Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7009

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
06-06-2014
Zaaknummer
817482-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

dertig maanden celstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor poging doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/817482-14

Datum uitspraak: 6 juni 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats],

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [p.i.].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 26 mei 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Visser en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 9 februari 2014 tot en met 11 februari 2014 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk meerdere malen, althans eenmaal, (met beide handen) met kracht de hals en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of de nek en/of de romp en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 9 februari 2014 tot en met 11 februari 2014 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meerdere malen, althans eenmaal, (met beide handen) met kracht de hals en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of de nek en/of de romp en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waardoor die [slachtoffer] letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in de periode van 9 februari 2014 tot en met 11 februari 2014 te [woonplaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een balletjespistool tegen en/of op het hoofd van die [slachtoffer] gezet en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "je moet ophouden anders vermoord ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij in de periode van 9 februari 2014 tot en met 11 februari 2014 te [woonplaats] een wapen van categorie I onder 7°, te weten een balletjespistool, zijnde (een) voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

3. Rechtmatigheidsverweer inbeslagname balletjespistool 1

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het in de woning van verdachte aangetroffen balletjespistool van het bewijs dient te worden uitgesloten. Daartoe heeft de verdediging zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat dit balletjespistool onrechtmatig is verkregen omdat uit het dossier onvoldoende naar voren komt dat is binnengetreden op grond van een (schriftelijke) machtiging dan wel met toestemming van een bewoner.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een onrechtmatige binnentreding daar er een machtiging tot binnentreden was afgegeven. Indien de rechtbank wel aannemelijk acht dat er sprake is van een vormverzuim dan is niet gebleken dat verdachte daardoor in enig te respecteren belang is geschaad. Voor zover de rechtbank dit wel aannemelijk zou achten dient zulks gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot bewijsuitsluiting te leiden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van onrechtmatige binnentreden en dus evenmin van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Blijkens het proces-verbaal van binnentreden opgemaakt door verbalisant [verbalisant] heeft [slachtoffer], de echtgenote van verdachte en medebewoner van de woning, immers toestemming gegeven tot het betreden van de woning.2 Door de verdediging is niet gesteld noch is op enige andere wijze aannemelijk geworden dat er aanwijzingen zijn om aan de juistheid van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. Daarnaast is er wel degelijk een machtiging tot binnentreden afgegeven. Op pagina 131 bevindt zich immers een op 11 februari 2014 opgestelde schriftelijke bevestiging van de eerder die dag tijdens de politieactie reeds mondeling door de hulpofficier van justitie verleende machtiging. Dit stuk vermeldt dat aan verbalisant [verbalisant] op 11 februari 2014 een machtiging tot binnentreden is verleend ter aanhouding van verdachte alsmede ter inbeslagneming van het balletjespistool. Dit was tevens de verbalisant die het balletjespistool daadwerkelijk in de woning heeft aangetroffen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 11 februari 2014 heeft [slachtoffer], de echtgenote van verdachte, aangifte gedaan van mishandeling door haar man, verdachte. Volgens haar aangifte en een kort daarop volgende aanvullende verklaring zou verdachte aangeefster [slachtoffer] vanaf 9 februari 2014 hebben mishandeld door haar meermalen te slaan (met vlakke hand en/of met de vuist) op haar lichaam en haar hoofd, te trappen op haar lichaam en haar meermalen de keel dicht te knijpen. Tevens zou aangeefster door verdachte zijn bedreigd door middel van een nepvuurwapen en een mondelinge doodsbedreiging. Op 12 en 13 februari 2014 heeft verdachte, nadat hij was aangehouden, verklaard dat hij aangeefster in een waas had geslagen en dat hij waarschijnlijk haar de keel had dichtgeknepen. Hij heeft toen ontkend aangeefster te hebben bedreigd. In een brief d.d. 16 maart 2014 aan de politie en tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris in april 2014 is aangeefster deels teruggekomen op haar verklaring, in de zin dat zij eigenlijk toestemming had gegeven aan verdachte voor zijn handelen daar zij aan sadomasochistische (hierna: SM) sekspelletjes hadden gedaan. Uit schaamte zouden zowel aangeefster als verdachte daar niet eerder over hebben willen verklaren. Ook heeft zij op 11 april 2014 aangifte gedaan van een mishandeling op straat van 24 januari 2014 door twee bekenden van haar. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat het op 11 en 12 februari 2014 bij haar geconstateerde letsel het gevolg is geweest van die mishandeling. Ter terechtzitting van 26 mei 2014 als getuige gehoord heeft zij aanvankelijk gepersisteerd bij haar verklaring tegenover de rechter-commissaris en zich later op haar verschoningsrecht beroepen.

De verdenking bestaat er uit dat verdachte:

- [slachtoffer] heeft gepoogd te doden, althans heeft gepoogd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1 primair);

- [slachtoffer] heeft mishandeld (feit 1 subsidiair);

- [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood, althans met zware mishandeling (feit 2) en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad (feit 3).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 2 en tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair (ter zake poging tot doodslag) en 3.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat aangeefster en verdachte hun verklaringen op 11, 12 en 13 februari onder invloed van drugs hebben afgelegd en toen opzettelijk hebben verzwegen dat de handelingen van verdachte hebben plaatsgevonden binnen het spelelement van SM-seksspelletjes. Verdachte had dan ook toestemming van aangeefster om de handelingen te verrichten. De omstandigheid dat aangeefster aangifte heeft gedaan is volgens de verdediging dan ook enkel het gevolg van drugsgebruik in die periode. Innerlijke tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefster én verklaringen van diverse getuigen over onder meer seksgeluiden na ‘ruzie maken’ ondersteunen die stelling. Van het pogen aangeefster opzettelijk van het leven te beroven, het pogen tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of mishandeling is dan ook geen sprake.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat aangeefster tegenstrijdig heeft verklaard over de vermeende doodsbedreigingen, dat zij wist dat het om een nepwapen ging en dat verdachte deze handelingen ten stelligste ontkent.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging enkel de onder rechtsoverweging 3.1 besproken grond voor bewijsuitsluiting aangevoerd.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank gaat uit van de volgende door haar vastgestelde feiten en omstandigheden. Deze feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

4.4.1

Feit 1

Op 11 februari 2014 heeft [slachtoffer], de echtgenote van verdachte, aangifte gedaan van mishandeling door verdachte. Volgens haar aangifte en een aanvullende verklaring van 12 februari 2014 zou verdachte aangeefster [slachtoffer] vanaf 9 februari 2014, in hun woning gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats], meermalen (tientallen malen) hebben geslagen (met vlakke hand en/of met de vuist) op haar lichaam (armen en benen) en haar hoofd, haar hebben getrapt op haar lichaam en haar meermalen de keel dicht hebben geknepen. Over één van deze keren heeft zij verklaard dat zij geen lucht meer kreeg en licht werd in haar hoofd. Verdachte zou tot het geweld zijn overgegaan omdat hij [slachtoffer] verdacht van vreemdgaan.3 Ze had over haar hele lichaam pijn en had tevens pijnlijke plekken en bulten op haar hoofd. Volgens haar verklaring kon ze door de pijn nauwelijks liggen, slapen of lopen.4 In de ochtend van 11 februari 2014 heeft zij stiekem de woning verlaten en aangebeld bij een haar onbekende vrouw met het verzoek haar te helpen. Van de zichtbare (blauwe) plekken zijn foto’s gemaakt.5

Uit het medisch onderzoek, uitgevoerd op 12 februari 2014 door een GGD-arts, volgt dat bij aangeefster het volgende werd geconstateerd: een kneuzing op de behaarde hoofdhuid, een blauwe plek aan het linker oor, een kneuzing aan de linker kaak, een kneuzing en blauwe plek aan de linker wang, een blauwe (inmiddels) bruine plek aan de rechter wang, een kneuzing aan de onderkaak, meerdere strepen en een kneuzing in de hals, een verzameling dikke-puntvormige blauwe plekken hoog aan de borstkas (nabij hals), een kneuzing aan het bovenste deel van de borstkas, een verzameling blauwe plekken aan de linker borst, kneuzingen aan de rechter borst, rondom kneuzingen aan de linker bovenarm, een kneuzing aan de linker onderarm, meerdere kneuzingen aan de rechter bovenarm, een kneuzing aan de rechter onderarm, een kneuzing aan beide handruggen, streepvormige rode verkleuringen aan de rug, blauwe plekken bij de navel, een grote kneuzing aan het linker bovenbeen, meerdere blauwe plekken aan het linker onderbeen, een streepvormige rode verkleuring onder de rechter bil, een groot gekneusd gebied boven de rechter knie, een kneuzing aan het rechter bovenbeen en een kneuzing aan het rechter scheenbeen.6 Uit de conclusie van de GGD-arts volgt dat de verkleuringen tussen de 72 en 26 uur oud waren, dat de verkleuringen aan de hals passen bij het dichtsnoeren van de hals en dat de kneuzingen kunnen zijn veroorzaakt door stomp- en schopwerk. De herstelduur is door de arts geschat op 2 tot 6 weken.7

Uit het rapport van een forensisch arts van het NFI volgt dat deze aan de hand van de door de politie op 11 februari 2014 genomen foto’s van het geconstateerde letsel heeft geconcludeerd dat de bloeduitstortingen passen bij een ontstaansmoment van maximaal 2 dagen vóór de datum van fotografie.8 Ter zake de gevaarzetting van de geweldsinwerkingen volgt uit het NFI-rapport in het bijzonder dat adembelemmering door het samendrukken van de luchtpijp, van de halsslagader(s) en van de halsaders, naast prikkeling van de halszenuw ‘N. Vagus’ en het omhoogdrukken van de tongbasis tegen het verhemelte en het monddak kan leiden tot een potentieel fataal verloop bij het slachtoffer. Dit fatale verloop wordt dan aldus veroorzaakt door adembelemmering, het niet voorzien van de hersenen van voldoende bloed en (acute) hartstilstand. Verder impliceren de forse bloeduitstortingen aan weerszijden van de hals als ook het frictieletsel ter hoogte van het sleutelbeen dat ook daadwerkelijk sprake is geweest van een krachtige geweldsinwerking in de halsstreek.9

Niet ter discussie staat dat verdachte in de periode van 9 februari tot en met 11 februari 2014 geweldshandelingen op [slachtoffer] heeft toegepast. Verdachte heeft immers ook ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] meermalen heeft geslagen op haar armen, bovenbenen, billen, onderbenen en borst, en dat hij meermalen tijdens zogeheten wurgseks haar keel heeft dichtgeknepen (waarvan één maal met beide handen).10

De rechtbank ziet zich derhalve in het bijzonder voor de vraag gesteld of verdachte deze handelingen heeft gepleegd bij aangeefster [slachtoffer] tijdens de op haar verzoek uitgevoerde SM-sekspelletjes. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Aangeefster heeft op 11 februari 2014 een gedetailleerde verklaring afgelegd over de geweldshandelingen die verdachte had gepleegd. Over de reden van de geweldshandelingen heeft zij enkel verklaard dat verdachte meent dat aangeefster vreemdgaat. Bij een aanvullende verklaring van een dag later is aangeefster bij die verklaring gebleven en heeft zij het eerder naar voren gekomen motief – het vermeende vreemdgaan – herhaald. Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide verklaringen van aangeefster consistent en blijk niet dat zij deze onder invloed van drugs heeft afgelegd. Ook overigens is er geen aanleiding de verklaringen van aangeefster van aangeefster van 11 en 12 februari 2014 ongeloofwaardig te achten.

Voorts heeft verdachte op 12 en 13 februari 2014 tijdens meerdere verhoren bekend dat hij geweldshandelingen had gepleegd jegens [slachtoffer] in de periode vanaf enkele dagen voorafgaand aan die dag. Verdachte heeft toen ook meermaals malen verklaard dat hij [slachtoffer] verdacht van vreemdgaan (o.a. met vier negers tijdens hun huwelijksnacht), waarbij hij naar voren bracht dat hij boos was vanwege dat vreemdgaan en het treiteren. Vervolgens zou hij in een soort waas zijn geraakt en toen de geweldshandelingen hebben gepleegd. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat zijn echtgenote dingen tegen hem had verteld waardoor hij een zwarte vlek had gekregen.

Verder geldt dat de verklaringen van aangeefster en verdachte op 11, 12 en 13 februari 2014 elkaar naar het oordeel van de rechtbank ook op cruciale punten ondersteunen en dat zij - in onderling verband en samenhang bezien - geenszins reden tot twijfel geven aan de betrouwbaarheid van die verklaringen.

Voor zover de verdediging en aangeefster (vanaf 16 maart 2014) naar voren hebben gebracht dat de geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tijdens SM-sekspelletjes en dat zowel aangeefster als verdachte uit schaamte niet eerder over deze SM-sekspelletjes hebben verklaard acht de rechtbank zulks niet aannemelijk geworden. Dat de geweldshandelingen hebben plaatsgevonden met toestemming van aangeefster blijkt niet uit de verklaringen van verdachte van vóór 16 maart 2014. Dat er sprake zou zijn van enige schaamte bij verdachte toen hij op 12 en 13 februari 2014 meerdere verklaringen had afgelegd volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin uit die verklaringen. Verdachte is bij die verklaringen juist heel open geweest over het vermeende seksleven van aangeefster (vreemdgaan met negers tijdens de huwelijksnacht, (gedwongen) meedoen met seksfeestjes op haar werk, het gaan naar de Kamasutrabeurs, het hebben van een sekswebsite en organiseren van seksfeesten met negers). Dat verdachte op enige wijze aangeefster heeft willen ontzien uit schaamte wegens een afwijkend seksleven wordt dan ook op geen enkele wijze ondersteund door die eerdere verklaringen. Dat het tegenover wildvreemde verbalisanten verklaren over (extreem) vreemdgaan van de eigen echtgenote géén schaamte zou opleveren en het verklaren over een seksuele voorkeur als SM binnen een relatie wél, zoals verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.

Ten aanzien van de verklaringen van aangeefster wordt overwogen dat evenmin uit haar verklaringen van vóór 16 maart 2014 blijkt dat er sprake zou zijn van SM-gerelateerd geweld dan wel dat er sprake zou zijn van schaamte hieromtrent. Ook aangeefster is open over het feit dat verdachte haar verdacht van vreemdgaan. Voorts bevat het dossier zeer sterke aanwijzingen dat aangeefster met een verzonnen SM-verhaal is gekomen enkel en alleen om verdachte vrij te krijgen en de relatie te herstellen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een brief aan haar echtgenoot waarin zij letterlijk schrijft: “Ik probeer egt in de rechtzaak alles te zeggen om je zo snel mogelijk buiten te hebben”.11 Ook heeft zij blijkens transscripties van telefoongesprekken tussen haar en verdachte voorafgaand aan het verhoor bij de rechter-commissaris overleg gehad over de verklaring die zij zou gaan afleggen over “rollenspellen”. Bovendien heeft aangeefster – toen zij als getuige op de terechtzitting van 26 mei 2014 werd gehoord – geen antwoord gegeven op toch voor de hand liggende vragen waarom zij aangifte had gedaan terwijl de geweldshandelingen volgens haar huidige lezing met haar toestemming hadden plaatsgevonden, en waarom zij haar woning was ontvlucht en de hulp had ingeroepen van een haar onbekende vrouw. Tenslotte kon zij geen bevredigend antwoord geven op de vraag waarom zij eerst op 11 april 2014 aangifte had gedaan tegen twee haar bekende personen ter zake een mishandeling op 24 januari 2014 (de rechtbank gaat er overigens wel van uit dat aangeefster op 24 januari 2014 ernstig is mishandeld). Al deze omstandigheden maken dat de rechtbank de verklaring van aangeefster ter terechtzitting leugenachtig acht.

Aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij heel bewust op verzoek van zijn echtgenote tijdens de SM-spelletjes had geslagen op de blauwe plekken die zij had opgelopen op 24 januari 2014 (beweerdelijk door twee personen) komt evenmin enig geloof toe, al was het maar omdat op 11 en 12 februari 2014 ook op andere plekken letsel geconstateerd dan direct na de mishandeling op 24 januari 2014.

De rechtbank schuift het SM-verhaal, van zowel verdachte als aangeefster, dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde. Zij zal omtrent het motief van de geweldshandelingen alleen acht slaan op de verklaringen van verdachte en aangeefster die op 11, 12 en 13 februari 2014 zijn afgelegd.

Het dichtknijpen van de keel/hals

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het NFI-rapport dat door het dichtknijpen van de hals/keel van aangeefster door verdachte in elk geval die keer dat aangeefster ten gevolge daarvan geen lucht meer kreeg en licht werd in haar hoofd een aanmerkelijke kans was ontstaan dat [slachtoffer] door verstikking om het leven kon worden gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het met kracht verwurgen van een persoon kan leiden tot het belemmeren van de ademhaling en zodoende tot de dood. Dat verdachte dit gevolg tenminste één maal bewust heeft aanvaard volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de omstandigheid dat volgens de forensisch arts sprake is geweest van een krachtige geweldsinwerking door verdachte in de halsstreek en niet is gebleken dat verdachte zich in een dermate emotionele toestand bevond dat hij zich niet bewust was van het risicovolle van zijn handelen.

Het slaan, stompen en schoppen

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het primair tenlastegelegde slaan, stompen en schoppen in het onderhavige geval niet is gebleken dat zulks tot de dood van [slachtoffer] kon leiden dan wel dat die geweldshandelingen hebben bijgedragen aan de kans op de dood door de verwurgingshandelingen. Verdachte dient dan ook betreffende deze onderdelen van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. De rechtbank merkt hierbij nog wel op dat bij een andere wijze van tenlastelegging (cumulatief/alternatief in plaats van primair/subsidiair) uiteraard ook de mishandelingen door het slaan, stompen en schoppen bewezen zouden zijn verklaard. Deze mishandelingen worden wel mede in aanmerking genomen bij de aan verdachte op te leggen straf.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte heeft gepoogd [slachtoffer] te doden middels het op enige wijze dichtknijpen van de hals en/of keel (primair).

4.4.2

Feit 2

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de bedreiging tenlastegelegd onder feit 2.

4.4.3

Feit 3

Op 11 februari 2014 is er in de woning van verdachte, gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats], een balletjespistool aangetroffen.12 Blijkens het onderzoek leek dat voorwerp op een vuurwapen van het merk Sig-Sauer, type P228, kaliber 9MM Para. Daaruit volgt dat het voorwerp op grond van de Wet wapens en munitie een categorie I sub 7 wapen is, te weten een nabootsing van een echt wapen.13 Verdachte heeft bekend dat hij dit voorwerp in de periode van 9 februari 2014 tot en met 11 februari 2014 voorhanden heeft gehad.14

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1 primair.

hij in de periode van 9 februari 2014 tot en met 11 februari 2014 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven opzettelijk (met beide handen) met kracht de hals en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in de periode van 9 februari 2014 tot en met 11 februari 2014 te [woonplaats] een wapen van categorie I onder 7°, te weten een balletjespistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

5 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij GGZ reclassering Palier en een behandelverplichting bij de Waag of een soortelijke instelling.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat bij bewezenverklaring van één van de feiten ten hoogste een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd gelijk aan de tijd reeds door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebracht, eventueel met een voorwaardelijke straf onder de door Palier gestelde voorwaarden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het pogen zijn echtgenote van het leven te beroven door haar te verwurgen. Het leven is het ultieme beschermd belang van een mens en het in gevaar brengen van het leven van een ieder, maar ook met name dat van een echtgenote, is een zeer ernstig feit dat in beginsel enkel kan worden bestraft met een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank voorts mee dat de verwurging - tussen andere geweldshandelingen door - heeft plaatsgevonden jegens zijn echtgenote in het gezamenlijke huis, hetgeen een plek is waar een persoon zich beschermd dient te voelen en niet overgeleverd dient te zijn aan de grillen van een gewelddadige echtgenoot. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Een dergelijk voorwerp kan voor diverse misdrijven worden gebruikt – als dreigingsmiddel – en het bezit daarvan kan dan ook leiden tot het begaan van zulke misdrijven met dat voorwerp.

Verdachte is - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het documentatieregister d.d. 13 februari 2014 - eerder voor strafbare (gewelds)feiten veroordeeld, doch niet in de afgelopen vijf jaren voor een geweldsfeit.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport reclasseringsadvies van Palier d.d. 7 april 2014, opgesteld door reclasseringswerker C. Snijders. De reclassering acht een meldplicht met een behandelverplichting specifiek toegespitst op huiselijk geweld geïndiceerd. Geadviseerd wordt het opleggen van een deels voorwaardelijke straf, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij GGZ Reclassering Palier (Witte Singel 8 te Leiden) en een behandelverplichting gericht op relatie- en agressieregulatie problematiek bij het centrum voor forensische psychiatrie De Waag of een soortgelijke instelling.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de uitlatingen van verdachte (ter terechtzitting) dat het geweld zich binnen SM-sekspelletjes heeft afgespeeld, dat verdachte geen enkel inzicht toont in het zeer kwalijke karakter van het geweld waar hij zijn echtgenote aan heeft onderworpen. Alhoewel verdachte bij zijn eerste verklaringen wel inzicht toonde in dat kwalijke karakter, lijkt hij zulks nu uit het zicht te zijn verloren. Dit doet de rechtbank vrezen voor herhaling.

Alles overwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als gevorderd door de officier van justitie passend en geboden, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat niet alleen het geadviseerde hulpverleningstraject reden geeft tot het opleggen van een voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf. Ook de omstandigheid dat, zo is gebleken uit hun opstelling, verdachte en aangeefster hun relatie willen voorzetten geeft aanleiding tot een ferme stok achter de deur die verdachte er in de toekomst van dient te weerhouden dat hij geweld jegens zijn echtgenote zal plegen. Een proeftijd van drie jaren dient verdachte eveneens te herinneren aan de voorwaardelijke straf die boven zijn hoofd hangt en dient voorts om verdachte aan te zetten tot het meewerken aan de (bijzondere) voorwaarden. Daar er reden is om te vrezen dat verdachte wederom een misdrijf zal plegen waarbij hij de lichamelijke integriteit van zijn echtgenote in het gevaar zal brengen zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 14e, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen vijf dagen zal melden bij GGZ Reclassering Palier (Witte Singel 8 te Leiden) en zich daarna gedurende de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van bij De Waag of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor relatie- en agressieregulatie problematiek, zo lang die zorginstelling zulks nodig acht;

geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. Elkerbout, voorzitter,

mrs. C.F. Mewe en M.M. Meessen en , rechters

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2014.

Mrs. C.F. Mewe en M.M. Meessen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1620-2014019230, van de regiopolitie Hollands Midden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 163).

2 Proces-verbaal binnentreden woning, p. 68.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 32 t/m 34; Proces-verbaal verhoor aangeefster, p. 52 en 53.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 34.

5 Geschriften, te weten foto’s gemaakt van [slachtoffer] op 11 februari 2014, p. 35 t/m 50.

6 Geschrift, te weten verslag medische onderzoek, p. 84 t/m 87.

7 Geschrift, te weten verslag medische onderzoek, p. 88.

8 Rapport, te weten rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 24 april 2014, p. 6 van dat rapport.

9 Rapport, te weten rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 24 april 2014, p. 7, 8 en 11 van dat rapport.

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2014.

11 Geschrift, te weten brief als bijlage 2 bij de pleitnotitie van de raadkamerzitting van het Gerechtshof d.d. 13 maart 2014.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 70.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 77.

14 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2014.