Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7427

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
AWB-12_11538
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Niet kan worden geoordeeld dat verweerder in het kader van een voor veteranen begunstigende regeling niet in redelijkheid tot deze beleidsbepaling heeft kunnen komen. Aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling – als zijnde de neerslag van het in het Georganiseerd Overleg Sector Defensie in juni 2012 bereikt akkoord – kleven als zodanig geen ernstige feilen, dat het voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor de daarop in concrete gevallen te baseren besluiten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 100
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 12/11538

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 mei 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.J.M.G.M. van der Meijden),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.R.C. Adang).

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de bijzondere uitkering ereschuld op grond van de Regeling Ereschuld (hierna: de Regeling) niet tot uitbetaling komt aangezien reeds een schadevergoeding is betaald van € 300.000.

Bij besluit van 30 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brief van 19 maart 2014 nadere gronden ingezonden.


Verweerder heeft bij brief van 27 maart 2014 een nader standpunt ingenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.


2. Eiser heeft op 20 september 2010 met de Staat, vertegenwoordigd door verweerder, een vaststellingsovereenkomst gesloten. Bij deze overeenkomst zijn partijen in aanmerking nemend

“Dat [eiser] met de brief van 6 februari 2006 Defensie aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die hij lijdt ten gevolge van de bij hem aanwezige aandoening tengevolge van het verrichten van werkzaamheden tijdens een uitzending in 1991 naar Irak” overeengekomen - voor zover hier van belang - :

(…)



3. Defensie zal aan [eiser] een eenmalig bedrag van € 300.000,-- voldoen.

4. Partijen ieder voor zich alle goede en kwade kansen van deze overeenkomst aanvaarden en zonder voorbehoud afstand doen van ieder beroep op toekomstige of reeds ingetreden bekende of onbekende feiten of omstandigheden ter ene of ter andere zijde, welke dan ook, die anders van invloed zouden kunnen zijn op rechten en plichten van de partijen.

5. [eiser] verleent aan Defensie finale kwijting.

6. Onder de hiervoor bedoelde aanspraken zijn niet begrepen de aanspraken die [eiser] heeft op grond van de Kaderwet Militaire pensioenen. (…)”




3. Verweerder neemt het standpunt in dat het eenmalig bedrag van € 300.000 (hierna: eenmalig bedrag) niet anders kan worden aangemerkt als zijnde een schadevergoeding als in artikel 21a aanhef en tiende lid, van de Regeling.

4.

Op 27 maart 2014 heeft verweerder naar aanleiding van de nadere gronden van eiser als nader standpunt ingenomen voor de specifieke situatie het betoog van eiser te volgen in die zin dat de schadevergoeding (qua berekening) is opgebouwd uit 27% aanvulling van het militair invaliditeitspensioen (hierna: mip) en 40% aanvulling in de vorm van bijzondere invaliditeitsverhoging. Er bestaat geen verschil van mening over het gegeven dat de bijzondere invaliditeitsverhoging immaterieel van aard is. Verweerder volgt eiser niet voor zover hij bij zijn berekening van het totale bedrag aan schadevergoeding aftrekposten opvoert. De verdeling 27/67 dient op het totale bedrag te geschieden.
Rekening houdende met de verdeling kan eiser als dan een bedrag van € 4.104,48 aan uitkering Ereschuld tegemoet zien. Dit bedrag is als volgt samengesteld:

€ 300.000 x 27/67 = € 120.895,52


€ 125.000 > ereschuld

€ 120.895,52 - > materieel deel van de totale schadevergoeding

€ 4.104,48

5.1

Eiser betoogt dat in dit geval geen verrekening mocht plaatsvinden. Met verwijzing naar uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2007 (AWB 07/1853 MAW) is zijn standpunt dat het uitgekeerde bedrag een compensatie betreft van het inkomensverlies dat eiser had geleden vanwege het niet tijdig toekennen van het mip. Eiser onderscheid zich in niets van alle anderen met een aanspraak op een mip, die dit pensioen al jaren wel hebben ontvangen en daarnaast de bijzondere uitkering Ereschuld ontvangen. Het tiende lid van artikel 21a van de Regeling is niet redelijk.

5.2

Eiser is de mening toegedaan dat het eenmalig bedrag niet een materiële schadevergoeding betreft, maar om het effectueren van een rechtspositionele aanspraak als ware aan hem over de jaren 1996 tot 2002 een mip verstrekt. Eiser stelt dat die opvatting steun vindt in de uitspraak van 20 december 2007. Door niet te verrekenen wordt eiser in een zelfde positie gebracht met de categorie veteranen die naast het mip een bijzondere uitkering Ereschuld heeft ontvangen.

5.3

Eiser voert aan dat de Regeling is aan te merken als een toekomstig feit als bedoeld in artikel 4 van de vaststellingovereenkomst en dat derhalve geen verrekening kan plaatsvinden. Daarnaast stelt eiser dat de Regeling een uitvoeringsbepaling is van de Kaderwet Militaire Pensioenen en hij zijn aanspraken hierop op grond van artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst behoudt.

5.4

Ook stelt eiser dat verweerder in het bestreden besluit uitgaat van een opgekomen voordeel dat verrekend dient te worden met een eventueel toe te kennen materiele schadevergoeding terwijl daar in het geval van eiser geen sprake van is nu de schadevergoeding ten aanzien van eiser reeds in 2010 heeft plaatsgevonden.

5.5

Ten slotte betoogt eiser dat indien al verrekening plaats zou mogen vinden verweerder geen consistent beleid voert met betrekking tot wijze waarop het materiële gedeelte van de schadevergoeding wordt vastgesteld. Er is sprake van een willekeurige manier waarop verrekeningen telkens worden vastgesteld.

Hij beroept zich in dit verband op de zaak van [A] waarbij door verweerde als uitgangspunt is genomen dat de schadevergoeding een drietal componenten besloeg, te weten materiele schade, immateriële schade en compensatie van (on)kosten. Op de door hem ontvangen uitkering op grond van de regeling heeft verweerder slechts het bedrag de materiele schadevergoeding, bestaande uit 1/3 van de totale vergoeding, in mindering gebracht.

In de zaak van [B] heeft verweerder van een schadevergoeding van € 150.000, € 75.000 aangemerkt als materiële schade, zijnde compensatie van schulden, wat betekende dat aan [B] alsnog een bedrag van € 25.000 aan ereschuld werd uitgekeerd.

In de zaak van [C] heeft verweerder van een schadevergoeding van € 135.120, € 30.000 aangemerkt als immateriële schade.

5.6

Voor zover eisers schadevergoeding wel als een materiële schadevergoeding gezien moet worden betoogt eiser dat hij in de aansprakelijkheidsprocedure € 30.000 aan juridische kosten heeft gemaakt en daarnaast € 100.000 aan niet vergoede verbouwings- en verhuiskosten heeft gemaakt (totaal € 130.000). Deze bedragen dienen op de € 300.000 in mindering worden gebracht. Het resterend bedrag bestaat uit 27% aanvulling van pensioen naar 100% invaliditeit alsmede 40% bijzondere invaliditeitsverhoging (immateriële schade). Volgens eiser is van het restant van € 170.000 27/67 daadwerkelijk materiële schade, oftewel € 68.507,46, zodat alsnog € 56.492,54 dient te worden uitbetaald.

6.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7.

Eiser, luitenant-kolonel b.d., is tijdens een uitzending naar Irak in 1991 (UNSCOM 9 en 11) besmet geraakt door het zenuwgas Sarin. Als gevolg daarvan heeft zich bij hem op enig moment a-specifieke multiple sclerose ontwikkeld. Per 1 februari 1994 is aan eiser wegens het bereiken van de leeftijd van 55 jaar eervol ontslag verleend. Te rekenen vanaf 16 juli 2002 is aan hem een mip toegekend, berekend naar een mate van 100%, alsmede een bijzondere invaliditeitsverhoging van 40%.

8.

Artikel I van het voorstel tot Wijziging Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) luidt:

“Na artikel 21 wordt een nieuw artikel ingevoegd luidend:

Artikel 21a Bijzondere uitkering

1. De gewezen militair die voor 1 juli 2007 is ontslagen en bij wie als gevolg van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie op een daartoe voor 1 juni 2012 gedane eerste aanvraag, invaliditeit met dienstverband is vastgesteld heeft aanspraak op een eenmalige bijzondere uitkering.

2. Het bedrag van de bijzondere uitkering is gelijk aan een percentage van de grondslag overeenkomend met de mate van invaliditeit.

3. Een mate van invaliditeit van minder dan 10% wordt voor de toekenning van de bijzondere uitkering afgerond op 5%.

4. In afwijking van het tweede en derde lid is het bedrag van de bijzondere uitkering gelijk aan een percentage van de grondslag overeenkomend met de mate van arbeidsongeschiktheid met dienstverband indien deze hoger is dan de mate van invaliditeit met dienstverband.

5. Voor de vaststelling van de bijzondere uitkering wordt de definitieve mate van invaliditeit of de mate van arbeidsongeschiktheid met dienstverband gehanteerd op de peildatum, 1 juni 2012. Indien er op het moment van de peildatum nog geen definitieve mate van invaliditeit is vastgesteld dan wordt de bijzondere uitkering vastgesteld nadat, vanwege het bereiken van een medische eindtoestand, de definitieve mate van invaliditeit is vastgesteld.

6. De bijzondere uitkering wordt eenmalig vastgesteld. In afwijking van artikel 15 vierde en vijfde lid leidt een latere wijziging in de mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid met dienstverband niet tot aanpassing van de bijzondere uitkering.

7. In voorkomend geval wordt de mate van arbeidsongeschiktheid met dienstverband bepaald op het hoogste percentage van de toepasselijke arbeidsongeschiktheidsklasse als bedoeld in artikel 21 tweede lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

8. De grondslag van de bijzondere uitkering is € 125.000,--.

9. (...)

10. In het geval dat de gewezen militair een schadevergoeding heeft ontvangen voor zijn invaliditeit met dienstverband als bedoeld in het eerste lid bedraagt de bijzonder uitkering slechts het meerdere boven het totaal van de reeds ontvangen materiële schadevergoeding.

9.

De in dit voorstel (versie 7 juni 2012) vervatte regeling wordt verstaan als de Regeling Ereschuld en zal na in werking treden terug werken tot en met 1 juni 2012. Niet in geschil is dat verweerder de Regeling ten tijde van belang als beleidsbepaling hanteert.

10.

Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld LJN: BV1546) heeft toetsing van de regelgeving waarop een besluit is gebaseerd, de zogenaamde exceptieve toetsing, een beperkt karakter. Bij deze toetsing dient voorop te worden gesteld dat er bij het tot stand brengen van algemeen verbindende voorschriften het in beginsel aan de materiële wetgever is voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen. Het resultaat moet in beginsel worden gerespecteerd. Dit uitgangspunt leidt uitzondering indien aan de inhoud of wijze van totstandkoming van het algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige feilen kleven, dat het voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor de daarop in concrete gevallen te baseren besluit.

Naar het oordeel van de rechtbank faalt het betoog van eiser dat het tiende lid van artikel 21a van de Regeling niet redelijk is. De toelichting bij dit onderdeel van de Regeling (blz. 3) luidt:

“Voor de leden van de doelgroep waarvoor geldt dat zij reeds eerder een (aanvullende) schadevergoeding van de Staat hebben ontvangen, voor het letsel waarvoor invaliditeit met dienstverband is aangenomen, die lager is dan de bijzondere uitkering zal het verschil tussen het totaal van de (aanvullende) materiële schadevergoeding en de bijzondere uitkering worden uitbetaald. De bijzondere uitkering is een opgekomen voordeel als bedoeld in artikel 6:100 van het Burgerlijk Wetboek en wordt in voorkomend geval dan ook verrekend met, bij erkenning van aansprakelijkheid, een eventueel toe te kennen materiële schadevergoeding.”

In het aanvullend verweerschrift heeft verweerder betoogd: “deze passage zegt niet meer en niet minder dan dat het verschil tussen het totaal van de (aanvullende) materiële schadevergoeding en de uitkering Ereschuld wordt uitbetaald in het geval van de Staat reeds schadevergoeding is ontvangen. (…) hetgeen (…) als opgekomen voordeel is vermeld ziet toe op de situatie waarin (nog) geen uitkering is uitgekeerd. Voor die situatie wordt het recht voorbehouden om bij een eventuele toekenning van een schadevergoeding in de toekomst de uitkering Ereschuld als voordeel te verrekenen met die schadevergoeding.”


Niet kan worden geoordeeld dat verweerder in het kader van een voor veteranen begunstigende regeling niet in redelijkheid tot deze beleidsbepaling heeft kunnen komen. Aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling – als zijnde de neerslag van het in het Georganiseerd Overleg Sector Defensie in juni 2012 bereikt akkoord – kleven als zodanig geen ernstige feilen, dat het voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor de daarop in concrete gevallen te baseren besluiten.

De rechtbank overweegt dat in het midden kan blijven of de verwijzing in de toelichting naar artikel 6:100 van het Burgerlijk Wetboek recht doet aan de feiten waarop het tiende lid van artikel 21a ziet. Uit de letterlijke tekst van het tiende lid kan geen andere gevolgtrekking worden gemaakt dan dat de bijzondere uitkering wordt verrekend met het totaal aan door de veteraan van de Staat reeds ontvangen materiële schadevergoeding. Het betoog van eiser weergegeven onder 5.4 behoeft daarom geen bespreking.

11.

Het betoog van eiser onder 5.3 treft geen doel omdat dit niet genoegzaam is onderbouwd. Eiser is er niet geslaagd te adstrueren dat hij op grond van artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst zijn aanspraak op een uitkering Ereschuld heeft behouden, maar dat op grond van artikel 4 van die overeenkomst de verrekening ingevolge het tiende lid van artikel 21a achterwege dient te blijven.

12.1

Met de onder 5.1 en 5.2 weergegeven gronden stelt eiser zich op het standpunt dat geen verrekening mocht plaatsvinden omdat het eenmalig bedrag niet aangemerkt moet worden als schadevergoeding, maar in zijn geval op een lijn moet worden gesteld met aan hem verstrekt mip. De rechtbank stelt voorop dat eiser in de vaststellingsovereenkomst jegens de Staat afstand heeft gedaan van het afdwingen in rechte van de aanspraak op mip over de periode welke inzet was van de procedure die leidde tot de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2007 en op grond waarvan verweerder een nieuwe beslissing diende te nemen op het bezwaarschrift van eiser. Nu afstand van recht is gedaan kan aan die uitspraak reeds daarom niet de betekenis worden gehecht die eiser daaraan wil doen toekomen.

12.2

In reactie op het onder 5.4 weergegeven standpunt van eiser heeft verweerder met het onder 5.6 weergegeven nader standpunt er evenwel blijk van gegeven dat hij voor de berekening van de component immateriële schade van het eenmalige bedrag overeenkomstig een email van 10 juni 2010 van [D] (senior beleidsmedewerker bij verweerder) - die door eisers gemachtigde in het onderhavige beroep is overgelegd - is uitgegaan van de situatie als ware dit bedrag opgebouwd uit de bedragen waarop eiser aanspraak zou hebben gehad in het geval hij vanaf het jaar 1996 recht op een mip zou hebben gehad. Nu verweerder voor de berekening van de component immateriële schade in het eenmalig bedrag de inhoud van deze brief als uitgangspunt heeft genomen maakt de rechtbank daaruit de gevolgtrekking dat het eenmalige bedrag niet ziet op vergoeding van andere door eiser geleden schade dan compensatie van in de jaren 1996 tot 2002 niet toegekend mip. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een zo bijzondere situatie dat verweerder eiser bij de vaststelling van zijn recht op de uitkering Ereschuld had moeten behandelen als zou hij per 1996 gerechtigd zijn geweest tot een mip. Daarbij is in aanmerking genomen dat tot 2003 onduidelijkheid bestond of de sedert 1992 bij eiser zich ontwikkelende medische klachten verband hielden met de uitoefening van de militaire dienst. Verweerder had in dit bijzondere geval in redelijkheid het eenmalig bedrag niet mogen aanmerken als een schadevergoeding waarop het bepaalde in het tiende lid van artikel 21a van de Regeling ziet, dan wel die bepaling in dit geval buiten toepassing moeten laten. De beroepsgrond slaagt. De onder 5.5. en 5.6 weergegeven gronden behoeven daarom geen bespreking meer.

13.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat verweerder aan eiser onder toepassing van overige bepalingen van de Regeling een bedrag van € 125.000 uitkeert. Voorts wordt verweerder veroordeeld de proceskosten van eiser te vergoeden als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- voorziet zelf in de zaak, in die zin dat dat de beslissing op bezwaar komt te luiden dat aan eiser een bijzondere uitkering ingevolge de Regeling wordt uitbetaald van € 125.000 (eenhondervijfentwintigduizend) uiterlijk acht weken na bekendmaking van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 44 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten en stelt deze voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1461 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, mr. M.T. Paulides, lid en generaal-majoor b.d. M.P. Celie, militair lid, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.