Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7434

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
09-827095-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/827095-13

Datum uitspraak: 4 februari 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1941 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 januari 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J. Mos en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. P. van Wegen, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 1995 tot en met

29 november 1999 te Naaldwijk, althans (elders) in Nederland en/of in

Luxemburg, met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 1987), die toen de

leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en)

heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte:

- [slachtoffer 1] getongzoend, althans zijn tong in de mond van [slachtoffer 1] gebracht/geduwd

en/of

- zich door [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of

- de blote penis en/of (onder)lichaam van [slachtoffer 1] betast;

art 244 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 30 november 1999 tot en

met 31 december 2002 te Naaldwijk, althans (elders) in Nederland en/of in

Luxemburg, met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 1987), die de

leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die

(telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte:

- [slachtoffer 1] getongzoend, althans zijn tong in de mond van [slachtoffer 1] gebracht/geduwd

en/of

- zich door [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of

- de blote penis en/of (onder)lichaam van [slachtoffer 1] betast;

art 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijstipeen in of omstreeks de periode van 1 januari 1995

tot en met 31 december 2002 te Naaldwijk en/of elders in Nederland en/of

Luxemburg ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 1987,

immers heeft hij:

- die [slachtoffer 1] getongzoend, althans zijn tong in de mond van [slachtoffer 1]

gebracht/geduwd en/of

- die door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of

- de blote penis en/of onderlichaam van die [slachtoffer 1] betast;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1996

tot en met 6 februari 2004 te Naaldwijk en/of elders in Nederland en/of In

Luxemburg ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 1990,

immers heeft hij:

- die [slachtoffer 2] afgetrokken en/of

- zich door die [slachtoffer 2] laten aftrekken en/of

- de blote penis en/of onderlichaam van die [slachtoffer 2] betast;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

3. Bewijsoverwegingen1

3.1

Inleiding

De familie [achternaam slachtoffers], waartoe de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] behoren, is in 1996 in de straat van verdachte ([straat] te Naaldwijk) komen wonen.2 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren toen respectievelijk 8 en 6 jaar oud. Verdachte is vanaf dit moment met de familie bevriend geraakt en heeft in de loop der jaren met name met [slachtoffer 1], en later ook met [slachtoffer 2], een intensieve band opgebouwd. Over deze feiten en omstandigheden bestaat tussen de procespartijen geen discussie.

In 2013 hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangifte tegen verdachte gedaan van seksueel misbruik in de periode van 1996 tot en met 2003. Verdachte heeft steeds – ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting – ontkend dat hij zich daaraan schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de seksuele handelingen heeft verricht zoals die onder de feiten 1 tot en met 4 ten laste zijn gelegd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2. Het geven van een tongzoen kan, aldus de officier van justitie, niet worden aangemerkt als ‘seksueel binnendringen’ in de zin van artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in welk verband de officier van justitie heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1431), en de overige tenlastegelegde handelingen zijn ook niet als zodanig aan te merken. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten 3 en 4 heeft gepleegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft hij, net als de officier van justitie, verwezen naar de recente jurisprudentie van de Hoge Raad.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte deze feiten heeft gepleegd, nu verdachte die feiten steeds stellig heeft ontkend, terwijl de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bovendien niet te rijmen zijn met het feit dat zij in 2011 – op hun eigen initiatief – nog met verdachte met vakantie zijn geweest.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat het geven van een tongzoen, zoals dat in de tenlastelegging onder meer aan de feiten 1 en 2 ten grondslag is gelegd, gezien de recente jurisprudentie van de Hoge Raad, niet als ‘seksueel binnendringen’ in de zin van (onder meer) artikel 244 Sr kan worden aangemerkt, terwijl (ook) de overige onder de feiten 1 en 2 opgenomen feitelijke gedragingen niet beschouwd kunnen worden als seksueel binnendringen. Dit brengt mee dat verdachte van de feiten 1 en 2 zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), geboren op 30 november 1987, heeft verklaard dat

vanaf eind 1996, begin 1997 “een soort van vriendschap” met verdachte is ontstaan. [slachtoffer 1] fietste elk weekend met verdachte in toertochten en die weekenden bleef hij bij verdachte slapen. Verdachte probeerde [slachtoffer 1] dan bang te maken voor inbrekers, kinderontvoerders en kinderverkrachters, zodat hij, [slachtoffer 1], bij verdachte in bed wilde slapen. Zij lagen dan ‘lepeltje-lepeltje’ in bed, waarbij verdachte [slachtoffer 1] tegen zich aan klemde. Als [slachtoffer 1] ’s ochtends wakker werd, had hij geen onderbroek meer aan. Toen [slachtoffer 1] aan verdachte vroeg hoe het kwam dat zijn onderbroek ’s ochtends uit was, vertelde verdachte dat dit kwam doordat [slachtoffer 1] onrustig sliep. Toen [slachtoffer 1] 10 jaar oud was, heeft verdachte hem in de huiskamer op schoot genomen. Toen hebben zij getongzoend. Het tongzoenen is volgens [slachtoffer 1] meerdere keren voorgekomen, zeker drie keer. Verdachte en [slachtoffer 1] douchten, als [slachtoffer 1] bij hem logeerde, ook samen, waarbij verdachte [slachtoffer 1] inzeepte en afdroogde, terwijl [slachtoffer 1] dit thuis zelf al deed. Bij het afdrogen en inzepen raakte verdachte de geslachtsdelen van [slachtoffer 1] aan. Volgens [slachtoffer 1] “wilde hij mij aanraken”. Verdachte is met [slachtoffer 1], voor het eerst in de zomer van 1997 of 1998, met vakantie geweest in Luxemburg. Verdachte ritste dan twee slaapzakken aan elkaar, zij sliepen dan wederom ‘lepeltje-lepeltje’ en ook dan had [slachtoffer 1] ’s ochtends geen onderbroek meer aan. Ook tijdens de vakanties in Luxemburg douchten [slachtoffer 1] en verdachte samen. Wanneer [slachtoffer 1] met verdachte met vakantie was, moest [slachtoffer 1] doen alsof verdachte zijn vader was. Zo is het tot en met 2000 gegaan; het zonder onderbroek wakker worden, tongzoenen en samen douchen heeft volgens [slachtoffer 1] gedurende ongeveer vier jaar plaatsgevonden.

In 1999 moest [slachtoffer 1] verdachte aftrekken op het bed van verdachte. Verdachte deed toen alsof [slachtoffer 1] hem pestte. Na het aftrekken spoelde verdachte snel zijn “fluit” af, aldus [slachtoffer 1].

[slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat zijn broertje [slachtoffer 2] “zijn plaats heeft overgenomen”, in die zin dat met hem hetzelfde is gebeurd. Drie jaar geleden had hij [slachtoffer 2] verteld wat hem was overkomen en later vertelde [slachtoffer 2] aan [slachtoffer 1] dat ook hij met verdachte in één bed sliep en dan samen met hem douchte, dat bij hem tongzoenen niet plaatsvond, maar dat verdachte hem aftrok, en andersom.3

[slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), geboren op [geboortedatum 3], heeft verklaard dat hij rond 1997 voor het eerst contact met verdachte had. Verdachte en [slachtoffer 1] vroegen [slachtoffer 2] toen om mee te gaan fietsen in de weekenden. Als [slachtoffer 2] in het weekend mee ging fietsen, sliep ook hij in het huis van verdachte. [slachtoffer 1] sliep dan bij verdachte in de kamer en [slachtoffer 2] in een aparte kamer. [slachtoffer 2] heeft gezien dat [slachtoffer 1] bij verdachte in bed sliep.

Nadat [slachtoffer 1] stopte met het fietsen met verdachte, is [slachtoffer 2] elk weekend met verdachte gaan fietsen. [slachtoffer 2] bleef dan bij verdachte thuis slapen, waarbij zij ‘lepeltje-lepeltje’ in bed lagen. Als [slachtoffer 2] ’s ochtends wakker werd, had hij geen onderbroek meer aan. Toen [slachtoffer 2] verdachte daar op aansprak, vertelde verdachte hem dat [slachtoffer 2] zijn onderbroek zelf in zijn slaap had uitgedaan. Thuis gebeurde het nooit dat [slachtoffer 2] ’s ochtends geen onderbroek meer aanhad als hij wakker werd. De vader van [slachtoffer 2] – die een sleutel van de woning van verdachte had – is op een ochtend de slaapkamer van verdachte binnengekomen en heeft [slachtoffer 2] in het bed van verdachte aangetroffen. Toen schrok verdachte en hij stond snel op. De vader van [slachtoffer 2] is toen met verdachte in gesprek gegaan en [slachtoffer 2] hoorde hem aan verdachte vragen waarom hij [slachtoffer 2] in zijn bed liet slapen. Ook zei [slachtoffer 2] vader dat dit niet normaal was. [slachtoffer 2] vader eiste dat [slachtoffer 2] voortaan in een andere kamer zou slapen.

Verdachte en [slachtoffer 2] douchten ook samen, waarna verdachte [slachtoffer 2] afdroogde. Verdachte raakte daarbij de geslachtsdelen van [slachtoffer 2] aan. Toen verdachte [slachtoffer 2] wilde afdrogen, zei [slachtoffer 2] dat hij dat zelf wel kon, maar verdachte drong er dan op aan dat hij dat zou doen.

Verdachte is met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met vakantie geweest in Luxemburg. Later is verdachte alleen met [slachtoffer 2] met vakantie gegaan naar Luxemburg. Verdachte ritste dan twee slaapzakken aan elkaar en zij sliepen dan samen in de aan elkaar geritste slaapzak. Verdachte vertelde aan [slachtoffer 2] – terwijl zij in de slaapzak lagen – dat er kinderlokkers waren op de camping en hij kroop dan dicht tegen [slachtoffer 2] aan. Wanneer [slachtoffer 2] met verdachte met vakantie was, moest [slachtoffer 2] aan mensen vertellen dat verdachte zijn opa was. Toen [slachtoffer 2] 12 jaar oud was, heeft verdachte [slachtoffer 2] afgetrokken. Verdachte lag tegen [slachtoffer 2] aan, met zijn buik tegen zijn rug en toen voelde [slachtoffer 2] dat verdachte een stijve had. Toen [slachtoffer 2] verdachte daarop aansprak en vroeg wat dat was, heeft verdachte hem heel speels uitgedaagd zodat hij, [slachtoffer 2], aan zijn “fluit” ging trekken; zo noemde verdachte zijn geslachtsdeel altijd, aldus [slachtoffer 2]. Verdachte deed net alsof [slachtoffer 2] hem pestte. Een andere keer heeft verdachte [slachtoffer 2] afgetrokken. Zij kwamen op een gesprek dat over sperma ging, waarop [slachtoffer 2] zijn broek heeft uitgedaan en verdachte aan [slachtoffer 2] vroeg of hij hem mocht aftrekken. “Dat was ook weer speels”, aldus [slachtoffer 2].

Volgens [slachtoffer 2] hebben de hiervoor beschreven handelingen, te weten het aftrekken, het uittrekken van zijn onderbroek, het bij elkaar slapen en het afdrogen plaatsgevonden vanaf 1999, toen [slachtoffer 2] 9 jaar oud was, tot zijn 13e jaar. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hem later, toen [slachtoffer 2] 18 jaar oud was, heeft verteld dat verdachte een pedofiel was en dat hij het ook bij hem, [slachtoffer 1], had gedaan. [slachtoffer 1] vroeg toen aan [slachtoffer 2] of dat ook bij hem het geval was, wat [slachtoffer 2] toen heeft bevestigd.4

De vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], [vader] (hierna: [vader]), heeft verklaard dat [slachtoffer 1], in de tijd dat hij met verdachte fietste, bijna ieder weekend bij verdachte bleef slapen. Toen het begon, was [slachtoffer 1] ongeveer 8 of 9 jaar oud. Het viel [vader] op een gegeven moment op dat [slachtoffer 1] bang was geworden voor inbrekers en dat hij ’s nachts bij zijn ouders in bed wilde slapen. [vader] is een keer – [slachtoffer 2] was toen 13 jaar – bij het huis van verdachte naar binnen gegaan, waar hij [slachtoffer 2] in het bed van verdachte zag liggen. Hij dacht toen: ‘het zal toch niet waar zijn’. [vader] heeft verdachte hierop aangesproken; hij wilde dat [slachtoffer 2] voortaan in een andere kamer zou slapen. [vader] heeft over dit incident verder verklaard dat [slachtoffer 2] in het bed van verdachte lag en dat hij [slachtoffer 2] hoorde zeggen: “godverdomme, ik ben mijn onderbroek kwijt”. [vader] heeft voorts verklaard dat verdachte zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] mee op vakanties naar onder meer Luxemburg nam. Ook heeft hij verklaard dat [slachtoffer 1] hem, nadat het met [slachtoffer 2] rond zijn 19e/20e jaar fout was gelopen, heeft verteld dat verdachte hem heeft afgetrokken “in de trant van een spelletje op het bed” en dat zij hebben getongzoend terwijl [slachtoffer 1] op de schoot van verdachte zat. Volgens [vader] heeft [slachtoffer 2] daar toen bevestigend op gereageerd.5

De moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], [moeder](hierna: [moeder]), heeft verklaard dat, toen de familie net was verhuisd, verdachte [slachtoffer 1] meenam naar activiteiten en [slachtoffer 1] vanwege het fietsen bij hem bleef slapen. Toen [slachtoffer 1] ongeveer 10 of 11 jaar oud was, merkte [moeder] dat [slachtoffer 1] bang was geworden en dat hij slecht sliep. Over de uitjes met verdachte (zoals naar Euro Disney) vertelde [slachtoffer 1] haar dat hij tegen andere mensen moest zeggen dat verdachte zijn vader was. Ook [slachtoffer 2] bleef bij verdachte logeren. Toen [moeder] [slachtoffer 2] een ultimatum stelde, inhoudende dat als hij zijn gedrag niet zou veranderen, hij maar (thuis) weg moest gaan, begon [slachtoffer 1] te huilen en vertelde hij dat zij [slachtoffer 2] niet naar de vijand moesten sturen. [slachtoffer 1] vertelde toen dat [slachtoffer 2] en hij jarenlang door verdachte waren misbruikt; dat hij lepeltje-lepeltje met verdachte lag, dat zijn zijn onderbroek werd uitgetrokken, dat hij moest tongzoenen op de bank en dat hij verdachte moest aftrekken in de slaapkamer.6

Verdachte heeft erkend dat [slachtoffer 1] vaak in het weekend bij hem bleef slapen als zij toertochten fietsten7, dat hij hem bang maakte voor inbrekers en kinderlokkers en tegen hem zei dat het veiliger was als [slachtoffer 1] bij hem in bed kwam slapen.8 Toen [slachtoffer 1] stopte met fietsen, ging verdachte met [slachtoffer 2] fietsen en toen heeft [slachtoffer 2] bij verdachte in bed geslapen. De vader van [slachtoffer 2] heeft verdachte erop aangesproken dat [slachtoffer 2] bij verdachte in bed sliep en gevraagd of [slachtoffer 2] in een andere kamer mocht slapen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn met verdachte met vakantie geweest naar Luxemburg. Verdachte ritste dan twee slaapzakken aan elkaar waarin [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2], en verdachte sliepen. Verdachte vond het gezellig als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naast hem lagen. Verdachte heeft verklaard dat hij van kleine kinderen houdt en dat kinderen voor hem aantrekkelijk worden als hij eenzaam is, dat hij het “misschien wel spannend” vond om met kleine jongens te slapen, dat het “misschien de opwinding was”.9 Verdachte heeft wel eens samen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedoucht toen zij ongeveer 14 jaar oud waren. Hij werd er opgewonden van als hij de jongens naakt zag.10 Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] en hij op een gegeven moment over sperma spraken, dat [slachtoffer 2] een stijve had gekregen en dat verdachte toen aan [slachtoffer 2] vroeg of hij hem mocht zien. Volgens verdachte vroeg [slachtoffer 2] vervolgens of hij hem wilde aftrekken. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] dat toen zelf heeft gedaan en dat verdachte hem alleen wilde “adviseren hoe je moest aftrekken.”11

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat

[slachtoffer 2] zich een keer onder de douche heeft afgetrokken terwijl verdachte daar – terwijl ook hij onder de douche was – met zijn rug naar toe stond.12 Toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ouder werden, had verdachte er geen behoefte meer aan om met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te douchen. Verdachte heeft foto’s van onder meer [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bewaard omdat hij daar opgewonden van werd. Hij heeft er wel eens aan gedacht om met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te neuken en te pijpen.13 Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bepaalde gevoelens bij hem opriepen, dat het “slechte gedeelte” daarvan was dat hij “seks met hen zou hebben”.14 Verdachte heeft ten slotte verklaard dat het zo zou kunnen zijn dat hij op een gegeven moment heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan te raken; “dat gaat op een speelse manier”, aldus verdachte.15

De rechtbank is van oordeel dat dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] consistente en gedetailleerde verklaringen hebben afgelegd. Deze verklaringen ondersteunen elkaar ook op verschillende onderdelen. Zo hebben beide broers overeenkomstig verklaard over de ‘modus operandi’ van verdachte, namelijk de manier waarop verdachte hen bij hem in bed deed belanden (door hen bang te maken), de manier waarop verdachte met hen sliep (‘lepeltje-lepeltje’ en tijdens vakantie in aan elkaar geritste slaapzakken), de omstandigheid dat hun onderbroek uit was als zij wakker werden en de verklaring die verdachte daarvoor gaf. Ook hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] overeenkomstig verklaard over het douchen met verdachte en dat hij hen dan wilde afdrogen, terwijl dat niet nodig was. Ten slotte ondersteunen de verklaringen van de broers elkaar ook specifiek op het punt van de seksuele handelingen waarover zij hebben verklaard. Zo bevatten de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zeer gedetailleerde passages over het aftrekken door of van verdachte. Die verklaringen vertonen bovendien een opvallende overeenkomst waar het gaat om de ‘pesterige’ c.q. ‘speelse’ sfeer waarin de bewuste handelingen plaatsvonden. Opvallend is ook dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat zij tijdens gezamenlijke vakanties tegen vreemden moesten zeggen dat verdachte een familielid, vader of opa, van hen was.

De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] worden voorts ondersteund door de verklaringen van hun ouders, die beiden hebben verklaard dat de broers in de periode waarin zij bij verdachte sliepen, bang waren voor inbrekers (e.d.). [vader] heeft bovendien verklaard dat hij [slachtoffer 2] bij verdachte in bed heeft zien liggen en dat deze op dat moment zei dat hij zijn onderbroek kwijt was. Beide ouders hebben voorts verklaard over wat hun zoons hun over het seksueel misbruik door verdachte hebben verteld en ook in zoverre stemmen de verklaringen van de ouders met die van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] overeen.

Ten slotte vinden de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] steun in de verklaringen die verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd, met name ook waar verdachte heeft verklaard over zijn seksuele gevoelens en hoe deze zich hebben geuit. Uit de verklaringen van verdachte maakt de rechtbank op dat verdachte seksuele gevoelens koesterde voor jonge jongens, dat hij opgewonden werd van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat hij erover nadacht dat hij seks met hen wilde hebben. Verdachte heeft erkend dat hij met de broers in één bed dan wel in een aaneen geritste slaapzak heeft geslapen, dat hij met hen heeft gedoucht en dat hij – in het geval van [slachtoffer 2] – erbij was toen deze zich aftrok. Verdachte heeft ook verklaard dat hij de jongens aangeraakt zou kunnen hebben en wel op ‘speelse’ wijze, hetgeen precies in het beeld past dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het misbruik hebben geschetst.

Aldus vindt de verklaring van [slachtoffer 1] (op essentiële onderdelen) steun in die van [slachtoffer 2] en andersom, en vinden beide verklaringen voorts steun in de verklaringen van de ouders van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en in de verklaringen die verdachte heeft afgelegd. Dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enkele jaren voordat zij aangifte tegen verdachte hebben gedaan nog met hem met vakantie zijn geweest, kan daaraan, anders dan verdachte heeft betoogd, niet afdoen. Gezien het beeld van de relatie tussen de broers en verdachte, zoals dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen, acht de rechtbank die vakantie niet onbegrijpelijk.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen, ook ten aanzien van het gedeelte dat door verdachte is bestreden.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (op na te melden wijze) ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in zijn woning te Naaldwijk en tijdens vakanties in Luxemburg. De rechtbank stelt vast dat verdachte de bewuste ontuchtige handelingen heeft gepleegd terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan zijn zorg waren toevertrouwd. De handelingen hebben immers plaatsgevonden terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], met goedkeuring van hun ouders, bij verdachte thuis logeerden of met hem met vakantie waren.16

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen (zulks met verbetering van in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad) dat:

3.

hij op één of meer tijdstipeen in of omstreeks de periode van 1 januari 1995

tot en met 31 december 2002 te Naaldwijk en/of elders in Nederland en/of

Luxemburg ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 1987,

immers heeft hij:

- die [slachtoffer 1] getongzoend, althans zijn tong in de mond van [slachtoffer 1]

gebracht/geduwd en/of

- die zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of

- de blote penis en/of onderlichaam van die [slachtoffer 1] betast;

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1996

tot en met 6 februari 2004 te Naaldwijk en/of elders in Nederland en/of in

Luxemburg ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 1990,

immers heeft hij:

- die [slachtoffer 2] afgetrokken en/of

- zich door die [slachtoffer 2] laten aftrekken en/of

- de blote penis en/of onderlichaam van die [slachtoffer 2] betast.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 43 dagen – dat is de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht – met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van drie jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden die in de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 14 januari 2014 zijn opgenomen. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte tevens wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren met een vervangende hechtenis van 120 dagen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat – mocht strafoplegging aan de orde zijn – aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd die in duur gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, gecombineerd met een voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee jaren onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze in voormelde rapportage zijn opgenomen. De raadsman heeft verzocht aan verdachte geen werkstraf op te leggen vanwege diens hartproblemen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft ontucht gepleegd met zijn twee minderjarige buurjongens, die destijds circa 12 jaar oud waren. Verdachte heeft, na hun vertrouwen te hebben gewonnen, op een geraffineerde wijze lichamelijke toenadering tot de jongens gezocht en, toen dat lukte, hun lichamelijke integriteit welbewust geschonden. Dit terwijl de jongens vanwege hun jonge leeftijd in een kwetsbare positie verkeerden en niet in afdoende mate in staat waren om aan het handelen van verdachte weerstand te bieden. Het is een feit van algemene bekendheid dat ontucht vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers en uit het dossier komt ook naar voren dat beide broers thans onder behandeling van professionele hulpverleners staan, (mede) naar aanleiding van de ontuchtige handelingen die verdachte met hen heeft gepleegd. Niet gebleken is dat verdachte hierbij heeft stilgestaan. Kennelijk heeft hij zijn eigen lustgevoelens en bevrediging vooropgesteld. Voorts neemt de rechtbank het verdachte bijzonder kwalijk dat hij het vertrouwen dat de ouders van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hem als buurman, aan wie zij de zorg en waakzaamheid over hun kinderen toevertrouwden, ernstig heeft geschonden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 december 2013, waaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het psychologisch rapport van 9 december 2013 van klinisch psycholoog dr. R.A.R. Bullens, opgemaakt naar aanleiding van de feiten 1 tot en met 4. De conclusie van dit rapport is dat bij verdachte ten tijde van het plegen van deze feiten (zeer) waarschijnlijk geen sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, noch van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport d.d. 14 januari 2014 van Reclassering Nederland, opgemaakt door I.J.J. Kwaspen en R. den Duijf. Zij adviseren dat indien verdachte schuldig wordt bevonden – hem een (deels) voorwaardelijke straf wordt opgelegd met bijzondere voorwaarden: een meldplicht, contactverbod, en de voorwaarde dat verdachte zonder toezicht geen minderjarigen in zijn woning mag toelaten en dat verdachte het recht wordt ontnomen om actief te zijn binnen jeugd(sport)clubs/verenigingen of anderszins werkzaam te zijn met of voor minderjarigen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op twee door de raadsman overgelegde (ongedateerde) documenten van het Reinier de Graaf Gasthuis waarin (kennelijk) medische informatie over verdachte is opgenomen.

Alles overwegende is de rechtbank – anders dan de raadsman en de officier van justitie –

van oordeel dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de duur van het voorarrest en/of met een werkstraf. De rechtbank acht de door verdachte gepleegde feiten zodanig ernstig dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op zijn plaats is. Ter voorkoming van recidive zal daaraan een proeftijd van 3 jaar worden verbonden evenals de bijzondere voorwaarden, zoals door Reclassering Nederland is geadviseerd.

In verband met het voorgaande merkt de rechtbank nog op dat uit de (voormelde)

door de raadsman overgelegde documenten onvoldoende duidelijk naar voren komt wat de medische situatie van verdachte is. De rechtbank wil aannemen dat verdachte last van zijn hart heeft en dat een detentie mogelijk niet bevorderlijk is voor zijn medische gesteldheid, maar zij heeft niet kunnen vaststellen dat verdachte detentieongeschikt is of te zijner tijd zal zijn. Van een absolute contra-indicatie voor een gevangenisstraf is derhalve thans geen sprake. Onder deze omstandigheden kent de rechtbank bij de strafoplegging geen (doorslaggevende) betekenis toe aan de huidige gezondheidstoestand van verdachte. In hoeverre met de medische beperkingen van verdachte bij de wijze van tenuitvoerlegging van de op te leggen straf rekening moet worden gehouden, is een vraag waarvan de beantwoording zal zijn voorbehouden aan de autoriteiten die met de executie van de gevangenisstraf zijn belast en de door hen in dat kader ingeschakelde forensische deskundigen.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 6.236,03, bestaande uit € 5.000,-- aan immateriële schade, € 466,03 aan reiskosten, € 570,-- aan eigen risico van de verzekering en € 200,-- aan een eigen bijdrage voor behandeling van psychologische klachten, dit alles vermeerderd met de wettelijke rente.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 5.000 wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1], met uitzondering van het niet onderbouwde gedeelte van € 220,-- voor het eigen risico, moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts dient volgens de officier van justitie de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd, te vervangen door 65 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat die in zijn geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook ten aanzien van deze vordering dient volgens de officier van justitie de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd, hier te vervangen door 60 dagen hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor wat betreft de door hen gestelde immateriële schade gematigd moeten worden tot een bedrag van € 2.500,--. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat voor wat betreft de vordering van [slachtoffer 1], het causaal verband tussen de ten laste gelegde feiten en de gevorderde reiskosten aanwezig is, maar dat dit verband ontbreekt ten aanzien van het eigen risico, zodat het gedeelte van de vordering dat daarop betrekking heeft moet worden afgewezen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Voorts is vast komen te staan dat verdachte (door het onder 3 bewezenverklaarde) aan [slachtoffer 1] rechtstreeks zowel materiële als immateriële schade heeft toegebracht.

De rechtbank schat de immateriële schade op een bedrag van € 1.500,--. Daarbij heeft zij gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend.

Wat betreft de materiële schade is de rechtbank van oordeel dat de reiskosten van € 466,03 voldoende zijn onderbouwd. Dat gedeelte van de vordering zal de rechtbank toewijzen.

Wat betreft het eigen risico heeft [slachtoffer 1] onderbouwd dat een bedrag ter hoogte van € 280,61 aan kosten voor psychologische behandelingen ten laste van zijn eigen risico is gebracht. De rechtbank zal de vordering ook in zoverre toewijzen. Voor het overige heeft [slachtoffer 1] onvoldoende onderbouwd dat het eigen risico betrekking heeft op zorgkosten die rechtstreeks verband houden met het onder 3 bewezenverklaarde. In zoverre (€ 570,-- minus € 280,61 = € 289,39) zal de rechtbank de vordering afwijzen. [slachtoffer 1] heeft ten slotte voldoende onderbouwd dat de door hem betaalde eigen bijdrage van € 200,-- rechtstreeks verband houdt met het onder 3 bewezenverklaarde. De rechtbank zal dat onderdeel van het materiële gedeelte van de vordering tot schadevergoeding toewijzen.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van [slachtoffer 1] tot een bedrag van (€ 466,03 + € 280,61 + € 200,-- + € 1.500,-- =) € 2.446,64 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de schade is ontstaan.

Ten aanzien van de immateriële schade ter hoogte van € 1.500,-- geldt dat deze naar het oordeel van de rechtbank is ontstaan op het moment dat verdachte het bewezenverklaarde voor het eerst pleegde. Nu niet duidelijk is op welke datum dit precies is geweest, maar wel kan worden vastgesteld dat dit in het jaar 1997 is geweest, is de rechtbank van oordeel dat de wettelijke rente over voormeld bedrag moet worden toegewezen met ingang van 1 januari 1998.

Ook ten aanzien van de materiële schade ter hoogte van (in totaal) € 946,64 is onduidelijk wanneer de schade is ontstaan. Daarom wordt de wettelijke rente over dit bedrag toegewezen met ingang van de datum van indiening van de vordering door [slachtoffer 1]: 16 januari 2014.

De rechtbank zal [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Hij kan dit deel van zijn vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Het voorgaande brengt mee dat verdachte wordt veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 1] tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die hij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor feit 3 zal worden veroordeeld en hij jegens [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.446,64, vermeerderd met de wettelijke rente voor wat betreft het bedrag van € 1.500,-- vanaf 1 januari 1998 en voor wat betreft het bedrag van € 946,64 vanaf 16 januari 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 1].

De vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 2]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Voorts is vast komen te staan dat verdachte door het onder 4 bewezenverklaarde aan [slachtoffer 2] rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht.

De rechtbank schat de immateriële schade van [slachtoffer 2] op een bedrag van € 1.500,--. Daarbij heeft zij gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend. De vordering van [slachtoffer 2] zal daarom tot dit bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke vanaf de dag waarop de schade is ontstaan (zoals hiervoor reeds is overwogen:), namelijk de dag waarop verdachte het bewezenverklaarde voor het eerst pleegde. Nu niet duidelijk is op welke datum dit precies is geweest, maar wel kan worden vastgesteld dat dit in het jaar 2002 is geweest, is de rechtbank van oordeel dat de wettelijke rente over voormeld bedrag moet worden toegewezen met ingang van 1 januari 2003.

De rechtbank zal [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hij kan dit deel van zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Dit brengt mee dat verdachte wordt veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 2] tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die hij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Nu verdachte voor feit 4 zal worden veroordeeld en hij jegens [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2003 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 2].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feiten 3 en 4:

ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 163 (honderddrieënzestig) dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 90 (negentig) dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en dat de veroordeelde zich gedurende de vastgestelde proeftijd van 3 (drie) jaren houdt aan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres: Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag. Hierna moet hij zich gedurende de door

Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden, zo frequent als zij dit nodig acht;

- dat de veroordeelde op geen enkele wijze contact legt (of laat leggen) met [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en/of hun ouders, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde geen minderjarigen zonder toezicht van een meerderjarige toelaat in zijn woning, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde niet actief is binnen jeugd(sport)clubs/verenigingen of anderszins werkzaam is met of voor minderjarigen, zonder toestemming van de reclassering.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

- veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

 van een bedrag van € 1.500 (vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente berekend over dit bedrag met ingang van 1 januari 1998 tot aan de dag der algehele voldoening,

 een bedrag van € 946,64, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 16 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening,

en

 de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van zijn vordering niet‑ontvankelijk en bepaalt dat die vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan de veroordeelde de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] € 2.446,46 (vierentwintighonderd euro en zesenveertig eurocent) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 34 (vierendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Ten aanzien van de partij [slachtoffer 2]:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2]

 van een bedrag van € 1.500 (vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente berekend over dit bedrag vanaf 1 januari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

en

 de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan de veroordeelde de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] € 1.500 (vijftienhonderd euro) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E. Bierling, voorzitter,

mrs. A.L. Frenkel en E.A. Lensink, rechters

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2014.

De voorzitter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met de nummers PL15J2-2013154536 en PL 15J2-2013186620 van de politie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 224).

2 Proces-verbaal van aangifte door [vader] van 17 september 2013, p. 41.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 12 september 2013, p. 28 e.v.

4 Proces-verbaal van aangifte door R. [vader] van 23 september 2013, p. 124 tot en met 136.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [vader] van 17 september 2013, p. 41 tot en met 49.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [moeder]van 17 september 2013, p. 50 tot en met 57.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 10 oktober 2013, p. 112 .

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 16 oktober 2013, p. 166.

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 10 oktober 2013, p. 104, p. 108, p. 109 t/m 111, p. 114 en p. 116.

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 16 oktober 2013, p. 170.

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] bij inbewaringstelling van 11 oktober 2013, onder 2.

12 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting.

13 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting.

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 10 oktober 2013, p. 89 tot en met 118.

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 28 november 2013, p. 210 en 211.

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [moeder]van 17 september 2013, p. 52 en proces-verbaal van verhoor getuige [vader] van 17 september 2013, p. 45