Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7538

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
09-777449-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met vier jonge kinderen. De ontuchtige handelingen vonden plaats op het schoolplein in de buurt van waar de verdachte en de slachtoffers wonen.

Door zijn seksueel grensoverschrijdende gedrag heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar iedere minderjarige recht op heeft, bij zijn slachtoffers doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat ontucht vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Dat dit ook in het geval van de ouders van de slachtoffers het geval is, kan worden opgemaakt uit de slachtofferverklaringen van de ouders, zoals die ter terechtzitting zijn voorgelezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777449-13

Datum uitspraak: 19 juni 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 5 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. K.P. Mandos, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 juli 2013 te[plaats] door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

- [slachtoffer 1] [geboortedatum] en/of

- [slachtoffer 2] [geboortedatum] en/of

- [slachtoffer 3] [geboortedatum] en/of

-[slachtoffer 4] [geboortedatum]

heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], hebbende verdachte

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

zijn penis doen/laten likken en/of

- zijn penis in de mond van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 4] zijn, verdachtes, penis laten vasthouden en/of aan de penis van verdachte doen/laten trekken en/of verdachte doen/laten aftrekken en/of

- zijn vinger op de vagina en/of in de vagina en/of tussen de schaamlippen van

die [slachtoffer 4] gebracht en/of die [slachtoffer 4] gevingerd

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- tegen die[slachtoffer 3] heeft gezegd dat hij keihard op zijn neus zou worden geslagen als [slachtoffer 3] het niet zou doen en/of

- tegen die[slachtoffer 4] heeft gezegd dat verdachte haar moeder dood ging schieten als zij het niet deed en/of dat verdachte haar moeder ging neersteken als zij het niet deed en/of dat verdachte haar moeder iets aan zou doen en/of (aldus) voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

en/of

hij op of omstreeks 27 juli 2013 te[plaats] met

-[slachtoffer 1] [geboortedatum]en/of

- [slachtoffer 2] [geboortedatum] en/of

- [slachtoffer 3][geboortedatum] en/of

-[slachtoffer 4] [geboortedatum])

die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had(den) bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of[slachtoffer 4], hebbende verdachte

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zijn penis doen/laten likken en/of

- zijn penis in de mond van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] gedaan en/of

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zijn, verdachtes, penis laten vasthouden en/of aan de penis van verdachte doen/laten trekken en/of verdachte doen/laten aftrekken en/of

- zijn vinger op de vagina en/of in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 4] gebracht en/of die [slachtoffer 4] gevingerd;

artikel 244 Wetboek van Strafrecht

artikel 242 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2013 te [plaats] [D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een samoeraizwaard in de richting van [D] gezwaaid;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van feit 1 en 2 op de dagvaarding het volgende af.

Op 29 juli 2013 is jegens verdachte aangifte gedaan van seksueel misbruik van vier kinderen: [slachtoffer 1][geboortedatum],[slachtoffer 2] [geboortedatum], [slachtoffer 3] [geboortedatum]en [slachtoffer 4][geboortedatum]

In dit verband kan uit het dossier worden opgemaakt dat [A], de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], in haar aangifte2 heeft verklaard dat zij een dag eerder (aldus op 28 juli 2013) van[getuige 1] en [getuige 2], twee jongens uit de buurt, had gehoord dat de verdachte voornoemde kinderen heeft misbruikt en dat zij allerlei seksueel getinte handelingen bij hem moesten verrichten. [B], de moeder van [slachtoffer 4], heeft in haar aangifte verklaard3 dat [slachtoffer 4] haar op 29 juli 2013 had verteld dat zij [verdachte] moest aftrekken.

[C], de moeder van[slachtoffer 3], heeft in haar aangifte verklaard4 dat zij van aangeefster [A] had vernomen dat [slachtoffer 4] de verdachte moest aftrekken en pijpen.

Nadat de ouders van de vier slachtoffers op de hoogte waren gebracht van hetgeen zich tussen de verdachte en hun kinderen zou hebben afgespeeld, heeft aangever [D], de vader van [slachtoffer 3], diezelfde dag (aldus 28 juli 2013) besloten de verdachte bij zijn woning op te zoeken. Hij was toen naar eigen zeggen “compleet over de rooie”. [B], de moeder van [slachtoffer 4]was daar op dat moment al aanwezig. Volgens [D] ging zij op dat moment “compleet uit haar plaat” tegen de moeder van de verdachte. Daarop liep de moeder van de verdachte haar woning binnen en deed de deur dicht. Daarna kwam getuige [getuige 3]. Laatstgenoemde en [D] zijn naar de achterkant van deze woning gelopen omdat zij de verdachte en zijn moeder wilden spreken. Bij de “brandgang” achter de woning zagen zij op een gegeven moment de verdachte, die een samoeraizwaard in zijn handen had. [D] heeft diezelfde dag aangifte gedaan van bedreiging door de verdachte.5

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking ten aanzien van feit 1 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting (eerste cumulatief/alternatief), dan wel aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 4], [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], die op dat moment de leeftijd van twaalf jaren niet hadden bereikt (tweede cumulatief/alternatief). Ten aanzien van feit 2 bestaat de verdenking eruit, dat verdachte [D] heeft bedreigd door in diens richting te zwaaien met een samoeraizwaard. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 tenlastegelegde. Ook ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw verzocht verdachte vrij te spreken. Subsidiair heeft zij gesteld dat er ten aanzien van feit 2 sprake is van noodweer, dan wel noodweerexces, zodat hier ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 1

Vastgesteld kan worden dat verdachte op 27 juli 2013 zich samen met[slachtoffer 4], [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en[slachtoffer 1] heeft bevonden op het schoolplein van [locatie A] te [plaats].6 Het is de vraag of verdachte zich toen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele c.q. ontuchtige handelingen met deze kinderen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. In dit verband wordt het volgende overwogen.

Hoewel de slachtoffers niet steeds tot in detail overeenkomstig hebben verklaard, hebben zij zeer korte tijd na het tenlastegelegde zeer gedetailleerd (tegenover deskundige verbalisanten in een speciaal daartoe ingerichte studio) verteld over de seksuele handelingen van en met verdachte. Hun verklaringen komen wat dit betreft grotendeels en op essentiële onderdelen met elkaar overeen. Zo heeft [slachtoffer 4] verklaard dat zij de verdachte als eerste is gaan aftrekken en hem daarna moest likken en dat daarna ook [slachtoffer 2],[slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] dit bij de verdachte hebben gedaan.7 [slachtoffer 3] heeft de verklaring van[slachtoffer 4] in zoverre bevestigd dat hij heeft verklaard dat hij, [slachtoffer 4],[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]alle vier aan de piemel van [verdachte] moesten zitten.8[slachtoffer 4] moest vervolgens de piemel van[verdachte] likken.9 Uit de verklaring van[slachtoffer 1] kan worden opgemaakt dat [slachtoffer 4], [slachtoffer 3]en [slachtoffer 2] aan de piemel van [verdachte]hebben gezeten en dat hieraan is gelikt. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ook hij aan de piemel van [verdachte] heeft gezeten.10 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij iets bij een jongen heeft moeten doen.11
Bovendien worden deze verklaringen bevestigd door hetgeen aangevers (zoals hierboven onder 3.1 omschreven) tegenover de politie hebben verklaard. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaringen van de slachtoffers voldoende betrouwbaar en overtuigend.

Dat, zoals de verdachte ter zitting nog heeft geopperd, sprake zou zijn van een complot van de buurt (althans van de ouders van de slachtoffers) dat erop zou zijn gericht hem uit de buurt te werken, mist feitelijke grondslag en is dus niet komen vast te staan.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 ten laste gelegde feit, met dien verstande dat verdachte van het eerste cumulatief/alternatief zal worden vrijgesproken,nu de rechtbank uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet de overtuiging heeft gekregen dat sprake is geweest van ‘dwang’ (al dan niet door geweld of een andere feitelijkheid) in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaring van[X],12 die met betrekking tot de vermeende bedreiging in grote mate afwijkt van hetgeen door [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] hierover is verklaard.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank derhalve feit 1 tweede cumulatief/alternatief (op na te melden wijze) bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Vastgesteld kan worden dat verdachte (onder meer in de “brandgang” achter zijn woning) op relatief korte afstand van [D] heeft gestaan en dat hij op dit moment een Samuraizwaard in zijn handen had. De verdachte heeft verklaard dat hij het zwaard alleen in zijn handen had en er verder niets mee zou hebben gedaan, maar dat wordt door de rechtbank niet gevolgd. [D] heeft immers verklaard dat verdachte met het zwaard in zijn richting stond te zwaaien13 en dit wordt bevestigd door de verklaring van[getuige 3].14 Voorts heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij het samuraizwaard had gepakt om zijn moeder te verdedigen,15 en bovendien heeft hij ter terechtzitting aangegeven dat hij op het moment dat hij met het zwaard in zijn handen stond “niet echt heeft nagedacht”.16

Het voorgaande maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte op 28 juli 2013 de aangever met een samoeraizwaard heeft bedreigd. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het op korte afstand zwaaien met een samuraizwaard – ook onder de gegeven omstandigheden, en los van de vraag of het zwaard zich al dan niet in de schede bevond – bij [D] de redelijke vrees kon laten ontstaan dat verdachte hem van het leven zou beroven. De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde derhalve (op na te melden wijze) bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 27 juli 2013 te 's-Gravenhage met

- [slachtoffer 1] [geboortedatum] en

-[slachtoffer 2][geboortedatum] en

- [slachtoffer 3] [geboortedatum]en

- [slachtoffer 4] [geboortedatum]

die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet hadden bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], hebbende verdachte

-[slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn penis laten likken en

- zijn penis in de mond van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gedaan en

- die [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en[slachtoffer 4] zijn, verdachtes, penis laten vasthouden en aan de penis van verdachte laten trekken;

2.

hij op 28 juli 2013 te [plaats] [D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een samoeraizwaard in de richting van [D] gezwaaid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is ten aanzien van feit 1 strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank het volgende. Uit het dossier komt naar voren dat, nadat ouders van de slachtoffers hadden gehoord (met zoveel woorden) dat hun kinderen door verdachte zouden zijn misbruikt, een hectische situatie is ontstaan. Familieleden van de slachtoffers zijn in emotionele toestand naar de woning van verdachte en zijn moeder gegaan. Zoals de [getuige 3] omschrijft waren naast die familieleden verder veel mensen eromheen aanwezig. Toen de moeder van verdachte en verdachte zelf niet naar buiten wilden komen, is er tegen de voordeur getrapt en is een ruit van die woning vernield. Er is naar de verdachte en diens moeder gescholden en geschreeuwd. Twee volwassen mannen hebben getracht via de achterkant van de woning verdachte te bewegen naar buiten te komen. De verklaring van de verdachte hieromtrent wordt bevestigd door de aangever en [getuige 3]. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een voor de verdachte dermate dreigende situatie, dat de rechtbank met de raadsvrouw van verdachte van oordeel is, dat hier sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding zoals bedoeld in lid 1 van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, een zogenaamde noodweersituatie.

Naar eigen zeggen heeft verdachte, die op dat moment pas 13 jaar was, ter verdediging een samoeraizwaard ter hand genomen, teneinde de aanwezige buurtbewoners te verjagen en met name zijn moeder en hun woning te verdedigen. De rechtbank acht hiermee op zichzelf de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden, aangezien uit het dossier niet voldoende aannemelijk is geworden dat geen andere minder heftige methode ter verdediging mogelijk was. Echter, de rechtbank acht, zeker gelet op de zeer jeugdige leeftijd van verdachte ten opzichte van de toen en daar aanwezige volwassenen, wel voldoende aannemelijk dat de door verdachte gehanteerde vorm van verdediging was ingegeven door een bij hem ontstane zodanige hevige gemoedstoestand als gevolg van de hierboven geschetste situatie, dat naar het oordeel van de rechtbank hier sprake is van noodweerexces, zodat verdachte op voet van artikel 41 lid 2 Wetboek van Strafrecht ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde bedreiging ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van

62 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun van de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt het volgen van behandeling bij de Waag en tot een contactverbod met[slachtoffer 1] en[slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en[slachtoffer 3] en dat de rechtbank beveelt dat

de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en de op grond van artikel 77aa van het Wetboek van strafrecht te verlenen hulp en steun, dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (gezien haar overige verweren) over de strafoplegging geen standpunt ingenomen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Hierbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met vier jonge kinderen. De ontuchtige handelingen vonden plaats op het schoolplein in de buurt van waar de verdachte en de slachtoffers wonen.

Door zijn seksueel grensoverschrijdende gedrag heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar iedere minderjarige recht op heeft, bij zijn slachtoffers doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat ontucht vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Dat dit ook in het geval van de ouders van de slachtoffers het geval is, kan worden opgemaakt uit de slachtofferverklaringen van de ouders, zoals die ter terechtzitting zijn voorgelezen.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 28 mei 2014, het psychologisch Pro Justitia-rapport

d.d. 11 november 2013 en het psychiatrisch Pro Justitia-rapport d.d. 31 oktober 2013.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapporten en zal het gegeven advies van de Raad voor de Kinderbescherming opvolgen.

Anders dan door de officier van justitie geëist zal de rechtbank dan ook een geheel voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van twee jaar opleggen, teneinde de begeleiding van de verdachte zeker te stellen en als extra waarborg om herhaling van delict gedrag te voorkomen, en waarbij in het geval van een onverhoopte tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf niet direct jeugddetentie zal volgen. Uit voornoemde onderzoeken en het verhandelde ter terechtzitting is het de rechtbank namelijk gebleken dat een jeugddetentie, zoals in voorwaardelijke vorm geëist door de officier van justitie, de problematiek van de verdachte enkel zou kunnen verergeren.

Daarbij houdt de rechtbank voorts rekening met het gegeven dat de feiten bijna een jaar geleden zijn gebeurd en dat de verdachte sinds het gepleegde is blootgesteld aan zeer stressvolle omgevingsfactoren. Na het feit is er een hevig buurtconflict ontstaan, waarbij fysiek zeer dreigend gedrag is vertoond door buurtbewoners richting het gezin van de verdachte. De verdachte en zijn gezin zijn onder politiebegeleiding elders ondergebracht. Dit heeft zeer grote impact gehad op de verdachte en zijn moeder. De verdachte heeft zijn vroegere leven van naar school gaan en omgang hebben met vrienden en buiten spelen na het incident niet meer kunnen hervatten.

Een en ander heeft volgens voornoemde rapportages geresulteerd in een bij de verdachte vastgestelde ziekelijke stoornis in de vorm van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming.

Gelet op voornoemde factoren dient naar het oordeel van de rechtbank een mogelijke jeugddetentie geen met de strafrechtstoepassing redelijk doel.

De bijzondere voorwaarde die de rechtbank aan de voorwaardelijk op te leggen werkstraf zal verbinden is de volgende. De verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt het volgen van behandeling bij de Waag.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen spreekt de rechtbank uit dat, gelet op artikel 77za WvSr, de hierboven gestelde voorwaarden en de op grond van artikel 77aa WvSr te verlenen hulp en steun, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij.

7.1

Inleiding

[slachtoffer 4], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.523,-. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 1.523,-, bestaande uit de posten:

- het extra wassen van beddengoed, door bedplassen naar aanleiding van het gepleegde feit;

- de aanschaf van twee nieuwe matrassen, en

- kosten voor rechtsbijstand;

en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 3.000,-, bedoeld als voorschot.

[slachtoffer 3], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.250,-. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit immateriële schade.

[slachtoffer 2], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.500,-. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit een voorschot voor smartengeld.

[slachtoffer 1], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.500,-. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit een voorschot voor smartengeld.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van alle vier de benadeelde partijen tot een bedrag van elk €1000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan. De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vorderingen voor het overige. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat voornoemde bedragen als voorschot gelden ten aanzien van de immateriële schade.


Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] heeft de officier van justitie gevorderd dat de bedragen voor het beddengoed, de matrassen en de kosten voor rechtsbijstand eveneens toegewezen dienen te worden, nu er redelijkerwijs van mag worden uitgegaan dat dergelijke kosten door (de moeder van) deze benadeelde partij zijn gemaakt.

De officier van justitie verzoekt voorts dat de rechtbank daarbij aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair verzocht de vorderingen af te wijzen, omdat zij vrijspraak heeft bepleit van het ten laste gelegde feit waarop de vorderingen betrekking hebben. De vorderingen zijn onvoldoende onderbouwd.

Subsidiair heeft zij verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de materiële schade die is gevorderd door de benadeelde partij [slachtoffer 4] verzoekt de raadsvrouw om ook deze post af te wijzen, nu dit niet met facturen is onderbouwd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Nu de vorderingen betrekking hebben op een als doen te beschouwen gedraging van de verdachte die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt en aan wie de gedraging als onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, wordt deze geacht te zijn gericht tegen diens moeder.

De rechtbank acht de vordering van [slachtoffer 4], voor zover deze betrekking heeft op materiële schade tot een bedrag van € 233,-, toewijsbaar, nu de kosten voor rechtsbijstand en van één matras voor vergoeding in aanmerking komen.

De rechtbank zal ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 4], [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], voor zover deze betrekking hebben op de immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partijen ter toelichting hebben aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 500,- per persoon toewijzen.

De rechtbank zal voor het overige deel van de vorderingen, dit deel niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de moeder van de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gericht tegen de moeder van de verdachte, omdat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit nog niet de leeftijd van veertien jaren had bereikt, is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet mogelijk.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77za, 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding ten aanzien van feit 1, eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding ten aanzien van feit 1, tweede cumulatief alternatief ten laste gelegde feit en het ten aanzien van feit 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, tweede cumulatief alternatief:

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN TWAALF JAREN HANDELINGEN PLEGEN DIE MEDE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

ten aanzien van feit 2:

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT;

verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde onder feit 2 en ontslaat verdachte ten aan zien van dit feit van alle rechtsvervolging;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 100 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 50 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

bepaalt, dat die straf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt het volgen van behandeling bij De Waag;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en de op grond van artikel 77aa van het Wetboek van strafrecht te verlenen hulp en steun, dadelijk uitvoerbaar zijn;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gedeeltelijk toe ten laste van de moeder van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[slachtoffer 4], een bedrag van € 733,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 3], een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 2], een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[slachtoffer 1], een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de moeder van de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige deel niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding, en dat zij dit deel van de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;


heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter, voorzitter,

mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

en mr. E.A. Lensink, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van N. Knopper, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL15J2-2013151161 z

2 PV aangifte [A], blz 42 en verder

3 PV verhoor aangeefster [B], blz 45 en verder

4 PV aangifte[C], blz 102 en verder

5 Proces-verbaal verhoor aangever [D], blz. 34-35 en proces-verbaal verhoor [getuige 3], blz. 36-37

6 PV bevindingen studioverhoren, blz 120 e.v.; verklaring verdachte ter terechtzitting

7 PV bevindingen studioverhoor [slachtoffer 4], blz 120, zesde alinea en blz 123, zevende alinea

8 PV bevindingen studioverhoor [slachtoffer 3], blz 152, laatste alinea

9 PV bevindingen studioverhoor [slachtoffer 3], blz 158, zesde en elfde alinea

10 PV bevindingen studioverhoor[slachtoffer 1], blz 168, vijftiende alinea

11 PV bevindingen studioverhoor[slachtoffer 2], blz 183, zevende alinea.

12 PV studioverhoor [X], blz 192 en verder

13 Proces-verbaal verhoor aangever [D], blz. 34-35

14 PV verhoor [getuige 3], blz 36, derde alinea

15 PV verhoor verdachte, blz 73, negende alinea

16 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2014