Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7406

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
C-09-453862 - HA ZA 13-1230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens beeindiging samenwerkingsovereenkomst en laster? Vorderingen afgewezen..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/453862 / HA ZA 13-1230

Vonnis van 28 mei 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] FINANCE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. T. Teke te Amsterdam,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk) maar feitelijk verblijvende te [plaatsnaam] (Zuid-Afrika),

gedaagde,

advocaat mr. A. Oorthuys te Leiden.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties van 30 juli 2013,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties van 15 januari 2014,

  • -

    het tussenvonnis van 29 januari 2014,

  • -

    de akte van depot van twee diskettes met geluidsopnames van 31 maart 2014,

  • -

    de brieven van de zijde van [A] van 1 en 2 april 2014 met bijlagen;

  • -

    de akte vermeerdering van eis van 14 april 2014,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 april 2014, met daaraan gehecht de vaststellingsovereenkomst tussen [A] en Sarda International B.V., waaruit blijkt dat de procedure die [A] gelijktijdig met de onderhavige zaak tegen Sarda International B.V. was begonnen is geregeld en op 14 april 2014 is doorgehaald.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] drijft een onderneming die zich onder meer bezig houdt met het verlenen van financiële adviesdiensten aan ondernemingen en het adviseren bij herstructureringen. Bestuurder en enig aandeelhouder van [A] is [C] Management en Beheer B.V.. Deze B.V. wordt bestuurd door haar enig aandeelhouder, de heer [C] (verder: [C]).

2.2.

[C] was ten behoeve van [A] sinds 2008 doende met de ontwikkeling van (technische) concepten en ideeën op het gebied van “affordable housing”, een concept dat gericht is op goedkope woningbouw/exploitatie in Zuid-Afrika met behulp van EPS, een soort piepschuim. Als leverancier van het bouwmateriaal was de firma [D] in beeld. In het kader van het op te zetten housing project heeft [C] in maart 2011 in Zuid-Afrika voor het eerst contact gezocht met [B]. [B] woont formeel in Londen, maar verblijft veel in Zuid-Afrika. [B] beschikte in 2011 reeds over een groot netwerk in Zuid-Afrika. Afgesproken werd dat [B] [C] ten behoeve van het housing project zou introduceren bij zijn contacten; [C] zou op zijn beurt zorgen voor investeerders en een business plan schrijven.

2.3.

[B] betrok [C] daarnaast op zijn beurt bij een landbouwontwikkelings- en farmingproject dat hij, samen met zijn Zuid-Afrikaanse zakenpartner [E], in de Oostkaap wilde opzetten. Deze samenwerking leidde tot oprichting van een Zuid-Afrikaanse Limited, Cape Dutch Rural Development Company ltd. (verder: CDRDC), waarin naast [B] en [C] ook [E] betrokken was.

2.4.

Nadat in de zomer van 2011 duidelijk werd dat [D] de exclusiviteit van haar bouwsysteem niet wilde garanderen, werd naar een nieuwe handelspartner gezocht. In de zomer van 2011 werd [B] daartoe door [C] geïntroduceerd bij de heren [F] en [G], beiden werkzaam voor Sarda International B.V., een Nederlandse projectontwikkelaar (verder: Sarda), die een vergelijkbaar product als dat van [D] zou kunnen leveren. [F], die in december 2012 is overleden, was destijds indirect bestuurder van Sarda. Sarda bleek wel geïnteresseerd in een samenwerking met [C] en [B] en overwoog tevens als geldschieter op te treden voor het affordable housing project. Er zijn vervolgens diverse verkennende gesprekken gevoerd tussen de betrokkenen en in september 2011 is door hen een gezamenlijk bezoek gebracht aan Zuid-Afrika. Daarop werd besloten dat [C] een concept-samenwerkingsovereenkomst zou opstellen en dat de haalbaarheid van het housing project nader zou worden onderzocht, met als uitgangspunt dat Sarda als financier zou optreden van het affordable housing project en haar kennis van het EPS bouwsysteem zou inzetten, dat [B] zijn contacten zou inbrengen en dat [C] zijn kennis en ervaring met het bouwen met EPS zou inzetten en tevens als lokaal aanspreekpunt zou gaan optreden.

2.5.

Een en ander heeft geleid tot een door [C] opgestelde “Cooperation agreement development housing projects South Africa” (verder: de samenwerkingsovereenkomst). Als partijen worden daarin genoemd: Sarda, [A] en Old Town Investments ltd (verder: OTI). OTI is een Engelse onderneming waarvan [B] bestuurder was.

De tekst van de samenwerkingsovereenkomst vermeldt - voor zover van belang - het navolgende:

1.Start and term of this agreement:

This agreement will commence on the first of october 2011 and will be evaluated on September 30 2016, unless earlier replaced by a new agreement between all parties.

(….)

3. Exclusivity:

Parties will work together on an exclusive basis, no party will develop any housing projects independent of the other parties in the region during the term of this agreement.

4. Investigating feasability and development of housing projects:

Parties will continue to work together to investigate the feasability of the development of housing projects. (…)

5. Costs:

During the term of this agreement all parties will bear their own costs, which will be compensated in reason after the first project commences.

6. Shareholders agreement:

When parties jointly decide that a project is feasable, parties will establish a Special Purpose Vehicle (SPV) for that particular development. (….) Parties have agreed on the following terms and conditions for such SPV and shareholders agreement:

a. (….)

b. The cooperation between parties will be on equal terms where Sarda will hold 50% of the shares in all legal entities mentioned above and [B]-[C] together will hold 50%.

c.The shares of [B]-[C] will be split 60% for [B] and 40% for [C] (…)

Voormelde samenwerkingsovereenkomst is op 11 november 2011 door [B] en [C] getekend. [F] heeft vervolgens geweigerd namens Sarda te tekenen omdat hij als gevolg van inmiddels tussen [B] en [C] gerezen problemen het vertrouwen in een goede samenwerking op voorhand had verloren.

2.6.

Na een persoonlijke ontmoeting tussen [B] en [C] op 25 november 2011, waarin [B] zijn ongenoegen over bepaald gedrag en uitlatingen van [C] aan hem kenbaar had gemaakt, besloot [B] de samenwerking met [C] te beëindigen. Die beëindiging betrof zowel de samenwerking in het affordable housing project als die in CDRDC. [B] en [C] zijn vervolgens in onderhandeling getreden over de (financiële) afwikkeling van hun samenwerking.

2.7.

Bij mail van 25 november 2011 van [C] aan [B] heeft hij een mogelijke afwikkeling besproken. In de mail wordt onder meer vermeld:

(..)

Ik had eerder vandaag met [F] (rb.: [F]) gesproken en die bood 5% van zijn aandelen, op voorwaarde dat jij hetzelfde deed. Dit zou resulteren in de volgende belangen: [F] 45%, [B] (Rb:[B]) 45%, [C] (Rb.: [C]) 10%. Ik stond niet perse op stemrecht.

Jij wilde dit voorstel niet, maar een bedrag in 1x. Jij stelde voor mij netto 750.000 eur uit te betalen voor alles (CDRDC en de woningbouw) maar dan wilde je ook de 5% van de aandelen die [F] eventueel aan mij zou willen geven onder het eerdere voorstel. Onder die laatste voorwaarde is het niet een werkbaar voorstel, simpelweg omdat ik geen aandelen aan jou kan geven die ik niet heb (ze zijn immers van [F], en die krijg ik niet als ik niet hetzelfde % van jou ook krijg.) (…)

Als je de betreffende voorwaarde laat vallen kan ik je voorstel in overweging nemen Graag daarom je reactie. Ook verneem ik graag wat je onder netto uitbetaling van 750.000 verstaat. (…)

2.8.

Bij mail van 26 november 2011 heeft [B] zonder overleg met [C] zijn Zuid-Afrikaanse contacten het volgende laten weten:

“This is to let you know that [C] is with immediate effect no longer involved in our projects, he is also not able to do any projects in this field again in South Africa.”

2.9.

Nadat [F] kennis had gekregen van de definitieve breuk tussen [B] en [C] schreef hij op 29 november 2011 aan beiden:

(…)

You both found out that a future collaboration between you would lead to nothing. There is no way back now. So finalize the discussions about a compensation for [C] for leaving this JV. I would suggest to pay him a fixed amount as soon as it becomes clear that activities start and there is sufficient cashflow.“

2.10.

Bij mail van 1 december 2011 schreef [B] aan [C] onder meer het volgende:

“Helaas heeft het niet zo mogen zijn dat wij samen verder gaan, het hoe en waarom maakt niet meer uit. Jij hebt een complete andere kijk op het leven dan ik. (…)

Daarom is het beter om afscheid van elkaar te nemen. Ik stel het volgende voor:

Jij draagt alle aandelen in CDRDC per direct aan mij over, in ruil daarvoor krijg jij 750.00 euro in een door jouw aan te wijzen entiteit. Dit geld wordt betaald verdeeld over 2 projecten te weten een bouw project in samenwerking met Sarda BV in Nederland of een bedrijf waarin [F] en [G] vertegenwoordigd zijn. Voor dit project krijg jij 500.000 euro of een andere valuta met dezelfde waarde overgemaakt. Dit zal gebeuren zodra er voldoende cash flow is, en zal geheel uit mijn deel komen. Ook je aandelen in dit op te richten bedrijf zoals afgesproken komen mij toe. In ruil hiervoor zal jij in geheel Zuid Afrika geen vastgoed project cq ontwikkeling doen voor een periode van 5 jaar. Voor het project in de Oost Kaap krijg jij een bedrag van 250.000 mocht het project gerealiseerd worden (…). Dit wordt betaald zodra alles operationeel is, tevens zal je ook hier voor een periode van 5 jaar geen soortgelijk project opzetten of managen in Zuid Afrika. (…)“

2.11.

Op 5 december 2011 liet [B] per e-mail aan [C] en [F] weten dat hij zich niet langer gebonden achtte aan de door hem getekende samenwerkingsovereenkomst, nu [F] namens Sarda weigerde te tekenen.

2.12.

Eveneens bij mail van 5 december 2011 berichtte [B] vervolgens zijn contacten dat hij was teruggetreden als bestuurder van CDRDC en alle aandelen in die onderneming “for nill rand” aan [C] had overgedragen. Voorts schreef hij:

I will not be involved in any economic, political advisory or equity providing role to his company, I wish Mr [C] all the best with his endeavours in South Africa.

(….)

I apologise for the misunderstanding in communication! I will proceed to do my own thing in South Africa as before under the flag of Old Town Investments Ltd.

2.13.

Na nog enige emailwisseling schreef [C] op 6 december 2011 aan [B]:

Dank voor je verduidelijkende email. Ik stel het op prijs dat ik vanaf heden alle vrijheid van handelen heb en waardeer het feit dat je me succes wenst. Mits je ook Sarda niet in een toekomstig contract zal beperken om met mij in Zuid Afrika zaken te doen denk ik inderdaad dat we het hier het beste bij kunnen laten. Ik wil mij namelijk richting Sarda committeren geen zaken buiten hem om te doen qua EPS (….) Ik vind het jammer dat het zo gelopen is. Zoals je weet had ik het liever anders gezien. Maar het is zoals het is. Ik wens ook jou veel succes met je verdere activiteiten.”

2.14.

Na de mislukte samenwerking met [B] heeft [C] overleg gehad met Sarda om te bezien of [A] alsnog alleen met Sarda tot zaken zou kunnen komen. Dat heeft niet geleid tot een overeenkomst tussen hen. Voorts heeft [C] op enig moment ook een ander contact, te weten [H] van bedrijf Krekel, benaderd om na te gaan of zij zouden kunnen samenwerken in een project in Port Elizabeth (Zuid-Afrika). Ook dit heeft niet tot een feitelijke samenwerking geleid.

2.15.

Bij brief van 9 februari 2012 heeft (de advocaat van) [A] zowel Sarda als [B] / OTI aangeschreven. In voormelde brief staat -voor zover relevant- het volgende vermeld:

“[A] heeft aanwijzingen dat u kennelijk tezamen met OTI en met uitsluiting van [A] doende bent om in Zuid-Afrika EPS-fabrieken op te richten (en/of te exploiteren) en affordable housing te ontwikkelen, waarbij u, onder meer, gebruik maakt van de (overeengekomen) inbreng van [A].

(…)

Ik verzoek u mij binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen dat u uw verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van november 2011 onvoorwaardelijk zult nakomen, bij gebreke waarvan [A] zich vrij acht.

Deze brief dient te worden aangemerkt als sommatie en, voor zover nodig, ingebrekestelling.

2.16.

Bij brief van 5 juni 2012 aan Sarda en OTI heeft (de advocaat van) [A] de overeenkomst van 11 november 2011 buitengerechtelijk ontbonden. Voorts wordt in de brief vermeld:

“Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat er geen overeenkomst zou zijn tot stand gekomen, zijn Sarda en OTI schadeplichtig jegens cliënte. Het stond Sarda en OTI in de gegeven omstandigheden niet vrij zich terug te trekken uit de onderhandelingen met cliënte. Terugtrekking zou, met name gelet op het gerechtvaardigd vertrouwen van cliënte in het tot stand komen van de overeenkomst, onaanvaardbaar zijn. De handelingen van Sarda en OTI moeten worden aangemerkt als onrechtmatig.

Cliente zal de schade die zij als gevolg van een en ander lijdt op Sarda en OTI verhalen. (….).”

2.17.

Bij exploit van 6 juli 2012 heeft [A] Sarda gesommeerd tot betaling van € 150.000,-- bij wege van voorschot op de te vorderen schadevergoeding. Een kopie van dit exploit is op 20 december 2012 aan [B] gezonden, met de mededeling dat hij in persoon, naast Sarda, hoofdelijk aansprakelijk wordt gehouden voor de geleden schade.

2.18.

Sarda en OTI / [B] hebben geweigerd de overeenkomst alsnog na te komen en zijn evenmin tot betaling van schadevergoeding over gegaan.

2.19.

[A] heeft op 24 oktober 2013 conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de ING-bank ten laste van [B], ter verhaal van haar vordering.

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert -samengevat-, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [B] tot betaling van een bedrag van € 170.412,19 aan hoofdsom en € 2.479,12 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente en kosten. Daarnaast vordert [A] na eisvermeerdering schadevergoeding nader op te maken bij staat en een verbod op straffe van een dwangsom, voor [B], om zich via sociale media, schriftelijk, per email, sms of op andere wijze onrechtmatig uit te laten of beweringen te doen over (directie en medewerkers van) [A] en hem tevens te verbieden, anders dan via zijn advocaat contact op te nemen met [A] en hem te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van alle publicaties/berichtgeving op internet met betrekking tot [A]. [A] legt aan haar vordering tot betaling van voormeld schadebedrag primair ten grondslag dat er een overeenkomst tot samenwerking tot stand is gekomen tussen [A], Sarda en OTI. Omdat deze overeenkomst door Sarda en OTI niet werd nagekomen heeft [A] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en maakt [A] thans aanspraak op door haar geleden schade. Subsidiair stelt [A] zich op het standpunt dat de met haar gevoerde onderhandelingen ten onrechte zijn afgebroken, hetgeen onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar was, en [B] schadeplichtig maakt. [B] kan persoonlijk worden aangesproken voor de verplichtingen die hij op naam van OTI is aangegaan, nu is gebleken dat OTI ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst al was opgeheven. Door desondanks namens OTI een overeenkomst te tekenen heeft [B] onrechtmatig jegens [A] gehandeld en is hij - eventueel naast OTI - hoofdelijk aansprakelijk, nu hij een op hem rustende zorgplicht jegens [A] heeft geschonden. De overige vorderingen zien op de bescherming van de goede naam van [A], die volgens [A] is geschonden door [B]. [B] heeft zich onnodig grievend en beschadigend over [C] uitgelaten, hetgeen tot schade voor [A] heeft geleid en noopt tot de gevorderde verboden en recht geeft op schadevergoeding, aldus [A].

3.2.

[B] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat zowel [C], namens [A], als [B] namens OTI op 11 november 2011 de samenwerkingsovereenkomst hebben getekend. Deze overeenkomst zag op de exclusieve samenwerking tussen [A], OTI en Sarda op het gebied van ontwikkeling en exploitatie van goedkope woningen van piepschuim voor de Zuid-Afrikaanse markt. Voorts is niet in geschil dat Sarda, als beoogd producent en financier van het project, uiteindelijk heeft geweigerd de samenwerkingsovereenkomst te tekenen en de samenwerking tussen de drie partijen feitelijk niet van de grond is gekomen.

4.2.

Thans is allereerst in geschil of [A] jegens [B] aanspraak kan maken op schadevergoeding, bestaande uit het negatief contractsbelang.

Ontvankelijkheid

4.3.

Het verweer van [B] dat [A] in haar vordering jegens [B] aanstonds niet ontvankelijk moet worden verklaard wordt verworpen. Daartoe is, los van de verdere inhoudelijke beoordeling van de relatie [A] versus [B] / OTI, redengevend dat [A] [B] blijkens de dagvaarding niet alleen contractueel maar ook persoonlijk aansprakelijk acht, wegens onzorgvuldig en onrechtmatig handelen zijnerzijds. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling.

Toepasselijk recht

4.4.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord welk recht van toepassing is op de onderhavige kwestie. [B] stelt dat Zuid-Afrikaans recht van toepassing is; [A] meent dat de zaak op grond van Verordeningen Rome I en II naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld. De rechtbank is met [A] van oordeel dat zowel op grond van Rome I als op grond van Rome II Nederlands recht van toepassing is. Voor zover de vordering is gegrond op de samenwerkingsovereenkomst is Verordening Rome I leidend. In dat kader is allereerst van belang dat niet is weersproken dat in een separaat opgestelde confidentially agreement betreffende de samenwerking tussen [A], Sarda en OTI, die als productie 62 door [A] is overgelegd en die is getekend door [A] en OTI, een Nederlandse arbitrageclausule is opgenomen, hetgeen reeds een aanwijzing is dat partijen beoogden Nederlands recht op hun rechtsverhouding te willen toepassen. De stelling van [A] dat reeds daarom sprake is van een uitdrukkelijke rechtskeuze voor Nederlands recht als bedoeld in artikel 3 van genoemde Verordening volgt de rechtbank echter niet. Nu het hier een overeenkomst betreft met verschillende prestaties van de diverse partijen, kan op grond van artikel 4 lid 1 en 2 van Rome I (dat ziet op de aard van de overeenkomst en de te leveren prestatie) niet met zekerheid worden bepaald welk recht van toepassing is, omdat de prestaties divers zijn. Wel staat vast dat ten tijde van het tekenen van de samenwerkingsovereenkomst [A] en Sarda in Nederland gevestigd waren, [B] Nederlander was en OTI in Londen was gevestigd. De rechtbank ziet dan ook aanleiding op grond van voormelde feiten, in verbinding met artikel 4 lid 4 van de Verordening, Nederlands recht toe te passen, nu de overeenkomst naar het oordeel van de rechtbank het nauwst verbonden is met Nederland. Voor zover de vorderingen niet zijn gegrond op de samenwerkingsovereenkomst is Rome II leidend. Op grond van artikel 4 lid 1 van die verordening is eveneens Nederlands recht van toepassing.

Samenwerkingsovereenkomst

4.5.

[A] stelt zich primair op het standpunt dat [B], als feitelijk contractant, toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Nu [A] die overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd is [B] schadeplichtig, aldus [A]. Hij vordert het negatief contractsbelang, bestaande uit de voor het project gemaakte kosten. [B] betwist, los van het feit dat hij meent dat niet hij maar OTI als contractant heeft te gelden, dat hij en/of OTI gehouden is tot schadevergoeding en stelt dat de samenwerking tussen hem (lees: OTI) en [C] (lees: [A]) na tussen hen gerezen persoonlijke problemen met wederzijds goedvinden op 5 december 2011 definitief is beëindigd.

4.6.

De rechtbank volgt [B] in zijn betoog dat hij er van uit heeft mogen gaan dat de samenwerkingsovereenkomst op 5 december 2011 met wederzijds goedvinden definitief is beëindigd. Daartoe is het navolgende van belang. Niet in geschil is dat er problemen zijn gerezen tussen [B] en [C], die hebben geleid tot nader overleg. In dat kader heeft [B] er op gewezen dat [C] in zijn mail van 6 december 2011 (zie r.o. 2.13) zelf heeft geschreven “dat we het hier het beste bij kunnen laten” en hij in die mail tevens te kennen heeft gegeven zich (in de toekomst) te willen committeren jegens Sarda. [C] heeft die mail afgesloten met de mededeling dat hij [B] succes wenst met diens verdere activiteiten, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank duidelijk maakt dat het toen ook de bedoeling van [C] was, dat de wegen van beide partijen zich zouden scheiden en zij hun zaken voortaan separaat zouden voortzetten. Voorts heeft [B] terecht naar voren gebracht dat [C] zich ook feitelijk is gaan gedragen op een manier die er op duidde dat de samenwerkingsovereenkomst definitief van tafel was. Immers, niet weersproken is dat [A] kort na de breuk ook daadwerkelijk, zonder [B] daarbij nog te betrekken, overleg is gaan voeren met Sarda om alsnog samen met Sarda projecten te gaan ontwikkelen in Zuid-Afrika. Voorts is onweersproken gebleven dat [B] met hetzelfde doel contact heeft gelegd met [H] van de firma Krekel. In het licht van deze vaststaande feiten valt niet in te zien waarom [C] meent dat de samenwerkingsovereenkomst na 5 december 2011 nog voortduurde. Nu [C] zowel in woord als gedrag duidelijk afstand nam van de samenwerkingsovereenkomst en de daarin opgenomen exclusiviteitsclausule, acht de rechtbank het alleszins begrijpelijk dat ook [B], althans OTI, zich daaraan niet meer gebonden achtte. Dat [B] zich niet meer gebonden achtte heeft hij overigens ook met zoveel woorden aan [A] (en Sarda) kenbaar gemaakt in zijn mail van 5 december 2011. Nu voorts niet in geschil is dat Sarda, de beoogd producent en geldschieter, op het moment van de breuk al te kennen had gegeven de samenwerkingsovereenkomst niet meer te willen tekenen, was er voor twijfel over het al dan niet definitieve einde van de beoogde samenwerking naar het oordeel van de rechtbank te minder reden.

4.7.

De samenwerkingsovereenkomst zelf biedt voor schadevergoeding als gevorderd geen grondslag. Op basis van artikel 5 van de samenwerkingsovereenkomst (zie r.o. 2.5.) dienen de initiële kosten immers voor eigen rekening van de betrokken partijen te blijven en is compensatie van die kosten pas aan de orde nadat het eerste project is begonnen. Nu de samenwerking feitelijk niet is begonnen en er ook geen gezamenlijk project is gestart, draagt ieder dus de eigen kosten. Daarbij dient aangetekend te worden dat onweersproken is gebleven dat ook Sarda en [B] aanzienlijke kosten hebben gemaakt, zodat het ook niet onredelijk is dat [A] de eigen kosten moet dragen.

4.8.

Voor zover [A] beoogt te stellen dat [B] desondanks schadeplichtig is geworden, omdat hij onrechtmatig heeft gehandeld door de samenwerking met [C] willens en weten en met een vooropgesteld plan te laten stuklopen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Die stelling vindt onvoldoende steun in de feiten. Daarbij is allereerst van belang dat vast staat dat het [C] was die het initiatief heeft genomen om [B] te benaderen en niet andersom, hetgeen reeds een indicatie is dat van een vooropgezet plan van [B] geen sprake is geweest. Voorts heeft [B] onweersproken gesteld dat er ook voorafgaand aan de definitieve breuk al strubbelingen waren over de wijze van werken van [C]. Daarnaast staat vast dat in ieder geval sprake is geweest van een serieus incident, dat zijn oorzaak vond in uitlatingen van [C] en dat voor [B] de directe aanleiding is geweest voor de definitieve vertrouwensbreuk. Het betrof uitlatingen van [C], die door zowel [E] als [B] als raciaal kwetsend zijn ervaren. Een en ander blijkt uit een mail van [B] van 26 november 2011, overgelegd als productie 6 bij antwoord, waarin [B] te kennen geeft “disgusted” te zijn over de uitlatingen van [C] en die te ervaren als “a form of racism” en waarin hij vermeldt dat [C] zich jegens [E] zou moeten verontschuldigen. Dat ook [E] de door [C] gemaakte opmerkingen als kwetsend heeft ervaren blijkt uit een email van hem van 26 november 2011 aan [C] (productie 7 antwoord), waarin hij vermeldt “shocked and disgusted” te zijn en een brief van 19 januari 2012 (productie 8 antwoord), waarin [E] onder meer vermeldt: “his racial remarks made me disgusted and sick, I told my other partners if they want to continue with [C], I will not participate in any kind of business with them”. Dat [C] zich destijds ook heeft gerealiseerd dat hij [E] heeft gekwetst, valt af te leiden uit het feit dat hij [E] excuses heeft aangeboden. Voor zover [A] beoogt te stellen dat [B] in redelijkheid dit incident niet heeft mogen gebruiken als reden om de samenwerking definitief te beëindigen en aldus doende onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Nu het “kapitaal” van [B] met name bestaat uit delicate Zuid-Afrikaanse contacten, acht de rechtbank het niet onbegrijpelijk, noch onrechtmatig, dat [B] zijn contacten wilde veilig stellen en na een dergelijk incident geen heil meer zag in de overeengekomen maar nog niet feitelijk begonnen samenwerking met [B]. Dat de ruzie tussen [B] en [C] ook de directe oorzaak is geweest van het afhaken van Sarda moge juist zijn, maar maakt eens te meer duidelijk dat ook Sarda het van essentieel belang achtte voor de samenwerking dat er een goede verstandhouding zou bestaan tussen [B] en [C]. Met het afhaken van Sarda kwam de driepartijen overeenkomst overigens in het geheel niet tot stand en was voortgang ook feitelijk illusoir bij gebrek aan een geldschieter.

Afkoopsom

4.9.

[A] lijkt voorts nog te betogen dat hem toezeggingen zijn gedaan over een billijke schadevergoeding, die moeten worden nagekomen. Hij wijst daarbij op mailwisseling waarin over “afkoop” wordt gesproken. Weliswaar is juist dat er bij de beëindiging is onderhandeld, maar de stelling van [A] dat die onderhandelingen duidelijk maken dat hij recht heeft op vergoeding volgt de rechtbank niet. Daartoe is allereerst van belang dat uit de e-mail van [C] van 6 december 2011, waarin hij [B] succes wenst (zie r.o. 2.13), op geen enkele wijze blijkt dat er toen nog een geschil over de (financiële) afwikkeling was. [C] stelt in die mail slechts als eis voor een finale afwikkeling dat hij niet zal worden belemmerd in zijn zakelijke contacten met Sarda. [B] heeft daarop prompt bevestigd dat ieder weer vrij was zelfstandig te gaan handelen in Zuid-Afrika, en heeft in zijn mail van 5 december 2011 (zie r.o. 2.12) aan zijn contacten dienovereenkomstig bericht dat hij [C] succes wenste met zijn werk in Zuid-Afrika. Daaraan doet niet af dat hij op 1 december 2011 zijn contacten nog andersluidend had bericht. Die mail (zie r.o. 2.8.) is niet onbegrijpelijk in het licht van het feit dat het blijkens de gewisselde e-mail correspondentie aanvankelijk de bedoeling was dat [C]/[A] zich geheel van de Zuid-Afrikaanse markt zou terugtrekken, in ruil voor een financiële compensatie. In dat kader zijn ook de genoemde bedragen te begrijpen. Nu echter vast staat dat van terugtreden van [C]/[A] geen sprake is geweest en [C] nadien ook actief is gebleven in Zuid-Afrika, kunnen aan de eerdere onderhandelingen geen rechten worden ontleend. De rechtbank acht dan ook onvoldoende onderbouwd dat er afdwingbare afspraken zijn gemaakt over een afkoopsom/schadevergoeding. Voor zover [A] beoogt te stellen dat de afwikkeling van de eveneens beëindigde samenwerking met betrekking tot CDRDC niet correct is verlopen zal [A] zich daarover separaat tot [B] en [E] als contractspartners dienen te wenden. Dat gaat het bestek van deze procedure te buiten.

Gebruik EPS-technologie

4.10.

De rechtbank gaat ook voorbij aan de stelling van [C] dat [B] schadeplichtig is jegens [A], omdat [B] vertrouwelijk verkregen technische kennis van [C] nadien onrechtmatig ten eigen bate zou hebben gebruikt voor woningbouwprojecten in Zuid-Afrika. Die stelling is onvoldoende feitelijk onderbouwd. Daargelaten dat het [B] na het stoppen van de samenwerking met [A]/[C] zonder meer vrij stond om weer actief te zijn op de Zuid-Afrikaanse woningmarkt, heeft [B] gemotiveerd betwist dat hij na het stuklopen van de samenwerking EPS-woningen heeft gebouwd. Daar komt bij dat [A] in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [B] eveneens onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat door [C] überhaupt reeds unieke technische EPS-kennis aan [B] is geleverd. In dat kader is relevant dat ook Sarda in de procedure met klem heeft bestreden dat [C] dat soort unieke kennis al zou hebben aangeleverd en Sarda voorts te kennen heeft gegeven na de breuk noch met [B], noch anderszins, EPS-bouw in Zuid-Afrika te hebben gepleegd.

Laster

4.11.

De rechtbank verwerpt voorts de stelling van [A] dat sprake is geweest van een lastercampagne van [B] die hem op grond van onrechtmatige daad schadeplichtig maakt. Vooropgesteld moet worden dat vrijheid van meningsuiting het uitgangspunt is en van onrechtmatige uitlatingen die schadeplichtig maken niet snel sprake is. De rechtbank acht onvoldoende feitelijk onderbouwd dat [B] het werken voor [C] in Zuid-Afrika door laster onmogelijk heeft gemaakt, zodat de rechtbank aan bewijslevering niet toe komt. Reeds het enkele feit dat [A] na de breuk samenwerking heeft gezocht met Sarda en [H] spreekt daar tegen. In dat kader is ook relevant dat [C] ter zitting heeft erkend dat [H] niet afwijzend stond tegenover een eventuele samenwerking. Daaraan doet niet af dat ook die samenwerking niet van de grond is gekomen, nu [C] naar eigen zeggen aan de contacten geen vervolg heeft gegeven omdat hij er op voorhand van uit ging dat zijn kansen feitelijk al verkeken waren. Weliswaar staat vast dat [B] een aantal beledigende mails heeft gezonden, maar dat betrof aan [C] persoonlijk verstuurde mails, waarvan gesteld noch gebleken is dat die ook openbaar zijn gemaakt. De mail van 26 november 2011 (zie r.o. 2.8), waarbij [B] zijn contacten berichtte dat [C] met onmiddellijke ingang niet langer betrokken zou zijn bij Zuid-Afrikaanse projecten is neutraal van toon en bovendien kort daarop in een nieuwe mail, waarin [C] succes wordt gewenst met zijn Afrikaanse zaken, geheel rechtgezet (zie r.o. 2.12). Blijkens de mail van 1 juni 2012 aan [I] van Trustan Bouw, door [A] overgelegd als productie 38, betrof dit een contact van [C] dat al eerder was beëindigd, zodat niet valt in te zien waarom die mail zijn kansen in Zuid-Afrika nadelig zou hebben beïnvloed. Hetzelfde geldt voor de berichten van 2 augustus 2013 en die van 20 en 21 november 2013 (producties 47 en 50), naar aanleiding van de dagvaarding; daarin wordt slechts gesproken over de procedure die loopt tussen [C] en [B] en van negatieve uitlatingen over [A]/ [C], laat staan laster, is geen sprake. Resteert de vermelding op de LinkedIn-pagina van [B] dat hij zich heeft teruggetrokken (naar de rechtbank aanneemt uit CDRDC), vanwege door [C] gedane “racial discriminating remarks towards our BEE partner and my long time friend”. De rechtbank oordeelt dat deze vermelding in het licht van de vaststaande feiten niet als lasterlijk heeft te gelden. Overigens is ter zitting gebleken dat over de uitlatingen van [B] reeds in Zuid-Afrika overleg heeft plaats gevonden met een advocaat. Dat heeft geleid tot excuses van de zijde van [B] aan het adres van [C] persoonlijk, de beëindiging van de e-mail correspondentie tussen hen en het opschonen van de LinkedIn-pagina van [B].

4.12.

Tot slot dient nog te worden beoordeeld of de gevorderde publicatie- en contactverboden onder de gegeven omstandigheden toewijsbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat ook die vorderingen niet slagen, nu daarvoor de grondslag ontbreekt. Niet is komen vast te staan dat [B] in het verleden onrechtmatig lasterlijk heeft gehandeld. Daar komt bij dat onweersproken is gebleven dat [B] na het in Zuid-Afrika daarover gevoerde overleg in der minne alle mails en overige verwijzingen naar [A] en/of [C] direct heeft verwijderd en ook overigens geen contact meer met [C] heeft gezocht. Voorts heeft [B] ter zitting te kennen gegeven bereid te zijn schriftelijk te bevestigen dat hij ook in de toekomst geen enkel contact meer zal zoeken met [C] en zich zal onthouden van negatieve uitlatingen over hem. Derhalve is ook niet aannemelijk geworden dat in de nabije toekomst nog problemen zijn te duchten.

4.13.

In het licht van al het voorgaande behoeven de overige stellingen en weren geen bespreking meer. De rechtbank tekent nog wel aan dat [A] gehouden is het door haar gelegde derdenbeslag ten laste van [B] per omgaande op te heffen, nu daarvoor geen rechtsgrond meer bestaat en dat de met het beslag gemoeide kosten voor haar rekening moeten blijven. Het bij antwoord gedane verzoek van [B] een bevel tot opheffing van het beslag af te geven onder last van dwangsom is echter niet toewijsbaar nu dit verzoek niet bij zelfstandige eis in reconventie is gedaan.

4.14.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op € 1.474,-- aan griffierecht en € 2.842,-- aan salaris advocaat (2 punten tarief V), derhalve een totaal van

€ 4.316,--.

4.15.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € € 4.316,--,

5.3.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.coll: