Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6909

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
451306 HA ZA 13-1083
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijvensbeding tussen ongehuwde man en vrouw bij verwerving (ieder 50%) van een appartement. Verplichting van de vrouw die op grond van het beding de volledige eigendom verkrijgt nadat de man is overleden, om verplichtingen uit geldlening, aangegaan bij onderhandse of authentieke akte ter verwerving van het appartement, te voldoen.

Vordering tegen de vrouw wordt afgewezen nu een dergelijke akte ontbreekt. Betekenis van dit vereiste in het verblijvensbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

C/09/310347 / HA ZA 08-145228 augustus 2013

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/451306 / HA ZA 13-1083

Vonnis van 23 april 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats], Frankrijk,

eiseres,

advocaat: mr. L.G. de Gier te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs.

Partijen zullen hierna [eiseres], respectievelijk [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 augustus 2013, met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de conclusie van antwoord van 6 november 2013;

  • -

    het tussenvonnis van 20 november 2013, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de brief van 21 februari 2014 van de zijde van [eiseres], met producties 12 tot en met 19;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 10 maart 2014.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft de Franse nationaliteit en is de moeder van [A] (hierna: [A]). Zij woont in Frankrijk.

2.2.

[A] is op 29 maart 2010 overleden. Hij had de Franse nationaliteit.

2.3.

De zoon en dochter van [A] zijn zijn erfgenamen (hierna gezamenlijk te noemen: de erfgenamen). De dochter woont in Nederland en de zoon woont in China.

2.4.

[gedaagde] had ten tijde van het overlijden van [A] een affectieve relatie met hem. Zij woonden dertien jaar samen in Zuid-Afrika.

2.5.

Krachtens de inschrijving van een notariële leveringsakte van 25 juni 2004 zijn [A] en [gedaagde] krachtens koop ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn geworden van een appartement (bestaande uit een woning en een parkeerplaats) in het appartementengebouw genaamd “[appartementsgebouw]” te [woonplaats] (hierna: het appartement). In de notariële akte is een verblijvensbeding opgenomen dat luidt als volgt:

“VERBLIJVENSBEDING

De comparante sub 2 genoemd [toevoeging rechtbank: [gedaagde]], handelend als gemeld, verklaarde nog dat zij en haar volmachtgever [toevoeging rechtbank: [A]] als integrerend onderdeel van de onderhavige gezamenlijk gesloten koop- en aannemingsovereenkomst, alsmede van de onderhavige levering en aanvaarding in eigendom met elkaar over en weer zijn overeengekomen dat het bij deze akte aan hen overgedragen registergoed bij eerder overlijden van een van hen zal verblijven aan de langstlevende van hen, mits de langstlevende op de dertigste dag na de dag van overlijden van de eerststervende nog in leven is en indien ten tijde van bedoeld overlijden van een van hen het bij deze akte overgedragen registergoed nog gezamenlijk bij hen in eigendom is, zij nog ongehuwd samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Het hiervoor bedoelde verblijven geschiedt onder de verplichting voor de langstlevende van partijen om voor zijn rekening te nemen en als schuld te voldoen de bij onderhandse of notariële akte aangegane geldleningen ter financiering van gemeld registergoed [toevoeging rechtbank: het appartement].

Partijen verlenen elkaar over en weer onherroepelijk volmacht om de ingevolge het verblijvensbeding verbleven goederen te leveren en alle te dier zake voorgeschreven formaliteiten te verrichten.”


De tegenprestatie voor de verkrijging van het appartement is door [A] voldaan.

2.6.

In de door [eiseres] overgelegde bankoverschrijvingsinformatie gedateerd 17 juni 2004 is onder meer vermeld:

“d.d. 17-06

Tegenrek./chequenr. 3508.00.154

Code BY

Omschrijving/naam BANQUE ROMAINE SUPERVIEL

BETALINGSKENM. RE040617 15994

EuroPlus SHA

EUR 160.000,00

SCHRAMA DE RUITER NOTARISSEN

Bedrag 160.000,00 BY

Verwerkingstijdstip 17-06-2004 09:40:27”

2.7.

In een factuur van Schrama de Ruiter notarissen (hierna: de notaris) van 25 juni 2004 die is gericht aan [A] en [gedaagde] (hierna: de factuur) staat onder meer vermeld:

“Inzake: aankoop appartement bouwnummer 2 appartementencomplex “[appartementsgebouw]” te Noordwijk

[…]

Reeds voldaan € 160.000,-”

2.8.

In een verklaring van de BRS Banque S.A. (Banque Romaine Superviel, hierna: BRS bank) van 2 mei 2013 is opgenomen:

“We confirm that on 15 th June 2004 form account Nº 22932 that was held in the name of [eiseres], the transfer of Euros 160,000.00 […] was sent to:

[…]

SCHRAMA DE RUITER NOTARISSEN

[appartementsgebouw] Nº 2 FOR [A]”

2.9.

Bij brief van 19 maart 2013, door [eiseres] overgelegd als productie 7, heeft [eiseres] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 160.000,- vermeerderd met wettelijke rente.

2.10.

In een akte van cessie van 26 augustus 2013 is vermeld dat:

“(iv) De vordering van kinderen [A] op [gedaagde] voortvloeit uit het feit dat [gedaagde] claimt rechten te hebben op het appartement, doordat door het overlijden van [A] een verblijvensbeding in de koopakte van het appartement in werking is getreden. [gedaagde] stelt daardoor het appartement in eigendom te hebben verkregen, waarmee het appartement buiten de nalatenschap van [A] valt. [gedaagde] dient, op grond van hetzelfde verblijvensbeding, echter ook voor de schulden die voor de aankoop van het appartement zijn aangegaan in te staan. Dit vertaalt zich in een vordering van de nalatenschap, dus van kinderen [A], op [gedaagde] ad EUR 160.000,- te vermeerderen met rente en bijkomende kosten;

(v) kinderen [A] deze vordering op [gedaagde] wensen te cederen aan [eiseres];

(vi) kinderen [A] deze cessie in onderhavige akte van cessie wensen vast te leggen.”

2.11.

De cessie van de vordering van de erfgenamen uit hoofde van het verblijvensbeding op [gedaagde] aan [eiseres] is op 28 augustus 2013 aan [gedaagde] meegedeeld.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:


i) een verklaring voor recht dat:

Primair: [gedaagde] tekort is gekomen in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de vordering die [eiseres] op [gedaagde] heeft, althans dat [gedaagde] tekort is gekomen in de nakoming van de verplichtingen volgende uit de overeenkomst, althans verbintenis tussen [eiseres] en [gedaagde];

Subsidiair: sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking zijdens [gedaagde];

Meer subsidiair: [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld;


(ii) [gedaagde] te veroordelen om binnen tien dagen na de betekening van het in dit geding te wijzen vonnis, althans binnen een termijn die de rechtbank redelijk acht – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 160.000,-, althans een door de rechtbank in redelijkheid vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2010, althans vanaf 3 april 2013, althans vanaf 2 augustus 2013, althans vanaf de dag van de dagvaarding, althans vanaf een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag der algehele voldoening;


(iii) [gedaagde] te veroordelen om binnen tien dagen na de betekening van het in dit geding te wijzen vonnis, althans binnen een termijn die de rechtbank redelijk acht – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – de kosten conform Rapport Voorwerk II, althans een door de rechtbank in redelijkheid vast te stellen bedrag aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag tot aan de dag der algehele voldoening;

(iv) [gedaagde] te veroordelen om binnen tien dagen na de betekening van het in dit geding te wijzen vonnis, althans binnen een termijn die de rechtbank redelijk acht – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – aan [eiseres] te betalen het nasalaris ten bedrage van € 131,- zonder betekening, respectievelijk € 199,- met betekening;

( v) [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Er is sprake van een overeenkomst van geldlening tussen [eiseres] en [A] ten behoeve van de aankoop van het appartement. Deze overeenkomst ligt aan de storting van € 160.000,- op de rekening van de notaris ten grondslag.

3.2.2.

De verplichting tot terugbetaling van een bedrag van € 160.000,- uit hoofde van de overeenkomst van geldlening is op grond van het verblijvensbeding na het overlijden van [A] komen te rusten op [gedaagde]. Voor zover [eiseres] niet een ‘eigen vordering’ heeft op [gedaagde] maar de vordering zich bevindt in de nalatenschap van [A], geldt dat deze vordering [eiseres] krachtens cessie toekomt. Vanaf twee weken na het overlijden van [A] is wettelijke rente over het bedrag verschuldigd omdat sprake is van een onmiddellijk opeisbare vordering. Althans vanaf 3 april 2013 is wettelijke rente over het bedrag verschuldigd omdat [gedaagde] op 19 maart 2013 door [eiseres] is gesommeerd tot betaling van het bedrag.

3.2.3.

Is de vordering niet op voornoemde gronden toewijsbaar dan stelt [eiseres] dat [gedaagde] door de betaling van € 160.000,- ongerechtvaardigd is verrijkt op de voet van het bepaalde in artikel 6:212 BW. [gedaagde] heeft namelijk het appartement op grond van het verblijvensbeding in eigendom verkregen en dit appartement vertegenwoordigt de waarde die deels, tot € 160.000,-, door [eiseres] is betaald.

3.2.4.

Althans heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door de € 160.000,- niet terug te betalen op grond van artikel 6:162, lid 1 juncto lid 2 BW. Het handelen van [gedaagde] is in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De schade die [eiseres] hierdoor lijdt, dient door [gedaagde] te worden vergoed, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, dat de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard en met veroordeling tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] baseert haar vordering in de eerste plaats op een geldleningsovereenkomst die zij met haar zoon zou zijn aangegaan, dit, zo begrijpt de rechtbank, in combinatie met het verblijvensbeding, welk beding [gedaagde] zou verplichten het geleende bedrag als eigen schuld aan [eiseres] te voldoen. Uit de stellingen van [eiseres] is niet op te maken op welke grond de terugbetalingsverplichting uit hoofde van de geldleningsovereenkomst zou zijn overgegaan op [gedaagde]. In ieder geval biedt het verblijvensbeding daartoe geen houvast, nu daarin een derdenbeding ten gunste van [eiseres] klaarblijkelijk niet besloten ligt. Nu moet worden aangenomen dat ook op grond van het op de geldleningsovereenkomst krachtens artikel 4 lid 2 Rome I-verordening (Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst) toepasselijke Franse recht geen enkel aanknopingspunt bestaat voor de stelling dat [eiseres] een rechtstreekse aanspraak jegens [gedaagde] uit hoofde van de door [eiseres] met haar zoon gesloten geldleningsovereenkomst heeft, is de vordering van [eiseres] op basis van deze grondslag niet toewijsbaar.

4.2.

[eiseres] beroept zich er op dat zij door cessie het vorderingsrecht uit hoofde van het verblijvensbeding van de erfgenamen van haar zoon jegens [gedaagde] heeft verkregen. De geldigheid van de cessie, krachtens rechtskeuze door de erfgenamen en [eiseres] beheerst door Nederlands recht, staat op zichzelf tussen partijen niet ter discussie.

4.3.

De vraag is of het verblijvensbeding na het overlijden van [A] – waardoor [gedaagde] de volledige eigendom van het appartement heeft verkregen – een vorderingsrecht heeft doen ontstaan. Deze vraag zal beantwoord moeten worden op basis van het Nederlandse recht. Dat recht is namelijk op de voet van artikel 4, lid 1, sub c Rome I van toepassing, nu het verblijvensbeding onderdeel is van de overeenkomst uit 2004 tussen [A] en [gedaagde] die betrekking heeft op het hun gezamenlijk toekomende zakelijk recht op het appartement.

4.4.

Ter onderbouwing van haar stelling dat zij € 160.000,- aan [A] heeft geleend, heeft [eiseres] verwezen naar de in 2.6. tot en met 2.8. genoemde feiten. Dat een bedrag van € 160.000,- op 15 juni 2004 is overgemaakt naar de bankrekening van de notaris onder vermelding van het betalingskenmerk “[appartementsgebouw] Nº 2 FOR [A]” is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat dit bedrag is aangewend voor de voldoening van de koopsom voor het appartement, zoals de factuur van de notaris bevestigt.
Wel in geschil – want bestreden door [gedaagde] – is dat het bedrag afkomstig is van een bankrekening van (uitsluitend) [eiseres], en voorts, als dat zo zou zijn, dat het bedrag “economisch en juridisch” van [eiseres] was. In dat verband heeft [gedaagde] er op gewezen dat zowel [A] als [eiseres] een aanzienlijk aantal buitenlandse bankrekeningen aanhield en dat [A] regelmatig “voor eigen financieel gebruik” beschikte over één of meer bankrekeningen die formeel op naam stonden van [eiseres]. Dat laatste heeft [eiseres] niet bestreden.

4.5.

De rechtbank zal zich beoordelen of [eiseres] een vordering kan hebben als niet is voldaan aan de in het verblijvensbeding opgenomen voorwaarde dat de verplichting om als schuld te voldoen betreft “de bij onderhandse of notariële akte aangegane geldleningen ter financiering van gemeld registergoed” (verder: het schriftelijkheidsvereiste). Tussen partijen staat immers vast dat, als al gesproken kan worden van een geldlening, deze niet in een onderhandse of authentieke akte is vastgelegd.

4.6.

Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat de notaris de tekst van het verblijvensbeding heeft verzorgd, aan [gedaagde] en [A] heeft toegestuurd, en zij na lezing van het beding ermee hebben ingestemd. Over het beding hebben [gedaagde] en [A], aldus [gedaagde], niet van gedachten gewisseld. De notaris heeft over de inhoud van het beding aan [gedaagde] en [A] geen uitleg verschaft, zo heeft [gedaagde] ter comparitie verklaard.
Nu geen omstandigheden bekend zijn die tot een andere benadering aanleiding geven kan de betekenis van het schriftelijkheidsvereiste in het verblijvensbeding alleen worden afgeleid uit de letterlijke tekst. Deze tekst is niet voor misverstand vatbaar.
In het algemeen kan worden aangenomen dat het schriftelijkheidsvereiste, een bewijsvoorschrift, zoals hier aan de orde is, ertoe dient te voorkomen dat er tussen de bij het beding betrokkenen discussie ontstaat over de vraag of de voor de aanschaf van het appartement aangewende middelen van een derde zijn verkregen op basis van geldlening, en wel expliciet met het oog op de verwerving van het appartement. Deze procedure en het daarin gevoerde debat over de vraag of [A] nu wel of niet het bedrag van € 160.000,- van [eiseres] ter leen heeft ontvangen vormt een illustratie van een situatie die het bewijsvoorschrift in het verblijvensbeding kennelijk dient te voorkomen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat, bij gebreke van een onderhandse of authentieke akte, een vordering van de erfgenamen op [gedaagde] op grond van het verblijvensbeding niet is ontstaan.

4.7.

[eiseres] en de door haar geraadpleegde deskundige [de door eiseres geraadpleegde deskundige] brengen naar voren dat het bewijsvoorschrift onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan de erfgenamen is tegen te werpen. De rechtbank kan [eiseres] daarin niet volgen. Voor zover [eiseres] betoogt dit volgt uit de enkele omstandigheid dat de volledige vergoeding voor de verwerving van het appartement van de zijde van [A] is ingebracht, volgt de rechtbank haar daarin niet. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat [A] sedert 2004 wist (of kon weten) dat het verblijvensbeding het schriftelijkheidsvereiste bevatte en gesteld noch gebleken is dat [A] initiatieven heeft ondernomen om het bestaan van een geldlening met [eiseres] op schrift te stellen. Bovendien heeft [gedaagde] – onweersproken – aangevoerd dat haar van het bestaan van een geldleningsovereenkomst niets bekend was gemaakt door [A]. Nu andere omstandigheden die het beroep van [gedaagde] op het bewijsvoorschrift naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar doen zijn niet zijn gesteld of gebleken, althans de wel gebleken omstandigheden daartoe onvoldoende basis bieden, ontbreekt de grond voor een andere conclusie dan het aan het slot van 4.6. vermelde oordeel van de rechtbank.

4.8.

[eiseres] heeft haar vordering ook nog gegrond op ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. De rechtbank stelt vast dat deze vorderingen moeten worden beoordeeld naar Nederlands recht, dit op basis van Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II). Dit oordeel volgt uit artikel 4, lid 3 Rome II met betrekking tot het onrechtmatig handelen en uit artikel 10, lid 1 Rome II.

4.9.

De rechtbank oordeelt de vordering op één van de zojuist genoemde grondslagen niet toewijsbaar. In het voorgaande ligt besloten dat het door [A] en [gedaagde] in de notariële akte van 25 juni 2004 overeengekomen verblijvensbeding [gedaagde] het recht gaf op levering van het [A] toekomende aandeel in de beperkte gemeenschap, en dat een verplichting tot aflossing van enige schuld uit geldlening alleen onder de eerder besproken voorwaarde zou ontstaan. Dat [gedaagde] nalaat [eiseres] het (mogelijk) door laatstgenoemde aan [A] geleende bedrag van € 160.000,- te voldoen, met een beroep op het schriftelijkheidsvereiste, is – zonder nadere, relevante, omstandigheden die gesteld noch gebleken zijn – niet als onzorgvuldig, jegens [eiseres] noch jegens de erfgenamen, aan te merken.
Van een vordering van [eiseres] wegens ongerechtvaardigde verrijking kan reeds geen sprake zijn omdat de schuld uit hoofde van de gestelde geldlening, voor zover bestaand, nog steeds in stand is en [eiseres] betaling van het verschuldigde kan verlangen van de erfgenamen.
Voor zover [eiseres] bedoelt te stellen dat deze vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking haar toekomt als cessionaris van de erfgenamen, geldt dat de rechtvaardiging van de verrijking van [gedaagde] gelegen is in het verblijvensbeding dat [A] en [gedaagde] in 2004 zijn overeengekomen.

slotsom

4.10.

De vordering van [eiseres] zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal ze worden veroordeel in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.474,- wegens verschotten en op € 2.842,- wegens salaris advocaat (2 punten x tarief V), totaal € 4.316,-.
Aan het verlangen van [gedaagde] de wettelijke rente toe te wijzen over het bedrag van de kostenveroordeling en deze uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zal de rechtbank gehoor geven.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst af de vordering van [eiseres];

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 4.316,-, dit bedrag te verhogen met de wettelijke rente nadat 14 dagen zijn verstreken na de dag waarop dit vonnis is gewezen;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2014.