Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7233

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
C-09-462078 - KG ZA 14-303
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

geding; aanbestedingsrecht; uitleg bestekseis, inschrijving eiseres door aanbestedende dienst op goede gronden als ongeldig terzijde gelegd.

Wetsverwijzingen
Aanbestedingswet 2012
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2015/733
JAAN 2014/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank dEN haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/462078 / KG ZA 14-303

Vonnis in kort geding van 22 mei 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Mobilis B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. J.P. Heering te Den Haag,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

gemeente Leiden,

zetelende te Leiden,

gedaagden,

advocaat mr. S.C. Brackmann te Rotterdam,

waarin zijn tussengekomen:

1. de naamloze vennootschap

Dura Vermeer Groep N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de vennootschap naar Belgisch recht

N.V. Besix S.A.,

gevestigd te Sint Lambrechts-Woluwe (België)

advocaat mr. E. Verweij te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Mobilis’, ‘de Gemeente’ en ‘de Combinatie’.

1 Het incident tot tussenkomst

De Combinatie heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Mobilis en de Gemeente. Ter zitting van 8 mei 2014 hebben Mobilis en de Gemeente verklaard geen bezwaar te hebben tegen tussenkomst, zij het onder de voorwaarde dat de Combinatie geen inzage krijgt in de inschrijving van Mobilis. De Combinatie heeft met deze voorwaarden ingestemd. De Combinatie is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 mei 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 4 juli 2013 heeft de Gemeente een aankondiging gedaan voor een niet-openbare aanbestedingsprocedure inzake de opdracht ‘PD-DBM Parkeergarage Garenmarkt Gemeente Leiden’ (hierna ‘de Opdracht’). Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet 2012 (Aw) van toepassing. Het gunningscriterium is de ‘economisch meest voordelige inschrijving’.

2.2.

De Opdracht komt voort uit de wens van de Gemeente om 1.000 extra parkeerplaatsen te realiseren op de locaties Garenmarkt, waarvoor deze aanbestedingsprocedure wordt gehouden en Lammermarkt, waarvoor de Gemeente een afzonderlijke eveneens niet-openbare aanbestedingsprocedure heeft gehouden. Met de Opdracht beoogt de Gemeente de aanleg van een meerlaagse ondergrondse parkeergarage en de (stedenbouwkundige en architectonische) inpassing van de bovengrondse werken. De bovengrondse werken bestaan onder meer uit een entreepaviljoen (hierna ook wel ‘hoofdpaviljoen’) en een of meer noodtrappenhuizen (hierna ook wel ‘noodopgangen’).

2.3.

De aanbestedingsprocedure is nader omschreven in onder meer de ‘Inschrijvingsleidraad PD-DBM Parkeergarage Garenmarkt Gemeente Leiden’ (hierna ‘de Inschrijvingsleidraad’), ‘Vraagspecificatie deel 1 (Producteisen DBM parkeergarage Garenmarkt’ (hierna ‘Vraagspecificatie 1’), waarin wordt verwezen naar Bindend Document 3500 (‘Parkeergarage Garenmarkt, stedenbouwkundige en architectonische randvoor-waarden Bovengrondse werk’ (hierna ‘BD3500’). Daarnaast heeft de Gemeente op 4 oktober 2013 een informatiebijeenkomst gehouden, waar onder meer een schematische tekening van de Garenmarkt is getoond. Naar aanleiding van die bijeenkomst heeft de Gemeente een Nota van Inlichtingen verstrekt. Nadien heeft zij nog een tweede Nota van Inlichtingen verstrekt.

2.4.

Met de aanbestedingsprocedure beoogt de Gemeente een partij te selecteren met wie zij een overeenkomst wil sluiten voor de zogenoemde Pre-Design (PD) fase en vervolgens voor de Design, Build & Maintain (DBM) fase.

Paragraaf 3.2 van de Inschrijvingsleidraad vermeldt met betrekking tot de PreDesign-Overeenkomst en de PreDesign-fase – voor zover hier relevant – het volgende:

De PreDesign-overeenkomst heeft tot doel het verifiëren en optimaliseren van de Economisch Meest Voordelige Inschrijving, zodanig dat maximaal aan de Kritische succesfactoren tegemoet wordt gekomen.

(…)

Het Aanbestedingsdossier bevat geen ontwerp of Referentieontwerp, omdat de Aanbesteder maximale ruimte wil bieden voor de expertise en creativiteit vanuit de markt, binnen de geformuleerde kaders van de Vraagspecificatie. (…) De Opdrachtgever wil zich in de PreDesign-fase een scherper beeld kunnen vormen van de wijze waarop de Opdrachtnemer invulling zal gaan geven aan de gestelde eisen in de Vraagspecificatie (…). Ook wil de Opdrachtgever actief invloed kunnen uitoefenen op de wijze waarop de Opdrachtnemer invulling zal gaan geven aan de gestelde eisen in de Vraagspecificatie, om te bewerkstelligen dat deze optimaal tegemoet komt aan de Kritische succesfactoren.

2.5.

Paragraaf 5 van de Inschrijvingsleidraad schrijft voor dat de inschrijving onder meer moet bestaan uit een Aanbiedingsontwerp. Met betrekking tot dit Aanbiedingsontwerp vermeldt de Inschrijvingsleidraad het volgende:

Het aanbiedingsontwerp betreft een beschrijving en weergave van het fysieke eindresultaat van de Werkzaamheden. Dit wordt door de Inschrijver uitgewerkt in de vorm van een Voorontwerp op hoofdlijnen en is beschreven en weergegeven op maximaal 12 blz. A3-landscape. Het doel van het aanbiedingsontwerp c.q. Voorontwerp op hoofdlijnen is het ontwikkelen van een globale voorstelling van het bouwwerk, middels beschrijvingen, plattegronden, doorsneden, visualiaties van de alle (niet) publiekstoegankelijke ruimten, boven- en ondergronds, zodanig dat deze een goed beeld geeft van:

1. De visie van de Inschrijver op de opgave;

2. De situering en stedenbouwkundige inpassing van het bouwwerk in de omgeving;

(…)

8. (…).

2.6.

In paragraaf 6 van de Inschrijvingsleidraad is met betrekking tot de beoordeling van de inschrijvingen het volgende opgenomen:

De Inschrijvingen die voldoen aan de onderstaande criteria komen voor inhoudelijke beoordeling in aanmerking:

1. De inschrijving is tijdig ingediend. Niet tijdige inschrijvingen legt de Aanbesteder terzijde;

2. De inschrijving is compleet ingediend. Inschrijvingen die tijdig zijn ingediend worden beoordeeld op compleetheid en vervolgens op de vormvereisten die gelden in de Aanbestedingsprocedure. Inschrijvingen die niet zijn geanonimiseerd, waarin antwoorden of gegevens ontbreken worden uitgesloten, indien geen sprake is van een herstelbare omissie. Als – om welke reden dan ook – een vraag niet beantwoord kan worden, danwel de gevraagde gegevens niet (compleet) overgelegd kunnen worden, dient dit voorzien van de reden daarvoor bij de Inschrijving uitdrukkelijk te worden vermeld. De Aanbesteder zal afhankelijk van de aard van het gebrek beoordelen of de inschrijving ongeldig is en in dat geval terzijde zal worden gelegd, of dat het gebrek voor herstel vatbaar is.

2.7.

In paragraaf 5 van Vraagspecificatie deel 1 is een opsomming gegeven van de van toepassing zijnde bindende en informatieve documenten. Ten aanzien van de bindende documenten is het volgende bepaald:

- bindende documenten: documenten met verplichtingen waarvan de Opdrachtnemer niet mag afwijken tenzij uit de hiërarchie van bindende documenten het tegendeel blijkt;

De in de Vraagspecificatie deel 1 opgenomen Eis0020 luidt als volgt:

Het systeem dient stedenbouwkundig te zijn ingepast in de omgeving, stijgpunten, eventuele nooduitgangen en in- en uitritten dienen binnen de zoekgebieden te zijn gesitueerd als weergegeven in het document (…) [BD3500].

2.8.

BD3500, dat ziet op de stedenbouwkundige inpassing van de bovengrondse werken van de parkeergarage, bevat onder meer een ‘visie’ en tekeningen van het hoofdpaviljoen (het entreepaviljoen) en de noodopgangen (de noodtrappenhuizen). Onder het kopje ‘visie’ heeft de Gemeente met verwijzing naar een eerder opgestelde structuurvisie – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:

Het ruimtelijk concept gaat uit van een architectonische familie van gebouwtjes/paviljoentjes waarin alle verticale voorzieningen worden opgenomen (trappen, liften, ventilatie). Deze gebouwtjes zijn aan de rand van een open middenruimte gepositioneerd.

(…)

Voor het organisatieprincipe en de positionering van de stijgpunten is gebruik gemaakt van de rooilijnen van het verdwenen bouwblok. Op deze manier kan de historische structuur weer enigszins inzichtelijk gemaakt worden. Tegelijkertijd worden de omliggende straten en het middengebied ruimtelijk gedefinieerd. Door de stijgpunten en overige voorzieningen als gebouwtjes in de hoeken van het verdwenen bouwblok te positioneren:

  • -

    wordt de middenruimte zoveel mogelijk vrijgehouden (…)

  • -

    worden zowel de middenruimte als de omliggende straten ruimtelijk gedefinieerd

  • -

    wordt de verdwenen historische laag gemarkeerd

  • -

    (…)

BD3500 bevat op pagina 7 een tekening van de Garenmarkt met daarop een weergave van rooilijnen, hoekpunten en bebouwingsvlakken, waarop of waarbinnen het entreepaviljoen en de noodtrappenhuizen dienen te worden gesitueerd. Op deze tekening zijn de hierna te vermelden rooilijnen A (aan de zuidzijde), D (aan de oostzijde) en B (aan de westzijde) aangemerkt als ‘vast’; bij rooilijn C (een schuine lijn aan de noordzijde) staat aangegeven “hoekpunt aan rooilijn (schuifbaar”). Hoekpunt AD (aan de zuidoostzijde) staat aangeven als een “vast hoekpunt”. BD3500 bevat voorts deeltekeningen van de bebouwingsvlakken waarbinnen het entreepaviljoen en de noodtrappenhuizen moeten worden gesitueerd, met daarbij opmerkingen.

Op de tekening ‘Vrijheidsgraden hoofdpaviljoen’ (BD3500, p. 8) staan – voor zover hier relevant – de volgende opmerkingen:

  • -

    Bebouwing binnen het aangegeven bebouwingsvlak

  • -

    Aan de oostzijde geldt de aangegeven rooilijn Korevaarstraat (lijn D op de tekening), deze is parallel aan de rooilijn van de secundaire stijgpunten (Garenmarkt, lijn B).

  • -

    Aan de zuidzijde geldt de aangegeven rooilijn Raamsteeg (lijn A).

  • -

    1 hoekpunt is gefixeerd: het snijpunt Korevaarstraat-Raamsteeg (A-D).

  • -

    Het gebouw is vierhoekig, hierbij zijn 2 basisvormen mogelijk:

* Een parallellogram (I) (…)

* Een trapezium (II), met als noordelijke begrenzing de Levendaal rooilijn (lijn C). De westelijke zijde is parallel aan de Korevaarstraat rooilijn (D).

  • -

    De maximale bouwhoogte van de hoofdvorm is 5 meter (…)

  • -

    De maximale oppervlakte is 150 m2.

Op de schematische weergave van de basisvormen van het entreepaviljoen (het parallellogram en het trapezium) staan de bouwvormen ingetekend op de rooilijnen A en D.

Op de tekening ‘Vrijheidsgraden noodopgangen’ (BD3500, p.9) staan – voor zover hier relevant – de volgende opmerkingen:

  • -

    Als uit het ontwerp blijkt dat er buiten het hoofdpaviljoen geen (nood-)opgangen op maaiveld hoeven te worden gerealiseerd dan is het hoofdpaviljoen het enige gebouw op het plein.

  • -

    Als er 2 noodopgangen benodigd zijn (…) worden er 2 gebouwtjes gerealiseerd in de aangegeven bebouwingsvlakken. Specifieke eisen voor deze gebouwtjes:

* 2 vrijwel identieke, of ten opzichte van elkaar gespiegelde gebouwtjes met een rechthoekige hoofdvorm,

* De lengteas van de gebouwtjes volgt de Garenmarkt-rooilijn, de breedteas de Raamsteeg rooilijn.

* De westzijde van beide gebouwtjes is gekoppeld aan de Garenmarkt-rooilijn.

* Het zuidelijke gebouwtje is aan de zuidzijde gekoppeld aam de aangegeven rooilijn Raamsteeg (lijn A).

* Het noordoostelijk hoekpunt van noordelijke gebouwtje is gekoppeld aan de aangegeven Levendaal rooilijn (lijn C).

* Als verhouding geldt: Lengte ≥ breedte

* De maximale bouwhoogte is 3,5 meter.

(…)

Op de tekeningen met de titel ‘Vormgeving hoofdpaviljoen’ en ‘Vormgeving noodopgangen A’ staan het entreepaviljoen en de noodopgangen ingetekend op de rooilijnen.

2.9.

Na de selectiefase hebben van de vijf door de Gemeente geselecteerde inschrijvers alleen Mobilis en de Combinatie een inschrijving ingediend.

2.10.

Na de inschrijving heeft de Gemeente Mobilis op 8 februari 2014 per e-mail verzocht om haar inschrijving op meerdere punten te verduidelijken. Zo heeft de Gemeente aan Mobilis meegedeeld dat zij door middel van maaiveldtekeningen en ontwerpen inclusief aanzichten moet aantonen dat de locatie en vormgeving van het entreepaviljoen en de noodopgangen voldoen aan BD3500. In de begeleidende tekst schrijft de Gemeente het volgende:

De positie van het entreepaviljoen, de nooduitgangen (…) op maaiveldniveau zijn niet uitgewerkt en daardoor niet te beoordelen (de situering en stedenbouwkundige inpassing van het bouwwerk in de omgeving. Mede daarom is niet te beoordelen of de relatie met het maaiveld voldoet (…) aan BD3500.

2.11.

Bij brief, met daarbij de gevraagde tekeningen, van 11 februari 2014 heeft Mobilis aan de Gemeente geantwoord dat de door haar ontworpen bouwwerken voldoen aan de in BD3500 gestelde randvoorwaarden.

2.12.

Naar aanleiding van voormelde brief en bijgevoegde tekeningen heeft de Gemeente bij e-mail van 13 februari 2014 aan Mobilis meegedeeld dat het erop lijkt dat het Aanbiedingsontwerp niet in overeenstemming is met BD3500, aangezien daarbij niet het aangeven vaste hoekpunt en vaste rooilijnen in acht zijn genomen. In deze e-mail stelt de Gemeente Mobilis in de gelegenheid nogmaals te motiveren waarom haar inschrijving voldoet aan de eisen met betrekking tot de bebouwing van de vaste rooilijn en de vaste (schuifbare) hoekpunten.

2.13.

Bij brief van 17 februari 2014 heeft Mobilis aan de Gemeente meegedeeld dat haar inschrijving voldoet aan de eisen van BD3500, aangezien zij haar gebouwen heeft geprojecteerd binnen het door de Gemeente aangegeven bebouwingsvlak. In deze brief schrijft Mobilis dat het een recht is om op de rooilijn te bouwen maar geen plicht.

2.14.

Bij brief van 27 februari 2014 heeft de Gemeente aan Mobilis meegedeeld dat haar inschrijving als ongeldig terzijde moet worden gelegd en dat zij voornemens is de Opdracht te gunnen aan de Combinatie, die als enige een geldige inschrijving heeft gedaan. In deze brief schrijft de Gemeente:

De oorzaak van de ongeldigheid van uw Inschrijving is gelegen in het Aanbiedingsontwerp, in de situering en stedenbouwkundige inpassing van het entreepaviljoen en de noodtrappenhuizen.

Deze voldoet niet aan een aantal van de gestelde eisen in bindend document BD3500 “stedenbouwkundige randvoorwaarden ten aanzien van de positie ten opzichte van de aangegeven vaste rooilijnen en vaste hoekpunten. Daarvoor gelden onder andere de volgende specifieke eisen uit BD3500, die ondersteund en toegelicht worden door de in het document beschreven context en visualisaties:

  • -

    “Aan de oostzijde geldt de aangegeven (vaste, red.) rooilijn Korevaarstraat (lijn D op de tekening), deze is parallel aan de rooilijn van de secundaire stijgpunten (Garenmarkt, lijn B).

  • -

    Aan de zuidzijde geldt de aangegeven (vaste, red.) rooilijn Raamsteeg (lijn A).

  • -

    1 (vast, red.) hoekpunt (van het entreepaviljoen, red.) is gefixeerd: het snijpunt Korevaarstraat-Raamsteeg (A-D).

  • -

    Het zuidelijke gebouwtje (noodtrappenhuis, red.) is aan de zuidzijde gekoppeld aan de aangegeven (vaste, red.) rooilijn Raamsteeg (lijn A).

  • -

    Het noordoostelijk hoekpunt van noordelijke gebouwtje (noodtrappenhuis, red.) is gekoppeld aan de aangegeven Levendaal (vaste hoekpunt aan, red) rooilijn (lijn C).”

Nu uw inschrijving niet voldoet aan de eisen die worden gesteld in BD3500 wordt uw inschrijving als ongeldig terzijde gelegd en voor het overige niet betrokken bij de beoordeling zoals omschreven in paragraaf 6.6 van de Inschrijvingsleidraad.

2.15.

Mobilis heeft bezwaar gemaakt tegen de ongeldigverklaring van haar inschrijving. Naar aanleiding daarvan hebben Mobilis en de Gemeente twee evaluatiegesprekken gevoerd.

3 Het geschil

3.1.

Mobilis vordert – zakelijk weergegeven – (i) de Gemeente te verbieden de opdracht te gunnen anders dan na geldigverklaring van de inschrijving van Mobilis en bepaling van de economisch meest voordelige inschrijving zoals beschreven in de Inschrijvingsleidraad; (ii) de Gemeente te verbieden de opdracht te gunnen aan een derde; een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt Mobilis het volgende. De Gemeente heeft de inschrijving van Mobilis ten onrechte ongeldig verklaard, aangezien, anders dan de Gemeente heeft gesteld, uit de Inschrijvingsleidraad, Vraagspecificatie deel 1 en BD3500 niet kan worden afgeleid dat de paviljoens op straffe van ongeldigheid in de hoeken en op de rooilijnen moeten worden gesitueerd. Mobilis meende en mocht menen dat de paviljoens binnen de gehele bebouwingsvlakken mochten worden geplaatst. Aangezien de inschrijving een voorontwerp op hoofdlijnen betreft, kan, indien de Gemeente dat wenst, in de PreDesignfase nog geschoven worden met de situering van de paviljoens. De inschrijving van Mobilis is dan ook niet ongeldig en deze dient alsnog te worden beoordeeld.

3.3.

De Gemeente en de Combinatie voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3.4.

De Combinatie vordert – zakelijk weergegeven – (i) de vordering van Mobilis af te wijzen; (ii) de Gemeente te gebieden de opdracht aan de Combinatie te gunnen; (iii) Mobilis te veroordelen te gehengen en te gedogen dat de opdracht definitief aan de Combinatie wordt gegund, een en ander met veroordeling van Mobilis in de proceskosten.

3.5.

Verkort weergegeven stelt de Combinatie daartoe dat zij er belang bij heeft dat zij haar positie als winnend inschrijver behoudt en derhalve bij afwijzing van de vorderingen van Mobilis, nu haar winnende positie in gevaar komt als de ongeldige inschrijving van Mobilis alsnog in de beoordeling wordt betrokken.

3.6.

Voor zover nodig zullen de standpunten van Mobilis en de Gemeente met betrekking tot de vorderingen van de Combinatie hierna worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Gemeente de inschrijving van Mobilis op goede gronden ongeldig heeft verklaard.

4.2.

Bij de beoordeling van het geschil staat voorop dat de aan het aanbestedingsrecht ten grondslag liggende beginselen van transparantie en gelijke behandeling vereisen dat de voorwaarden inzake de deelneming aan en de gunning van een opdracht tevoren duidelijk moeten zijn bepaald opdat betrokkenen exact de procedurele verplichtingen kunnen kennen en er zeker van kunnen zijn dat deze verplichtingen voor alle (potentiële) deelnemers gelden, zodat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of de Gemeente de inschrijving van Mobilis terecht heeft uitgesloten wegens het niet in acht nemen van de eisen van de stedenbouwkundige inpassing, komt het aan op (i) de uitleg van de betreffende eisen en (ii) of het niet voldoen aan deze eisen moet leiden tot een, niet voor herstel vatbare, ongeldigheid van de inschrijving.

4.4.

Bij de beoordeling van de vraag of BD3500 voorschrijft dat het entreepaviljoen en de noodtrappenhuizen op de door de Gemeente aangegeven rooilijnen moeten worden gesitueerd, geldt als uitgangspunt dat op grond van het transparantiebeginsel bij de uitleg van de bepalingen van aanbestedingstukken de zogenoemde CAO-norm moet worden toegepast. Dit betekent dat deze bepalingen naar objectieve maatstaven dienen te worden uitgelegd en dat de bewoordingen van die bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de aanbestedingstukken, van doorslaggevende betekenis zijn. Hetgeen buiten de naar aanleiding daarvan opgestelde Nota van Inlichtingen is besproken bij de informatiebijeenkomst van 4 oktober 2013 is daarbij niet relevant, aangezien in het beperkte kader van dit kort geding niet kan worden vastgesteld wat met betrekking tot de situering van bovengrondse bouwwerken aan de inschrijvers is meegedeeld.

4.5.

In de relevante passages en tekeningen van BD3500 – zoals weergegeven in 2.8 – wordt steeds het woord ‘rooilijn’ gebruikt. Zoals Mobilis terecht heeft betoogd, wordt met een ‘rooilijn’ in het gewone taalgebruik slechts de grens van de toegestane bebouwing aangegeven; er bestaat geen verplichting om op (in plaats van binnen) de rooilijn te bouwen. Een rooilijn is immers niet de grens van een gebouw, maar de (planmatige) begrenzing van een gebied, in dit geval de Garenmarkt. Het gebruik van het woord ‘bebouwingsvlak’ impliceert voorts dat de inschrijver de vrijheid heeft om te bepalen waar binnen het vlak hij de bouwwerken situeert. Ook uit de door de Gemeente en de Combinatie aangehaalde in BD3500 opgenomen ‘visie’, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de bouwwerken verplicht in de hoeken van de Garenmarkt dienden te worden gesitueerd. Ook de in BD3500 opgenomen visualisaties van de vormgeving waar de bouwwerken zijn gesitueerd op de rooilijn, houden geen verplichting in. In zoverre acht de voorzieningenrechter de zienswijze van Mobilis verdedigbaar. Echter, gelet op de strekking van BD3500 (de stedenbouwkundige inpassing van de bouwwerken), de tekening op pagina 7 en de opmerkingen op pagina 8 van BD3500 in onderlinge samenhang bezien, kan het niet anders zijn dan dat het entreepaviljoen moet worden gesitueerd op de rooilijnen A en D. Het “gefixeerde hoekpunt AD” laat zich immers moeilijk anders begrijpen dan een gefixeerd (hoek)punt van de bebouwing. Een gefixeerd hoekpunt van een planmatige begrenzing is immers zinledig, terwijl het doel van de tekening(en) nu juist is om de vrijheden van het ontwerp weer te geven. Het vaste hoekpunt AD in combinatie met de eis dat het entreepaviljoen vierhoekig is, laat geen andere mogelijkheid open, dan dat het entreepaviljoen gelegen is op de beide rooilijnen. In dat licht bezien had een inschrijver erop bedacht moeten zijn dat de Gemeente met de term “vaste rooilijn” concrete bebouwingsgrenzen van (in dit geval) het entreepaviljoen bedoelde aan te geven.

4.6.

Aan Mobilis moet worden toegegeven dat de Gemeente er goed aan had gedaan indien zij haar eis dat het entreepaviljoen (en de noodtrappenhuizen) op de rooilijnen dienen te worden gesitueerd duidelijker had geformuleerd. Daar staat tegenover dat de term “vast hoekpunt” Mobilis minst genomen aanleiding had moeten geven om bij de Gemeente na te vragen of haar ontwerp, dat binnen het bebouwingsvlak maar niet op de hoek AD was gesitueerd, was toegestaan.

4.7.

Met betrekking tot de bebouwingsgrenzen van de noodtrappenhuizen overweegt de voorzieningenrechter dat verwacht mag worden dat de inschrijver die de grenzen (het vaste hoekpunt en de vaste rooilijnen) van het entreepaviljoen had onderkend, ook de bedoeling van de Gemeente ten aanzien van de noodtrappenhuizen zou begrijpen. Nu Mobilis het entreepaviljoen niet op de juiste locatie had gesitueerd, behoeven de eisen met betrekking tot de noodtrappenhuizen geen verdere bespreking.

4.8.

BD3500, en daarmee de situering van het entreepaviljoen, zijn de uitwerking van Eis0020, die op haar beurt weer volgt uit de Inschrijvingsleidraad. Het niet voldoen aan deze (besteks)eis en daarmee niet aan de Vraagspecificatie deel 1 en daarmee niet aan de Inschrijvingsleidraad behoort in beginsel te leiden tot de ongeldigheid van de betreffende inschrijving. Ook bij aanbesteding van een PreDesignovereenkomst (een voor-overeenkomst voorafgaand aan de uiteindelijk DB&M-overeenkomst) dient een inschrijving besteksconform te zijn, aangezien anders een objectieve vergelijking van de verschillende inschrijvingen niet mogelijk is. Het na inschrijving loslaten van een bestekseis verdraagt zich niet met het gelijkheids- en het transparantiebeginsel. De omstandigheid dat in de PreDesign-fase nog aanpassingen aan het ontwerp kunnen worden doorgevoerd, laat onverlet dat voordien aan de dwingend voorgeschreven bestekseisen moet zijn voldaan.

4.9.

Voor zover Mobilis – met verwijzing naar het door haar aangehaalde vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (22 april 2014 Oomen/Waterschap (nog niet gepubliceerd) heeft betoogd dat de situering van de bouwwerken een niet-fundamentele eis betreft en dat ongeldigverklaring van haar inschrijving daarom disproportioneel is, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De Gemeente en de Combinatie hebben gemotiveerd gesteld dat het aanpassen van de situering van een bouwwerk, zoals het entreepaviljoen, en daarmee de inpassing ervan in een bestaande stedenbouwkundige en architectonische situatie tot verregaande consequenties kan leiden voor de rest van het ontwerp van de parkeergarage, zoals bijvoorbeeld voor de positie van de deuren en het dwingend voorgeschreven aantal parkeerplaatsen. Hoewel dat wel op haar weg lag, heeft Mobilis daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat haar inschrijving wel op eenvoudige wijze, zonder feitelijk een nieuwe aanbieding te doen, is aan te passen. Reeds daarom kan het betoog van Mobilis dat het haar nu of in de Pre-Designfase moet worden toegestaan haar inschrijving aan te passen, haar niet baten.

4.10.

Slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van Mobilis moeten worden afgewezen.

4.11.

Nu de Gemeente voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan de Combinatie, brengt voormelde beslissing mee dat de Combinatie geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. De Combinatie zal worden veroordeeld in de kosten van de Gemeente, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Gemeente als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing van de vorderingen van de Combinatie, moet Mobilis in haar verhouding tot de Combinatie worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van de Combinatie was immers te voorkomen dat de inschrijving van Mobilis alsnog in de beoordeling zou worden betrokken, welk doel is bereikt. Mobilis zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van de Combinatie. Voorts zal Mobilis, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Gemeente, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad en vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt de Combinatie voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Gemeente in de kosten van de Gemeente, tot dusver begroot op nihil;

- veroordeelt Mobilis in de overige kosten van dit geding, aan de zijde van de Gemeente en van de Combinatie tot dusver telkens begroot op € 1.424,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 608,- aan griffierecht;

- veroordeelt Mobilis tevens in de nakosten aan de zijde van de Gemeente, forfaitair begroot op € 131,- aan salaris advocaat;

- bepaalt dat, indien Mobilis niet binnen veertien dagen na heden aan de proceskostenveroordeling jegens de Gemeente heeft voldaan, zij daarover wettelijke rente is verschuldigd;

- bepaalt dat, indien en voor zover Mobilis niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en het vonnis om die reden door de Gemeente aan Mobilis is betekend, de nakosten worden vermeerderd met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van algehele voldoening, en met de explootkosten van de betekening van dit vonnis;

- verklaart de proceskostenveroordeling jegens de Gemeente uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2014.

wj