Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7407

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
C-09-450332 - HA ZA 13-1008
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:1350, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid wegbeheerder voor letselschade als gevolg van fietsongeval op fietspad? Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/450332 / HA ZA 13-1008

Vonnis van 4 juni 2014

in de zaak van

[eiseres],

pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. E.W. Bosch te Honselersdijk (gemeente Westland),

tegen

1. de openbare rechtspersoon

GEMEENTE WASSENAAR,

gevestigd te Wassenaar,

2. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,

h.o.d.n. Centraal Beheer/Achmea,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagden,

advocaat mr. M.A. Bosman te Rotterdam.

Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden en gedaagden zullen ieder afzonderlijk als de Gemeente en Achmea worden aangeduid en gezamenlijk als de Gemeente c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 september 2013;

  • -

    de conclusie van antwoord van 23 oktober 2013;

  • -

    het tussenvonnis van 6 november 2013;

  • -

    de brief van 24 februari 2014 van de Gemeente met bijlagen;

  • -

    de akte overleggen producties c.q. wijziging van eis van 13 maart 2014;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 maart 2014 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van 19 maart 2014 zijdens [eiseres].

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is de moeder van de minderjarige [A] (verder te noemen: [A]). [eiseres] is bij beschikking van 31 juli 2013 door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens [A] te voeren.

2.2.

Op vrijdag 2 september 2011 rond 21.34 uur reed de toen tienjarige [A], als bestuurster van een zo goed als nieuwe “omafiets”, over het geasfalteerde fietspad van de Wassenaarseslag te Wassenaar. Het schemerde reeds; het was droog weer. [A] kwam terug van het strand na een uitstapje met de scoutinggroep en reed in de richting van het dorp Wassenaar. Achterop de fiets zat [B], aan wie de fiets toebehoorde. Kort achter [A] reed de heer [C], de leider van de scoutinggroep. Het fietspad loopt vanaf de duinen op enig moment vrij stijl naar beneden. Op dit aflopende stuk, ter hoogte van de links aansluitende Vleijsmanlaan, kwamen [A] en [B] met de fiets ten val (verder: het ongeval).

2.3.

[A] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen en is per ambulance naar de eerste hulp van het Juliana Kinderziekenhuis gebracht, alwaar een hersenschudding werd geconstateerd. Nadien is [A] voor behandeling verwezen naar revalidatiecentrum Rijndam.

2.4.

De Gemeente is de ter plaatse verantwoordelijke wegbeheerder. Op het betreffende fietspad bevond zich ten tijde en ter plaatse van het ongeval een scheur in het asfalt in de langsrichting van ongeveer vijf meter lang en aan het eind daarvan een haaks aansluitende scheur in de dwarsrichting. Deze scheuren zijn door de Gemeente enige tijd na het ongeval hersteld.

2.5.

Na het ongeval is de heer [brigadier], brigadier van de politie Haaglanden, ter plaatse gekomen. Er is destijds door hem geen proces-verbaal van het ongeval opgemaakt, maar slechts een mutatierapport, waarin over de toedracht van het ongeval niets staat vermeld. De betreffende brigadier heeft uiteindelijk op 11 maart 2013 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de door [eiseres] ingeschakelde verkeersongevallendeskundige [ongevallendeskundige]. Dat proces-verbaal vermeldt in antwoord op aan [brigadier] gestelde vragen onder meer:

“1. Ik heb de breuklijn ter plaatse inderdaad waar genomen.

2. 2. Ik kan mij niet meer herinneren of dat direct die avond is geweest of dat ik later nogmaals ter plaats ben gegaan om de breuklijn te bekijken.

3. 3. Ik kan mij herinneren dat mijn inschatting was dat ik het onwaarschijnlijk vond dat deze breuklijn de oorzaak van het ongeval zou zijn. Ik vond de breuklijn behoorlijk vlak in het wegdek liggen en kon nauwelijks tot geen hoogteverschil constateren tussen de breuklijn en het aansluitende deel van wegdek van het fietspad ter plaatse.

(…)

6. Er zijn geen ongevallen bekend die deze lasnaad als oorzaak zouden hebben.”

2.6.

[ongevallendeskundige] heeft vervolgens op 2 april 2013 op verzoek van [eiseres] een verkeersongevallen rapport opgemaakt, waarin hij onder meer concludeert:

De aard en de omvang van de in deze casus bedoelde scheurvorming in het fietspad is juist voor eensporige voertuigen (zoals fietsen) als bijzonder gevaarscheppend te beschouwen, omdat een fietser hierdoor ernstig in onbalans kan raken en vervolgens ten val kan komen. Naast deze primaire vaststelling geldt, dat het fietspad wat betreft deze scheurvorming, voor zover na te gaan, niet voldeed aan de relevante publicaties van het CROW. Op grond hiervan is voldoende reden om te stellen dat het fietspad ter plaatse (en daarmee de weg) ten tijde van het ongeval niet voldeed aan de in redelijkheid daaraan te stellen eisen. (….)

De kans is dan ook zeer groot, dat [A] met de door haar bestuurde fiets door cq. over deze scheurvorming (in langsrichting) van het fietspad heeft gereden. De aard en vorm van deze scheurvorming kan dan zeer wel hebben geleid tot het in onbalans raken van de fiets+ opzittenden en de uiteindelijke val.”

2.7.

Getuige [C] heeft op verzoek van DAS rechtsbijstand, de toenmalige belangenbehartiger van [eiseres], op 13 juni 2012 een schriftelijke verklaring afgegeven waarin hij op de vraag naar de oorzaak van de val onder meer het volgende heeft vermeld:

“Aangezien de afdaling gecontroleerd verliep en het stuur plotseling verdraaide lijkt het mij aannemelijk dat [A] uit balans raakte door de scheur in het asfalt en daardoor schrok en teveel corrigeerde. Doordat het schemerig werd is de scheur me niet opgevallen tijdens het ongeval en heb ik hem pas gezien toen ik later ging kijken.”

2.8.

Getuige [B] heeft eveneens op verzoek van DAS een verklaring opgesteld. Daarin staat onder meer:

“We zijn op normaal tempo achter onze vriendinnen naar beneden gefietst.”

En over de wijze van fietsen vermeldt zij:

“Goed, normaal remmend en gecontroleerd rechtdoor.”

Op de vraag aan welke oorzaak het ongeval moet worden toegeschreven antwoordt zij:

“Een gleuf in het asfalt van 5 meter aan het einde een opstaande rand met kuiltje waar de zijkant van het wiel tegen aan kwam.”

2.9.

[eiseres] heeft de Gemeente als wegbeheerder aansprakelijk gesteld voor de schade van [A]. De Gemeente is voor aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea. Achmea heeft namens de Gemeente laten weten geen aansprakelijkheid te erkennen, waarna [eiseres] tot dagvaarding is overgegaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na eiswijziging - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

-voor recht te verklaren dat de Gemeente aansprakelijk is voor de door [A] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade;

-de Gemeente te veroordelen om aan [A] de door haar geleden en nog te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat;

-Achmea te veroordelen om alle uitkeringen die zij ter zake van dit ongeval onder de aansprakelijkheidsverzekering verricht rechtstreeks aan [A], althans [eiseres], over te maken;

-met veroordeling van de Gemeente en Achmea, hoofdelijk, in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] voert daartoe aan dat op de ongevalslocatie sprake was van een dermate ernstige scheurvorming in het asfalt dat het fietspad als een gebrekkige opstal heeft te gelden. Nu het gebrekkige fietspad de oorzaak van het ongeval is geweest is de Gemeente als wegbeheerder voor de nadelige gevolgen op grond van artikel 6:174 BW dan wel 6:162 BW aansprakelijk. Achmea is op grond van artikel 7:954 lid 1 BW gehouden de verzekeringspenningen ter zake rechtstreeks aan [eiseres] uit te keren, aldus [eiseres].

3.3.

De Gemeente en Achmea voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat het fietspad behoort tot de openbare weg en de Gemeente de wegbeheerder is. Een wegbeheerder kan op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk worden gehouden indien komt vast te staan dat een fietspad niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, het fietspad daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert en dit gevaar zich heeft verwezenlijkt. [eiseres] stelt dat het ongeval is veroorzaakt door de scheurvorming in het asfalt en de scheurvorming dermate ernstig was, dat het fietspad als een gebrekkige opstal moet worden aangemerkt en de Gemeente aansprakelijk is. De Gemeente betwist de toedracht van het ongeval en betwist voorts dat de scheuren dermate ernstig waren dat het fietspad als een gebrekkige opstal moet worden aangemerkt; zij acht zich niet aansprakelijk.

De toedracht

4.2.

Vast staat dat [A] ten val is gekomen in de nabijheid van de scheuren; het betreft een ongeveer vijf meter lange langsscheur (in de rijrichting) en een haaks daarop staande dwarsscheur. [eiseres] stelt -naar de rechtbank begrijpt- dat zonder meer aannemelijk is dat de valpartij is veroorzaakt door de scheuren in het asfalt, nu er geen enkele andere reden voor de val is gebleken. Zij verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar het partijrapport van [ongevallendeskundige] en de verklaringen van [C] en [B]. Volgens haar reed [A] rustig en gecontroleerd, en moeten de scheuren dus wel de reden zijn geweest van het plotseling omklappen van het stuur en de daarop gevolgde val. De Gemeente betwist een en ander. Zij heeft er op gewezen dat er wel degelijk andere oorzaken voor het ongeval denkbaar zijn; het betrof een steile afdaling waarbij de jonge fietser met passagier mogelijk in onbalans is geraakt door schrikken, remmen of relatief hoge snelheid in combinatie met een achteropzitter. De scheuren zijn voorts dermate ondiep dat er nauwelijks sprake is van niveau verschil, zodat de scheurvorming als oorzaak van het ongeval niet aannemelijk is, aldus de Gemeente.

4.3.

De rechtbank oordeelt dat tot op heden de oorzaak van het ongeval niet met zekerheid is komen vast te staan. Weliswaar stelt partijdeskundige [ongevallendeskundige] in zijn rapport dat de ter plaatse aanwezige scheurvorming “in aanmerking kan komen voor de in- c.q. aanleiding van de onbalans van de fiets en daarmee de oorzaak van de uiteindelijke val” maar zijn visie overtuigt, mede in het licht van de overige gegevens, niet. Daargelaten dat hij slechts een mogelijk scenario schetst, is zijn mening dat de reden van de val moet worden gezocht in het “boogvormig verloop” van de langsscheur, waardoor de banden van de fiets het spoor willen volgen en een situatie ontstaat waarbij zijdelingse bewegingen elkaar snel opvolgen, de bestuurder onvoldoende gelegenheid heeft om te corrigeren en de kans nog groter is dat er bij de ene correctie (stuurbeweging) de andere tegengestelde correctie (stuurbeweging) al uitgevoerd zou moeten worden, op een belangrijk punt strijdig met de door [C] opgestelde verklaring. Terecht heeft de Gemeente er immers op gewezen dat deze getuige juist spreekt over een plotselinge scheefstand van het stuur en niet rept over een toenemende onbalans en meerdere stuurcorrecties, hetgeen [C] in voorkomend geval had moeten zijn opgevallen, nu hij pal achter [A] reed. Daar komt bij dat [eiseres] ter zitting heeft benadrukt dat volgens haar niet de langsscheur maar het zogenoemde “kuiltje” ter hoogte van de aansluiting van de langsscheur met de dwarsscheur de oorzaak van het ongeval is geweest, zoals ook [B] in haar verklaring heeft opgetekend, terwijl die mogelijkheid juist weer niet door [ongevallendeskundige] is genoemd als oorzaak van het ongeval.

4.4.

Nu de toedracht niet vast staat rust in beginsel op [eiseres] de bewijslast van haar stellingen ter zake. De rechtbank zal echter het door [eiseres] gedane bewijsaanbod als niet ter zake dienend passeren. Daartoe is redengevend dat -ook indien er veronderstellenderwijs van uit zou worden gegaan dat komt vast te staan dat de scheurvorming op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval- naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden geen sprake is van een gebrek aan het fietspad in de zin van artikel 6:174 BW of een onrechtmatige daad van de Gemeente, zoals hierna zal blijken.

Aansprakelijkheid ex artikel 6:174 BW / 6:162 BW

4.5.

Vooropgesteld moet worden dat op de wegbeheerder geen garantieplicht rust met betrekking tot de toestand van de openbare weg. Immers, niet elk gevaar voor schade kan door de wegbeheerder worden voorkomen. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat het ongeval (al dan niet mede) is veroorzaakt door de aanwezige scheurvorming dient aan de hand van een aantal gezichtspunten te worden beoordeeld of de Gemeente in dat geval aansprakelijk kan worden gehouden.

4.6.

Een wegbeheerder dient rekening te houden met een normaal gebruik van de weg. In dit geval betreft het een vrij liggend geasfalteerd fietspad, dat met name in de zomer druk bereden wordt. Van de Gemeente kan worden gevergd te waken voor de veiligheid van de gebruikers door voldoende onderhoud aan een dergelijk fietspad te plegen, waarbij heeft te gelden dat rekening moet worden gehouden met het specifieke gebruik door fietsers. [eiseres] heeft gesteld dat het onderhoud in casu onder de maat is geweest en er sprake was van een gevaarzettende situatie. Zij heeft daartoe verwezen naar het rapport van [ongevallendeskundige], waarin wordt gesteld dat het fietspad niet voldeed aan de in redelijkheid daaraan te stellen eisen, nu de mate van scheurvorming een gevaar opleverde voor fietsers en de staat van het fietspad niet voldeed aan de in relevante publicaties van het CROW genoemde uitgangspunten. De Gemeente heeft betwist dat het onderhoud onvoldoende is geweest en dat zij in strijd met de CROW-richtlijnen zou hebben gehandeld.

4.7.

De rechtbank verwerpt de stelling van [eiseres] dat sprake is geweest van onvoldoende onderhoud. Blijkens de ter zitting overgelegde onderhoudsgegevens, die door [eiseres] niet zijn bestreden, is het bewuste deel van het fietspad in het najaar van 2010 nog door gediplomeerde externe inspecteurs beoordeeld op grond van de CROW-richtlijnen. Toen is blijkens het door de Gemeente overgelegde inspectierapport in het betreffende deel van het fietspad geen oneffenheid of scheurvorming geconstateerd die noopte tot enig herstel. Er wordt slechts gesproken over randschade ter plaatse, die echter geen enkel verband houdt met de onderhavige scheurvorming. Nu blijkens de als bijlage bij het rapport [ongevallendeskundige] overgelegde CROW-richtlijn wordt aanbevolen jaarlijks een globale inspectie van verhardingen uit te voeren valt niet in te zien waarom de Gemeente in strijd met de richtlijn zou hebben gehandeld. Immers, tussen het ongeval en de laatste inspectie is minder dan een jaar verstreken. Daar komt bij dat onweersproken is gebleven dat de Gemeente elke winter nog een asfaltploeg op pad stuurt om kleine reparaties aan het asfalt uit te voeren. Derhalve dient er van te worden uitgegaan dat het reguliere onderhoud conform de aanbevelingen is uitgevoerd en de scheuren, zo ze toen al bestonden, ten tijde van het reguliere onderhoud niet noopten tot herstel. Daaraan doet niet af dat er zich op het moment van het ongeval wat grasgroei in de scheur voordeed, nu feit van algemene bekendheid is dat gras in de zomer zeer snel kan groeien.

4.8.

Het enkele feit dat het onderhoud periodiek correct is uitgevoerd brengt echter niet met zich dat de Gemeente reeds daarom niet aansprakelijk kan worden gehouden. Bezien dient te worden of zich hier een feitelijke situatie voordeed die alsnog noopte tot tussentijdse maatregelen, waarbij te denken valt aan ad hoc herstel of waarschuwing van weggebruikers. De rechtbank oordeelt echter dat de Gemeente onder de gegeven omstandigheden ook in dit opzicht niets valt te verwijten. Daartoe is allereerst van belang dat gesteld noch gebleken is dat de Gemeente bekend was met mogelijk gevaar en reeds uit dien hoofde actie had behoren te ondernemen. Zo is onweersproken gebleven dat zich ter plaatse nimmer eerder een ongeval heeft voorgedaan, ondanks veelvuldig gebruik van het fietspad. Voorts heeft de Gemeente naar voren gebracht dat zij noch door het publiek noch door haar buitendienstmedewerkers op enig moment is geattendeerd op potentieel gevaarlijke scheurvorming. Voorts neemt de rechtbank als vast staand aan dat de scheurvorming ten tijde van het ongeval visueel dusdanig gering was dat de Gemeente er op mocht vertrouwen dat het fietspad nog steeds geschikt was voor normaal gebruik. Daartoe is met name van belang dat de scheurvorming slechts tot minimaal hoogteverschil tussen de scheurranden heeft geleid, hetgeen door [eiseres] niet gemotiveerd is weersproken en voorts blijkt uit de overgelegde foto’s. Daaraan doet niet af dat [eiseres] de diepte van de scheuren schat op 2 / 2,5 cm (hetgeen overigens door de Gemeente is betwist), nu de diepte van de scheur in dit geval niet relevant is. Uit de overgelegde foto’s valt immers af te leiden dat het hier scheuren betreft met dicht bij elkaar liggende scheurranden. Blijkens de overgelegde CROW informatie wordt de ernst van de scheurvorming met name beoordeeld naar het hoogteverschil tussen de scheurranden, hetgeen ook alleszins begrijpelijk is omdat met name hoogteverschil leidt tot voor fietsers potentieel gevaarlijke oneffenheid. Terecht heeft de Gemeente in dat kader nog naar voren gebracht dat de langsscheur qua breedte in ieder geval veel smaller was dan een fietsband, zodat er evenmin risico van vastraken in de scheur viel te duchten. Voorts heeft de Gemeente er nog op gewezen dat ook [brigadier], als ervaren politieman, in het proces-verbaal te kennen heeft gegeven nauwelijks tot geen hoogte verschil te hebben geconstateerd en ook hij een oorzakelijk verband tussen de scheur en het ongeval onwaarschijnlijk achtte. Onder die omstandigheden behoefde de Gemeente niet bedacht te zijn op potentieel gevaar en kan niet van een gebrekkige opstal worden gesproken.

4.9.

De stelling van [eiseres] dat toch in ieder geval het “kuiltje” bij de dwarsaansluiting een evident gevaar voor fietsers opleverde, hetgeen de Gemeente kenbaar had behoren te zijn en aanleiding had moeten zijn om tot (tussentijdse) reparatie over te gaan wordt eveneens verworpen. Niet valt in te zien waarom een dermate kleine oneffenheid bij gebleken geregeld onderhoud tot aansprakelijkheid van de wegbeheerder zou moeten leiden. Een fiets moet in beginsel zonder enig probleem een dergelijke geringe oneffenheid kunnen overbruggen, waarop de Gemeente mocht vertrouwen. De rechtbank tekent nog aan dat kennelijk ook [ongevallendeskundige] het “kuiltje” niet als een potentieel gevaar voor fietsers ziet, nu hij het in zijn rapport niet noemt als mogelijke oorzaak van het ongeval.

4.10.

De rechtbank gaat eveneens voorbij aan de conclusie van [ongevallendeskundige] dat het fietspad zonder meer als gebrekkig moet worden aangemerkt vanwege het potentiële gevaar van vallen als gevolg van de “boogvorm” van de scheur. Daargelaten dat in casu niet is gebleken dat de gestelde boogvorm van de langsscheur daadwerkelijk enige relatie heeft met het ontstaan van het ongeval, is het de Gemeente onder voormelde omstandigheden niet aan te rekenen dat zij met dit (theoretische) scenario geen rekening heeft gehouden.

4.11.

De conclusie is dat in casu geen sprake is van een gebrekkige opstal en de Gemeente evenmin in voorkomend geval op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan worden gehouden, zodat bewijslevering met betrekking tot de gestelde toedracht achterwege kan blijven. De vordering van [eiseres] zal worden afgewezen. .

4.12.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente c.s. worden begroot op:

- griffierecht 589,00

- salaris advocaat 768,00 (2 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.357,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente c.s. tot op heden begroot op € 1.357,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014 .1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: