Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6963

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
448517 HA ZA 13-891
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wettelijke geschillenregeling, vordering tot uittreding ex artikel 2:343 BW. Tevens vordert eiser vernietiging van twee besluiten: besluit tot uitgifte van aandelen en het besluit tot vaststelling van de uitgifteprijs. Vorderingen worden afgewezen.

Dat eiser als aandeelhouder ‘op afstand’ is komen te staan is kennelijk zijn eigen keuze geweest. Voor de toekenning van (eenmalige) vergoedingen aan de bestuurder/medeaandeelhouder en aan de medeaandeelhouder (zonder wiens specifieke medische kennis de BV het concept van de ‘easy stitch’ niet had kunnen ontwikkelen, bestaat voldoende grond. Ondanks het feit dat de middelen om die uitkering te doen op dat moment nog niet beschikbaar waren en de uitkering feitelijk alleen mogelijk zou zijn als de aandeelhouders een kapitaalinjectie zouden doen, zijn de uitkeringen niet onverantwoord.

Ondanks het feit dat de prijs voor de te emitteren aandelen niet op basis van een gedegen waardering tot stand is gekomen (en de waarde die tot uitgangpunt is genomen drastisch afwijkt van de in het kader van de private equity transactie genoemde waarde die is bestempeld als ‘premoney’) leidt dat niet tot de conclusie dat eiser als beknelde minderheidsaandeelhouder heeft te gelden. Eiser had zich eerder bereid getoond bij te dragen in de “historische” kosten en hij kon gebruik maken van zijn voorkeursrecht, waardoor geen verwatering zou zijn opgetreden.

Eiser is bang dat, zonder aandeelhoudersovereenkomst met de door hem gewenste inhoud, in de toekomst geen uitkeringen zullen worden gedaan. De rechtbank wijst hem op de bescherming die eiser alsdan zal kunnen ontlenen aan hof Arnhem 26 mei 1992, NJ 1993/182 Uniwest, en op rb. Leeuwarden 25 augustus 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BN5188, RO 2010/75.

Ten aanzien van de gevorderde vernietiging: zowel de keuze voor kapitaalsuitbreiding als de vaststelling van de emissieprijs doorstaat de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 343
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/194
OR-Updates.nl 2014-0236
RN 2014/78
JONDR 2014/797
JOR 2014/194

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/448517 / HA ZA 13-891

Vonnis van 30 april 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M. Snoek te ‘s-Gravenhage,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MED-IP B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagden,

advocaat mr. P.J. Mijnssen te Hoofddorp.

Partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en de BV genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de exploiten van dagvaarding van 31 juli 2013, met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het proces-verbaal van comparitie van 3 maart 2014 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 23 december 2010 is de BV opgericht. De BV houdt zich, mede blijkens haar haar doelomschrijving, in het bijzonder bezig met het ontwikkelen en vermarkten van medische ideeën, innovaties en producteninnovaties.

[eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn na de oprichting ieder houder van 1/3e deel van de uitgegeven aandelen geworden. Vanaf 29 november 2011 is [gedaagde sub 1] bestuurder van de BV.

Ieder van de aandeelhouders heeft de BV een lening van circa € 10.000,-- verstrekt.

2.2.

De BV heeft een medisch instrument genaamd “easy stitch”, ontwikkeld. Dit eerste product dat de BV op de markt wil brengen behoeft verdere ontwikkeling. De BV is op zoek gegaan naar externe financiering, voor het vinden waarvan [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich hebben ingezet. [gedaagde sub 1] heeft zich geruime tijd (tot op heden) full time kunnen wijden aan de activiteiten voor de BV, met inbegrip van de vervulling van de rol als bestuurder van de BV; [eiser] en [gedaagde sub 2], die elders werkzaam waren als financieel directeur van een telecombedrijf respectievelijk vaatchirug, konden zich alleen in hun vrije tijd inzetten voor de BV.

2.3.

Omtrent de bezoldiging van [eiser] als bestuurder is tijdens een (bijzondere) algemene vergadering van aandeelhouders (hierna wordt een (bijzondere) algemene vergadering van aandeelhouders genoemd: AV) op 27 januari 2012 eenstemmig besloten:

“Zodra voldoende financiering van een of meerdere projecten van de onderneming is gerealiseerd zal een bijzondere aandeelhoudersvergadering worden belegd om de bezoldiging van de functie van Bestuurder/Algemeen Directeur vast te stellen.”

2.4.

Er zijn drie financiers (Thuja c.s.) geïnteresseerd geraakt in de easy stitch. Besprekingen over de vormgeving van de financiering hebben geleid tot het opstellen van een eerste concept “term sheet” gedateerd 10 oktober 2012. In deze term sheet is onder “employee matters” opgenomen dat [gedaagde sub 1] “chief executive officer en sole statutary director” (op full time basis) zou worden, en dat [eiser] en [gedaagde sub 2] als ”advisors” op basis van een “consultancy agreement” werkzaam zouden zijn gedurende acht uur per week. Allen zouden in overeenstemming met hun ureninzet bezoldigd worden. Bij deze term sheet werd voorzien dat aan [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in gelijke mate zogenaamde “compensation shares” verstrekt zouden worden, die een voordeel zouden opleveren indien binnen vijf jaar, zonder aanvullende financiering, tot verkoop zou worden overgegaan van easy stitch voor een waarde van € 25 miljoen of meer.

2.5.

Voorafgaand aan de opstelling van de zojuist genoemde term sheet heeft [A] namens Thuja aan [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in een e-mail van 3 oktober 2012 onder andere het navolgende geschreven:

“Premoney 750.000 Euro – dit is echt een faire waardering gezien de huidige assets van Med-IP en doet recht aan de tot nu toe gepleegde inspanningen”.

2.6.

Op 18 januari 2013 vond een gesprek plaats tussen [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Na dat gesprek zond [eiser] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een e-mail waarin onder meer vermeld is:

“Zoals aangegeven is de conclusie uit het gesprek van donderdagavond voor mij zeer onplezierig. Jullie hebben voor mij bepaald dat ik vanaf nu slechts de rol als aandeelhouder kan spelen bij (de BV).”

2.7.

Op 19 of 20 januari 2013 is het e-mailadres van [eiser] bij de BV afgesloten.

2.8.

Eind januari 2013 werd een herziene term sheet in circulatie gebracht. In deze term sheet werd uitgegaan van de oprichting van een nieuwe besloten vennootschap (later genoemd: Mellon Medical BV, verder: Mellon) waarin de BV het easy stitch-concept zou inbrengen en waarin de BV én Thuja c.s. aandeelhouders zouden worden.

Aan [eiser] zouden (in tegenstelling tot [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]) in dit gewijzigde concept geen compensation shares toekomen, terwijl [eiser] in deze op te richten vennootschap (in tegenstelling tot [gedaagde sub 2]) geen rol als advisor zou gaan vervullen.

2.9.

Tijdens de AV gehouden op 28 februari 2013 zijn diverse besluiten, die ertoe strekten te komen tot overeenstemming met de financiers, genomen. Onder meer is door de drie aandeelhouders unaniem besloten [gedaagde sub 1] mandaat te geven om “de deal (te) closen naar zijn verdere inzichten”. Tevens is besloten aan [gedaagde sub 1] als bestuurder een beloning van “€ 15.000,- (…) per jaar voor het jaar 2013” exclusief sociale lasten toe te kennen; dit besluit is genomen met een 2/3e meerderheid omdat [eiser] daartegen heeft gestemd.

2.10.

Mellon is opgericht op 11 april 2013. [gedaagde sub 1] is enig bestuurder van Mellon.

2.11.

Op 21 april 2013 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiser] en aan [gedaagde sub 2] verzocht om een kapitaalstorting van € 30.000,- per persoon teneinde de BV in staat te stellen rekeningen te voldoen en de aandeelhoudersleningen te kunnen terugbetalen.

2.12.

Op 23 mei 2013 vond een AV plaats; alle aandeelhouders waren daarbij aanwezig. Tijdens die vergadering zijn onder meer de navolgende agendapunten behandeld:

- voorstel budget 2013;

- voorstel dat Med-IP de leningen die zij van haar individuele aandeelhouders en derden heeft ontvangen mag terugbetalen;

- voorstel kapitaalstorting ter hoogte van € 30.000,- per aandeelhouder.

Deze drie voorstellen zijn door de AV aangenomen: in alle gevallen stemden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vóór en [eiser] tegen.

In de notulen van de AV is het navolgende opgenomen bij de bespreking van het voorstel budget 2013:

“De heer [eiser] stelt tegen het voorstel en licht zijn stem toe: De heer [eiser] geeft aan dat hij den vergoeding van de Bestuurder te hoog vindt, daarentegen zou er wel een vergoeding voor de heer [gedaagde sub 2] in het budget moeten worden opgenomen.”

En bij het voorstel tot kapitaalstorting:

“De bestuurder licht toe, dat om de lopende verplichtingen en de bedrijfsvoering te kunnen bekostigen, een bedrag nodig is van ongeveer EUR 90.000,- (dit is exclusief een vergoeding voor de heer [gedaagde sub 2]).

Er volgt een korte discussie over hoe een kapitaalstorting in de boekhouding zou worden verwerkt.

De discussie wordt afgerond en de Voorzitter gaat over tot stemming ter goedkeuring van de kapitaalstorting van EUR 30.000 per aandeelhouder.

De heer [gedaagde sub 2] stemt voor het voorstel.

De heer [gedaagde sub 1] stemt voor het voorstel.

De heer [eiser] stemt tegen het voorstel en licht zijn afwijzing tot kapitaalstorting toe: De heer [eiser] vindt de vergoeding van de Bestuurder te hoog en hij vindt dat de leningen aan de aandeelhouders niet terugbetaald moeten worden.

De heer [eiser] geeft aan wel te willen meebetalen aan alle historische kosten die tot aan deal closing zijn aangegaan.

Besluit: De Voorzitter stelt vast dat er geen algehele meerderheid is voor een kapitaalstorting van € 30.000,- per aandeelhouder en dat daarmee dit voorstel is verworpen.”

2.13.

In een e-mail van 2 juni 2013 aan [eiser] en aan [gedaagde sub 2] schreef [gedaagde sub 1] onder andere het navolgende:

“Med-IP heeft zoals jullie weten momenteel geldgebrek: Med-IP kan haar lopende rekeningen niet betalen, en het is in de huidige toestand niet mogelijk om de bestaande bedrijfsactiviteiten verder te ontplooien.

Het is ons helaas tijdens de afgelopen AVA van donderdag 23 mei niet gelukt de benodigde hoeveelheid geld, middels een kapitaalstorting van alle aandeelhouders, te bemachtigen.

Ik zie als Bestuurder van Med-IP geen andere mogelijkheid, dan dat Med-IP aandelen gaat uitgeven en zal hier de komende AVA aan wijden.

Vooraf aan deze BAVA is het goed om een idee te krijgen over wat het aandeel Med-IP waard is. Ik heb hieronder een berekening gemaakt.

(…)

Momenteel is de waarde van het aandeel Med-IP dus 126.053 euro gedeeld door 18.000 aandelen, ofwel 7 euro per aandeel. Dat is de waarde van het aandeel Med-IP voordat nieuwe aandelen worden uitgegeven.

Aangezien ([eiser]) in de vorige AVA heeft aangegeven bereid te zijn mee te betalen aan de historische kosten die zijn aangegaan tot aan deal closing, wil ik hem daartoe de kans geven. Med-IP zal derhalve in eerste instantie 18.000 uitgeven. Tijdens de BAVA zal worden bepaald wat deze verwatering met de prijs van het aandeel Med-IP doet en zal de definitieve prijs per aandeel worden vastgesteld. Omdat Med-IP een kapitaalbehoefte heeft die tijdens de BAVA moet worden ingevuld, zijn er voor iedere aandeelhouder twee mogelijkheden van participatie: (1) afzien van deelname aan de uitgifte, of (2’ meedoen voor minimaal 1/3 van de totale uitgifte.”

2.14.

De oproep tot het bijwonen van een AV op 27 juni 2013 bevat onder meer het navolgende:

“Voorstel tot uitgifte van aandelen

OM de continuïteit te waarborgen is een bedrag van EUR 63.000,- nodig. Het voorstel is om over te gaan tot uitgifte van 18.000 gewone aandelen Med-IP, tegen een uitgifteprijs van EUR 3,5 per aandeel(…) “.

Aan de oproep is een bijlage gehecht met het opschrift “Nog te betalen historische kosten”. In die bijlage zijn onder meer de navolgende posten opgenomen:

“Vergoeding ([eiser]) 15,000

Vergoeding ([gedaagde sub 2]) 15,000”

2.15.

In de AV van 27 juni 2013 zijn de voorstellen tot uitgifte van aandelen en tot het vaststellen van de bij de uitgifte te betalen prijs per aandeel op € 3,50 aangenomen, waarbij alleen [eiser] heeft tegengestemd.

Omdat [eiser] niet bereid was aandelen te nemen is ter AV vastgesteld dat alleen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aandelen zullen nemen. Laatstgenoemden wensten niet de 6.000 aan [eiser] aangeboden aandelen te nemen, zodat volstaan zou worden met uitgifte van 12.000 aandelen.

Nadien heeft de plaatsing van de geëmitteerde aandelen bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (ieder 6.000 aandelen) plaatsgevonden, tegen betaling van € 3,50 per aandeel.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, de vernietiging van de door de AV op 27 juni 2013 genomen besluiten tot uitgifte van aandelen en tot het vaststellen van de uitgifteprijs op € 3,50 per aandeel. Verder vordert hij dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld zijn (6.000) aandelen in de BV over te nemen tegen een door een deskundige te bepalen prijs. Bovendien vordert [eiser] dat aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt verboden het stemrecht uit te oefenen op de door hen gehouden aandelen in de BV totdat de overdracht van de aandelen van [eiser] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is voltooid. Hij vordert dat twee besluiten van de AV, namelijk dat tot uitgifte van aandelen en het besluit tot vaststelling van de uitgifteprijs van die aandelen, worden vernietigd op de voet van artikel 2:15 BW. Tot slot vordert hij een proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en de BV.

3.2.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hem moeten uitkopen en baseert zijn vordering op het bepaalde in artikel 2:343 BW. Daartoe stelt hij dat zijn rol is gereduceerd tot “indirect aandeelhouder” in Mellon, de werkelijke onderneming. Hij wordt geschaad in zijn belangen door het gelijkgestemd stemgedrag van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de AV; hij kan geen directe of indirecte zeggenschap uitoefenen op aandeelhouders noch op directieniveau, niet in de BV en niet in Mellon. Hij wordt niet op hetzelfde niveau geïnformeerd als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Hij heeft geen invloed op de kosten en beloningen binnen de BV en heeft geen invloed op het doen van uitkeringen aan de aandeelhouders van de BV. In wezen, zo stelt hij, moet hij kosten inclusief beloningen meefinancieren. De waarde per aandeel van de BV is laag voorgesteld, dit alleen ten faveure van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] die een lage uitgifteprijs hebben betaald in juni 2013. Verder wijst [eiser] er op dat zijn belang in de BV een substantieel deel van zijn vermogen betreft. Bovendien zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] weigerachtig een aandeelhoudersovereenkomst aan te gaan die hem meer zekerheid zou kunnen bieden omtrent zijn positie. Hij heeft slechts zicht op verwatering van zijn aandelenbelang.

3.3.

[gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en de BV voeren verweer. Op dat verweer van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en de BV zal hierna, bij de beoordeling, voor zover nodig worden ingegaan.

4 De beoordeling

De grondslag van de uittredingsvordering ex artikel 2:343 lid 1 BW

4.1. De rechtbank zal allereerst beoordelen of [eiser] als aandeelhouder zodanig in zijn rechten is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd zodat hem de in artikel 2:343 lid 1 BW bedoelde uittredingsvordering toekomt. Bij bevestigende beantwoording komt aan de orde of er grond bestaat voor een verbod tot het uitoefenen van het stemrecht door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] totdat de overdracht van de aandelen van [eiser] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is voltooid, zoals [eiser] heeft gevorderd. Tot slot zal de rechtbank beoordelen of er basis is voor toewijzing van de vordering tot vernietiging van de twee gewraakte besluiten van de AV.

4.2.

In paragraaf 45 van de dagvaarding heeft [eiser] het “geheel van omstandigheden” waarop zijn vordering tot uittreding gebaseerd is, samengevat weergegeven. Die omstandigheden zal de rechtbank hierna, soms afzonderlijk, soms in samenhang met andere onderdelen in de opsomming, behandelen.

[eiser] “op afstand”?

4.3. [eiser] heeft het gelijk aan zijn zijde waar hij naar voren brengt dat hij als aandeelhouder in de BV op (meer) afstand is komen te staan van de “werkelijke onderneming”, waarmee hij doelt op de onderneming waarin de easy stitch nu verder ontwikkeld wordt: Mellon. Die grotere afstand is echter het gevolg van het feit dat voor de verdere ontwikkeling van de easy stitch financiering nodig was en de BV samen met de financiers, Thuja c.s., heeft besloten (uitsluitend) de easy stitch verder te ontwikkelen in de nieuwe vennootschap, Mellon. Nu [eiser] geen rol heeft in die BV (niet als bestuurder, niet als ‘advisor’ of anderszins), is hij op afstand komen te staan van de concrete ontwikkelingen rond de easy stitch. In Mellon heeft [eiser] vanzelfsprekend geen rechtstreekse invloed, nu de rechten van de BV als aandeelhouder worden uitgeoefend door het bestuur van de BV, dat betekent: door [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 2], die zijn baan als vaatchirurg heeft opgezegd en full time is gaan werken voor Mellon, is daarom ook nauw(er) betrokken bij easy stitch.

4.4.

De rechtbank kan [eiser] niet volgen als hij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mocht willen verwijten dat deze afstand door hun toedoen is ontstaan. Niet gezegd kan worden dat het inbrengen van het concept easy stitch in Mellon een [eiser] benadelende stap is geweest. Dat kan al niet met vrucht betoogd worden omdat Thuja c.s. uitsluitend voor de verdere ontwikkeling van de easy stitch als financier is aangetrokken, terwijl het plan van [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] – zo heeft de rechtbank begrepen – steeds is geweest na de ontwikkeling van de easy stitch nieuwe projecten te starten. Verder wilden de financiers los staan van eventuele risico’s in de BV, zodat het onderbrengen van het easy-stitch concept in een aparte, “schone” entiteit voor de hand lag. In dat verband is nog van belang dat tijdens de AV van 28 februari 2013 de oprichting van Mellon als “nieuwe joint venture BV”, de inbreng van “alle activiteiten omtrent de easy stitch” in Mellon en de uitgifte van aandelen in Mellon aan de financiers, expliciet aan de orde is geweest, welke besluiten stuk voor stuk met algemene stemmen, dus met instemming van [eiser], zijn genomen, terwijl toen al enige tijd bekend was dat [eiser] in Mellon geen operationele rol zou gaan vervullen en derhalve, in zijn woorden, “op afstand” zou komen te staan.

4.5.

[eiser] wijst er op dat hij eigenlijk al “feitelijk (…) buiten de deur is gemanoeuvreerd” tijdens een gesprek met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat op 18 januari 2013 plaatsvond. Toen, zo stelt [eiser], is medegedeeld dat voor hem geen plaats was als adviseur maar slechts nog een rol als aandeelhouder in de BV was weggelegd. De rechtbank begrijpt het aldus, dat [eiser] toen hij in de AV van 23 februari 2013 vóór de oprichting van Mellon en de inbreng in die vennootschap van het easy stitch-concept stemde eigenlijk al voor een voldongen feit was geplaatst en tegenstemmen zonder goede zin was.

Daar staat tegenover de visie van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] die aanvoeren dat juist zij teleurgesteld waren omdat [eiser] had medegedeeld geen deel uit te willen maken van het operationeel management, iets wat – naar [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] naar voren brengen – juist wel altijd de bedoelding was geweest van de drie aandeelhouders, als easy stitch zou aanslaan.

Uit het woordelijke verslag (productie 19 bij conclusie van antwoord) van het telefoongesprek dat [eiser] op 29 januari 2013 met [gedaagde sub 2] heeft gevoerd maakt de rechtbank op dat [eiser] ofwel zelf het initiatief had genomen om niet langer operationeel betrokken te zijn bij de verdere ontwikkeling van de easy stitch, en louter als aandeelhouder betrokken wilde blijven, ofwel zich toen met een rol “op afstand” nadrukkelijk had verzoend. Uit de uitlatingen die [eiser] bij die gelegenheid heeft gedaan valt niet in het minst af te leiden dat [eiser] enig bezwaar had tegen een positie “op afstand” van de verdere ontwikkeling van de easy stitch. De uitlatingen tijdens het telefoongesprek sluiten veeleer aan bij de beschrijving van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] over de opstelling van [eiser] toen de aandeelhouders voor de keuze stonden een deel van de gebruikelijke werktijd te gaan besteden aan easy-stitch, waartoe [eiser] - zo hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gesteld – niet bereid was. In hetgeen overigens over en weer is gesteld en aan producties is overgelegd vindt de rechtbank geen steun voor de stelling van [eiser] dat hij tegen zijn zin in een rol op afstand is gedrongen.



Afgestemd stemgedrag

4.6.

[eiser] acht voelt zich, zo begrijpt de rechtbank, beknelde minderheidsaandeelhouder, omdat hij machteloos staat tegenover “afgestemd stemgedrag” van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], die de besluitvorming in de BV “in de hand hebben” en (daardoor) tevens bepalen op welke wijze gebruik gemaakt zal worden van het stemrecht op de aandelen die de BV in Mellon houdt.

De rechtbank zou [eiser] kunnen volgen als zijn standpunt is dat het zou gaan om stemgedrag van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat in zoverre is afgestemd dat zij de bedoeling hebben [eiser] in een nadeliger positie te brengen. In dat verband heeft [eiser] in het bijzonder gewezen op (1) het besluit van de AV om aan zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] een vergoeding toe te kennen en (2) het besluit tot uitgifte van aandelen tegen een prijs van € 3,50 per aandeel, een prijs die naar de mening van [eiser] veel te laag was. Verder wijst [eiser] er (3) op dat hij, als minderheidsaandeelhouder, zal moeten afwachten of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bereid zijn, als de BV inkomsten gaat genereren wanneer Mellon de easy stitch zal kunnen vermarkten, deze inkomsten door uitkeringen aan de aandeelhouders ter beschikking te stellen. De rechtbank zal deze drie aspecten bespreken.

(1) toekenning vergoeding aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

4.7.

In de AV van 28 februari 2013 is besloten aan [gedaagde sub 1] een vergoeding toe te kennen van € 15.000,- (exclusief sociale lasten) “per jaar voor het jaar 2013”. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stemden voor, [eiser] stemde tegen dit voorstel. In een later stadium is een vergoeding van € 15.000,- voor [gedaagde sub 2] besproken, die – naar ter comparitie is gebleken – is “gereserveerd” maar nog niet is uitgekeerd.

[eiser], als minderheidsaandeelhouder, is kennelijk bezorgd dat besluiten worden genomen die het vermogen van de BV aantasten louter ten gunste van zijn mede-aandeelhouders. In dit geval was er echter, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende grond voor toekenning van een vergoeding aan zowel [gedaagde sub 1] als aan [gedaagde sub 2].

Ten aanzien van de vergoeding voor [gedaagde sub 1] is relevant dat [gedaagde sub 1] zich, als bestuurder, geruime tijd volledig heeft ingezet voor de BV zonder dat hem daarvoor een vergoeding werd voldaan door de BV. Dat [gedaagde sub 1] full time beschikbaar was voor die werkzaamheden omdat hij, in tegenstelling tot [eiser] en [gedaagde sub 2], geen (andere) baan had in de periode vanaf november 2011, brengt niet met zich dat het niet op de weg van de BV zou liggen aan [gedaagde sub 1] alsnog een vergoeding toe te kennen zodra de gewenste financier – voor het vinden waarvan [gedaagde sub 1] zich dus geruime tijd als onbezoldigd bestuurder full time had ingezet – gevonden was. In dat verband verwijst de rechtbank nog naar de notulen van de AV van de BV gehouden op 27 januari 2012 (deels geciteerd in 2.3). In die AV is immers nadrukkelijk rekening gehouden met de toekenning van een bezoldiging aan [gedaagde sub 1] zodra “voldoende financiering van een of meer projecten” gerealiseerd zou zijn.

Een eenmalige vergoeding van € 15.000,-, exclusief sociale lasten, komt de rechtbank zeker niet onverantwoord hoog voor, ondanks het feit dat de middelen om die uitkering te doen op dat moment nog niet beschikbaar waren en de uitkering feitelijk alleen mogelijk zou zijn als de aandeelhouders een kapitaalinjectie zouden doen.

[eiser] heeft gesuggereerd dat de vergoeding van € 15.000,- kennelijk jaarlijks zal worden uitgekeerd aan [gedaagde sub 1], maar dat is door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] weersproken en vindt ook geen bevestiging in de bewoordingen van het besluit dat de AV op 28 februari 2013 genomen heeft. Bovendien is [eiser] nu als bezoldigd bestuurder werkzaam in Mellon, zodat hij voor zijn inspanningen voor de easy stitch van die vennootschap een maandelijkse vergoeding ontvangt.

4.8.

Ten aanzien van het besluit tot toekenning door de BV van een vergoeding van € 15.000,- aan [gedaagde sub 2], stelt de rechtbank vast dat het juist [eiser] is geweest die, tijdens de AV van 28 februari 2013, heeft bepleit dat aan [gedaagde sub 2] een vergoeding zou worden toegekend. Dat voorstel heeft [eiser] gedaan, naar de rechtbank begrijpt, omdat het [gedaagde sub 2] is geweest die het concept van de easy stitch heeft ontwikkeld en zonder wiens specifieke medische kennis de BV een dergelijk concept niet had kunnen ontwikkelen. Ook deze vergoeding komt de rechtbank niet buitensporig voor, al gold ook hier dat voor uitbetaling van deze vergoeding nog niet voldoende middelen beschikbaar waren. Ook ten aanzien van deze vergoeding geldt dat zij klaarblijkelijk eenmalig is toegekend. [gedaagde sub 2], die (als hiervoor al opgemerkt) niet langer werkzaam is al vaatchirurg maar zijn volledige werkkracht in dienst stelt van Mellon, zal nu evenzeer door Mellon betaald worden voor zijn inspanningen voor de verdere ontwikkeling van de easy stitch.

4.9.

De rechtbank sluit de ogen er niet voor dat in de toekomst nogmaals, tegen de wil van [eiser], besluiten tot toekenning van vergoedingen aan [gedaagde sub 1] of aan [gedaagde sub 2] genomen zouden kunnen worden. Op basis van de nu bekende feiten of omstandigheden ziet acht de rechtbank op dit moment geen aanwijzingen aanwezig dat [eiser] aldus zal worden ‘uitgerookt’. Voor dergelijke besluiten geldt overigens te allen tijde dat deze genomen zullen moeten worden met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, artikel 2:8 BW. Dat zorgvuldigheid betracht zal moeten worden tegenover [eiser] als minderheidsaandeelhouder volgt in het bijzonder uit HR 1 maart 2002, NJ 2002/296, JOR 2002/79 (Zwagerman Beheer).

(2) uitgifte van aandelen tegen te lage prijs

4.10.

Om aan haar verplichtingen jegens haar crediteuren, waartoe inmiddels ook te rekenen waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in verband met de hen toegekende vergoeding, te kunnen voldoen, was de BV genoodzaakt middelen te vergaren. [gedaagde sub 1] heeft met het oog daarop voorgesteld aandelen uit te geven, waarbij aan ieder der aandeelhouders het voorkeursrecht kon worden uitgeoefend. Het besluit aandelen te emitteren tegen een prijs van € 3,50 per aandeel is genomen in de AV van 27 juni 2013. Zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] hebben 6.000 aandelen genomen. [eiser] heeft van het nemen afgezien, als gevolg waarvan de voor hem bestemde 6.000 aandelen niet zijn uitgegeven.

[eiser] heeft grote moeite met de wijze waarop de prijs voor deze aandelen is bepaald, naar de rechtbank begrijpt vooral omdat hij geen gebruik wilde maken van de mogelijkheid aandelen te nemen, zodat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor een lage prijs hun participatie in de Bv hebben kunnen uitbreiden. De prijs van € 3,50 per aandeel acht [eiser] veel te laag.

4.11.

De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] [eiser] van meet af aan in de gelegenheid hebben gesteld gebruik te maken van zijn voorkeursrecht bij de emissie. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verondersteld dat [eiser] ook 1/3e deel van de te emitteren aandelen zou nemen, juist omdat hij te kennen had gegeven dat hij bereid was een bijdrage te leveren aan de “historische kosten”. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] er in redelijkheid vanuit mogen gaan dat de bereidheid van [eiser] bij te dragen in de kosten ook betrekking had op de toekenning van een vergoeding van € 15.000,- (exclusief sociale lasten) aan [gedaagde sub 1], die van eind november 2011 tot de start van Mellon zijn volledige werktijd onbezoldigd ten dienste van de BV had gesteld, en aan [gedaagde sub 2], zonder wie het concept- van de easy stitch nooit tot ontwikkeling zou zijn gekomen. Juist omdat de BV op dat moment (en ook nu nog) geen inkomsten genereerde maar de kans daarop – door de financiering die inmiddels gerealiseerd was – wel reëel is geworden, was de toekenning van een vergoeding op dat moment een redelijk besluit.

4.12.

Nu [eiser] er vanaf heeft gezien aandelen te nemen, heeft hij bezwaar tegen de wijze waarop de prijs voor de geëmitteerde aandelen is bepaald. [eiser] is van mening dat het bedrag van € 750.000,-, het bedrag dat Thuja c.s. een redelijke waardering van de BV vond voorafgaand aan de toetreding van Thuja c.s., als uitgangspunt zou moeten gelden voor de waardering van de aandelen ten tijde van de emissie. Dan zou de prijs per aandeel € 41,67 zijn geweest. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betogen dat het bedrag van € 750.000,- (“premoney”) slechts een waarde is geweest die tot uitgangspunt heeft gediend voor de aandelenverhouding na de toetreding van de financiers. Met een reële waardebepaling van de BV heeft dit gehanteerde bedrag niets van doen, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

4.13.

De waarde per aandeel bij de emissie heeft [gedaagde sub 1] berekend. In zijn e-mail van 2 juni 2013 heeft hij uiteengezet dat hij, uitgaande van een financieringstoezegging voor een bedrag van € 2,5 miljoen, de waarde van het 21% aandeel van de BV in Mellon stelde op € 525.000,-. Omdat de financiers preferente aandelen houden paste [gedaagde sub 1] op deze waarde een korting toe van 30%, en vervolgens nog een korting van 30% vanwege het minderheidsbelang dat de BV in Mellon heeft, en nog eens 30% omdat de BV geen track record heeft en er geen objectieve manier is om de waarde van de BV te bepalen. De waarde die dan overbleef (€ 180.075) heeft [gedaagde sub 1] weer 30% gekort omdat het op de markt brengen van medische instrumenten kostbaar en risicovol is. De waarde van de BV waar [gedaagde sub 1] op uitkwam was € 126.053. Na aftrek van de schuldenlast van € 63.000,- was de slotsom van [gedaagde sub 1] dat de waarbij bij de emissie € 3,50 per aandeel was.

4.14.

[eiser] moet worden toegegeven dat de wijze waarop [gedaagde sub 1] tot de waarde van € 3,50 per te emitteren aandeel is gekomen niet de indruk wekt een gedegen waardering te zijn. Waarop een deugdelijke waardering wel uit zou komen was, zo bepleiten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], hoogst ongewis, omdat er ook op dit moment geen enkele zekerheid bestaat dat de easy stitch na verdere ontwikkeling op de markt komt en – als dat gebeurt – zal aanslaan. Onder verwijzing naar een e-mail van accountant [accountant] AA van BDO d.d. 11 februari 2014 betogen zij dat de waarde van de BV per 31 december 2013 zelfs nihil bedraagt.

4.15.

Naar het oordeel van de rechtbank was het echter, onder de gegeven omstandigheden, aanvaardbaar om de waardering op de wijze waarop [gedaagde sub 1] dat heeft gedaan, namelijk uit de losse pols, te laten plaatsvinden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mochten er vanuit gaan dat [eiser] mee zou doen met de emissie, zodat de bestaande aandelenverhouding in stand zou blijven. Niets wijst er op dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door de emissie in samenhang met de prijsbepaling op goedkope wijze tot verwatering van het belang van [eiser] hebben willen komen.

(3) Ongewisheid over toekomstige uitkeringen

4.16.

De rechtbank begrijpt dat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid 6.000 aandelen te nemen omdat hij het wenselijk vond dat er een “principe akkoord” zou worden gesloten over de verdere samenwerking tussen de aandeelhouders, in de vorm van een aandeelhoudersovereenkomst. [eiser] wenste afspraken te maken over uitkeringen aan aandeelhouders zodra door de BV inkomsten zouden worden ontvangen uit Mellon.

De rechtbank realiseert zich dat het in samenwerkingen als de onderhavige niet ongebruikelijk is over een aantal mogelijke situaties afspraken te maken in de vorm van een aandeelhoudersovereenkomst. De rechtbank kan [eiser] echter niet volgen als hij het gebrek aan bereidheid een aandeelhoudersovereenkomst met hem aan te gaan gebruikt als argument om niet deel te nemen aan de aandelenemissie, of stelt dat hij daardoor als minderheidsaandeelhouder in een kwetsbare positie komt. [eiser] ziet er immers aan voorbij dat hij, ook zonder aandeelhoudersovereenkomst, (bijvoorbeeld) bij besluitvorming over toekomstige uitkeringen bij de verdediging van zijn belangen niet met lege landen staat. Ook hier geldt dat hem de normen van redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW toch ten minste bescherming bieden tegen misbruik van meerderheidsmacht (te wijzen valt op: hof Arnhem 26 mei 1992, NJ 1993/182 Uniwest, en op rb. Leeuwarden 25 augustus 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BN5188, RO 2010/75). Aan het verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en al hetgeen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf ter comparitie is verklaard, heeft de rechtbank niet de indruk overgehouden dat reeds op voorhand rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] misbruik van meerderheidsmacht zullen maken.

Overige gronden

4.17.

[eiser] stelt dat zijn input als aandeelhouder ter gelegenheid van aandeelhoudersvergaderingen wordt genegeerd en buiten de notulen blijft.

Het is voor de rechtbank moeilijk te beoordelen op basis van wat over en weer naar voren is gebracht, in hoeverre de notulen een juiste weergave bevatten van al hetgeen ter AV naar voren is gebracht. Los van de vraag welke eisen aan notulen op dit punt gesteld kunnen worden (tegen de achtergrond van de uitsluitend in de wet opgenomen verplichting voor het bestuur ‘aantekening’ te houden van genomen besluiten, artikel 2:230 lid 4 BW), geldt dat de rechtbank duidelijk is geworden dat de visie van [eiser] op diverse aspecten onderwerp van discussie is geweest. In de correspondentie per e-mail hebben partijen hun visie op diverse onderwerpen over en weer verwoord. Uit die e-mailwisselingen maakt de rechtbank niet op dat [eiser], zoals hij lijkt te stellen, door zijn medeaandeelhouders niet serieus wordt genomen en naar hem niet geluisterd wordt. Of en in hoeverre de verklaringen van [eiser] ter AV dan in voldoende mate zijn opgenomen in de notulen weegt voor de rechtbank minder zwaar en geeft – mocht [eiser] op dat punt met recht betogen dat de notulen niet steeds een reële weergave bevatten van het verhandelde – geen grond voor de conclusie dat [eiser] door zijn medeaandeelhouders wordt gemarginaliseerd. De rechtbank heeft geenszins de indruk gekregen dat [eiser] uitsluitend mag aanschuiven tijdens algemene vergaderingen en (verder) niet serieus wordt genomen.

4.18.

[eiser] stelt dat hij onvoldoende wordt geïnformeerd. Hij zal daarmee met name bedoelen dat hij minder goed geïnformeerd wordt door bestuurder [gedaagde sub 1] dan zijn mede-aandeelhouder [gedaagde sub 2] en naar de rechtbank begrijpt doelt [eiser] daarbij in het bijzonder op informatie buiten de AV, waar hij immers expliciet in de dagvaarding schrijft dat hij “slechts ter gelegenheid van de aandeelhoudersvergaderingen werd … bijgepraat over de stand van zaken”.

Als de rechtbank in dit kader voorbij gaat aan de vraag of een individuele aandeelhouder als [eiser] op grond van de wet wel aanspraak kan maken op de verstrekking van informatie buiten de AV om (zie in dat verband het bepaalde in artikel 2:217 lid 2 BW), komt zij tot het oordeel dat [eiser] zich niet met recht kan beklagen over de omvang van de informatie die hem in de loop der tijd, met name ten tijde van het rondkomen van de financiering door Thuja c.s., is verstrekt. De overgelegde correspondentie en de notulen van de AV’s getuigen daarvan. Wel is enige reserve betracht, zo voeren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan, met vertrouwelijke informatie rondom de financieringstransactie, omdat [eiser] naliet een geheimhoudingsverklaring en een non concurrentiebeding te tekenen. Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde sub 1] (en [gedaagde sub 2]) niet verweten worden dat [eiser] niet alle ins en outs van die transactie telkens dadelijk ter kennis is gebracht. [eiser] moet zich daarbij realiseren dat zijn keuze om zich niet met de operationele gang van zaken in Mellon bezig te houden, met zich brengt dat hij in mindere mate betrokken zal zijn bij de ontwikkelingen rondom de easy stitch.

4.19.

[eiser] wijst erop dat hij door een gebrek aan invloed in de marge is beland van de (activiteiten van) de BV en dat hij maar moet afwachten of zijn participatie verder verwatert en of hem in de toekomst uitkeringen worden gedaan. Begrijpt de rechtbank hem goed, dat stelt [eiser] eigenlijk dat hij een substantieel deel van zijn vermogen, namelijk zijn participatie in de BV, niet of niet op afzienbare termijn, liquide kan maken, althans daar geen vruchten van plukt.

De rechtbank heeft hiervoor al de beperkte invloed die [eiser] als minderheidsaandeelhouder heeft en de (mogelijk verdere) verwatering van zijn participatie in de BV – en de mogelijkheden die [eiser] heeft zich daar alsdan tegen te verzetten – in haar beoordeling betrokken. De enkele omstandigheid dat de participatie van [eiser] een substantieel deel van zijn vermogen vertegenwoordigt en de beperkte mogelijkheden die waarde liquide te maken of er vruchten van te plukken rechtvaardigt echter niet zonder meer de conclusie dat hij, op de voert van artikel 2:343 BW lid 1 BW, aanspraak kan maken op de overname van zijn aandelen door zijn medeaandeelhouders. Daarbij moet ook [eiser] bedenken dat het natuurlijk hoopgevend is dat financiers bereid zijn gevonden een substantieel bedrag te investeren in de verdere ontwikkeling van de easy stitch, maar op dit moment kan de BV zich, zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ter comparitie hebben uiteengezet, nog geenszins rijk rekenen.

Slotsom uittredingsvordering

4.20.

Uit al hetgeen [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering heeft gesteld volgt niet dat hem de vordering tot uittreding toekomt. De rechtbank tekent daar nog bij aan dat het redelijk voorkomt dat [eiser], mits hij de wens daartoe op korte termijn te kennen geeft aan de BV (aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]), in de gelegenheid gesteld zou moeten worden alsnog de 6.000 aandelen te nemen tegen een vergoeding van € 3,50 per aandeel. Verder kwam tijdens de comparitie nog ter sprake dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de BV verder zouden willen gaan met de ontwikkeling van één of meer nieuwe producten. Partijen moeten zich beraden over de vraag of die ontwikkeling wel in de BV dient plaats te vinden indien voor de ontwikkeling middelen beschikbaar gesteld moeten worden terwijl [eiser] daar niet voor voelt en – zoals hij ter comparitie suggereerde – de samenwerking in ieder geval niet zou willen uitbreiden met nieuwe projecten in de BV.

De beide andere vorderingen: verbod stemrecht uit te oefenen, vernietiging besluiten

4.21.

Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat [eiser] geen vordering tot uittreding toekomt, is gegeven dat de vordering [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te verbieden hun stemrecht uit te oefenen totdat de aandelen van [eiser] zijn overgenomen, strandt.

De tegen de BV gerichte vordering tot vernietiging van de besluiten tot uitgifte van aandelen en tot vaststelling van de emissieprijs van € 3,50 per aandeel zijn niet voor toewijzing vatbaar. In het voorgaande is aan de orde gekomen dat zowel de keuze voor kapitaalsuitbreiding als de vaststelling van de emissieprijs door de beugel kan, waarbij de rechtbank mede bedoelt: een toetsing aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW doorstaat.

Kosten

4.22.

Nu [eiser] in het ongelijk wordt gesteld zal hij de proceskosten dienen te dragen. Die kosten worden aan de zijde van de BV, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] begroot op € 589,-wegens griffierecht en op € 904,- (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst af de vorderingen van [eiser];

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, aan de zijde van de BV, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] begroot op € 1.493,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2014.1

1 type: 2062 coll: