Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7310

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
C-09-450413 HA ZA 13-1031
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van de Staat voor werkzaamheden van Nederlander in Afghanistan? Zorgplicht Staat. Agent in de zin van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2012). MIVD. Toezichtsrapport van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD). Bewijsopdracht aan eiser over mogelijk optreden als agent. Waarborgen voor verhoor van (gewezen) MIVD-medewerkers als getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis


RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer C/09/450413 / HA ZA 13-1031

Vonnis van 18 juni 2014

in de zaak van

[eiser],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

eiser,

advocaat mr. O.R. van Hardenbroek te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN (HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN HET MINISTERIE VAN DEFENSIE),

zetelende te Den Haag,
gedaagde,

advocaat mr. E.J. Daalder te Den Haag.

Partijen zullen hierna “[eiser]” en “de Staat” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 augustus 2013,

- de akte houdende overleggen producties bij dagvaarding

- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 6 november 2013, waarin een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie voor de meervoudige kamer van 14 april 2014 en

daarin genoemde stukken, waaronder pleitnotities,
- de brieven van de zijde van [eiser] van 23 en 24 april 2014 met daarin een reactie op het proces-verbaal, en
- de brief van de zijde van de Staat van 25 april 2014 met daarin een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

1.3.

Dit vonnis wordt gewezen met inachtneming van zojuist genoemde brieven van 23, 24 en 25 april 2014, zij het dat, waar eerder ingenomen stellingen zijn aangevuld, die aanvullingen buiten beschouwing worden gelaten.

2 De feiten

2.1.

[eiser], oorspronkelijk afkomstig uit Turkije, heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

In 2005 is [eiser] werkzaamheden gaan ontplooien in Afghanistan als directeur/aandeelhouder van een aantal bedrijven, waaronder het aannemersbedrijf [bedrijf] (hierna: [bedrijf]).

2.3. In Afghanistan is een Nederlandse ambassade gevestigd (hierna: de ambassade). [eiser] heeft zich begin 2006 bij de ambassade gemeld en heeft daar zijn diensten aangeboden. [eiser] hoopte in het kader van de komst van Nederlandse militairen naar Afghanistan (betaalde) werkzaamheden te kunnen verrichten voor de Staat.

2.4.

In het voorjaar van 2006 heeft de ambassade voorbereidingen getroffen voor de komst van Nederlandse militairen naar Afghanistan. Onder meer heeft de ambassade bijeenkomsten - zogeheten “shura’s” of “jirga’s” - met vertegenwoordigers van stammen en organisaties in Afghanistan georganiseerd. In het kader van de voorbereiding van die bijeenkomsten heeft de ambassade gesprekken gevoerd met verschillende mensen, onder wie [eiser] en enkelen van zijn contacten. Er heeft op initiatief van de ambassade één shura plaatsgevonden. [eiser] noch zijn contacten zijn daarvoor uitgenodigd. Een tweede georganiseerde shura is door de ambassade op het laatste moment afgelast.

2.5.

[eiser] is eind 2006 door de ambassade benaderd om twee verblijfsgebouwen in Kabul te bouwen dan wel renoveren. De ambassade is daartoe een overeenkomst aangegaan met [bedrijf]. De verblijfsgebouwen waren (mede) bedoeld als zogeheten “safehouse” voor de Nederlandse Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD), een onderdeel van het Ministerie van Defensie.



2.6. Ten tijde van de bouw dan wel renovatie van de hiervoor genoemde verblijfsgebouwen is [eiser] in contact gekomen met medewerkers van de MIVD. Op verzoek van (één van) die medewerkers heeft [eiser] eind 2006-begin 2007 een medewerker van het Ministerie van Defensie naar Kandahar in het zuiden van Afghanistan laten vervoeren, heeft hij bemiddeld bij het verkrijgen van valse stempels in paspoorten van Nederlandse militairen die Afghanistan bezochten en heeft hij één of enkele auto’s met valse kentekenplaten aan Nederlandse militairen in Afghanistan geleverd. De bij die transacties betrokken medewerker(s) van de MIVD is/zijn in mei 2007, na door de dienst te zijn geschorst, naar Nederland teruggekeerd. Sindsdien heeft [eiser] niet of nauwelijks meer contact gehad met de MIVD.



2.7. Medio 2009 heeft [eiser] Afghanistan verlaten. Bij terugkomst in Nederland is [eiser] korte tijd door de MIVD (op een geheime locatie) opgevangen, naar aanleiding van mededelingen van [eiser] dat hij zich niet veilig waande.

2.8.

Bij brief van 18 augustus 2009 heeft [eiser] zich tot de Minister-President van Nederland gewend en heeft hij kenbaar gemaakt dat hij schade heeft geleden doordat hij in Afghanistan door toedoen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie in gevaar is gebracht en het land heeft moeten ontvluchten.

2.9.

De brief van 18 augustus 2009 is doorgeleid naar het Ministerie van Defensie. Dit Ministerie heeft de brief als klacht over het optreden van de MIVD opgevat en heeft de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) om advies gevraagd. In het (niet-openbare) advies van de CTIVD van 13 oktober 2010, waarin het onderzoek naar de klachten is neergelegd, zijn deze klachten grotendeels ongegrond verklaard. Slechts ten aanzien van klachtonderdeel 4 heeft de CTIVD geoordeeld dat de MIVD onzorgvuldig heeft gehandeld, nu de dienst onvoldoende heeft vastgelegd of overgedragen wat met [eiser] is besproken in het kader van een mogelijk op te zetten inlichtingennetwerk. De Minister van Defensie heeft dit advies van de CTIVD onverkort overgenomen en [eiser] hiervan bij brief van 22 november 2010 op de hoogte gesteld.

2.10.

[eiser] heeft daarop een klacht ingediend bij de Nationale ombudsman, zowel over de handelwijze van het Ministerie van Defensie als over de handelwijze van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De Nationale ombudsman heeft blijkens zijn rapporten van respectievelijk 3 oktober 2011 en 12 juni 2012 de klacht ongegrond verklaard.

2.11.

Tussen partijen gevoerde schikkingsonderhandelingen hebben niet tot beëindiging van het geschil geleid.


3.Het geschil, verkort weergegeven


3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad,
a) voor recht verklaart dat de Staat (Ministerie van Buitenlandse Zaken) een onrechtmatige (overheids)daad heeft gepleegd door zijn handelen, door het zonder nadere motivering afzeggen van de vergadering (met een Taliban-commandant) en het lekken van de naam van [eiser] en/of het doen van navraag in het netwerk van [eiser];
b) voor recht verklaart dat de Staat (Ministerie van Defensie) een onrechtmatige
(overheids)daad heeft gepleegd door zijn handelen, althans door het niet aan de wettelijke plichten voldoen zoals bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002);
c) de Staat veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan [eiser], nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente,
d) de Staat veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 904;
e) de Staat veroordeelt tot betaling van de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

De Staat heeft gemotiveerd betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld en concludeert dat de vorderingen reeds daarom moeten worden afgewezen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] verwijt de Staat onrechtmatig jegens hem te hebben gehandeld. Volgens hem heeft de Staat de zorgplicht jegens hem geschonden toen hij in Afghanistan in de jaren 2006 en 2007 diensten heeft verleend aan, en opdrachten heeft uitgevoerd voor de Staat.

4.2.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze zaak voorop dat de Staat afhankelijk van de omstandigheden van het geval een zorgplicht heeft jegens zijn burgers. De reikwijdte van die zorgplicht zal van geval tot geval moeten worden bepaald. Indien de Staat een burger in enigerlei mate betrekt bij zijn activiteiten in een conflict- of oorlogsgebied, zoals hier aan de orde, kan de zorgplicht een nauwkeurig omschreven inhoud krijgen.

4.3.

[eiser] spreekt zowel het Ministerie van Buitenlandse Zaken als het Ministerie van Defensie wegens schending van de zorgplicht aan. De rechtbank zal dat onderscheid in dit vonnis eveneens maken, omdat de concrete verwijten die [eiser] enerzijds aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken en anderzijds aan het Ministerie van Defensie maakt, feitelijk uiteenlopen. In juridische zin treffen de verwijten de Staat en niet de afzonderlijke ministeries.



Onrechtmatige daad Ministerie van Buitenlandse Zaken?

4.4.

Allereerst stelt [eiser] dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken jegens hem heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (meer specifiek: de ambassade) zou [eiser] in gevaar hebben gebracht omdat de tweede door de ambassade georganiseerde shura, waarop hij zijn Afghaanse (Taliban)contacten had voorbereid, plotseling en zonder opgaaf van redenen geen doorgang vond met als gevolg dat die contacten “hun gezicht en hun eer hadden verloren” met alle gevolgen voor hem van dien, aldus [eiser]. Voorts heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken [eiser] in gevaar gebracht, doordat de plaatsvervangend ambassadeur, mevrouw [plaatsvervangend ambassadeur], in Afghanistan navraag heeft gedaan naar hem en zijn naam heeft gelekt, waardoor hij als spion bekend kwam te staan. Omdat er als gevolg van de zojuist genoemde feiten en omstandigheden voor [eiser] een gevaarlijke situatie is ontstaan, zo heeft hij voorts betoogd, is hij naar het noorden van Afghanistan gevlucht en heeft hij zijn zakelijke activiteiten tijdelijk moeten stilleggen, met schade tot gevolg.

4.5.

De Staat heeft de stellingen van [eiser] betwist. Hij voert daartoe het volgende aan. Indien en voor zover [eiser] al in een gevaarlijke situatie is beland, kan hij dit het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waaronder begrepen het ambassadepersoneel, niet verwijten. Een mogelijk ontstane gevaarlijke situatie voor [eiser], is volgens de Staat het rechtstreekse gevolg van de eigen initiatieven van [eiser], die hij heeft ontplooid zonder dat het ambassadepersoneel daarom heeft verzocht. Van onrechtmatig handelen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is daarom geen sprake. Subsidiair heeft de Staat het causaal verband betwist tussen de handelwijze van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en door [eiser] geleden schade, voor zover zou komen vast te staan dat [eiser] schade heeft geleden.

4.6.

De rechtbank overweegt in het verlengde van hetgeen in 4.2 is vooropgesteld, dat bij de beoordeling van de vraag of de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, in een geval als het onderhavige, waarbij het Ministerie van Buitenlandse Zaken een private persoon betrekt bij de voorbereiding van een militaire missie in een conflict- of oorlogsgebied, de Staat in het kader van de zorgvuldigheid die volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, ervoor dient te waken dat die persoon niet door toedoen of nalaten van de Staat in gevaar wordt gebracht. Is dat laatste wel het geval, dan kan dat meebrengen dat de handelwijze van de Staat als onrechtmatig wordt gekwalificeerd.

4.7.

Gelet op de stellingen van partijen, de overgelegde stukken alsmede de verklaringen van partijen ter comparitie, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat, indien en voor zover [eiser] (al) in een gevaarlijke situatie is beland, dit door toedoen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (c.q. het ambassadepersoneel) en dus de Staat is gebeurd. Daarbij is cruciaal dat uit hetgeen [eiser] heeft betoogd niet volgt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken hem als private persoon metterdaad heeft betrokken (of heeft willen betrekken) bij concrete voorbereidingen van de militaire missie in Afghanistan. Daarmee komt de grondslag onder de stelling dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken onrechtmatig heeft gehandeld, te vervallen. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.

4.8.

In de stukken bevinden zich een drietal verklaringen van ambassadepersoneel, welke verklaringen ten overstaan van de substituut-ombudsman onder ede zijn afgelegd in het kader van de klachtprocedure bij de Ombudsman. Het betreft de verklaringen van de heer [toenmalig ambassadeur] (de toenmalige ambassadeur in Afghanistan), mevrouw [plaatsvervangend ambassadeur] (de plaatsvervangend ambassadeur aldaar) en de heer [ambassadesecretaris] (ambassadesecretaris). Uit die verklaringen blijkt, zoals de Staat terecht heeft betoogd:

- dat [eiser] zich uit eigen beweging bij de ambassade heeft gemeld en naar eigen zeggen zou beschikken over nuttige contacten;
- dat er door de ambassade, in het bijzonder [plaatsvervangend ambassadeur], informatie is ingewonnen over [eiser], zoals gebruikelijk is als iemand zijn diensten aanbiedt aan de ambassade;
- dat die informatie met de nodige voorzichtigheid is ingewonnen;
- dat voorafgaand aan de eerste shura, die plaatsvond in mei 2006, door de ambassade gesprekken zijn gevoerd met [eiser] en door hem aangedragen contacten;
- dat steeds aan [eiser] te kennen is gegeven dat hij aan de gesprekken geen enkele verwachting kon ontlenen en zijn contacten evenmin;
- dat de contacten van [eiser] niet bruikbaar bleken op diplomatiek niveau;
- dat noch [eiser] zelf, noch zijn contacten bij de eerste shura in mei 2006 aanwezig waren;

- dat de geplande, tweede shura om veiligheidsredenen moest worden afgelast;
- dat de ambassade, anders dan [eiser] betoogt, nooit heeft verzocht om contact met vertegenwoordigers van de Taliban.

4.9.

De Staat heeft voorts gewezen op de conclusie die de Nationale ombudsman heeft getrokken. De ombudsman is, mede gelet op de zojuist aangehaalde verklaringen en overigens na kennisneming van een schriftelijke reactie van [eiser] op die verklaringen, tot de conclusie gekomen dat “niet aannemelijk is geworden dat verzoeker (Rb: [eiser]) door toedoen van de ambassade in een voor hem gevaarlijke situatie is terecht gekomen”.

4.10.

De rechtbank overweegt dat de stelplicht en bewijslast ter zake van het aan de Staat verweten onrechtmatig handelen op [eiser] rusten. Nu de kern van het verwijt van [eiser] op dit punt betreft dat hij door toedoen van het ambassadepersoneel in een gevaarlijke situatie is beland (hetgeen naar zijn stelling een onrechtmatige daad van de Staat oplevert), mag van [eiser] worden verwacht dat hij concrete feiten en omstandigheden aandraagt die een ander licht werpen op de zojuist genoemde verklaringen van het ambassadepersoneel, temeer nu deze onder ede afgelegde verklaringen op hoofdlijnen met elkaar overeenstemmen en de rechtbank deze verklaringen met de Nationale ombudsman betrouwbaar en geloofwaardig acht. [eiser] heeft het verwijt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken hem actief heeft betrokken bij de voorbereidingen voor de missie in Afghanistan, onvoldoende onderbouwd. Ter toelichting geldt het volgende.

4.11.

In de in deze procedure - overigens door de Staat - overgelegde brief van de toenmalige advocaat van [eiser] van 18 augustus 2009 (conclusie van antwoord, productie 1) heeft [eiser] uiteengezet hoe de gesprekken tussen de ambassade, hemzelf en zijn contacten in het kader van de voorbereidingen van de shura’s zijn verlopen. Die brief was ook de Nationale ombudsman bekend. In die brief heeft [eiser] vermeld dat hij de ambassade destijds te kennen heeft gegeven “dat hij grote risico’s zou lopen, zowel persoonlijk als zakelijk, indien Nederland op enig moment deze mensen (Rb: zijn contacten) zou bruuskeren.” De stelling van de Staat dat aan [eiser] steeds te kennen is gegeven dat hij noch zijn contacten enige verwachting kon ontlenen aan de gesprekken met de ambassade, heeft [eiser] echter niet gemotiveerd weersproken. Verklaringen van bij die gesprekken betrokken contacten van [eiser] die zijn lezing bevestigen, heeft [eiser] niet ingebracht, zonder dat hij heeft verklaard dat dat niet tot de mogelijkheden behoorde. De “grote risico’s” waarop [eiser] doelt en die overigens niet zijn geconcretiseerd, komen aldus voor zijn rekening. Voor zover de risico’s die [eiser] zou lopen, samenhingen met het feit dat hij ten behoeve van de tweede shura volgens zijn eigen zeggen contact met vertegenwoordigers van de Taliban had gelegd, geldt dat de Staat daartegenover onweersproken heeft gesteld dat zij nimmer om een dergelijk contact heeft verzocht, nu zijn personeel de Taliban, “de vijand”, niet wilde betrekken bij de voorbereiding van de missie in Uruzgan. Indien [eiser] al contact met vertegenwoordigers van de Taliban heeft gelegd, heeft hij dit geheel op eigen initiatief gedaan, aldus de Staat. Dit leidt tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat risico’s die aan eventuele Taliban-contacten verbonden bleken te zijn, door toedoen van de Staat zijn veroorzaakt. Aan de stelling van [eiser] dat de navraag die het ambassadepersoneel, in het bijzonder [plaatsvervangend ambassadeur], in Afghanistan heeft gedaan naar [eiser], gevaar voor hem zou hebben meegebracht, gaat de rechtbank eveneens voorbij. [eiser] heeft niet uitgelegd hoe die navraag tot gevaar voor hem heeft geleid en waarin dit gevaar concreet heeft bestaan.

4.12.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat de door [eiser] bij dagvaarding als producties 1 en 2 overgelegde uitwerkingen van door hem opgenomen gesprekken met twee medewerkers van de MIVD, voor zover bij dagvaarding geciteerd, evenmin concrete aanknopingspunten bieden voor de stelling dat [eiser] door toedoen van ambassadepersoneel in gevaar is gebracht, nog afgezien van het feit dat de rechtbank ter zake van die uitwerkingen terughoudendheid betracht, nu, gelet op het commentaar van de Staat daarop, niet vaststaat dat die uitwerkingen een juiste en volledige weergave bevatten van de gevoerde gesprekken.

4.13.

Nu [eiser] op bovenstaande punten onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die zijn standpunt kunnen dragen dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid heeft gehandeld, komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering op dit punt. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht als weergegeven onder 3.1.a van dit vonnis en de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding voor zover daaraan gekoppeld, worden om die reden afgewezen.

Onrechtmatige daad Ministerie van Defensie?


4.14. [eiser] verwijt het Ministerie van Defensie in de kern dat het ministerie heeft nagelaten na mei 2007 (actief) zorg te dragen voor zijn veiligheid in Afghanistan. Het Ministerie van Defensie heeft volgens [eiser] op dat punt in strijd met de op het ministerie rustende zorgplicht en dus onrechtmatig gehandeld. Meer in het bijzonder stelt [eiser] dat ten aanzien van hem niet in overeenstemming met de uit hoofde van de WIV 2002 op het Ministerie van Defensie rustende verplichtingen en de zogeheten “Humint werkinstructie” is gehandeld. Dit laatste document betreft, zo begrijpt de rechtbank, een werkinstructie van de Afdeling Human Intelligence van de MIVD. [eiser] stelt dat hij eind 2006-begin 2007 werkzaamheden heeft verricht op verzoek van de MIVD in Afghanistan, en aldaar door de MIVD is ingezet als agent. Hem is onder meer gevraagd een inlichtingennetwerk op te bouwen. Zijn inzet als agent is in strijd met de WIV 2002 niet gedocumenteerd. [eiser] is, naar eigen zeggen, “illegaal gerund” als agent. Omstreeks mei 2007, toen zijn contactpersonen bij de MIVD (door [eiser] “runners” genoemd en in deze procedure aangeduid als MIVD 2 en MIVD 3) geschorst bleken en naar Nederland zijn vertrokken, is hij aan zijn lot overgelaten. De MIVD heeft MIVD 2 en MIVD 3 als zijn runners ook niet “gedebriefd”, met andere woorden: hen is niet gevraagd om verslag te doen van de lopende activiteiten van [eiser] in Afghanistan. De MIVD heeft voorts geen zorg gedragen voor een opvolger van de runners, noch is de inlichtingenrelatie met hem zorgvuldig afgebouwd. Als gevolg daarvan heeft [eiser] het door hem opgebouwde inlichtingennetwerk niet veilig kunnen afbouwen en is er voor hem een gevaarlijke situatie ontstaan. Hij heeft Afghanistan medio 2009 moeten ontvluchten en zijn zakelijke activiteiten moeten staken met schade tot gevolg, aldus nog steeds [eiser].

4.15.

De Staat heeft allereerst betwist dat [eiser] is ingezet als agent. [eiser] is bij een aantal zakelijke transacties betrokken geweest waarvoor hij is betaald, maar agent in de zin van de WIV 2002 was hij niet. Aan de status van agent kan hij volgens de Staat dan ook geen rechten ontlenen. Voorts heeft de Staat betoogd dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij als gevolg van die transacties waarbij hij betrokken was, in een gevaarlijke situatie is beland. Zo dat wel zou komen vast te staan, dan valt dat de Staat niet te verwijten. Van schending van een op de WIV 2002 gebaseerde of daaraan ontleende zorgplicht is derhalve geen sprake. Tot slot heeft de Staat betwist dat [eiser] als gevolg van de handelwijze van de Staat schade heeft geleden.

4.16.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of de MIVD [eiser] heeft ingezet als agent in de zin van de WIV 2002. Indien dat het geval is, rust op de MIVD immers een in die wet vastgelegde zorgplicht, waarvan de inhoud mede door de context van die wettelijke regeling wordt bepaald. Bij de invulling van voornoemde zorgplicht kan voorts de Humint werkinstructie van de MIVD een rol spelen. De voor de beoordeling relevante regelgeving en de toelichting daarop luidt als volgt.

De WIV 2002 en de Humint werkinstructie

4.17.

De WIV 2002 vormt de formele wettelijke grondslag voor de activiteiten van de MIVD (hierna ook wel genoemd: de dienst). De MIVD kan op grond van de in artikel 7 van de WIV 2002 neergelegde taakomschrijving in het belang van de nationale veiligheid inlichtingenwerk doen in het buitenland. De dienst kan onderzoek doen “naar het potentieel en de strijdkrachten van andere mogendheden, ten behoeve van een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de krijgsmacht” en “naar factoren die van invloed zijn of kunnen zijn op de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde voor zover de krijgsmacht daarbij is betrokken of naar verwachting betrokken kan worden” (artikel 7 lid 2 sub a WIV 2002). Daarnaast kan de MIVD onderzoek doen in het buitenland in het kader van de zogenoemde contra-inlichtingentaak, waaronder “het verrichten van onderzoek dat nodig is voor het treffen van maatregelen ter voorkoming van activiteiten die ten doel hebben de veiligheid of paraatheid van de krijgsmacht te schaden”, “ter bevordering van een juist verloop van mobilisatie en concentratie der strijdkrachten” en “ten behoeve van een ongestoorde voorbereiding en inzet van de krijgsmacht” (artikel 7 lid 2 sub d WIV 2002). Tot slot kan de MIVD onderzoek doen ten aanzien van onderwerpen met een militaire relevantie, door de Minister-President aangewezen (artikel 7 lid 2 sub e WIV 2002).



4.18. De MIVD mag bij het door hem te verrichten onderzoek gebruikmaken van diensten van natuurlijke personen. In het kader van het verzamelen van gegevens is de MIVD op grond van artikel 17 lid 1 sub a van de WIV 2002 bevoegd zich te wenden “tot een ieder die geacht wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken”. Op grond van artikel 21 lid 1 van die wet is de MIVD bevoegd tot de inzet van natuurlijke personen die onder verantwoordelijkheid en onder instructie van een dienst zijn belast met a) “het gericht gegevens verzamelen omtrent personen en organisaties die voor de taakuitvoering van een dienst van belang kunnen zijn” en/of b) “het bevorderen of het treffen van maatregelen ter bescherming van door een dienst te behartigen belangen”. Blijkens de memorie van toelichting bij de WIV 2002 ziet artikel 17 lid 1 sub a op de informant en artikel 21 lid 1 op de agent (Kamerstukken II, 1997/98, 25 877, nr. 3, p. 38).



4.19. De CTIVD merkt in haar “Toezichtsrapport inzake het onderzoek van de Commissie van Toezicht naar de inzet door de MIVD van informanten en agenten, meer in het bijzonder in het buitenland” van 12 april 2006 (dagvaarding, productie 7, hierna: het toezichtsrapport) op dat voor zowel de informant als de agent geldt dat de wet veronderstelt dat de beslissing om hem te benaderen respectievelijk in te zetten, van de dienst uitgaat. Dit sluit echter niet uit dat een derde zich zelfstandig tot de MIVD wendt met een aanbod van informatie. De CTIVD vervolgt in het toezichtsrapport: “Van de reactie van de dienst hangt dan af of zij als informant of agent worden benaderd dan wel van het aanbod geen gebruik wordt gemaakt.” Van belang is nog dat voor de benadering van een informant niet de wettelijke eis van voorafgaande toestemming geldt, maar voor de inzet van een agent wel.



4.20. De figuur van agent wordt in de memorie van toelichting bij de WIV 2002 als volgt toegelicht: “De agent is een natuurlijk persoon die doelbewust door een dienst wordt ingezet om gericht gegevens te verzamelen die voor de taakuitvoering van de dienst van belang kunnen zijn. Daarnaast, doch slechts in uitzonderingsgevallen, kan het voorkomen dat de agent tevens belast wordt met het bevorderen of nemen van maatregelen in verband met door een dienst te behartigen belangen. De taak van een agent is echter primair om jegens een bepaalde persoon of in een bepaalde organisatie die in het kader van een onderzoek van een dienst de aandacht heeft, een zogeheten informatiepositie te verwerven en -eenmaal verworven- die ook te behouden. De inzet van een dergelijk persoon geschiedt onder verantwoordelijkheid en instructie van de betreffende dienst. De instructiebevoegdheid is uitdrukkelijk neergelegd, teneinde de verantwoordelijkheid voor de inzet van een agent ook daadwerkelijk waar te kunnen maken. De agent dient zich aan de instructie te houden. De instructie aan een agent wordt als regel mondeling gegeven. Toch is het wenselijk dat deze mondeling gegeven instructie door de dienst schriftelijk wordt vastgelegd. In artikel 21, zesde lid, wordt dit voorgeschreven. Niet alleen is dat vanuit intern-beheersmatig oogpunt wenselijk (sturing van operationele activiteiten), maar ook om het optreden van de agent, indien daartoe aanleiding is, achteraf te kunnen toetsen en evalueren.”(Kamerstukken II, 1997/98, 25 877, nr. 3, p. 39). De CTIVD beschrijft in het toezichtsrapport de agent als “iemand van buiten de dienst met een goede informatiepositie, die werkzaam is op basis van een afspraak met de dienst om al dan niet tegen een zekere vergoeding of beloning inlichtingen te verzamelen”.

4.21.

Voorts zijn de leden 3-5 van artikel 21 van de WIV 2002 van belang, waarin is geregeld dat de agent bij instructie van de dienst tevens kan worden belast met het verrichten van handelingen die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd. Naar aanleiding van die instructiebevoegdheid wordt in de memorie van toelichting opgemerkt dat de agent die zich aan de gegeven instructie houdt, strafrechtelijk vrijuit dient te gaan; hij is straffeloos nu de instructie als bevoegd gegeven ambtelijk bevel kan worden aangemerkt in de zin van artikel 43 van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstukken II, 1997/98, 25 877, nr. 3, p. 40-42). Dat laat echter onverlet dat indien de agent buiten Nederland medewerking aan een strafbaar feit verleent dan wel een strafbaar feit pleegt, de in dat land geldende strafrechtelijke regelgeving van toepassing is, met alle mogelijke gevolgen van dien (Kamerstukken II, 2000/01, 25 877, nr. 59, p.10).

4.22.

Als reeds opgemerkt legt de WIV 2002 de MIVD een zorgplicht op. Artikel 15 van de WIV 2002 bepaalt in zijn algemeenheid dat de hoofden van de MIVD zorgdragen voor de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld, onder wie agenten en informanten. Die zorgplicht is in de wet niet nader gedefinieerd en in de memorie van toelichting niet van commentaar voorzien. In het toezichtsrapport heeft de CTIVD over die wettelijk verankerde zorgplicht opgemerkt: “Op die zorgplicht zal bij het leggen en onderhouden van contacten met zulke personen (Rb: informanten of agenten) door de diensten en bij het exploiteren van met hun medewerking verzamelde gegevens acht moeten worden geslagen. Anders gezegd een gegevensverstrekking aan derden zal onder zodanige voorwaarden dienen te geschieden dat de identiteit van de informant of agent niet bekend wordt en hij daardoor geen gevaar loopt. Een bepaalde mate van belangenafweging is steeds vereist.” Voorts verwijst de CTIVD naar de Humint-werkinstructie voor de MIVD, waar ook [eiser] zich op beroept. De werkinstructie, die voor de rechtbank niet rechtstreeks kenbaar is nu zij door partijen, mogelijk in verband met het vertrouwelijke karakter daarvan, niet is overgelegd, geeft volgens de CTIVD invulling aan die zorgplicht. In het toezichtsrapport staat daarover: “De inzet van informanten en agenten door de MIVD voor het verzamelen van inlichtingen is tot nu toe in het bijzonder voorbehouden aan de Afdeling Human Intelligence (AHM of HUMINT). Om deze inzet zo goed mogelijk te doen verlopen heeft AHM in september 2002 een lijvige en soms uiterst gedetailleerde werkinstructie (…) opgesteld, die, losbladig van opzet, regelmatig wordt aangepast. Deze instructie heeft dus betrekking op het exploiteren van menselijke bronnen en de uitoefening van daarmede samenhangende bijzondere bevoegdheden, mede om de veiligheid van deze bronnen, die in sommige gevallen een hoog (politiek) afbreukrisico kennen, zo goed mogelijk te waarborgen zowel in Nederland als in het buitenland. (…) De werkinstructie beschrijft het belang van een gedegen afbouw van de relatie van de dienst met de agent of informant. Er is immers gedurende de operatie een vertrouwensrelatie opgebouwd met de agent of informant. Vermeden moet worden dat de agent of informant zich in de steek gelaten voelt. Aandacht moet worden besteedt aan timing, zorgvuldigheid, aflopende beloning, duidelijkheid en eventueel psychische nazorg.” De rechtbank onderschrijft de invulling van de zorgplicht zoals de CTIVD die in het toezichtsrapport heeft uitgewerkt en maakt die tot de hare. De invulling sluit immers aan bij de wijze waarop agenten en informanten op grond van de WIV 2002 worden ingezet en houdt dus rekening met de omstandigheden van het geval.

4.23.

Tot zover de weergave van de relevante regelgeving. Om te kunnen vaststellen of [eiser] als agent in de zin van artikel 21 lid 1 sub a van de WIV 2002 is ingezet, dient het optreden van de MIVD en van [eiser] in Afghanistan aan deze regelgeving te worden getoetst.

Was [eiser] agent?

4.24.

[eiser] heeft in dit kader het volgende aangevoerd. Bij de bouw dan wel renovatie van de verblijfsgebouwen die hij uitvoerde (zie 2.7), is hij in contact gekomen met medewerkers van de MIVD, onder wie de hiervoor genoemde MIVD 2. Deze heeft hem kenbaar gemaakt hem te willen rekruteren als agent, gelet op het uitgebreide netwerk dat [eiser] in Afghanistan had. [eiser] zou in de hogere echelons goede contacten hebben, onder meer omdat zijn vader in Uruzgan een goede naam had en men om die reden groot vertrouwen in [eiser] stelde. Ter compensatie zouden [eiser] zakelijke projecten worden gegund, waaronder de mogelijkheid om als brandstofleverancier te fungeren voor de Nederlandse militairen in Afghanistan. Over die brandstofleverantie heeft [eiser] begin 2007 een gesprek gevoerd met de (toenmalige) generaal [generaal], kolonel [kolonel] en MIVD 2. Vervolgens heeft [eiser] op instructie van de MIVD een inlichtingennetwerk opgebouwd en onderhouden en in dat kader informatie vergaard over een bermbommenfabriek. Daarnaast heeft hij op verzoek van de MIVD een medewerker van Defensie naar Kandahar in het zuiden van Afghanistan laten vervoeren, heeft hij bemiddeld bij het verkrijgen van valse stempels in paspoorten van Nederlandse militairen die Afghanistan bezochten en heeft hij auto’s met valse kentekenplaten en wapens en munitie aan Nederlandse militairen in Afghanistan geleverd. Daarmee heeft hij strafbare feiten gepleegd, hetgeen op grond van de WIV 2002 is voorbehouden aan agenten. Dat zijn inzet als agent niet is gedocumenteerd, doet aan de feitelijke situatie niet af. Zijn inzet had op grond van artikel 21 lid 6 van de WIV 2002 gedocumenteerd moeten worden.

4.25.

[eiser] heeft bij de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden verwezen naar de geciteerde gedeelten uit de door hem bij dagvaarding overgelegde uitwerkingen van de gesprekken met MIVD 1 en MIVD 2 (dagvaarding, producties 1 en 2), naar de door hem ten behoeve van de comparitie overgelegde uitwerking van het gesprek met de heer [directeur], directeur juridische zaken van het Ministerie van Defensie, naar de bevindingen van de CTIVD naar aanleiding van zijn klacht (dagvaarding, productie 8), naar het rapport van de Nationale ombudsman van 3 oktober 2011 (dagvaarding, productie 9) en naar het e-mailbericht van het Ministerie van Defensie van 4 juli 2007 (dagvaarding, productie 3).

4.26.

De rechtbank stelt op basis van de in 4.25 genoemde stukken vast dat de MIVD, anders dan de Staat bij conclusie van antwoord en ter comparitie heeft betoogd, met [eiser] over het opzetten van een inlichtingennetwerk heeft gesproken. Dat volgt immers uit de bevindingen van de CTIVD en de Nationale ombudsman (dagvaarding, producties 8 en 9) en uit de uitspraken van het hoofd juridische zaken van het Ministerie van Defensie, [directeur], welke uitspraken door de Staat inhoudelijk niet zijn betwist. Voorts staat als door de Staat erkend vast dat [eiser] een medewerker van Defensie naar Kandahar in het zuiden van Afghanistan heeft laten vervoeren, heeft bemiddeld bij het verkrijgen van valse stempels in paspoorten van Nederlandse militairen die Afghanistan bezochten en één of enkele auto’s met valse kentekenplaten aan Nederlandse militairen in Afghanistan heeft geleverd.

4.27.

De Staat heeft gemotiveerd betwist dat [eiser] een inlichtingennetwerk heeft opgebouwd onder verantwoordelijkheid en onder instructie van de MIVD, zoals ingevolge artikel 21 lid 1 sub a WIV 2002 vereist. De zogeheten “weekly’s” die in Afghanistan werden opgesteld over de ontwikkelingen ter plaatse, geven daar geen blijk van, evenmin als de administratie van de MIVD. Over onderzoek naar een bermbommenfabriek waar [eiser] bij betrokken zou zijn, is de Staat evenmin iets bekend. Voorts geldt volgens de Staat dat de transacties die de Staat heeft erkend, moeten worden beschouwd als transacties in de strikt zakelijke sfeer, die tot stand zijn gekomen door aanbod en aanvaarding en waarvoor [eiser] is betaald. Elke andere derde had die transacties eveneens kunnen verrichten. Wapens en munitie heeft [eiser] overigens nooit geleverd. De Staat heeft op grond hiervan betoogd dat [eiser] niet is ingezet als agent. Daarbij heeft hij nog aangevoerd dat niet is gebleken van een voor de inzet van een natuurlijk persoon als agent in de zin van de WIV 2002 gangbaar “oplopend proces van onderzoek naar de betrouwbaarheid”.

4.28.

De rechtbank overweegt dat de bewijslast inzake de door [eiser] ingenomen stelling dat hij als agent in de zin van de WIV 2002 is ingezet, ingevolge artikel 150 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) in beginsel op [eiser] rust, nu hij zich beroept op de daaraan verbonden rechtsgevolgen. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan onder omstandigheden een andere verdeling van de bewijslast voortvloeien. Een reden om daartoe te beslissen zou kunnen zijn dat [eiser] voor het bewijs van zijn stelling vooral aangewezen is op bronnen die zich in de invloedssfeer van de Staat bevinden, zoals WIV- documentatie en verklaringen van medewerkers van de MIVD. De rechtbank ziet voor een andere verdeling van de bewijslast desondanks geen aanleiding, enerzijds omdat [eiser] door middel van getuigenverhoren onder meer ook medewerkers van de MIVD naar feiten en omstandigheden kan vragen die zijn stelling onderbouwen en anderzijds omdat de Staat, indien de bewijslast op hem zou komen te rusten, bewijs van het negatieve zou moeten leveren. De Staat zou dan immers moeten bewijzen dat [eiser] niet onder verantwoordelijkheid en onder instructie van de dienst werd belast met taken als bedoeld in artikel 21 lid 1 van de WIV 2002, hetgeen een onevenredige zware bewijslast voor de Staat zou meebrengen. De bewijslast rust aldus volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eiser]. Nu het bewijs voor de juistheid van zijn stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de Staat, niet kan worden ontleend aan de tot dusver in het geding gebrachte stukken en [eiser] een bewijsaanbod heeft gedaan, zal de rechtbank hem toelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat hij door de MIVD als agent is ingezet.

4.29.

Indien [eiser] in zijn bewijslevering slaagt en alsdan vaststaat dat hij als agent is ingezet, zal de rechtbank, in het licht van het verwijt dat [eiser] de Staat maakt dat (kort gezegd) het Ministerie van Defensie na mei 2007 had moeten zorgen voor zijn veiligheid in Afghanistan (zie 4.15), moeten beoordelen of het (toenmalige) hoofd van de MIVD de zorgplicht uit hoofde van artikel 15, aanhef en sub c WIV 2002 is nagekomen. Die zorgplicht bestaat, met verwijzing naar 4.23, onder meer in het gedegen afbouwen van de relatie met de agent, om zijn veiligheid te waarborgen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat van dat afbouwen geen sprake is geweest, als gevolg waarvan hij in een gevaarlijke situatie is komen te verkeren en uit Afghanistan heeft moeten vluchten. De Staat heeft dat betwist. Zonder dat de rechtbank zich in dit stadium uitlaat over de bewijslastverdeling ter zake van de gestelde schending van de hiervoor bedoelde zorgplicht uit hoofde van de WIV, zal de rechtbank [eiser] om proceseconomische redenen in de gelegenheid stellen om in het kader van de uit 4.28 voortvloeiende bewijsopdracht bewijs te leveren van die schending, waarbij de Staat eveneens de gelegenheid krijgt bewijs te leveren van de stellingen die hij heeft betrokken ter betwisting van die schending. De kans is immers groot dat, mocht [eiser] getuigen willen laten horen over zijn gestelde inzet als agent en de Staat diezelfde getuigen willen laten ondervragen om die inzet te ontkrachten, (een aantal van) die getuigen ook over de verwijten kan verklaren die [eiser] aan de Staat maakt in het kader van de gestelde schending van de zorgplicht. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat dit mogelijk ook voorkomt dat getuigen wier verhoor met bijzondere waarborgen moet worden omkleed, in een latere fase opnieuw zouden moeten verschijnen (zie 4.32).

4.30.

De rechtbank overweegt voorts dat, indien [eiser] niet slaagt in het bewijs van zijn stelling dat de MIVD hem als agent heeft ingezet, de zorgplicht van de MIVD daarmee niet wegvalt. Die zorgplicht bestaat immers ook, zo blijkt uit de weergave van de relevante regelgeving, in het geval dat [eiser] als informant zou hebben opgetreden. Ook heeft de MIVD naar het oordeel van de rechtbank en met verwijzing naar 4.2 een zorgplicht indien de dienst transacties met een natuurlijke persoon, niet zijnde agent of informant, is aangegaan in een conflict- of oorlogsgebied, zoals hier aan de orde, en die persoon door toedoen van de MIVD in een gevaarlijke situatie is beland. De Staat heeft die zorgplicht ter comparitie bevestigd. Aan partijen wordt, in de lijn van hetgeen in 4.29 is overwogen, gevraagd om in het kader van de in 4.28 gegeven bewijsopdracht eveneens aandacht te besteden aan de vraag of de zorgplicht is geschonden in het geval [eiser] niet als agent kan worden gekwalificeerd. Daarbij past de kanttekening dat de schending van die zorgplicht volgens [eiser] ook in dat geval niet hierin is gelegen dat hij door de door hem verrichte transacties in een gevaarlijke situatie is terechtgekomen, maar is gelegen in een gebrek aan nazorg (zie 4.14).

Slotsom



4.31. De rechtbank is in deze zaak, zo volgt uit het hiervoor overwogene, van oordeel dat de Staat, meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie, in beginsel een zorgplicht jegens [eiser] had nu vaststaat dat [eiser] door de Staat is betrokken bij zijn activiteiten in Afghanistan, destijds een conflict-/oorlogsgebied. De reikwijdte van die zorgplicht is mede afhankelijk van de vraag of [eiser] als agent is ingezet. De rechtbank zal [eiser] daarom toelaten tot bewijslevering ter zake. Tevens zal na bewijslevering aan de hand van concrete feiten en omstandigheden moeten worden vastgesteld of en in hoeverre de zorgplicht door de Staat is geschonden.

Nadere uitwerking bewijslevering

4.32.

[eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld om de rechtbank en de Staat binnen twee weken na heden bij akte te berichten of, en zo ja op welke wijze, hij bewijs wil leveren.

4.33.

Voor zover [eiser] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, zoals bij dagvaarding door hem is aangeboden, dient [eiser] in genoemde akte opgave te doen van de te horen getuigen. De getuigenverhoren zullen op een nader te bepalen datum en tijdstip plaatsvinden. Daarbij is van belang dat, voor zover (gewezen) medewerkers van de MIVD als getuigen zullen worden opgeroepen, de Staat ter comparitie heeft meegedeeld zijn medewerking daaraan te zullen verlenen, zij het dat de verhoren van die medewerkers wat de Staat betreft met zekere waarborgen moeten zijn omkleed. De Staat wordt met het oog daarop verzocht om binnen vier weken na opgave van de getuigen door [eiser] schriftelijk een voorstel aan de rechtbank te doen omtrent de wijze waarop de verhoren van bedoelde getuigen volgens de Staat zouden moeten plaatshebben. [eiser] krijgt de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van het voorstel van de Staat op dat voorstel te reageren.


4.34. Aan [eiser] en de Staat zal, gelet op de termijnen die gemoeid zijn met de aan partijen in 4.33 verzochte uitlatingen enerzijds en de agenda van de rechtbank anderzijds, op een nader te bepalen datum worden verzocht om opgave te doen van verhinderdata van partijen, advocaten en getuigen.

4.35.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing van de rechtbank aangehouden.



5.De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat [eiser] toe bewijs te leveren van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat hij door de MIVD als agent is ingezet, met inachtneming van hetgeen in 4.29 en 4.30 is overwogen;

5.2.

bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 2 juli 2014 voor akte na tussenvonnis aan de zijde van [eiser], waarbij hij kenbaar zal maken of hij het bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

5.3.

bepaalt dat, indien [eiser] getuigen wil laten horen, hij opgave van die getuigen doet in de akte onder 5.2 genoemd;

5.4.

bepaalt dat de Staat uiterlijk vier weken nadat [eiser] opgave heeft gedaan van de te horen getuigen schriftelijk een voorstel aan de rechtbank doet omtrent de wijze waarop de verhoren van bedoelde getuigen volgens de Staat zouden moeten plaatshebben;

5.5.

bepaalt dat [eiser] de gelegenheid krijgt om binnen twee weken na ontvangst van het voorstel van de Staat schriftelijk op dat voorstel te reageren;

5.6.

bepaalt dat de verhinderdata van eventuele getuigen, partijen en hun advocaten tegen een nader te bepalen datum schriftelijk door partijen aan de rechtbank dienen te worden meegedeeld, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

5.7.

bepaalt dat [eiser] uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen;

5.8.

bepaalt dat de Staat, indien hij zich bij eventuele getuigenverhoren op schriftelijke bewijsstukken wil beroepen, hij die stukken eveneens uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen;

5.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mrs. H.F.M. Hofhuis, W.A.G.J.W. Ferenschild en M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014.