review Tribunal van 17 april 2007 en een tekstfragment van www.ukfreedom.org uit februari 2012. Eiser voert terecht aan dat verweerder in het bestreden besluit niet op deze landeninformatie is ingegaan. Dit klemt temeer nu verweerder ter zitting van 11 juli 2013 heeft bevestigd ermee bekend te zijn dat in Zuid-Korea

Noord-Koreaanse spionnen zijn. De enkele overweging in het bestreden besluit dat de vrees van eiser slechts is gebaseerd op vermoedens die hij niet concretiseert of op enigerlei wijze onderbouwt, is een onvoldoende weerlegging van het gestelde risico.

6.

Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd en dient om die reden te worden vernietigd.

7.

Het beroep is gegrond.

8.

De rechtbank ziet op grond van het navolgende aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

8.1

In het verweerschrift, door verwijzing naar de uitspraken van de deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 1 mei 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1007, en zittingsplaats Den Haag van 19 juni 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:7804, en ter zitting heeft verweerder toegelicht dat in 2007 is besloten om aan Noord-Koreanen niet langer

Zuid-Korea als verblijfsalternatief tegen te werpen omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestond. Naar aanleiding van een verhoogde instroom van Noord-Koreanen is bezien of deze praktijk moest worden voortgezet. Het ter implementatie van artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn) ingevoerde artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder e, van het VV 2000 biedt thans een wettelijke grondslag voor dat verblijfsalternatief. Naar aanleiding van de verhoogde instroom is besloten met ingang van 1 januari 2013 in concrete gevallen te bezien of van een Noord-Koreaanse staatsburger mag worden verwacht dat deze zich onder de bescherming stelt van Zuid-Korea omdat een beroep kan worden gedaan op het staatsburgerschap van dat land.

Met de gegeven toelichting heeft verweerder alsnog afdoende gemotiveerd waarom hij tot wijziging van de uitvoeringspraktijk is overgegaan.

8.2

Zoals verweerder voorts met verwijzing naar voormelde uitspraken van 1 mei 2013 en 19 juni 2013 heeft toegelicht, is in de Guidance Note van 27 september 2012, pagina 7, vermeld dat de meeste Noord-Koreanen ook Zuid-Koreaan zijn, omdat ze die nationaliteit bij de geboorte verkrijgen door afstamming van een Koreaanse ouder. Bij een afwezigheid van meer dan tien jaren van het Koreaanse schiereiland wordt aangenomen dat men een andere nationaliteit heeft verkregen en de Zuid-Koreaanse nationaliteit heeft verloren. In dat geval kan de Zuid-Koreaanse nationaliteit wel weer worden verkregen. Noord-Koreanen kunnen in beginsel in Zuid-Korea verblijven en recht hebben op dat staatsburgerschap. Met betrekking tot het veiligheidsonderzoek dat wordt verricht alvorens toegang tot Zuid-Korea wordt verleend, is in het COI-rapport, pagina 71, vermeld dat niet alle Noord-Koreanen automatisch als Zuid-Koreaan worden geaccepteerd. Het gaat dan om personen die langere tijd in een derde land hebben verbleven en om internationale criminelen zoals moordenaars, vliegtuigkapers, drugssmokkelaars of terroristen. Voor het begrip ‘langere tijd’ heeft verweerder verwezen naar de Guidance Note van 2 juli 2010 waaruit blijkt dat het een periode van meer dan tien jaren betreft. Voorts volgt uit het COI-rapport dat, indien het veiligheidsonderzoek geen positieve uitkomst heeft, dit geen effect heeft op het verkrijgen van het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap, maar dat mogelijk sociale of financiële bijstand aan de betreffende Noord-Koreaan wordt onthouden.

8.3

De rechtbank stelt vast dat deze informatie is te herleiden tot een interview met een consulaire medewerker van de ambassade van Zuid-Korea in Ottowa, Canada, van 20 mei 2008, die zich daarbij heeft gebaseerd op de ‘2005 Unification White Paper’ en een email-bericht van 1 september 2008 van het Zuid-Koreaanse Immigration Bureau in Seoul. De rechtbank acht dit een onvoldoende basis om enkel van de informatie uit deze bronnen te mogen uitgaan, mede in aanmerking genomen dat verweerder tot 1 januari 2013 Zuid-Korea niet als beschermingsalternatief aan Noord-Koreaanse asielzoekers heeft tegengeworpen. Bovendien kan verweerder op eenvoudige wijze via de Nederlandse vertegenwoordiging in Zuid-Korea verifiëren of nog steeds van deze informatie kan worden uitgegaan. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat niet in geschil is dat zich in Zuid-Korea Noord-Koreaanse spionnen ophouden.

8.4

De rechtbank heeft bij brief van 26 september 2013 verweerder daarom verzocht schriftelijk inlichtingen te geven door vragen voor te leggen via het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Nederlandse vertegenwoordiging in Seoul, Zuid-Korea. De vragen zijn door het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij brief aan verweerder van 6 november 2013 (kenmerk DCM/MA-2013/267) als volgt beantwoord:

“Kunt u bij beantwoording van de hierna vermelde vragen aangeven of één of meerdere van de volgende omstandigheden relevant kunnen zijn en zo ja, wat de betekenis daarvan is;

a. verblijf van een Noord-Koreaan in China; irrelevant.

b. aanwezigheid van achtergebleven familieleden in Noord-Korea; irrelevant.

c. documentloosheid van een Noord-Koreaan; irrelevant (niemand heeft documenten).

d. inreis in Nederland met een minderjarig kind; irrelevant.

1.

Welke wetgeving is van toepassing op een Noord-Koreaan die zich in Zuid-Korea zal beroepen op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap?

Antwoord: Een Noord-Koreaans staatsburger verwerft het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap automatisch zodra hij voor het eerst aankomt in Zuid-Korea en wel uit hoofde van de Zuid-Koreaanse grondwet, die bepaalt dat het grondgebied van de Republiek Korea bestaat uit het volledige Koreaanse schiereiland en de aangrenzende eilanden. Andere wetgeving die van toepassing is op nieuw aangekomen Noord-Koreanen is “de wet inzake bescherming en ondersteuning bij hernieuwde vestiging voor Noord-Koreaanse overlopers’.

2.

Welk beleid is van toepassing op een Noord-Koreaan die zich in Zuid-Korea zal beroepen op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap?

Antwoord: Zuid-Korea laat zonder uitzondering iedere Noord-Koreaanse overloper toe. Dit beleid wordt bepaald door de “wet inzake bescherming en ondersteuning bij hernieuwde vestiging voor Noord-Koreaanse overlopers”, en wordt hierna in detail uiteengezet.

3.

Hoe wordt, als een Noord-Koreaan zich beroept op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap, vastgesteld dat die persoon afkomstig is uit Noord-Korea?

Antwoord: Zodra een Noord-Koreaanse overloper aankomt in Zuid-Korea wordt hij ondervraagd door een onderzoeksinstantie van de overheid die een onderzoek instelt naar zijn achtergrond en nationaliteit. Zodra deze instantie heeft vastgesteld dat het werkelijk een Noord-Koreaanse overloper betreft, verwerft hij automatisch het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap.

4.

Indien een Noord-Koreaan voor een geslaagd beroep op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap een aanvraagprocedure volgens de Zuid-Koreaanse regelgeving moet doorlopen:

- hoe verloopt die procedure?

- waar wordt de aanvraag ingediend?

- hoe verloopt de besluitvorming?

- wat zijn de vereisten?

- wat moet de aanvrager bewijzen?

- wat zijn de afwijzingsgronden?

- hoe lang duurt die procedure?

- en waar verblijft de persoon gedurende de procedure?

Antwoord: Aangezien iedere Noord-Koreaan geacht wordt het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap te bezitten, behoeft alleen de procedure voor de inschrijving als ingezetene te worden doorlopen en dient er een identiteitskaart te worden verstrekt (voor aanvragers ouder dan 18). Zodra het onderzoek door bovengenoemde instantie is afgerond, ontvangen Noord-Koreaanse overlopers de nodige scholing en opleiding voor de aanpassing aan het leven in Zuid-Korea. Dit geschiedt gedurende 12 weken in Hanawon, een centrum van de overheid voor inburgering en opleiding, dat geleid wordt door het ministerie van Eenwording. Tijdens deze periode vindt de registratieprocedure voor ingezetenen plaats. In de praktijk betekent dit dat ambtenaren van het ministerie van Eenwording de nodige documenten invullen en deze indienen bij een rechtbank die de conclusies van de instantie formeel bevestigt dat de betrokken persoon inderdaad een Noord-Koreaanse overloper is. Deze procedure is van toepassing op alle Noord-Koreaanse overlopers en kan niemand ontzegd worden die zich met succes heeft beroepen op het Noord-Koreaanse staatsburgerschap. Na afronding van de training in Hanawon ontvangen Noord-Koreaanse overlopers die ouder zijn dan 18 jaar hun identiteitskaart en kunnen zij kiezen waar zij in Zuid-Korea willen gaan wonen. Zij worden door de overheidsfunctionarissen in hun woonomgeving begeleid bij de juiste stappen voor de registratie als ingezetene etc.

5.

Welke feiten zijn bekend over de gevolgen voor een Noord-Koreaan die zich zonder succes beroept op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap?

Antwoord: Zodra de voornoemde instantie heeft bevestigd dat de persoon in kwestie inderdaad een Noord-Koreaanse overloper is, wordt deze persoon automatisch Zuid-Koreaans staatsburger, daarom zal niemand die werkelijk overgelopen is het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap geweigerd worden.

Indien echter blijkt dat het kandidaten betreft die geen Noord-Koreaans staatsburger zijn, worden zij uitgezet. Dit blijken gewoonlijk Chinese staatsburgers te zijn. Theoretisch is het mogelijk dat de voornoemde instantie vaststelt dat de persoon in kwestie geen Noord-Koreaanse overloper is, maar een Noord-Koreaanse agent of spion. Niet bekend is hoe de Zuid-Koreaanse autoriteiten met deze mensen omgaan, aangezien dit waarschijnlijk als zeer geheime informatie wordt aangemerkt.

6.

Welke feiten zijn bekend over gevolgen voor in Noord-Korea verblijvende familieleden, indien een Noord-Koreaan zich zonder succes beroept op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap?

Antwoord: Geen enkele Noord-Koreaanse overloper heeft ooit de bovengenoemde procedures doorlopen zonder succes. Zij hebben allen het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap verkregen.

7.

Welke feiten zijn bekend over gevolgen voor in Noord-Korea verblijvende

familieleden, indien een Noord-Koreaan zich met succes beroept op het Zuid-

Koreaanse staatsburgerschap?

Antwoord: De familieleden van overlopers kunnen daarvan negatieve gevolgen ondervinden variërend van de dood tot het verliezen van hun werk. Dit hangt vooral af van de status en het niveau van de overloper. Een hooggeplaatste of waardevolle overloper brengt zijn familie ernstiger in gevaar dan een gewone burger. Het feit is echter dat er zoveel mensen vluchten dat het regime onmogelijk al hun familieleden kan straffen, ook wanneer de autoriteiten ontdekt hebben dat er mensen gevlucht zijn. Een verdwijning wordt bovendien niet altijd als een geval van overlopen beschouwd. Noord-Koreaanse overlopers in Zuid-Korea slagen er vaak in contact te leggen met hun familie in Noord-Korea. Zo worden er brieven meegegeven aan of wordt er geld overgemaakt via etnische Koreanen in China of via mensen die in het grensgebied wonen. Dit alles verloopt in het geheim, maar is niet ongebruikelijk en de familieleden lijken er niet door in gevaar te worden gebracht.

Desgevraagd ter zitting van 4 februari 2014 heeft verweerder bij brief van 17 februari 2014 een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 februari 2014, kenmerk ÜCM/MA-2014/O2S, overgelegd waarin per vraag de geraadpleegde bron of instantie is vermeld. Samengevat is de informatie afkomstig van:

- Ministerie van Eenwording: een wetgevingsdeskundige via telefonisch contact,

- Ambassade Verenigd Koninkrijk: Politiek Secretaris via telefonisch contact,

- Database Center for North Korean Human Rights: een senior researcher via persoonlijke gesprekken. Tijdens de gesprekken werd een en ander telefonisch nog geverifieerd met NOKS en/of NDKB collegae deskundigen en het Ministerie van Eenwording,

- Ambassade Koninkrijk der Nederlanden te Seoul, Zuid Korea: ambassademedewerker, informatie al dan niet op grond van eigen waarneming.

8.5

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de verstrekte inlichtingen in zijn algemeenheid worden aangenomen dat een Noord-Koreaans staatsburger tot het grondgebied van Zuid-Korea wordt toegelaten en zich aldaar op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap kan beroepen. Uit de antwoorden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, onder andere de antwoorden op vraag vijf en zes, volgt dat het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap alleen wordt geweigerd indien door een onderzoeksinstantie van de

Zuid-Koreaanse overheid wordt vastgesteld dat de vreemdeling geen Noord-Koreaans staatsburger is. Het door eiser ingebrachte artikel van A. Wolman, ‘North Korean Asylum Seekers and Dual Nationality’, in International Journal of Refugee law, volume 24 nummer 4, pagina’s 793-814 en de daarin besproken uitspraak van het Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) van het Verenigd Koninkrijk van 6 en 7 juli 2010 in de zaak KK and others vormen voor de rechtbank geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan het voorgaande. Uit pagina 809 volgt dat de informatie waarop die uitspraak is gebaseerd inmiddels is verouderd. In januari 2011 is een herziening van de ‘Nationality Act’ van Zuid-Korea in werking is getreden. Op grond daarvan is het bezit van een tweede nationaliteit in veel gevallen toegestaan, behalve indien een volwassene vrijwillig genaturaliseerd wordt in een derde land. Daarbij is bovendien opgemerkt dat Zuid-Korea zich ervan bewust is dat China doorgaans niet na een bepaalde tijd de Chinese nationaliteit verleent aan Noord-Koreaanse overlopers. Dit wijkt niet af van de door verweerder ingebrachte informatie dat langdurig verblijf in China niet relevant is voor het verkrijgen van het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap. Dat uit de antwoorden niet volgt dat criminele antecedenten relevant kunnen zijn voor het verkrijgen van het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap vormt evenmin een concreet aanknopingspunt voor die twijfel. Uit het COI-rapport en het door verweerder in de brief van 30 januari 2014 genoemde artikel van Immigration and Refugee Board of Canada van 2 augustus 2013 volgt dat criminele antecedenten geen effect hebben op het verkrijgen van het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap, maar dat mogelijk sociale of financiële bijstand aan de betreffende Noord-Koreaan wordt onthouden.

8.5.1

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn situatie het niet mogelijk is zich op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap te beroepen. De stelling dat eiser niet zal kunnen bewijzen dat hij pas in 2006 vanuit Noord-Korea naar China is gegaan omdat zijn ouders al eerder naar China zijn gereisd, biedt daarvoor geen grond. Niet in geschil is dat eiser Noord-Koreaans staatsburger is. Verweerder mag uitgaan van de verklaring van eiser dat hij in 2006 vanuit Noord-Korea naar China is gereisd en daar tot 26 februari 2013 heeft verbleven. Uit de antwoorden volgt dat verblijf van een Noord-Koreaan in China, ook indien dit langer is dan tien jaren, niet in de weg staat aan het verkrijgen van het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap.

8.6.

De vraag of verweerder op de voet van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder e, van het VV 2000 in redelijkheid kan verwachten dat eiser zich onder de bescherming kan stellen van Zuid-Korea, beantwoordt de rechtbank bevestigend.

8.6.1

Met de beantwoording van de vragen is aannemelijk gemaakt dat een Noord-Koreaans staatsburger aanspraak kan maken op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap en van de Zuid-Koreaanse autoriteiten onderdak zal verkrijgen en scholing en opleiding voor de aanpassing aan het leven in Zuid-Korea en derhalve niet naar Noord-Korea wordt uitgezet. In zoverre kan dan ook in redelijkheid worden verwacht dat eiser zich onder bescherming kan stellen van Zuid-Korea.

8.6.2

Voorts blijkt uit het antwoord op vraag zeven dat de mogelijke negatieve gevolgen voor in Noord-Korea verblijvende familieleden van overlopers vooral afhangen van het niveau en de status van de betreffende overloper. Een hooggeplaatste of waardevolle overloper brengt zijn familie ernstiger in gevaar dan een gewone burger. Hieruit leidt de rechtbank af dat Noord-Koreaanse spionnen in Zuid-Korea zich voornamelijk richten op personen die in enige mate van belang zijn voor het behoud van het regime in Noord-Korea.

De loutere mogelijkheid of geringe kans dat ook familieleden van gewone burgers gevaar lopen, zoals volgens eiser volgt uit de beantwoording van vraag zeven, biedt onvoldoende grondslag voor de erkenning van de behoefte aan internationale bescherming terzake. De rechtbank wijst in dit verband naar de bij het voorstel voor de Definitierichtlijn gegeven toelichting op de norm voor het beoordelen van gestelde vrees voor vervolging of blootstelling aan ernstige schade (COM (2001) 501, Brussel 12 september 2001, pagina 16). Voor zover eiser met de door hem in de zienswijze overgelegde landeninformatie en het bij brief van 3 januari 2014 overgelegde artikel uit de Washington Post van 18 mei 2013 heeft willen aantonen dat er een meer dan loutere mogelijkheid of geringe kans is dat iedere overloper door Noord-Koreaanse spionnen zal worden ontdekt en daardoor familieleden in Noord-Korea gevaar zullen lopen, is de rechtbank van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Uit dat artikel kan niet worden afgeleid waar de genoemde spionage-activiteiten op waren gericht. Het artikel uit de Australian Refugee Review Tribunal van

17 april 2007 is gedateerd. Bovendien volgt daaruit slechts dat in de periode tot 2007 Noord-Koreaanse spionnen in Zuid-Korea actief waren. Uit dit artikel valt niet af te leiden waar de daarin genoemde spionage-activiteiten op waren gericht. Uit het tekstfragment van www.nkfreedom.org uit februari 2012 volgt niet dat de daarin beschreven problemen het gevolg zijn van spionage-activiteiten in Zuid-Korea.

8.6.3

Eiser is niet een hooggeplaatste of waardevolle overloper. Eiser heeft in dit verband weliswaar gesteld dat zijn vader door de Noord-Koreaanse autoriteiten werd gezocht omdat hij contact legde tussen Noord-Koreanen en hun familieleden in Zuid-Korea. Eiser heeft deze stelling evenwel niet aannemelijk gemaakt nu deze deel uitmaakt van zijn asielrelaas dat verweerder in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Voorts volgt uit zijn verklaringen dat eiser geen problemen in Noord-Korea heeft ondervonden nadat zijn vader in 2000 naar China is gevlucht. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte zullen geraken van het verblijf van hem in Zuid-Korea en dat daardoor gevaar dreigt voor zijn in Noord-Korea verblijvende familieleden.

8.7.

Gelet op de in beroep ingebrachte informatie, de schriftelijk ingebrachte standpunten en het verhandelde ter zitting, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank alsnog deugdelijk gemotiveerd dat in redelijkheid kan worden verwacht dat eiser zich onder de bescherming kan stellen van Zuid-Korea waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen. Van eiser kan dan ook in redelijkheid worden verwacht dat hij zich op zijn Zuid-Koreaans staatsburgerschap beroept en zich onder de bescherming van dit land stelt. Dat eiser niet bereid is ten overstaan van de Zuid-Koreaanse autoriteiten in Nederland ter verkrijging van een laissez-passer te verklaren dat hij naar Zuid-Korea wil gaan, leidt niet tot een ander oordeel. De bereidheid een dergelijke verklaring af te leggen speelt geen rol bij de beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

9.

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 11 juli 2013, 0,5 punt voor de nadere reactie, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting op 4 februari 2014, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzitter, en mr. C. Vogtschmidt en mr. J.J. Klomp, leden, in aanwezigheid van mr. S. Wierink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.