Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7476

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
C-09-411962 - HA ZA 12-140
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omvang erfdienstbaarheid; het feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid om over het diendend erf de aan het heersend erf aangrenzende percelen te bereiken vindt zonder recht of titel plaats. Geen recht van overpad door verjaring naar oud BW. Geen onredelijke verzwaring van de erfdienstbaarheid. Mogelijk aanwijzen noodweg noodzakelijk. Alle bij de erfdiensbaarheid betrokken eigenaren dienen in rechte te worden betrokken (5:57 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel


zaaknummer / rolnummer: C/09/411962 / HA ZA 12-140

Vonnis van 18 juni 2014

in de zaak van

1 [A],

2. [B],

3. [C],

4. [D],

allen wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAATSBOSBEHEER,

gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F. Sepmeijer te Den Haag.

Eisers worden hierna ieder afzonderlijk [A], [B], [C] en [D] en gezamenlijk [A] c.s. genoemd. Gedaagde wordt Staatsbosbeheer genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 december 2011, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 3 juli 2013, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 oktober 2013 en de daarin genoemde stukken.

    1.2. Ter comparitie is de zaak op verzoek van partijen verwezen naar mediation. Daartoe is de zaak aangehouden voor zes maanden en verwezen naar de rolzitting van 9 april 2014 opdat partijen zich alsdan zouden kunnen uitlaten over de gewenste voortgang van de procedure. De mediation is vervolgens niet gestart. Partijen hebben de zaak vervroegd opgebracht en vonnis gevraagd.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] en [B] zijn eigenaren van het perceel staande en gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer 1], groot 4 ha 32 a en 40 ca en in de openbare register omschreven als wonen terrein (grasland).

2.2.

[C] is eigenaar van:
2.2.1. het perceel staande en gelegen aan de [straat] ongenummerd te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer 2], groot 37 a 35 ca en in de openbare registers omschreven als recreatie - sport recreatie - en sport;
2.2.2. het perceel staande en gelegen aan de [adres 3] te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer 3], groot 73 a 90 ca en in de openbare registers omschreven als wonen erf - tuin;
2.2.3. het perceel staande en gelegen aan de [straat] ongenummerd te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer 4], groot 30 a 80 ca en in de openbare registers omschreven als terrein (grasland).

2.3. [D] is (mede-)eigenaar van:
2.3.1. het perceel staande en gelegen aan de [adres 5] te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer 5], groot 9 a 90 ca en in de openbare registers omschreven als wonen (agrarisch);
2.3.2. het perceel staande en gelegen aan de [straat] ongenummerd te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer 6], groot 7 a 3 ca en in de openbare registers omschreven als wonen;
2.3.3. het perceel staande en gelegen aan de [adres 7] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie] [nummer 7], groot 6 a 21 ca en in de openbare registers omschreven als berging-stalling (garage-schuur);
2.3.4. het perceel staande en gelegen aan de [adres 8] te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer 8], groot 2 a en 30 ca en in de openbare registers omschreven als wonen.

2.4.

Staatsbosbeheer is eigenaar van de op bijlage 4 bij het proces-verbaal van comparitie met een blauw vlak ingetekende percelen (hierna: de percelen van Staatsbosbeheer), gelegen in de Duivenvoordse en Veenzijdse polders, die zich achter de percelen van [A] c.s. bevinden.


2.5. Voor de ontsluiting van de percelen van Staatsbosbeheer tot de openbare weg Rijksstraatweg N44 (hierna: Rijksstraatweg) wordt gebruik gemaakt van de [straat]. De [straat] loopt, bezien vanaf de Rijksstraatweg, eerst over de percelen van [D], vervolgens over het perceel van [C], waarna de weg met een scherpe bocht langs de paardenrenbaan van [C] in een rechte lijn over de percelen van [A] en [B] naar de percelen van Staatsbosbeheer in de achtergelegen polders loopt (zie bijlage 6 bij het proces-verbaal van comparitie, waarop de ligging van de [straat] is ingetekend).

2.6.

De percelen van Staatsbosbeheer zijn grotendeels verpacht aan boeren (hierna: pachters), die de grond gebruiken voor agrarische doeleinden. Sommige pachters zijn eigenaren van percelen gelegen naast de percelen die zij van Staatsbosbeheer hebben gepacht. Deze pachters hebben een eigen uitweg vanaf de grond die zij in eigendom hebben tot een openbare weg en maken gebruik van die uitweg.

2.7.

Blijkens een (handgeschreven) notariële akte van 22 februari 1905 (hierna: de akte) zijn de percelen waarvan (thans) [A] c.s. de eigenaren zijn, bezwaard met erfdienstbaarheden ten behoeve van andere percelen in de gemeenten [woonplaats] en Veur, waaronder een aantal percelen in de Duivenvoordse en Veenzijdse polders waarvan (thans) Staatsbosbeheer de eigenaar is.

2.8.

In de akte zijn zogenoemde Nommers, stukken grond bestaande uit meerdere percelen, beschreven. De Nommers 1 tot en met 41 zijn gelegen in de gemeente [woonplaats], de Nommers 42 tot en met 60 zijn gelegen in de gemeente Veur. In de akte is in de kantlijn naast de beschrijving van een bepaald Nommer de kadastrale sectie-indeling en nummering van de percelen die behoren tot het betreffende Nommer vermeld. Na de beschrijving van de Nommers zijn, voor zover in dezen relevant, in artikel 24 van de akte diverse erfdienstbaarheden bepaald. De tekst van artikel 24 van de akte van 1905 - waarvan het in de procedure overgelegde afschrift onvoldoende leesbaar is - luidt voor zover relevant en met toevoegingen tussen […] betreffende onder meer de kadastrale duiding van de percelen zoals vermeld in de beschrijving van de Nommers in de akte als volgt (citaat ontleend aan conclusie van antwoord in reconventie):

‘Artikel 24
Voor zover na te melden heerschende en lijdende erven niet in één hand komen, worden bedongen de volgende erfdienstbaarheden:
a. van weg ten gebruik van de perceelen 42 [Veur B 13, 172, 171, 166 en 1077] tot en met 50 [Veur B 9 en 1030], 38 [[woonplaats] D 477, 478, 479, 485, gedeeltelijk] 37 [idem, 480, 481, 482, 485, gedeeltelijk], 36 [idem, 483, 484, 485, gedeeltelijk], 35 [idem, 487, 488, 485, gedeeltelijk], 34 [idem, 489, 490, 486], 33 [idem, 492 en 491], 30 [‘de Wilde Zee’, idem [perceelnummer 1], [perceelnummer 2], 502, 503, 504, 507, 508, 509, 171, 501, 510, 497, 498, 499 en 500] 5 en 1 [idem, 1014, 1027, 1029, 1031, 1158, 159, 1159, 169, 165, 166, 164, 167, 178, 170 en 511, 1028 en 1030 belast met erfpacht] ten laste van den aan den noordwestelijken strook ter gelijke breedte van vier meter van de percelen 43 tot en met 50, de zuidwestelijke strook ter gelijke breedte van perceel 37, de noordwestelijke strooken, terzelfde breedte van laatstgemeld perceel en van de percelen 36, 35, 34 en 33, voorts den thans bestaanden weg loopende van de Veenwatering noordwestwaarts over de perceelen 30 en 1 langs de bouwmanswoning naar de weg kadastraal bekend in de gemeente [woonplaats] [sectie] nummer 1009 [i.e. de Rijksstraatweg] alsmede dien weg zelven.
b. van weg tot gebruik van de perceelen 41 [[woonplaats] D 420, 431 gedeeltelijk], 40 en 39 ten laste van en over de zuidoostelijke strook ter breedte van vier meters van perceel Nommer 40, de noordoostelijke strooken, ter zelfde breedte van laatstgemeld perceel en van perceel 39, de noordwestelijke strook ter gelijke breedte van perceel 38 [idem, 477, 478, 479, 485 gedeeltelijk] en wijders over en ten laste van dat gedeelte van perceel 37 [idem, 480, 481, 482, 485 gedeeltelijk] en de daaraan sluitende strooken grond en wegen leidende naar den openbaren weg als hiervoren sub a is aangegeven.
c. van weg tot gebruik van de perceelen 60 [Veur A 46, 47, 48 en 456], 59 [idem, 51 en 453], 58 [idem, 52 en 452], 57 [idem, 56 en 449], 56 [idem, 52, 58, 448, 447], 55 [Veur B 1019], 54 [idem,1022 en 7 gedeeltelijk] 53, [idem, 4, 1023 en 7 gedeeltelijk], 52 [idem, 1026 en 7 gedeeltelijk] en 51 [idem, 1027] ten laste van en over de noordwestelijke strook ter breedte van vier meters, van de perceelen 59, 58, 57, 55, 54, 53, 52, 51 en 50 [Veur B 1030] en voorts voor de in dit artikel sub a met het recht van weg bezwaarde perceelsgedeelten en wegen, beginnende noordwestwaarts vanaf de Schenkwatering tot aan den voormelden openbaren weg.
d. van weg tot gebruik van de perceelen 31 [[woonplaats] D 496 en 495] en 38 [idem, 477, 478, 479, 485 gedeeltelijk] over en ten laste van de noordwestelijke strook ter breedte van vier meters van de percelen 32 [idem, 493 en 494] en 33 [idem, 492 en 491] en voorts van de in artikel sub a met her recht van weg bezwaarde perceelsgedeelten en wegen beginnende noordwestwaarts vanaf de Veenwatering tot aan den openbaren straatweg.
e. van weg tot gebruik van de perceelen 39 [[woonplaats] D 424, 425, 426, 427, 428], 40 [idem, 429, 430, 431 gedeeltelijk] en 41 [420, 431 gedeeltelijk] ten laste van en over de noordoostelijke strook ter breedte van vier meter van perceel 40 [idem, 429, 430, 431 gedeeltelijk], de zuidoostelijke strook, terzelfde breedte van laatstgemeld perceel en de noordewestelijke en zuidwestelijke strooken ter gelijke breedte van perceel 43 [Veur B 45, 1048, 1055 en 1049].

f. van weg tot gebruik van al niet duidelijk leesbaar] de gemeente Veur gelegen perceelen en van de perceelen Nommers 39 [[woonplaats] D 424, 425, 427, 428] 40 [idem, 429, 430, 431 gedeeltelijk] 41 [420, 431 gedeeltelijk], 38 [idem, 477, 478, 479, 485 gedeeltelijk], 37 [idem, 480, 481, 482, 485 gedeeltelijk], 36 [idem, 483, 484, 485 gedeeltelijk] 12 [idem, 527, 526 en 532 gedeeltelijk] 13 [idem, 1125, 528, 1126 gedeeltelijk] 15 [idem, 1129 en 1128, 1127, 1130, 534, 558 en 1126 gedeeltelijk] 11 [idem, 126, 546, 547, 125, 548, 545, 540, 549, 553, 538 en 537, 539, 551 en 124 gedeeltelijk] 6 [idem, 554, 543, 727, 726, 728, 541] en 5 [idem, 142] en 5 over en ten laste van de noordwestelijke strook ter breedte van vier meter van de perceelen [gemeente Veur] 43 tot en met 60, de zuidwestelijke strook ter gelijke breedte van perceel nommer 12, de noorwestelijke strook ter zelfde breedte van laatstgenoemd perceel en van perceelen 13 [idem, 1125 en 528] en 15, de zuidwestelijke strook terzelfde breedte van perceel 11 tot aan de zuidoostzijde van de Molensloot, voorts den aan de overzijde dier sloot bestaanden weg, loopende westwaarts over perceel 6 tusschen de op dat perceel staande arbeiders woningen en eindelijk dan daaraan sluitende weg loopende over perceelen 6 [idem, 544, 543, 727, 726, 728, 541], 5 [idem, 142] en het Kadastraal perceel Gemeente [woonplaats] [sectie] nommer 968, den Buurweg en het voormelde Kadastraal perceel nommer 1009.
g. van weg tot gebruik van perceel nommer 14 [[woonplaats] D 530 en 531, 532 en 1128 gedeeltelijk] ten laste van en over de zuidoostelijke, zuidwestelijke en noordwestelijke strooken ter breedte van vier meters van perceel 12 [idem, 527, 526 en 532 gedeeltelijk] en wijders de daaraan sluitende tot weg bestemde perceelsgedeelten en wegen hier voren en sub F aangegeven.

h. van weg tot gebruik van de perceelen 27 [[woonplaats] D 631, 632, 630 en 633], 26 [idem, 606, 605], 25 [idem, 595, 590 gedeeltelijk], 22 [idem, 587 en 588, 589], 21 [idem, 568, 566 gedeeltelijk], 20 [idem, 567, 566 gedeeltelijk], 19 [idem, 565, 566 gedeeltelijk], 18 [idem, 554], 17 [idem, 555] en 16 [idem, 556 en 557, 558 gedeeltelijk] over en ten laste van de noordwestelijke strook ter breedte van vier meters van de perceelen 26, 25, 24, 23, 22, 21, 20, 18, 17, 16 en 15 [idem, 1129 en 1128, 1127, 1130, 534, 558 en 1126 gedeeltelijk], en wijders de in dit artikel sub f aangegeven weg beginnende ten noordwesten vanaf de Veenwatering tot aan den openbaren straatweg in verband waarmede tevens wordt bedongen de erfdienstbaarheid van weg tot gebruik van perceel 19 van en ten laste van de Zuid Westelijke strook ter breedte van vier meters van perceel 20.

i. van weg tot gebruik van de perceelen 10 [[woonplaats] D 552, 123 gedeeltelijk], 8 [idem, 550, 120 gedeeltelijk], 9 [idem, 576, 123 en 575 gedeeltelijk], 7 [idem, 121, 124 gedeeltelijk], 4 [idem, 127], 3 [idem, 128] en 2[idem, 131 en 120] over en ten laste van de noordoostelijke en noordwestelijke strook ter gelijke breedte van perceel 8 tot de zuidwestelijke strook ter gelijke breedte van perceel 7 tot vier meter vanuit de zuidoostelijke grens scheiding van perceel 4, de zuidoostelijke strook ter gelijke breedte van perceel 4 tot aan den thans bestaanden weg, den laatstgemelden weg [sectie] nommer 1165 en 916, den daar aan sluitenden Buurweg in het voormeld Kadastraal perceel 1009 in verband waarmee bedongen wordt de erfdienstbaarheid van weg 1◦ tot gebruik van perceel 2 over en ten laste van de noordwestelijke strook ter breedte van vier meter van perceel 3 en 2◦ tot gebruik van perceel 9 over en ten laste van de Zuidoostelijke strook terzelfde breedte van perceel 7.
De eigenaren van voorschreven heerschende erven mogen van de ten behoeve van dien erven bedongen erfdienstbaarheden slechts gebruik maken voor zover zij die behoeven om van uit hunnen erven langs de kor[t]sten weg de openbaren straatweg te kunnen bereiken en omgekeerd.’

2.9.

De in de akte genoemde kadastrale percelen gelegen in de gemeente [woonplaats] zijn hernummerd. De kadastrale percelen die volgens de akte deel uitmaken van Nommer 30 (in de akte ‘de Wilde Zee’ genoemd, ingetekend in geel op bijlage 1 bij het proces-verbaal van comparitie) zijn, met uitzondering van de perceelnummers [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2], thans kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], nummers [nummer 4] (zie rov. 2.2.3.), [nummer 2] (zie rov. 2.2.1.), 2706, [nummer 3] (zie rov. 2.2.2.), [nummer 1] (zie rov. 2.1.) en 2968. Nommer 1 (thans eveneens hernummerd) grenst hier ten noordwesten aan. Deze percelen zijn eigendom van [A] c.s.

2.10.

De kadastrale percelen gelegen in de gemeente Wassenaar die volgens de akte deel uitmaken van de Nommers 31 en 33 tot en met 41 zijn thans kadastraal bekend gemeente Wassenaar, sectie D nummer 477 tot en met 492, 495 en 496. Deze percelen zijn eigendom van Staatsbosbeheer (zie bijlage 1 bij het proces-verbaal van comparitie, in samenhang bezien met productie 5 bij dagvaarding).

2.11.

De kadastrale percelen gelegen in de gemeente Veur die volgens de akte deel uitmaken van de Nommers 42 tot en met 55 bestaan uit de percelen thans kadastraal bekend gemeente Veur, sectie B, nummers 4, 7, 13 tot en met 45, 1019, 1022, 1023, 1026 en 1027. Deze percelen zijn eveneens eigendom van Staatsbosbeheer (zie bijlage 1 bij het proces-verbaal in samenhang bezien met productie 5 bij dagvaarding).

2.12.

In artikel 24 sub a) tot en met d) van de akte is, in aanmerking genomen de hernummering van percelen, een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van de hiervoor in rov. 2.10 en rov. 2.11 genoemde percelen van Staatsbosbeheer als heersend erf, welk heersend erf op bijlage 1 bij het proces-verbaal van comparitie in de kleur groen is aangeduid, en ten laste van de percelen van [A] c.s. als dienend erf (hierna te noemen: de erfdienstbaarheid, respectievelijk het heersend en het dienend erf)

2.13.

Het heersend erf is onderdeel van het eigendom van Staatsbosbeheer zoals hiervoor in rov. 2.4 genoemd. De percelen van Staatsbosbeheer die niet behoren tot het heersend erf worden hierna de aangrenzende percelen genoemd.

2.14.

Het heersend erf was aanvankelijk onbebouwd. Omstreeks 1914 is ter plaatse een dubbele woning gebouwd ten behoeve van de jachtopzieners van de toenmalige grondeigenaar (deze woningen zijn op bijlage 3 bij het proces-verbaal aangeduid met twee kruisjes). Rond 1930 en 1960 is deze bebouwing uitgebreid met schuren, waarvan één grote schuur ter plaatse van [straat] [adres 9, 10 en 11], en een tweede woonhuis ten behoeve van een ‘zetbaas’. Dit complex van opstallen werd in 1984 verworven door de afdeling Domeinen van de Staat der Nederlanden en werd later eigendom van Staatsbosbeheer om het te beheren. De genoemde grote schuur is in gebruik bij Staatsbosbeheer ten behoeve van de exploitatie van, in ieder geval, de percelen van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer heeft vergunningen aangevraagd om de bebouwing te slopen en ter vervanging (elders) een kapschuur te bouwen (zie bijlage 1 bij het proces-verbaal van comparitie waarop de te slopen gebouwen en de gewenste locatie werkschuur in gedrukte letters zijn vermeld).

2.15.

In de jaren 80 van de vorige eeuw heeft de voormalig rechthebbende van het perceel van [A] en [B], [X], in overleg met Staatsbosbeheer de ligging van de [straat] voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid verlegd, zodat de weg niet meer pal langs de op het perceel gelegen woning liep. De verlegging van de weg is nooit formeel vastgelegd.

2.16.

In de loop der jaren hebben [A] en [B] en [C], met instemming van Staatsbosbeheer, op de [straat] twee afsluitbare hekken geplaatst, één op een perceel van [C] ter hoogte van de daarop gelegen paardenrenbaan, en één op het perceel van [A] en [B] vóór de brug over de Veenwatering.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat Staatsbosbeheer thans op onrechtmatige wijze gebruik maakt van de erfdienstbaarheid, zoals gevestigd bij de akte;

II. Staatsbosbeheer beveelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het achter I genoemde onrechtmatige gebruik te staken en gestaakt te houden, hieronder mede begrepen het onrechtmatig gebruik door al degenen die vanwege Staatsbosbeheer gebruik maken van de erfdienstbaarheid, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 7.500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Staatsbosbeheer daarmee in gebreke zal blijven, althans een zodanig bedrag en zodanige termijn als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

III. Staatsbosbeheer beveelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis schriftelijk en op deugdelijke wijze aan te tonen dat het gebruik door Staatsbosbeheer van de [straat] beperkt zal blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor het gebruik van het heersend erf, bij gebreke waarvan Staatsbosbeheer en al degene die vanwege haar gebruik maken van de erfdienstbaarheid het gebruik van de erfdienstbaarheid dienen te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 7.500 per overtreding van laatstgenoemd verbod en op verbeurte van een dwangsom van € 7.500 per dag dat deze overtreding voortduurt, althans een zodanige maatregel en zodanige termijn als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

IV. voor recht verklaart dat [A] c.s. gerechtigd zijn de toegang tot hun percelen af te sluiten door middel van het plaatsen van een sluitbaar hek op de locatie, zoals aangegeven op de bij dagvaarding als productie 8 overgelegde kaart;

V. Staatsbosbeheer veroordeelt tot betaling aan [A] c.s. van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.500, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. Staatsbosbeheer veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van twee weken na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[A] c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat Staatsbosbeheer zonder recht of titel gebruik maakt van de [straat] voor de ontsluiting van de aangrenzende percelen en dat sprake is van een onredelijke verzwaring van de toestand op het dienend erf.

3.3.

Zij betrekken - zakelijk en samengevat weergegeven - de volgende stellingen. Staatsbosbeheer maakt gebruik van de weg ter ontsluiting van alle percelen in de betreffende polders waarvan hij rechthebbende is, terwijl hij voor slechts een beperkt aantal percelen een recht van erfdienstbaarheid ten laste van de erven van [A] c.s. heeft. Van een ongeoorloofde verzwaring van de toestand op het dienend erf is sprake omdat de bestaande erfdienstbaarheid betrekking heeft op een veel kleiner heersend erf dan waarvoor Staatsbosbeheer de [straat] thans gebruikt. Dit geldt te meer nu de grote schuur die zich bevindt op het terrein van Staatsbosbeheer thans dienst lijkt te doen als expeditiepunt voor het beheer van alle percelen van Staatsbosbeheer in de gehele regio, waardoor sprake is van een op en af rijden van diverse (zwaar gemotoriseerde) voertuigen. Van [A] c.s. kan niet langer worden verwacht dat zij een dergelijke ongeoorloofde verzwaring accepteren. Staatsbosbeheer dient het gebruik van de erfdienstbaarheid dan ook ontzegd te worden totdat Staatsbosbeheer kan aantonen dat zij geen verder gebruik van de [straat] zal maken dan noodzakelijk is voor het beheer van het heersend erf van de erfdienstbaarheid. Om één en ander beter te reguleren, om onbevoegden van hun percelen te weren en om hun huisdieren binnen de grenzen van hun percelen te houden, wensen [A] c.s. hun percelen af te sluiten door de plaatsing van een door Staatsbosbeheer te openen hek op de in rov. 3.1 achter IV nader gespecificeerde locatie.

in reconventie

3.4.

Staatsbosbeheer vordert - samengevat en zakelijk weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. voor recht verklaart dat de [straat] is aan te merken als een openbare weg in de zin van de Wegenwet;

II. [A] c.s. verbiedt het gebruik van de [straat] door Staatsbosbeheer en zijn pachters op welke wijze dan ook te belemmeren en/of de [straat] te blokkeren zulks op straffe van een dwangsom van € 1000 per dag een dagdeel daaronder begrepen, althans op straffe van een door de rechtbank te bepalen dwangsom voor iedere dag of dagdeel dat [A] c.s. of één van hen deze veroordeling niet nakomen/nakomt;

III. voor recht verklaart dat het hedendaagse gebruik van de [straat] bestaande uit het rijden over deze weg met onder meer tractoren, karren, auto’s en andere gemotoriseerde voertuigen in overeenstemming is met de bij de akte gevestigde erfdienstbaarheid;

Subsidiair:
IV. (een nog nader aan te wijzen gedeelte van) de [straat] ten behoeve van Staatsbosbeheer als eigenaar van diverse percelen in de achtergelegen polders op grond van artikel 5:57 BW als noodweg aanwijst;

en

[A] c.s. veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis, alsook in de nakosten conform het liquidatietarief begroot op € 205 dan wel in geval van betekening op € 273.

3.5.

Staatsbosbeheer legt aan zijn vorderingen zoals hiervoor in rov. 3.4. achter I en II weergegeven aanvankelijk (mede) ten grondslag dat de [straat] (in ieder geval gedeeltelijk) een openbare weg is. Zij is ter comparitie van dit standpunt teruggekomen. Staatsbosbeheer baseert zijn vorderingen zoals hiervoor in rov. 3.4. achter II en III primair op de akte en subsidiair op verkrijgende, althans bevrijdende verjaring. Voor zover geen sprake is van een openbare weg stelt Staatsbosbeheer zich op het standpunt dat geen sprake is van onrechtmatig gebruik van [straat]. De erfdienstbaarheid is, aldus Staatsbosbeheer, in 1905 gevestigd ten behoeve van de pachters van de Duivenvoordse en Veenzijdse polders en er hebben dan ook altijd landbouwvoertuigen over de weg gereden. De omstandigheid dat er tijdens de vestiging van de erfdienstbaarheid minder gemotoriseerde voertuigen waren, kan er, aldus nog steeds Staatsbosbeheer, niet toe leiden dat sprake is van een onredelijke verzwaring van de erfdienstbaarheid, met name nu [A] c.s. zich pas later op de percelen hebben gevestigd en zij er derhalve met de aankoop van hun percelen rekening mee hadden kunnen houden dat er landbouwvoertuigen over de aangrenzende weg zouden rijden. Ten slotte legt Staatsbosbeheer aan zijn subsidiaire vordering zoals hiervoor in rov. 3.4. achter IV weergegeven ten grondslag dat de openbare weg Rijksstraatweg vanaf de aangrenzende percelen niet anders is te bereiken dan via de [straat]. Andere ontsluitingen zijn er niet. Zonder toegangsweg is behoorlijke exploitatie van deze percelen niet mogelijk.



in conventie en reconventie

3.6.

Staatsbosbeheer en [A] c.s. voeren over en weer gemotiveerd verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Geschilpunten en opzet beoordeling

4.1. In geschil is allereerst of sprake is van onrechtmatig gebruik van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer. Dit geschilpunt laat zich onderverdelen in twee (deel) geschilpunten, namelijk of het gebruik van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer om over het dienend erf (via het heersend erf) de aangrenzende percelen te bereiken zonder recht of titel plaatsvindt en of sprake is van een onredelijke verzwaring van de toestand van het dienend erf. Daarnaast is in geschil of [A] c.s. bevoegd zijn tot de plaatsing van een (derde) hek op het dienend erf.

4.2.

Voormelde geschilpunten zal de rechtbank, gelet op het debat tussen partijen en het te hanteren toetsingskader, op basis van de volgende opzet beoordelen. Nu vaststaat dat de [straat] geen openbare weg is en vaststaat dat bij de akte geen erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van de aangrenzende percelen en ten laste van de percelen van [A] c.s., zal de rechtbank, gelet op de verweren die Staatsbosbeheer (thans nog) voert, eerst beoordelen of een erfdienstbaarheid ten laste van de percelen van [A] c.s. en ten behoeve van de aangrenzende percelen door (verkrijgende of bevrijdende) verjaring is ontstaan. Vervolgens zal worden beoordeeld of het feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer onrechtmatig is. In dat verband zal, afhankelijk van de vraag of het beroep op verjaring van Staatbosbeheer slaagt, beoordeeld worden of het feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer om over het dienend erf (via het heersend erf) de aangrenzende percelen te bereiken zonder recht of titel plaatsvindt. Voorts zal beoordeeld worden of om andere, door [A] c.s. gestelde, redenen, waaronder het gestelde gebruik van de grote schuur op het heersend erf voor exploitatie van de hele regio, sprake is van onrechtmatig feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid en daarmee of sprake is van een onrechtmatige verzwaring van de erfdienstbaarheid. Vervolgens zal worden beoordeeld of [A] c.s. een (derde) hek mogen plaatsen. Ten slotte zullen de vorderingen van [A] c.s. worden beoordeeld.

Onrechtmatig gebruik van de erfdienstbaarheid?
Ontstaan erfdienstbaarheid ten behoeve van aangrenzende percelen door verjaring?

Verkrijgende verjaring

4.3. Gelet op de invoering van het BW op 1 januari 1992 moet mede naar het burgerlijk wetboek 1838 (hierna: OBW) worden bepaald of op enig moment na 1905 sprake is geweest van verkrijgende verjaring. De regeling onder het huidige recht (artikel 3:99 BW) verschilt van die onder het oude recht Alleen voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden konden ingevolge het bepaalde in de artikelen 744-746 OBW door verjaring ontstaan en wel bij bezit te goeder trouw gedurende 20 jaar. Als uitgangspunt geldt dat een erfdienstdienstbaarheid, inhoudende een recht van weg, zoals hier aan de orde, niet voortdurend is (artikel 724 OBW) omdat telkens van de zijde van de eigenaar van het heersend erf een handeling nodig is die rechtstreeks tot de uitoefening van de erfdienstbaarheid strekt.

4.4.

Volgens Staatsbosbeheer doet zich in dit geval echter een uitzondering voor, nu de Hoge Raad in zijn arresten van 27 september 1996, NJ 1997, 496 en 24 september 1999, NJ 2000, 18 heeft aanvaard dat de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een uitzondering op deze regel moet worden aangenomen. Volgens Staatsbosbeheer markeert de feitelijke toestand van de weg de voortdurendheid en zichtbaarheid van het recht van erfdienstbaarheid, terwijl het recht van weg noodzakelijkerwijs voortvloeit uit die feitelijke toestand. Daarbij wijst hij op de omstandigheden dat sprake is van een verharde, duidelijk zichtbare weg, die al meer dan 100 jaar door de agrariërs van de achterliggende percelen wordt gebruikt, de ruime aanleg van de weg, de logische aansluiting van de weg op de Rijksstraatweg, de brug over de Veenwatering en de duiding van de weg op kaarten uit 1952 en 1958. Een en ander brengt volgens Staatsbosbeheer mee dat de erfdienstbaarheid is bedoeld ten behoeve van alle percelen in de Duivenvoordse en Veenzijdse polders die (thans) eigendom zijn van Staatsbosbeheer. [A] c.s. hebben de stelling van Staatsbosbeheer gemotiveerd betwist.

4.5.

Het betoog van Staatsbosbeheer faalt. Blijkens de genoemde arresten van de Hoge Raad kan een uitzondering op voormelde regel naar OBW worden aanvaard in een geval dat veeleer wordt gekenmerkt door het moeten dulden van een permanente feitelijke toestand (deuren in een scheidsmuur (die) op het lijdend erf uitkomen), dan door de omstandigheid dat het feitelijk gebruik van die toestand noodzakelijk met het betreden van het dienend erf gepaard gaat. Het door Staatsbosbeheer gestelde feitelijk gebruik van de [straat], hoe langdurig en veelvuldig ook, rechtvaardigt een dergelijke uitzondering niet. De door Staatsbosbeheer genoemde plaatselijke gesteldheid rechtvaardigt evenmin een uitzondering op de genoemde regel. Wil sprake zijn van een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid, dan moet volgens vaste jurisprudentie (vgl. o.a. HR 25 maart 1983, NJ 1984, 144) de situatie zo duidelijk in de richting van een recht van weg wijzen dat dit niet over het hoofd kan worden gezien en dat voor een ieder die de plaatselijke situatie in ogenschouw neemt, waarneembaar moet zijn dat sprake is van een erfdienstbaarheid. Dit hangt samen met het ingrijpende karakter - en het in verband daarmee geldende gesloten wettelijke stelsel - van de erfdienstbaarheid alsook met de eis van rechtszekerheid die met name verlangt dat uit de plaatselijke gesteldheid ondubbelzinnig blijkt dat de betrokken erven zich tot elkaar verhouden als een heersend en een dienend erf. De enkele (permanente) aanwezigheid van de asfaltlaag op de weg waarop de erfdienstbaarheid rust en de aanwezigheid van een brug over de Veenwatering die naar de (aangrenzende) percelen van Staatsbosbeheer in de Duivenvoordse en Veenzijdse polders leidt, is daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende. De duiding van de weg op kaarten zegt ten slotte niets over het bestaan van een erfdienstbaarheid. De slotsom is dan ook dat het beroep van Staatsbosbeheer op verkrijgende verjaring reeds strandt op het ontbreken van voortdurend bezit.

Bevrijdende verjaring

4.6. Ook het betoog van Staatsbosbeheer dat op grond van artikel 3:105 BW in verbinding met de Overgangswet (hierna: Ow) door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan ten behoeve van de aangrenzende percelen faalt. De termijn voor bevrijdende verjaring bedraagt twintig jaar (artikel 3:306 BW) en vangt aan met de dag volgend op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt. Omdat bezit van een erfdienstbaarheid in beginsel niet mogelijk was, geeft artikel 95 Ow antwoord op de vraag wanneer het in artikel 3:105 BW bedoelde bezit verkregen wordt; ‘Bezit en houderschap worden verkregen en verloren op het tijdstip van het in werking treden van de wet, indien de vereisten die de bepalingen van titel 5 van Boek 3 daarvoor stellen, reeds vóór dat tijdstip waren vervuld, doch het toen geldende recht aan de vervulling niet die gevolgen verbond. Op de verplichtingen die uit bezit en houderschap voortvloeien, is van dat tijdstip af, doch alleen voor het vervolg, de wet van toepassing.’ Op grond van deze bepaling, die het sluitstuk vormt van artikel 3:105 BW, kan het bezit niet eerder dan op 1 januari 1992 zijn ontstaan. De verjaringstermijn van twintig jaar kan dan ook pas zijn gaan lopen op 1 januari 1992 en op zijn vroegst zijn voltooid op 1 januari 2012. De rechtbank constateert evenwel dat de verjaring door de onder 1.1. genoemde dagvaarding d.d. 30 december 2011 is gestuit, zodat de verjaringstermijn niet is voltooid. Op dit oordeel strandt het beroep op bevrijdende verjaring.

Feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid onrechtmatig?
Inhoud en wijze van uitoefening erfdienstbaarheid

4.7. Nu met betrekking tot de aangrenzende percelen geen erfdienstbaarheid is ontstaan door verkrijgende verjaring, noch sprake is van bevrijdende verjaring, zal de rechtbank beoordelen of het gebruik van de [straat] door Staatsbosbeheer over de percelen van [A] c.s. om de aangrenzende percelen te bereiken (en andersom) onrechtmatig is omdat dit zonder recht of titel plaatsvindt. Daartoe moet beoordeeld worden of de erfdienstbaarheid (op grond waarvan Staatbosbeheer gerechtigd is tot het gebruik van de [straat] over de percelen van [A] c.s. tot ontsluiting van de percelen die behoren tot het heersend erf) mede strekt tot het feitelijk gebruik van de [straat] om over het dienend erf (via het heersend erf) de aangrenzende percelen te bereiken. Voorts zal de rechtbank beoordelen of het feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid om andere redenen dan vanwege het gebruik van de [straat] om de aangrenzende percelen te bereiken onrechtmatig is.

4.8.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5:73 BW worden de inhoud van een erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening bepaald door de akte van vestiging, en voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bij de uitleg van de akte komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (HR 13 juni 2003, NJ 2004, 251). Verder geldt dat de vraag of een erfdienstbaarheid van weg voor de eigenaar van het heersend erf het recht omvat om de weg over het dienend erf te gebruiken als verbinding, via het heersend erf, met een aan laatstgenoemd erf grenzend terrein dat de eigenaar van het heersend erf mede in eigendom of gebruik heeft in beginsel ontkennend moet worden beantwoord. Dit voor zover uit de akte van vestiging of de kennelijke functie van het heersend erf niet het tegendeel voortvloeit (HR 13 maart 1981, NJ 1982, 38).

4.9.

Vaststaat welke in de gemeente [woonplaats] en Veur gelegen percelen behoren tot het heersend erf. Vaststaat voorts dat het heersend erf onderdeel is van de percelen van Staatsbosbeheer en dat de aangrenzende percelen niet behoren tot het heersend erf. Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat de erfdienstbaarheid ook het recht omvat om de [straat] voor zover deze loopt over het dienend erf te gebruiken om (via het heersend erf) de aangrenzende percelen van Staatsbosbeheer te bereiken.

4.10.

Blijkens het bepaalde in artikel 24 van de akte zijn verschillende erfdienstbaarheden gevestigd. In de akte zijn mede erfdienstbaarheden gevestigd ten behoeve van diverse andere percelen in de Duivenvoordse en Veenzijdse polders dan de percelen die behoren tot het heersend erf als ook ten laste van andere percelen dan die van [A] c.s. (zie artikel 24 sub e) tot en met i) van de akte). Voorts zijn blijkens het bepaalde in artikel 24 sub f) van de akte in samenhang bezien met andere onderdelen van artikel 24 van de akte ten behoeve van bepaalde in de akte genoemde percelen meerdere erfdienstbaarheden gevestigd. Dit geldt ook voor sommige percelen die behoren tot het heersend erf van de erfdienstbaarheid (zie artikel 24 sub f) jo artikel 24 sub a) tot en met d) van de akte, waaruit blijkt dat ten behoeve van de in de gemeente [woonplaats] gelegen percelen 36 tot en met 41 (eigendom van Staatsbosbeheer en behorend tot het heersend erf) niet alleen de erfdienstbaarheid is gevestigd, maar ook een erfdienstbaarheid ten laste van (gedeelten van) de percelen 43 tot en met 60 in de gemeente Veur, de percelen 12, 13, 15 en 11 tot aan de Molensloot en de aan de overzijde van de sloot bestaande weg over perceel 6, tussen de (toen) op dat perceel bestaande arbeidswoningen en de daaraan sluitende weg lopend over perceel 6 en het Kadastraal perceel gemeente [woonplaats] [sectie] nommer 968 den Buurweg en het voormeld kadastraal perceel nommer 1009 (het perceel waarin de Rijksstraatweg loopt). Verder is in de akte bepaald, samengevat weergegeven, dat de eigenaren van de in artikel 24 genoemde heersende erven slechts gebruik mogen maken van de bedongen erfdienstbaarheden om voor zover nodig vanuit hun erven langs de kortste weg de openbare straatweg te kunnen bereiken en omgekeerd. Gelet op de opbouw en gedetailleerde inhoud van de akte, waarbij diverse erfdienstbaarheden zijn gevestigd, op onderdelen sprake is van meerdere erfdienstbaarheden ten behoeve van dezelfde percelen en de onderlinge verhouding tussen die erfdienstbaarheden wat betreft de uitoefening ervan door de eigenaren van de heersende erven is geregeld, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat uit de akte voortvloeit dat de akte mede het recht van gebruik van de [straat] ten behoeve van de aangrenzende erven omvat. Voor deze conclusie bestaat naar het oordeel van de rechtbank temeer reden nu (zoals door Staatsbosbeheer onweersproken gesteld) vaststaat dat pachters van Staatsbosbeheer die eigenaar zijn van naast die gepachte percelen gelegen percelen in de Duivenvoordse en Veenzijdse polders beschikken over een eigen uitweg naar de openbare weg.

4.11.

De rechtbank ziet evenmin aanknopingspunten voor de conclusie dat uit de functie van het heersend erf het feitelijk gebruik van de [straat] over het dienend erf ten behoeve van de aangrenzende percelen voortvloeit. Alle percelen in de betreffende polders zijn van oudsher in gebruik geweest als landbouwgrond. Uit niets blijkt dat de aard en inrichting van het heersend erf noopt tot het gebruik van de [straat] om de aangrenzende percelen (via het heersend erf) te bereiken.

4.12.

Het voorgaande betekent dat Staatsbosbeheer slechts gerechtigd is tot het gebruik van de [straat] over het dienend erf om het heersend erf te bereiken. Nu de akte uitsluitsel geeft over de inhoud van de erfdienstbaarheid, komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of de plaatselijke gewoonte meebrengt dat Staatsbosbeheer gerechtigd is tot het gebruik van de [straat] om over het dienend erf (via het heersend erf) de aangrenzende percelen te bereiken. De mate waarin Staatsbosbeheer de [straat] feitelijk gebruikt om de aangrenzende percelen te bereiken (volgens Staatsbosbeheer beperkt vanwege de omstandigheid dat sommige pachters een eigen uitweg hebben en andere pachters de weg van [Y] gebruiken), doet voorts in dit verband niet ter zake.

4.13.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer om over het dienend erf (via het heersend erf) de aangrenzende percelen te bereiken zonder recht of titel plaatsvindt. In zoverre is de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer onrechtmatig.

4.14.

Voor zover de stelling van [A] c.s. dat sprake is van een onredelijke verzwaring van de erfdienstbaarheid (waarover hierna in rov. 4.16 meer) mede in die zin moet worden begrepen dat het feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid ook om andere redenen dan vanwege het gebruik van de [straat] over de percelen van [A] c.s. om de aangrenzende percelen te bereiken onrechtmatig is, faalt deze stelling. Niet in geschil is dat het Staatsbosbeheer vrijstaat het heersend erf (mede) te beheren als natuurgebied en met het oog op dit beheer de erfdienstbaarheid uit te oefenen. Het verweer van Staatsbosbeheer dat de akte geen beperkende voorwaarden bevat ten aanzien van de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid is niet door [A] c.s. weersproken. Gelet hierop moet er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat Staatsbosbeheer niet beperkt is in de frequentie waarin en tijdstippen waarop hij de [straat] gebruikt om het heersend erf te bereiken, noch in de aard van de vervoersmiddelen die hij in dit verband gebruikt. Voorts kan er naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de betwisting van Staatsbosbeheer van de op dit punt door [A] c.s. gestelde feiten, niet van worden uitgegaan dat de grote schuur die zich bevindt op het heersend erf door Staatsbosbeheer niet alleen wordt gebruikt in verband met het beheer van het heersend erf als natuurgebied, maar als expeditiepunt voor de exploitatie van de gehele regio. Evenmin kan er gelet hierop van worden uitgegaan dat ten opzichte van 1905 sprake is van een bestemmingswijziging van het gebied, in die zin dat de [straat] thans (mede) loopt door een woongebied en niet (volledig) door een gebied met een agrarische bestemming. Zelfs indien echter de door [A] c.s. gestelde feiten als vaststaand worden aangenomen, dan hebben [A] c.s. onvoldoende feiten gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat de akte, dan wel de plaatselijke gewoonte in de weg staat aan het gebruik van de erfdienstbaarheid ten behoeve van een zodanige exploitatie en (mede) door een gebied met een woonbestemming. Ten slotte overweegt de rechtbank dat weliswaar vaststaat dat Staatsbosbeheer het voornemen heeft om een kapschuur te bouwen op de op bijlage 1 bij het proces-verbaal geduide locatie, echter dat niet is gesteld of gebleken dat hij daartoe reeds de vereiste vergunningen heeft verkregen. [A] c.s. hebben in ieder geval onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat de bouw van deze kapschuur een onrechtmatige wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid zou meebrengen. Hetzelfde geldt voor de - betwiste - stelling van [A] c.s. dat Staatsbosbeheer voornemens is de Duivenvoordse en Veenzijdse polders geheel als recreatiegebied te gaan exploiteren. Niet kan dan ook worden geconcludeerd dat thans, los van hetgeen hiervoor in rov. 4.13. is overwogen, sprake is van een onrechtmatige wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer.

4.15.

Voor zover [A] c.s. ten slotte mede bedoelen te stellen dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer in strijd met het bepaalde in artikel 5:74 BW niet op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze plaatsvindt, verwerpt de rechtbank deze stelling eveneens. [A] c.s. hebben gesteld overlast te ondervinden van het gebruik van de [straat] door Staatsbosbeheer, onder meer omdat op onplezierige tijden auto’s over de weg rijden en deze auto’s te hard rijden. Staatsbosbeheer heeft hiertegenover naar voren gebracht dat het beheer van een natuurterrein meebrengt dat het terrein bij nacht en ontij moet kunnen worden betreden en dat onder meer het duinwaterleidingbedrijf, pachters, loonwerkers en vrijwilligers het natuurgebied moeten kunnen betreden, bijvoorbeeld om muskusratten te bestrijden en uilen te ringen. Gelet op hetgeen hiervoor in rov. 4.14. is overwogen ten aanzien van de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid waartoe Staatsbosbeheer gerechtigd is, in samenhang bezien met de omstandigheid dat reeds een tweetal hekken op de [straat] zijn geplaatst, waarmee de overlast [A] c.s. geacht moet worden mede te worden beperkt, hebben [A] c.s. onvoldoende feiten gesteld voor de conclusie dat hen meer overlast wordt aangedaan dan redelijkerwijs voor een behoorlijke uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk kan worden geacht.

Onredelijke verzwaring van de toestand van het dienend erf?

4.16. Onder de vigeur van artikel 738 OBW gold de regel dat de eigenaar van het dienende erf een intensivering van de erfdienstbaarheid moest dulden, mits deze verzwaring paste in de kennelijke bedoeling van partijen ten tijde van de vestiging. Naar huidig recht zal de eigenaar van het dienende erf een intensivering van de erfdienstbaarheid moeten dulden, tenzij sprake is van onvoorziene omstandigheden die toewijzing van een verzoek tot wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid op grond van 5:78 BW rechtvaardigen. Deze bepaling is ook van toepassing op onder het oude recht (voor 1 januari 1992) gevestigde erfdienstbaarheden, met dien verstande dat ingevolge het bepaalde in artikel 165 Ow opheffing van dergelijke erfdienstbaarheden niet mogelijk is en dat, wat betreft een eventuele wijziging, op de omstandigheden vóór inwerkingtreding van artikel 5:78 BW geen acht wordt geslagen.

4.17.

Hiervoor is reeds aan de hand van het bepaalde in de artikelen 5:73 en 5:74 BW beoordeeld of en in hoeverre de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer onrechtmatig is, in welk verband mede de door [A] c.s. gestelde intensivering van het feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid is besproken. De rechtbank stelt naar aanleiding van de stelling van [A] c.s. dat sprake is van een onredelijke verzwaring van de erfdienstbaarheid verder vast dat zij aan hun vorderingen niet (kenbaar) ten grondslag hebben gelegd dat sprake is van onvoorziene omstandigheden en geen vordering tot wijziging van de erfdienstbaarheid hebben ingediend. Hierop stuiten de vorderingen van [A] c.s. voor zover zij (overigens) zijn gebaseerd op de stelling dat sprake is van een onredelijke verzwaring van de erfdienstbaarheid af.


Plaatsing (derde) hek

4.18. De rechtbank stelt voorop dat [A] c.s. als eigenaren op grond van het bepaalde in artikel 5:48 BW bevoegd zijn tot afsluiting van hun erven en dat deze bevoegdheid ook bestaat ingeval die erven belast zijn met een erfdienstbaarheid (HR 23 juni 2006, NJ 2006, 352). Een en ander laat onverlet dat wanneer [A] c.s. gebruik maken van die bevoegdheid, zij ervoor dienen te zorgen dat Staatsbosbeheer als eigenaar van het heersend erf onbelemmerde toegang behoudt tot het dienend erf om de erfdienstbaarheid uit te oefenen. Vaststaat dat op de [straat] thans, met instemming van Staatsbosbeheer, twee hekken zijn geplaatst. Die hekken moeten worden opengedaan en weer gesloten om de weg te vervolgen. De rechtbank is met Staatsbosbeheer van oordeel dat [A] c.s. geen, althans onvoldoende feiten hebben gesteld die nopen tot de conclusie dat zij een gerechtvaardigd belang hebben bij plaatsing van een derde hek op de op productie 8 bij de dagvaarding aangegeven plaats, in aanmerking genomen de belemmeringen die Staatsbosbeheer ondervindt van de twee reeds geplaatste hekken. De plaatsing van een extra hek zou immers betekenen dat er om het heersend erf via de [straat] te kunnen bereiken - naast de huidige vier keer - tweemaal extra tijdens een enkele rit over de [straat] moet worden uitgestapt om een hek te openen en te sluiten. Hierdoor wordt Staatsbosbeheer onredelijk in de uitoefening van zijn erfdienstbaarheid beperkt.

Vorderingen van [A] c.s.

4.19. Het vorenstaande leidt tot de volgende conclusies ten aanzien van de vorderingen van [A] c.s..

4.20.

De rechtbank is (zie hiervoor in rov. 4.13) van oordeel dat het feitelijk gebruik van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer om over het dienend erf (via het heersend erf) de aangrenzende percelen te bereiken zonder recht of titel plaatsvindt en acht in zoverre de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer onrechtmatig. Of dit oordeel leidt tot toewijzing van de vorderingen van [A] c.s. zoals hiervoor weergegeven in rov. 3.1. achter I en II is afhankelijk van de beoordeling van de rechtbank van de vorderingen van Staatsbosbeheer in reconventie. Toewijzing van de vordering van Staatsbosbeheer in reconventie om de [straat] als noodweg aan te wijzen, zou immers nopen tot afwijzing van de genoemde vorderingen van [A] c.s. in conventie, aangezien alsdan van onrechtmatig gebruik van de [straat] geen sprake (meer) zou zijn. De rechtbank zal hierna de vorderingen van Staatsbosbeheer in reconventie beoordelen.

4.21.

De vordering van [A] c.s., hiervoor weergegeven in rov. 3.1. achter III, zal worden afgewezen om de volgende redenen. Blijkens het hiervoor overwogene is de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid door Staatsbosbeheer, anders dan voor zover de [straat] feitelijk door hem wordt gebruikt om de aangrenzende percelen te bereiken, niet onrechtmatig. Voor zover de vordering hier betrekking op heeft, moet zij reeds hierom worden afgewezen. Voor zover de vordering mede betrekking heeft op het gebruik van de [straat] om de aangrenzende percelen te bereiken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en met het oog op executie objectief bepaalbaar hetgeen als “strikt noodzakelijk voor het gebruik van het heersend erf” moet worden beschouwd. Daarom moet de vordering eveneens worden afgewezen.

4.22.

De vordering van [A] c.s., zoals hiervoor in rov. 3.1. achter IV weergegeven, zal gelet op hetgeen hiervoor in rov. 4.18 is overwogen worden afgewezen.

4.23.

Gelet op hetgeen hierna in reconventie nog aan de orde zal komen, zal hetgeen hiervoor in conventie is beslist, niet in het dictum van dit vonnis worden opgenomen en zullen alle overige beslissingen worden aangehouden.

in reconventie

Openbare weg
4.24. Nu Staatsbosbeheer - zoals in conventie in rov. 4.1. is overwogen - zijn standpunt dat de [straat] een openbare weg in de zin van de Wegenwet is niet heeft gehandhaafd, is de grondslag aan de primaire vordering van Staatsbosbeheer, zoals hiervoor in rov. 3.4. achter I weergegeven komen te ontvallen, zodat de vordering wordt afgewezen.

Belemmering/blokkering

4.25. Ten aanzien van het door Staatsbosbeheer gevorderde verbod voor [A] c.s. tot belemmering of blokkering van de [straat], zoals hiervoor achter 3.4. achter II weergegeven, overweegt de rechtbank dat een dergelijk verbod (of gebod) kan worden gegeven bij (dreigend) onrechtmatig handelen door [A] c.s.. Nu Staatsbosbeheer geen, althans onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit blijkt dat de [straat] thans door [A] c.s. wordt belemmerd of geblokkeerd en/of dat er aanwijzingen bestaan dat [A] c.s. het vrije gebruik van Staatsbosbeheer van de weg ten behoeve van het heersend erf (opnieuw) zullen gaan blokkeren, zal deze vordering van Staatsbosbeheer bij gebrek aan een deugdelijke feitelijke grondslag afgewezen.


Wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid

4.26. Blijkens hetgeen [A] c.s. hebben gesteld bij conclusie van antwoord in reconventie achter punt 20 is tussen partijen niet (langer) in geschil dat het rijden over de [straat] met tractoren, karren, auto’s en andere gemotoriseerde voertuigen in overeenstemming is met de erfdienstbaarheid. Gelet hierop heeft Staatsbosbeheer naar het oordeel van de rechtbank geen belang (meer) bij de hiervoor in rov. 3.4. achter III weergegeven verklaring voor recht en zal deze worden afgewezen.

Aanwijzing noodweg

4.27. Ten slotte wordt toegekomen aan de subsidiaire vordering van Staatsbosbeheer, inhoudende de aanwijzing van (een door de rechtbank te bepalen gedeelte van) de [straat] als noodweg ex artikel 5:57 BW ten behoeve van de aangrenzende percelen ten laste van de percelen van [A] c.s. Ingevolge het bepaalde in artikel 5:57 BW kan de eigenaar van een erf dat geen behoorlijke toegang heeft tot een openbare weg of een openbaar vaarwater van de eigenaars van naburige erven te allen tijden aanwijzing van een noodweg ten dienste van zijn erf vorderen. Beslissend voor de vraag of een erf een behoorlijke toegang heeft is, of bij het ontbreken van de noodweg een behoorlijke exploitatie van het ingesloten erf, gelet op de bestemming die het erf in het gegeven geval heeft, onmogelijk is.

4.28.

Staatsbosbeheer heeft gesteld dat de openbare weg vanaf de aangrenzende percelen niet anders dan via de [straat] kan/kon worden bereikt. [A] c.s. betwisten die stelling onder verwijzing naar artikel 24 sub f) van de akte, naar welke bepaling ook in artikel 24 sub g) en h) van de akte wordt verwezen (zie rov. 2.8.). Volgens [A] c.s. moet het er voor worden gehouden dat bij de akte erfdienstbaarheden zijn gevestigd zodanig dat ten aanzien van alle percelen die zijn gelegen in de Duivenvoordse en Veenzijdse polders een uitweg tot de openbare weg verzekerd is. Van ingesloten percelen in de zin van artikel 5:57 BW is volgens [A] c.s. geen sprake. De in artikel 24 sub f) van de akte bepaalde uitweg is ingetekend op de als productie 7 bij de conclusie van antwoord in reconventie gevoegde kaart alsook op bijlage 3 bij het proces-verbaal van comparitie. Ter comparitie heeft Staatsbosbeheer gesteld dat de door [A] c.s. bedoelde (tweede) uitweg (vanaf de percelen van Staatsbosbeheer) deels verhard en deels onverhard is, dat de weg stopt bij de Veenwatering waarna je in het grasland komt en dat er geen brug is over de Veenwatering. De door Staatsbosbeheer gestelde huidige feitelijke toestand van het terrein is onweersproken gebleven. [A] c.s. hebben betoogd dat het een keuze van Staatsbosbeheer is om de betreffende uitweg niet te gebruiken.

4.29.

Blijkens het bepaalde in artikel 24 f) van de akte is een erfdienstbaarheid gevestigd onder meer ten behoeve van “al [niet duidelijk leesbaar] de gemeente Veur gelegen percelen” en, zoals hiervoor reeds overwogen, ten laste van percelen die geen eigendom zijn van [A] c.s.. Staatsbosbeheer heeft ter onderbouwing van zijn vordering geen informatie overgelegd waaruit de huidige kadastrale indeling en nummering van zijn percelen blijkt en in ieder geval niet van de (alle) aangrenzende percelen, noch informatie waaruit blijkt tot welke in de akte genoemde Nommers de aangrenzende percelen hebben behoord. De aangrenzende percelen zijn gedeeltelijk in de gemeente Veur en gedeeltelijk in de gemeente [woonplaats] gelegen. Voor zover de aangrenzende percelen in de gemeente Veur zijn gelegen, moet worden geconcludeerd dat bij de akte in ieder geval ten behoeve van die percelen een erfdienstbaarheid is gevestigd. Op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank niet beoordelen of ten behoeve van de in de gemeente [woonplaats] gelegen aangrenzende percelen in de akte erfdienstbaarheden zijn gevestigd op grond waarvan de betreffende percelen een uitweg hebben tot de openbare weg. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank op de weg van Staatsbosbeheer, die moet stellen en, gelet op de betwisting van [A] c.s., bewijzen dat hij wat betreft de aangrenzende percelen geen behoorlijke toegang heeft tot de openbare weg, de betreffende informatie in het geding te brengen. De rechtbank zal Staatsbosbeheer bevelen de betreffende informatie over te leggen zoals hierna in het dictum verwoord.

4.30.

Ook indien wordt aangenomen dat ten aanzien van alle aangrenzende percelen een of meer erfdienstbaarheden zijn gevestigd, staat die omstandigheid niet zonder meer in de weg aan toewijzing van de vordering van Staatsbosbeheer. Maatgevend voor de aanwijzing van een noodweg op grond van artikel 5:57 BW is immers of de aangrenzende percelen geen behoorlijke toegang tot een openbare weg hebben. Daarbij merkt de rechtbank op dat indien en voor zover een behoorlijke toegang door toedoen van Staatsbosbeheer of een van haar rechtsvoorgangers niet langer kan worden gebruikt, terwijl deze wel kan worden hersteld, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is voor de aanwijzing van een noodweg.


4.31. Teneinde te beoordelen of Staatsbosbeheer als eigenaar van de aangrenzende percelen een behoorlijke toegang tot een openbare weg ontbreekt, zal de rechtbank een comparitie ter plaatse in aanwezigheid van een deskundige gelasten zoals in het dictum verwoord. De rechtbank hecht aan aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het kadaster die op de hoogte is van de erfdienstbaarheden die in de gemeente [woonplaats] en de gemeente Veur zijn gevestigd (voor zover voor deze zaak relevant) en zal daartoe een deskundige benoemen die de rechtbank, mede aan de hand van de door Staatsbosbeheer verstrekte informatie, ter plaatse kan voorlichten. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de deskundige, waarbij zij ervan uitgaat dat partijen in overleg treden teneinde gezamenlijk één deskundige op te geven, en de aan de deskundige te stellen vragen. De betreffende comparitie zal tevens worden gebruikt om, opnieuw, een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven. De kosten van de te benoemen deskundige zijn op grond van het bepaalde in artikel 195 Rv - voorlopig - voor rekening van Staatsbosbeheer.

4.32.

Het vervolg van de procedure is afhankelijk van de uitkomst van voormelde beoordeling. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat een behoorlijke toegang ontbreekt, dienen, zoals [A] c.s. terecht betogen, alle eigenaren over wier percelen eisende partij de noodweg wenst te doen lopen in rechte te worden betrokken om te komen tot een verantwoorde afweging van de belangen van de bij de aanwijzing betrokken erven (5:57 lid 1 en 3 BW). Vaststaat dat de door Staatsbosbeheer gewenste noodweg niet alleen loopt over de percelen van [A] c.s., maar ook over percelen van derden. Op grond van het bepaalde in artikel 118 Rv is de rechtbank bevoegd om Staatsbosbeheer de gelegenheid te bieden de betreffende derden in het geding op te roepen, hetgeen de rechtbank zal doen indien zij tot het oordeel komt dat een behoorlijke toegang ontbreekt. Indien de rechtbank de stelling van Staatsbosbeheer dat een behoorlijke toegang ontbreekt, verwerpt, zal de rechtbank een eindvonnis wijzen.

4.33.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van Staatsbosbeheer zoals hiervoor achter 3.4 achter I tot en met III weergegeven voor afwijzing gereed liggen. In afwachting van de door Staatsbosbeheer te verstrekken informatie en de comparitie ter plaatse zullen de beslissingen ten aanzien van deze vorderingen niet in het dictum van dit vonnis worden opgenomen en zullen alle overige beslissingen worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

houdt iedere beslissing aan;

in reconventie

5.2.

beveelt een comparitie van partijen ter plaatse in de Duivenvoordse en Veenzijdse polders in aanwezigheid van hierna te noemen deskundige, alsmede een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt op een nader door haar te bepalen tijdstip en plaats;

5.3.

bepaalt dat partijen binnen vier weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel - zo mogelijk gezamenlijk een opgave dienen te doen van de te benoemen deskundige, zijnde een kadastermedewerker die op de hoogte is van de in de gemeenten [woonplaats] en Veur gevestigde erfdienstbaarheden, alsmede van de vragen die zij deze deskundige wensen te stellen en van hun verhinderdata in de periode van 1 september tot 1 november 2014 en de precieze locatie van de comparitie;

5.4.

beveelt Staatsbosbeheer uiterlijk twee weken voorafgaand aan de genoemde comparitie ter plaatse in het geding te brengen informatie waaruit de huidige kadastrale indeling en nummering van de zijn percelen, met een blauw vlak ingetekend op bijlage 4 bij het proces-verbaal van comparitie, blijkt en informatie waaruit blijkt tot welke in de akte genoemde Nommers de aangrenzende percelen hebben behoord;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-Van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: 1486