Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7490

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
14-07-2014
Zaaknummer
C-09-422287 - HA ZA 12-782
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onbevoegde vertegenwoordiging, onrechtmatig handelen, conditio sine qua non.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/422287 / HA ZA 12-782

Vonnis van 28 mei 2014

in de zaak van

VROOM FUNDERINGSTECHNIEKEN B.V.,

gevestigd te Oosthuizen,

eiseres,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E.W.M. Aalsma te Zaandam.

Partijen zullen hierna Vroom en [A] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 november 2013;

  • -

    de akte aan de zijde van Vroom van 22 januari 2013;

  • -

    de akte aan de zijde van [A] 19 februari 2014.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Aan de orde is of [A], in zijn hoedanigheid van directeur van Panagro, toerekenbaar onrechtmatig jegens Vroom heeft gehandeld door een verklaring, gedateerd 1 december 2010, te ondertekenen waarin Panagro namens de Holding verklaart dat de Holding zich garant stelt voor Panagro met betrekking tot alle verplichtingen die voor Panagro voortvloeien uit leveringen en uitgevoerde werkzaamheden door Vroom en Vroom Betonbouw B.V., en of Vroom daardoor schade heeft geleden.

Onrechtmatig handelen?
2.2. De rechtbank stelt voorop dat Panagro (dochtervennootschap) in naam van de Holding (moedervennootschap) de Holding garant heeft gesteld voor de eigen verplichtingen van Panagro uit leveringen en uitgevoerde werkzaamheden door Vroom. Panagro heeft derhalve als onbevoegd vertegenwoordiger opgetreden voor de Holding. Vroom heeft ter onderbouwing van haar vordering gesteld dat [A] niet bevoegd was tot vertegenwoordiging van de Holding, dit onder verwijzing naar een brief van 29 november 2011 van de Holding. In deze brief heeft de Holding meegedeeld dat de garantstelling is opgesteld op briefpapier van Panagro en is ondertekend door [A], alsmede dat Panagro niet bevoegd was om rechtsgeldig de Holding te vertegenwoordigen voor het afgeven van een garantstelling. [A] heeft niet betwist dat [A] niet bevoegd was tot vertegenwoordiging van de Holding, noch dat Panagro niet bevoegd was om deze garantstelling in naam van de Holding af te geven. De rechtbank neemt gelet hierop tevens als vaststaand aan dat [A] niet bevoegd was om de betreffende verklaring namens Panagro voor de Holding te ondertekenen.

2.3.

Maatgevend is of [A] met ondertekening van de garantstelling gehandeld heeft in strijd met een op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens Vroom. De enkele omstandigheid dat [A] niet bevoegd was namens Panagro voor de Holding de betreffende verklaring te ondertekenen, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Het onbevoegdelijk handelen in naam van een ander kan slechts als onrechtmatig kan worden aangemerkt indien het geschiedt op een wijze of gepaard gaat met omstandigheden, waaruit voortvloeit dat het optreden van de onbevoegd vertegenwoordiger in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt (vgl. HR 31 januari 1997, NJ 1998, 704 m.nt. C.J.H. Brunner). Deze regel is naar het oordeel van de rechtbank van overeenkomstige toepassing in het onderhavige geval. Van een ruimer aansprakelijkheidscriterium voor [A] (als onbevoegd vertegenwoordiger van Panagro) jegens Vroom ten opzichte van het criterium dat zou gelden in het geval Vroom Panagro als pseudo-gevolmachtigde van de Holding aansprakelijk zou stellen uit hoofde van onrechtmatige daad kan geen sprake zijn.

2.4.

Blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter comparitie is tussen Panagro en Vroom eind november/begin december 2010 een overeenkomst tot stand gekomen in verband met de bouw van het werk O-2278 Dorpshaven Zuid Aalsmeer, waarbij onder meer door Vroom heipalen (grondverdringende vibropalen, type HBF), zouden worden geleverd. De totaalsom van de opdracht beliep € 760.000,-- . Een concerngarantie was vereist. Daartoe zijn verschillende versies opgesteld. [A] is als directeur belast geweest met de dagelijkse leiding van Panagro. De totstandkoming van de garantie heeft, zo staat als onweersproken vast, buiten zijn gezichtsveld plaatsgevonden. Bij het opstellen van de tekst van de garantstelling is de heer [B], adjunct-directeur, betrokken geweest. [A] denkt dat de ondertekening het gevolg is geweest van een combinatie van factoren, namelijk privé-omstandigheden enerzijds en ondeskundigheid anderzijds.

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat [A] toerekenbaar in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt tegenover Vroom de indruk heeft gewekt bevoegd te zijn tot vertegenwoordiging van Panagro namens de Holding. In de kern genomen, is de ondertekening volgens [A] een vergissing, althans het gevolg van onoplettendheid zijnerzijds. Gelet op de omvang van de opdracht in verband waarmee de garantstelling is afgegeven, de omstandigheid dat enkele versies de revue zijn gepasseerd alvorens is ondertekend en nu ondertekening heeft plaatsgevonden door de directeur van Panagro, heeft Vroom er naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd op kunnen en mogen vertrouwen dat [A] jegens haar een zodanige zorgvuldigheid zou betrachten dat een rechtsgeldige vertegenwoordiging van de Holding bij de afgifte van de verklaring verzekerd was. [A] heeft bij wijze van verweer aangevoerd dat Vroom door raadpleging van het handelsregister van de Kamer van Koophandel eenvoudig had kunnen weten dat hij niet bevoegd was tot vertegenwoordiging van de Holding en dat zij om een volmacht had moeten vragen, waarbij hij erop wijst dat de garantstelling is gesteld op briefpapier van Panagro. Dit verweer faalt. Weliswaar bevreemdt het dat Panagro een garantstelling van de Holding voor haar eigen verplichtingen tegenover Vroom heeft verleend, anders dan [A] heeft betoogd, volgt daaruit niet dat geen sprake is van een fout (in de zin van: onrechtmatig handelen) van [A] jegens Vroom (en evenmin, voor zover [A] dit mede bedoelt te stellen, dat deze fout hem niet kan worden toegerekend). Allereerst is niet duidelijk - [A] heeft geen uittreksels uit het handelsregister overgelegd - wat Vroom precies had kunnen weten door raadpleging van het handelsregister. In dit verband merkt de rechtbank op dat niet van belang is of uit het Handelsregister blijkt dat [A] niet bevoegd was tot vertegenwoordiging van de Holding, maar of blijkt dat Panagro niet bevoegd was tot vertegenwoordiging van de Holding en [A] niet bevoegd tot vertegenwoordiging van Panagro. Afgezien hiervan, kan Vroom de onbevoegdheid van [A] en Panagro tot vertegenwoordiging van de Holding niet worden tegengeworpen nu niet gesteld of gebleken is dat [A] als directeur zélf niet wist of had moeten weten dat Panagro niet bevoegd was om de Holding te vertegenwoordigen en dat hijzelf niet bevoegd was om een garantstelling namens Panagro voor de Holding af te geven. Het verweer van [A] dat Vroom om een bankgarantie had moeten vragen, doet niet ter zake. Beoordeeld moet worden of, gegeven de omstandigheid dat een concerngarantie is verleend, sprake is van onrechtmatig handelen van [A]. Dat is, zoals hiervoor overwogen, het geval.

Conditio sine qua non-verband?

2.6.

Een vervolgvraag is of conditio sine qua non-verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van [A] en de schade die Vroom stelt te hebben geleden. De geschonden norm betreft de zorgvuldigheidsverplichting van [A] in zijn hoedanigheid van directeur jegens Vroom als (toekomstige) contractpartij. De schade die Vroom stelt te hebben geleden bestaat uit, samengevat, onbetaald gebleven facturen in verband met voor fase 1 verrichte werkzaamheden en gemaakte kosten in verband met het staken van de werkzaamheden door Panagro en overname van de opdracht door een derde (oftewel: het negatief contractbelang). Vaststaat dat zowel Panagro (op 1 november 2011) als de Holding (op 17 april 2012) zijn gefailleerd. Daags na het faillissement van Panagro heeft Vroom de Holding aansprakelijk gesteld. In december 2012, na voormelde brief van de Holding van 29 november 2011, heeft zij [A] aansprakelijk gesteld. De gestelde schade houdt dus onlosmakelijk verband met het faillissement van Panagro (de pseudo-gevolmachtigde), maar niet zonder meer met de onrechtmatige gedraging van [A].

2.7.

De stelplicht en bewijslast van feiten waaruit volgt dat het onrechtmatig handelen van [A] jegens Vroom een noodzakelijke voorwaarde is geweest voor het ontstaan van de door Vroom gestelde schade, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op Vroom, zoals de rechtbank ook in haar vonnis van 27 november 2013 heeft overwogen. Voor zover Vroom betoogt dat op [A] als directeur van Panagro de stelplicht en het bewijsrisico rust dat de Holding niet zou hebben betaald als zij daartoe gehouden zou zijn geweest, deelt de rechtbank die zienswijze niet. [A] is geen bestuurder van Panagro, noch van de Holding. Naar het oordeel van de rechtbank kan er niet van worden uitgegaan dat [A] na het faillissement van Panagro méér dan Vroom de beschikking of toegang heeft tot informatie betreffende de financiële positie van de Holding. De rechtbank ziet in de positie van [A] geen gronden voor een afwijking van de hoofdregel op grond van een bijzondere regel of de eisen van redelijkheid en billijkheid en evenmin aanleiding voor het aannemen van een vermoeden ten gunste van Vroom of een verzwaarde motiveringsplicht aan de zijde van [A].

2.8.

Vroom heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten gesteld voor de conclusie dat zij zonder schending van eerdergenoemde norm (in welk geval Vroom zich met succes op de garantstelling had kunnen beroepen) de door haar gestelde schade niet zou hebben geleden. Uit het door Vroom overgelegde rapport van Creditsafe, gedateerd 15 september 2011, waarin de kredietwaardigheid van de Holding als zeer goed wordt beoordeeld, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de door Vroom gestelde schade het gevolg is van de fout van [A]. Het rapport heeft betrekking op de jaren 2008 tot en met 2010 en zegt niets over de liquiditeit- en solvabiliteitspositie van de Holding vanaf november 2011, na het faillissement van Panagro. De tijd gelegen tussen de beide faillissementen (iets meer dan zes maanden) acht de rechtbank voorts, anders dan Vroom, onvoldoende voor de conclusie dat de Holding, indien zij daartoe gehouden zou zijn geweest “gewoon betaald zou hebben”. Ook als Vroom in die tijd een executoriale titel zou hebben kunnen verkrijgen, volgt daaruit niet zonder meer dat de Holding alsdan verhaal zou hebben geboden en Vroom geen schade zou hebben geleden. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat Panagro een werkmaatschappij van de Holding is, waarin inkomsten werden gegenereerd voor de Holding als moedervennootschap. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van Vroom gelegen - bijvoorbeeld met via de curator verkregen financiële informatie - haar stelling dat de Holding betaald zou hebben wanneer zij daartoe gehouden zou zijn geweest, feitelijk te onderbouwen. Bij gebrek aan dergelijke gegevens concludeert de rechtbank dat niet vaststaat dat Vroom de door haar gestelde schade niet zou hebben geleden zonder de onrechtmatige gedraging van [A]. Aan het leveren van tegenbewijs door [A] komt de rechtbank niet toe. Aan bewijslevering door Vroom betreffende de omvang van de door haar gestelde en door [A] betwiste schade, zoals zij heeft aangeboden, komt de rechtbank bijgevolg evenmin toe.



Conclusie

2.9.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Vroom zal worden afgewezen. De overige stellingen van partijen behoeven, gelet op deze uitkomst, geen bespreking meer.


2.10. De rechtbank zal Vroom als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen aan de zijde van [A]. De kosten aan de zijde van [A] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht 1.436,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punt × tarief € 1.421,00)

Totaal € 4.278,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt Vroom in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 4.278,00,

3.3.

veroordeelt Vroom in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Vroom niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.1772