Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6944

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
AWB 13/32363
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Middels een tweede asielaanvraag heeft eiser herziening willen bewerkstelligen van een onherroepelijke uitspraak. Verweerder heeft dit verzoek terecht aangemerkt als herhaald verzoek en niet als herzieningsverzoek.

Onder verwijzing naar de arresten Kühne & Heitz (HvJ EU 13 januari 2004, zaaknr. C-453/00) en Willy Kempter (HvJ EU 12 februari 2008, zaaknr. C-2/06) komt de rechtbank tot het oordeel dat het definitief geworden besluit, waarin de afwijzing van de asielaanvraag van eiser is bekrachtigd, niet berust op een onjuiste uitleg van het gemeenschapsrecht. Weliswaar heeft het HvJ EU in het arrest van 6 juni 2013 (zaaknr. C-648/11) een invulling gegeven aan artikel 6 van de Verordening (EG) 343/2003 die niet strookt met het Nederlandse asielbeleid inzake minderjarigen, doch deze wijziging van het recht heeft geen gevolgen voor onderhavige zaak. Artikel 6 van de Verordening (EG) 343/2003 is in de voorgaande procedure niet door partijen aangevoerd en evenmin door de Afdeling onderzocht, waarvoor ambtshalve ook geen ruimte bestond, nu de verantwoordelijkheid van Italië voor de asielprocedure van eiser niet in geschil was. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat de Afdeling een onjuiste uitleg aan het gemeenschapsrecht heeft gegeven, waardoor verweerder zijn eerdere besluit niet hoefde te herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 13/32363

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2014

in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Eritrese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder, (onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Op 14 november 2010 deed eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij beschikking van 7 januari 2011 is die aanvraag afgewezen onder toepassing van Verordening (EG) Nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Verordening (EG) 343/2003). Eiser is hiertegen in beroep gegaan, welk beroep op 16 maart 2012 door de Rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, ongegrond is verklaard. Eiser ging hiertegen in hoger beroep, waarna de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 1 juni 2012 de aangevallen uitspraak heeft bevestigd.

Op 21 november 2013 deed eiser een hernieuwde aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In een aan de aanvraag voorafgegane brief van 30 oktober 2013, gericht aan verweerder, heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat de besluitvorming in de eerste asielprocedure in strijd was met het Unierecht, waardoor eiser aanspraak maakte op heroverweging van die eerdere besluitvorming. Namens eiser is in genoemde brief uitdrukkelijk verzocht de aanvraag alsnog inhoudelijk te beoordelen.

Bij besluit van 27 november 2013 heeft verweerder de asielaanvraag van 21 november 2013 ingewilligd. Hierbij is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 21 november 2013, geldig tot 21 november 2018.

Op 20 december 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 maart 2014. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W. Steenstra.

De beoordeling

1.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2.

Eiser heeft in beroep het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Ten onrechte heeft verweerder de (herhaalde) asielaanvraag van 21 november 2013 niet aangemerkt als een verzoek tot heroverweging van de besluitvorming in de eerdere asielprocedure en daarop niet uitdrukkelijk en gemotiveerd beslist. Voor de per brief van 30 oktober 2013 verzochte herziening was aanleiding vanwege nieuwe feiten en omstandigheden, welke voortvloeien uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 6 juni 2013 (C-648/11, JV 2013/250). In dat arrest verklaart het Hof voor recht dat artikel 6 van de Verordening (EG) 343/2003 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden waarin een niet-begeleide minderjarige die geen gezinslid heeft dat zich wettig op het grondgebied van een lidstaat ophoudt, en in verschillende lidstaten een asielverzoek heeft ingediend, de “verantwoordelijke lidstaat” volgens deze bepaling de lidstaat is waar deze minderjarige zich bevindt nadat hij er een asielverzoek heeft ingediend. Naar aanleiding van dit arrest heeft verweerder in een brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 2 september 2013 laten weten dat, indachtig bedoeld arrest, in Nederland niet langer kan worden volgehouden dat de lidstaat waar de alleenstaande minderjarige zijn eerste verzoek heeft ingediend verplicht is om de minderjarige terug te nemen. Nu dit laatste in de eerste asielprocedure van eiser nu juist wel als motivering heeft gegolden voor afwijzing van de asielaanvraag, dient verweerder dat besluit thans te heroverwegen. Indien na heroverweging wordt besloten tot het alsnog toewijzen van de asielaanvraag, dient de aanvangsdatum van de vergunning overeen te komen met de datum van de eerste asielaanvraag en niet, zoals in het bestreden besluit van 27 november 2013 is bepaald, vanaf de datum van de hernieuwde aanvraag.

3.

Verweerder heeft verweer gevoerd en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Aan eiser is terecht en op goede gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingangsdatum 21 november 2013. Gelet op artikel 44, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan de vergunning niet eerder worden verleend dan de datum waarop de aanvraag is ontvangen. De herhaalde asielaanvraag is door verweerder niet opgevat als een herzieningsverzoek. Daartoe bestond ook geen aanleiding, nu de gevraagde herziening kennelijk ziet op feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat het besluit op de eerste asielaanvraag was genomen. In dat kader doet verweerder een beroep op het bepaalde in artikel 8:119 van de Awb. Verweerder beschouwt toekenning van de asielaanvraag van 27 november 2013 als een ambtelijke misslag, waarin hij heeft berust. Het gestelde ten aanzien van deze misslag is door verweerder beschreven in zijn brief aan de gemachtigde van eiser van 18 december 2013, in welke brief verweerder voldoende motivering ziet voor het feit dat geen aanleiding bestond voor herziening.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor genomen besluiten naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

6.

Volgens het arrest Kühne & Heitz van het Hof, 13 januari 2004; C-453/00 (hierna: het arrest Kühne & Heitz) moet een bestuursorgaan ingevolge het in artikel 10 van het EG-Verdrag vervatte samenwerkingsbeginsel een definitief geworden besluit desgevraagd opnieuw onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof inmiddels aan de relevante bepaling heeft gegeven wanneer:

- hij naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen;

- het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een nationaal rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep;

- voormelde uitspraak, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berust op een onjuiste uitleg van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof overeenkomstig artikel 234 van het EG-Verdrag is verzocht om een prejudiciële beslissing, en

- de betrokkene zich tot het bestuursorgaan heeft gewend onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen.

7.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt aan de eerste twee criteria van het arrest Kühne & Heitz voldaan. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de uitspraak van de Afdeling, waarin de uitspraak in beroep tegen afwijzing van de eerste asielaanvraag van eiser is bevestigd, gelet op latere rechtspraak van het Hof berust op een onjuiste uitleg van het gemeenschapsrecht. In dat verband is van belang dat het Hof, in het arrest van 12 februari 2008 (zaaknummer C-2/06, Willy Kempter KG tegen Hauptzollamt Hamburg –Jonas, hierna: het arrest Willy Kempter), heeft geoordeeld dat uit het arrest Kühne & Heitz niet kan worden afgeleid dat de daarin geformuleerde derde voorwaarde slechts is vervuld wanneer de partijen het betrokken punt van gemeenschapsrecht voor de nationale rechter hebben aangevoerd. Aan deze voorwaarde is immers reeds voldaan wanneer dit punt van gemeenschapsrecht, waarvan de uitlegging in het licht van een later arrest van het Hof onjuist is gebleken, door de nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep werd onderzocht dan wel door haar ambtshalve had kunnen worden opgeworpen.

De rechtbank stelt vast dat de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van het asielverzoek in de vorige procedure door eiser niet is betwist. In de door de Afdeling bevestigde uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 16 maart 2012 overwoog de rechtbank dat de verantwoordelijkheid van de Italiaanse autoriteiten voor de behandeling van het asielverzoek van eiser niet in geschil was. Daarmee was de verantwoordelijkheid van Italië voor de asielprocedure van eiser voor de rechtbank een vaststaand gegeven, in de beoordeling waarvan de rechtbank niet kon treden. Nu artikel 6 van Verordening (EG) 343/2003 niet door partijen is aangevoerd en evenmin door de Afdeling is onderzocht of ambtshalve kon worden opgeworpen, volgt uit het arrest Willy Kempter dat niet aan de derde voorwaarde van het arrest Kühne & Heitz is voldaan.

8.

Nu niet aan het derde criterium van het arrest Kühne & Heitz wordt voldaan, behoeft het vierde criterium geen verdere bespreking. Het arrest is op onderhavige zaak niet van toepassing, waardoor verweerder niet gehouden was om terug te komen op zijn besluit van 7 januari 2011.

9.

Nu verweerder niet gehouden was om terug te komen van zijn besluit van 7 januari 2011, concludeert de rechtbank dat verweerder terecht het verzoek van eiser van 21 november 2013 heeft aangemerkt als een aanvraag en niet als herzieningsverzoek. Deze herhaalde aanvraag is door verweerder ingewilligd, waartegen door eiser geen andere gronden zijn aangevoerd dan die welke ziet op de gestelde onjuiste aanvangsdatum van de vergunning.

10.

Ingevolge artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Door verweerder is hieraan op correcte wijze uitvoering gegeven. De vergunning is immers van kracht geworden vanaf de dag dat eiser zijn herhaalde aanvraag deed, te weten 21 november 2013.

11.

Derhalve is het beroep ongegrond.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Molenaar, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2014.

Griffier

Rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).