Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6890

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
AWB-13_9193
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak; motiveringsgebrek, toepassing bestuurlijke lus. Definitie en toetsingskader co-morbiditeit uit PTSS Protocol niet van toepassing op situatie waarin uitsluitend lichamelijke klachten. In WIA/IP Protocol gehanteerde begrippen voor verergerend dienstverband (overwegende/belangrijke/duidelijk aanwezige factor) niet inwisselbaar.

Wetsverwijzingen
Kaderwet militaire pensioenen 2
Kaderwet militaire pensioenen 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/9193

tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.B. Knook),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: H.A.L. Knoben).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder de mate van invaliditeit van eiser ongewijzigd vastgesteld op 35%.

Bij besluit van 28 april 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is op 26 januari 2012 op zitting behandeld. Bij uitspraak van 10 mei 2012 (AWB 11/4638) heeft de rechtbank het besluit van 28 april 2011 vernietigd vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak is geen beroep ingesteld.

Eiser heeft (aanvullend) bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en nadere stukken in het geding gebracht.

Verweerder heeft nadere stukken in het geding gebracht.

Bij besluit van 7 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank verwijst voor een weergave van de vaststaande feiten en omstandigheden, de grondslagen van het primaire besluit en de beroepsgronden van eiser tegen het besluit van 28 april 2011 naar hetgeen onder 1 en 2 is vermeld in de uitspraak van 10 mei 2012 met zaaknummer AWB 11/4638 (de uitspraak).

1.1.

In de uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de bevindingen van consulent chirurgie dr. A.R. Koomen (Koomen) en orthopedisch chirurg dr. S.K. Samijo (Samijo) voor verweerder reden hadden moeten zijn om nader onderzoek, inclusief röntgenonderzoek, door een orthopedisch deskundige te laten verrichten. Koomen had na onderzoek van eiser in 2008 onder meer geconcludeerd dat de door eiser in 2008 nieuw aangevoerde klachten aan zijn rechterknie, linker heup en linker enkel op overbelasting berusten en in relatie staan met de aandoeningen waarvoor destijds dienstverband is aangenomen. Voorts had Koomen aangegeven geen diagnose te kunnen stellen ten aanzien van deze klachten. Koomen gaf aan graag over ondersteunende röntgenfoto’s te beschikken teneinde een diagnose te kunnen stellen. Samijo had geconcludeerd dat de klachten van eiser ten aanzien van zijn rug, beide schouders, linker heup, beide knieën en linker enkel op zijn minst voor een deel zijn terug te voeren op overbelastingklachten als gevolg van compensatie in statiek als gevolg van pathologie van de linker knie. Voorts heeft de rechtbank in de uitspraak geoordeeld dat het voor de hand had gelegen dat verweerder bij Samijo navraag had gedaan naar de omvang van het door hem gestelde deel. Nu verweerder een en ander had nagelaten was het besluit van 28 april 2011 naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd.

1.2.

Naar aanleiding van de uitspraak heeft verweerder chirurg traumatologie dr. F.A.J.M. van den Wildenberg (Van den Wildenberg) verzocht om eiser nader te onderzoeken en daarbij onder meer de vraag te beantwoorden of het aannemelijk is dat de door eiser nieuw aangevoerde klachten aan de linker heup, enkel en voet en de rechter knie(schijf) in belangrijke dan wel in overwegende mate worden veroorzaakt door zijn dienstletsel of dat sprake is van endogeen bepaalde en dus op zichzelf staande aandoening(en). Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 18 en 20 september 2012. Het medisch expertise rapport van 3 december 2012 (het rapport) vermeldt bij beantwoording van de specifieke vraagstelling onder meer het volgende:

1. "Wat zijn uw onderzoeksbevindingen? Welke diagnose(n) kunt u stellen op uw vakgebied?

Antwoord:

(…)

Diagnosen:

- Status na partiele meniscectomie links.

- Retropatellaire chondropathie links. Uitval nervus infrapatellaris links.

- Zeer geringe vernauwing mediale gewrichtsspleet linker knie.

- Exorotatie surmenage beeld linker heup.

- Beenlengteverschil van 1 cm ten nadele van rechts.

- Scoliose wervelkolom.

- Degeneratieve afwijkingen lumbale wervelkolom op de niveaus (…).

- Overgewicht (BMI 34).

- Status na whiplash trauma.

2. Is het op grond van uw onderzoeksbevindingen aannemelijk dat de thans door cliënt geclaimde nieuwe klachten van de linker heup, enkel en voet, alsmede de rechter knie(schijf) in belangrijke dan wel overwegende mate worden veroorzaakt door zijn dienstletsel (“posttraumatische gonarthrose links”) of is er sprake van endogeen (leeftijd, aanleg) bepaalde en dus op zichzelf staande aandoening(en).

Antwoord:

De klachten van betrokkene, zoals door mij genoteerd ten tijde van de expertise, worden naar mijn mening veroorzaakt door een combinatie van factoren. Er is sprake van een beenlengteverschil van 1 cm ten nadele van rechts met als gevolg een scoliose van de rug. Er zijn degeneratieve afwijkingen in de rug zichtbaar op de niveaus (…). Er is sprake van retropatellaire chondropathie links en van een BMI van 34. Het samenspel van deze factoren is naar mijn mening verantwoordelijk voor het afwijkend looppatroon en de afwijkende statiek, waarmee betrokkene zich ten tijde van het expertiseonderzoek presenteerde. Welke factor hierbij het meest van invloed is geweest, is retrospectief door mij niet vast te stellen.”

1.3.

Verzekeringsarts drs. P.G. Verkerk (Verkerk) heeft verweerder naar aanleiding van het rapport van Van den Wildenberg bij brief van 6 december 2012 geadviseerd het eerder ingenomen standpunt dat het invaliditeitspercentage van 35% ongewijzigd blijft, te handhaven. Volgens Verkerk blijkt uit het rapport niet dat de dienstverbandaandoening aan de linker knie in overwegende mate bepalend is geweest voor het ontstaan van de nieuwe klachten van eiser. Gelet hierop is volgens Verkerk niet voldaan aan het criterium “in overwegende mate” zoals genoemd in het WIA/IP Protocol van Defensie (het WIA/IP Protocol).

1.4.

Eiser heeft onder verwijzing naar een rapportage van de door hem ingeschakelde medisch adviseur drs. L.D. van der Schuur (Van der Schuur) aangevoerd dat het rapport van Van den Wildenberg een aantal onvolkomenheden en onzorgvuldigheden bevat. Volgens eiser is op grond van de rapporten van Van den Wildenberg en Van der Schuur de conclusie gerechtvaardigd dat zijn dienstverbandaandoening zonder meer is aan te merken als een duidelijk aanwezige factor bij het ontstaan of verergeren van de klachten en beperkingen van eiser.

1.5.

Op 12 augustus 2013 heeft een hoorzitting plaatsgevonden waarbij eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Hetgeen daar is besproken is voor verweerder aanleiding geweest om nadere standpunten in te nemen. Bij brief van 29 augustus 2013 stelt verzekeringsarts drs. S. Woudstra (Woudstra) zich namens verweerder onder meer op het standpunt dat geen stoornis of structurele anatomische afwijking aan de enkels en/of heupen is geconstateerd, zodat geen sprake is van een ziekte of gebrek aan de enkels en/of heupen. Alleen daarom al is het aannemen van dienstverband ten aanzien van de klachten aan de enkels en heupen onmogelijk, aldus Woudstra. Voor wat betreft de rechter knie merkt Woudstra op dat naar aanleiding van een MRI-scan in 2009 wel een diagnose is gesteld, te weten retropatellaire chondropathie, maar dat de bevindingen in het MRI-verslag niet overeenkomen met de gegevens in het dossier en evenmin met de bevindingen bij onderzoek aan de rechter knie van eiser. Woudstra stelt zich op het standpunt dat in het betreffende MRI-verslag rechts met links moet zijn verwisseld. Voor zover wel sprake is van retropatellaire chondropathie aan de rechter knie stelt Woudstra zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat dit in relatie tot het uitvoeren van de dienst staat en als al dienstverband kan worden aangenomen staat volgens Woudstra niet vast dat sprake is van een invaliditeitspercentage van 10% of hoger.

2.

In het bestreden besluit onderschrijft verweerder de bevindingen en conclusies van Van den Wildenberg, Verkerk en Woudstra en concludeert verweerder dat het bezwaar van eiser ongegrond is.

3.

Eiser voert in beroep aan dat uit de rapporten van Van den Wildenberg en Van der Schuur blijkt dat de dienstverbandaandoening van eiser zonder meer is aan te merken als duidelijk aanwezige factor bij het ontstaan of verergeren van de klachten en beperkingen van eiser. Volgens eiser moet alsnog verergerend dienstverband worden aangenomen voor de klachten aan zijn rechter knie, linker heup en linker enkel.

4.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.

Vaststaat dat in 1979 oorzakelijk dienstverband is aangenomen ten aanzien van de aandoening aan de linker knie en rug van eiser dat met een mate van invaliditeit van 35% is gewaardeerd. In januari 2008 heeft eiser nieuwe klachten aangevoerd, te weten aan zijn rechter knie(schijf), zijn linker enkel/voet en linker heup (de nieuw aangevoerde klachten). Beoordeeld dient te worden of verweerder de afwijzing van dienstverband voor deze nieuw aangevoerde klachten terecht heeft gehandhaafd.

6.

Allereerst rijst de vraag welk soort dienstverband voor wat betreft de nieuw aangevoerde klachten al dan niet aan de orde is en wat het toepasselijke toetsingskader is. In het primaire noch in het bestreden besluit is dit expliciet verwoord. Voor het eerst ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser sprake is van co-morbiditeit; het tegelijkertijd voorkomen van diverse aandoeningen die soms wel, soms niet, een relatie met elkaar hebben. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat getoetst dient te worden of het dienstverbandongeval dat eiser in 1976 is overkomen in overwegende mate de co-morbiditeit heeft veroorzaakt. Volgens verweerder is dit niet het geval nu uit het rapport van Van den Wildenberg blijkt dat andere factoren een overwegende rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de co - morbiditeit. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

7.

De rechtbank stelt vast dat de door verweerder gebruikte definitie van co-morbiditeit en het door verweerder gestelde toetsingskader afkomstig zijn uit het PTSS Protocol, waarin, voor zover hier van belang, het volgende is vermeld:

“6. Causaliteit /dienstverband en chronische PTSS.

Het PTSS protocol moet worden gezien als een aanvulling op het WIA – IP (invaliditeitspensioen) protocol. Begrippen als “oorzakelijk / verergerend dienstverband (DV)” en medische / juridische causaliteit” staan in het algemene WIA – IP protocol beschreven. Ter voorkoming van doublures wordt voor uitleg van deze begrippen primair naar dat protocol verwezen. Dit hoofdstuk beperkt zich tot een algemene aanvulling, gefocust op PTSS en op enkele aandachtspunten die specifiek zijn voor PTSS. (…)

(…)

6.2. specifieke aandachtspunten bij PTSS en causaliteit

Bij PTSS verdienen de volgende onderwerpen specifieke aandacht: Dit betreft de uitspraak oorzakelijk versus verergerend dienstverband en los daarvan in beide gevallen de uitspraak over co - morbiditeit in relatie tot de dienst en de weging van deze co - morbiditeit.

(…)

6.2.2. Co - morbiditeit bij PTSS en dienstverband

Onder co - morbiditeit wordt verstaan het tegelijkertijd voorkomen van diverse aandoeningen die soms wel, soms niet een relatie met elkaar hebben. Ook kan de oorzaak verschillen. PTSS gaat regelmatig gepaard met co - morbiditeit. Het is medisch vaak moeilijk, zeker bij psychische problematiek, een onderscheid te maken tussen co - morbiditeit welke wél en welke géén causaal verband heeft met de dienst. Partiële toerekening behoort (nog) niet tot de wettelijke mogelijkheden, daarom moet toch een “alles of niets” uitspraak worden gedaan. De co - morbiditeit mag alleen aan de traumatische gebeurtenis worden toegerekend als deze traumatische gebeurtenis wordt geacht in overwegende mate deze co - morbiditeit te hebben veroorzaakt (voor meer dan 50%).”

8.

In onderhavige zaak is sprake van uitsluitend lichamelijke aandoeningen, zodat het PTSS Protocol niet van toepassing is op de situatie van eiser. Voorts overweegt de rechtbank dat een definitie van co-morbiditeit en een afzonderlijk causaliteitscriterium in het wel van toepassing zijnde WIA/IP Protocol ontbreken. De rechtbank is van oordeel dat het één-op-één toepassen van het toetsingskader voor co-morbiditeit uit het PTSS Protocol op de lichamelijke aandoeningen van eiser, gelet op de in paragraaf 6 van het PTSS Protocol gebruikte bewoordingen, niet in de rede ligt.

9.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit het rapport van Van den Wildenberg volgt dat de nieuw aangevoerde klachten van eiser multicausaal zijn bepaald nu door Van den Wildenberg meerdere, zowel endogeen bepaalde als dienstletsel gerelateerde, factoren worden genoemd die aan de klachten ten grondslag liggen. Blijkens het WIA/IP Protocol vallen aandoeningen welke multicausaal zijn bepaald en dus door meer factoren worden veroorzaakt dan alleen de bijzondere omstandigheid normaliter in de categorie verergerend dienstverband.

10.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat in onderhavig geval de vraag aan de orde is of ten aanzien van de nieuw aangevoerde klachten van eiser sprake is van verergerend dienstverband. Daartoe is het volgende juridisch kader van belang.

11.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen worden aanvullende aanspraken op militair pensioen bij arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden van de beroepsmilitair, de pensioenaanspraken voor de dienstplichtige of reservist en hun nagelaten betrekkingen, alsmede de grondslag voor het verstrekken van de met die invaliditeit samenhangende bijzondere leef- en werkvoorzieningen, vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

11.1.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het op artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen steunende Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Stb. 2001, 140, hierna verder te noemen: Besluit AO/IV) heeft de beroepsmilitair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld uit hoofde van zijn ontslag uit de militaire betrekking waarin die invaliditeit is ontstaan recht op een invaliditeitspensioen.

11.2.

Artikel 19, tweede lid onder 1e, van het Besluit AO/IV bepaalt dat indien de aan het pensioenrecht ten grondslag liggende verwonding, ziekten of gebreken voor 1 januari 1998 zijn ontstaan, de vraag naar het verband met de militaire dienst uitsluitend wordt beantwoord naar hetgeen daarvoor geldt op de peildatum.

11.3.

Ingevolge het eerste lid van artikel 19 van het Besluit wordt verstaan onder peildatum: de dag voorafgaande aan de dag met ingang waarvan de Algemene militaire pensioenwet (AMP) is ingetrokken.

11.4.

De AMP is ingetrokken met ingang van 1 juni 2000.

11.5.

Op de hiervoor genoemde peildatum gold artikel 74 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW).

11.6.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat artikel E11 van de AMP, zoals dit artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van de Wet OOW, van toepassing blijft voor de vaststelling van invaliditeit met dienstverband van verwondingen, ziekten of gebreken die het gevolg zijn van een gebeurtenis welke plaatsvond op een voor die datum gelegen tijdstip.

11.7.

Fase 1 van de Wet OOW is op 31 december 1997 in werking getreden.

11.8.

Artikel E11, eerste lid, van de AMP, zoals dit artikel luidde vóór de wijziging op 1 januari 1998, bepaalt dat, voor de toepassing van dit hoofdstuk, onder invaliditeit met dienstverband wordt verstaan een invaliditeit ten gevolge van:

a. verwonding, ziekte of gebreken, welke zijn ontstaan door de uitoefening van de militaire dienst,

b. ziekten of gebreken, welke het gevolg zijn van verrichtingen of vermoeienissen aan de uitoefening van de militaire dienst verbonden, of van bijzondere omstandigheden, welke zich bij de uitoefening van die dienst hebben voorgedaan, dan wel tot uiting zijn gekomen onder overwegende invloed van die verrichtingen, vermoeienissen of bijzondere omstandigheden,

c. ziekten of gebreken, welke zijn ontstaan, tot uiting gekomen of verergerd mede door de inwerking van bijzondere zeer nadelige invloeden, waaraan de militair in verband met de uitoefening van de militaire dienst blootgesteld is geweest, mits die invaliditeit ten minste 10 percent bedraagt.

12.

In het WIA/IP Protocol is verergerend dienstverband omschreven als de aanwezigheid van een invaliditeit van tenminste 10%, tengevolge van ziekten of gebreken, welke zijn ontstaan, tot uiting gekomen of verergerd mede door inwerking van bijzondere, zeer nadelige invloeden, waaraan de beroepsmilitair in verband met de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmede vergelijkbare omstandigheden is blootgesteld geweest. Voorts is in de toelichting bij verergerend dienstverband vermeld dat het vermoeden op een verergerend dienstverband wordt uitgesproken indien de aandoening in overwegende mate verband houdt met het ongeval of de blootstelling tijdens de buitengewone omstandigheden. Op basis van door de rechter gedane uitspraken over de interpretatie van “overwegende mate” leidt dit volgens het WIA/IP Protocol tot de volgende omschrijving: de militaire dienst moet een overwegende/belangrijke/duidelijk aanwezige factor zijn geweest bij het ontstaan van de blijvende verergering. Tevens dient de verergering blijvend te zijn en tot duidelijk extra gezondheidsschade aanleiding te hebben gegeven.

13.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 29 april 1987 (LJN: AK2965) onder meer het volgende overwogen. Daarbij moet onder de Wet worden verstaan de in die zaak van toepassing zijnde Pensioenwet voor de landmacht 1922.

"Naar luidt van artikel 2, eerste lid ten tweede onder c, van de Wet wordt (ook) recht op pensioen verkregen ter zake van ziekten of gebreken die voor een deel hun oorsprong vinden in omstandigheden, die met de uitoefening van de dienst niet in verband staan, of in de vroegere lichaams- of zielstoestand van de militair, wanneer die ziekten of gebreken zijn ontstaan, tot uiting gekomen of verergerd, mede door inwerking van bijzondere zeer nadelige invloeden, waaraan de belanghebbende in verband met de uitoefening van de dienst is blootgesteld geweest. Aangaande de vraag of de psychische ziekten of gebreken van gedaagde in zodanig verergerend verband met de uitoefening van de militaire dienst staan, overweegt de Raad het volgende. Eiser pleegt op dit stuk een maatstaf te hanteren, bij welke verergerend verband aanwezig wordt geacht indien de ziekten of gebreken zijn ontstaan, tot uiting gekomen of verergerd onder overwegende invloed (gekwantificeerd met: voor tenminste 50%) van de uitoefening van de militaire dienst. Eiser ziet voor het aanleggen van deze maatstaf steun gelegen in jurisprudentie van de Raad. De Raad is in zijn huidige samenstelling evenwel van oordeel dat die maatstaf inhoudelijk te ver afstaat van hetgeen de gever van de Wet bij de regeling van het verergerend verband voor ogen heeft gestaan. Uitgaande van de Memorie van Toelichting bij het Ontwerp-Pensioenwet voor de landmacht (Tweede Kamer der Staten-Generaal, zitting 1919-1920 - 494, nr. 3, pp. 2 tot en met 4) wordt aan het voorschrift van artikel 2, eerste lid ten tweede onder c, van de Wet het meest recht gedaan, wanneer verergerend verband wordt aanvaard reeds indien de uitoefening van de militaire dienst een duidelijk aanwezige factor blijkt te zijn (geweest) bij het ontstaan, tot uiting komen of verergeren van de in een concreet geval spelende ziekten of gebreken."

14.

Niet is gebleken dat de wetgever met de latere inwerkingtreding van de AMP en de Kaderwet militaire pensioenen een andere interpretatie van het begrip verergerend dienstverband voor ogen heeft gestaan. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank van 22 augustus 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6854). Voorts is de rechtbank van oordeel dat deze interpretatie evenzeer geldt voor andere ziekten of gebreken dan psychische. De rechtbank overweegt voorts dat de in het WIA/IP Protocol gehanteerde begrippen overwegende factor, belangrijke factor en duidelijk aanwezige factor verschillende reikwijdtes hebben die niet inwisselbaar zijn. Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat in het WIA/IP Protocol aan het begrip "verergerend dienstverband" een uitleg wordt gegeven die in strijd is met het in deze zaak nog toepasselijke artikel E11, eerste lid, van de AMP en het op de Kaderwet militaire pensioenen steunende artikel 2, derde lid, van het Besluit AO/IV.

15.

Gelet op de onder 13 genoemde jurisprudentie is specifiek de vraag aan de orde of het dienstverbandongeval dat eiser in 1976 is overkomen een duidelijk aanwezige factor is geweest bij het ontstaan of verergeren van de nieuw aangevoerde klachten van eiser. De rechtbank overweegt daarbij dat indien aannemelijk zou zijn dat de nieuw aangevoerde klachten in belangrijke mate op overbelasting berusten vanwege de dienstverbandaan-doening(en) aan de linker knie en rug van eiser, er sprake is van verergerend dienstverband.

16.

Voordat de rechtbank overgaat tot de onder 15 genoemde beoordeling, zal de rechtbank zich allereerst uitlaten over het meest verstrekkende betoog van verweerder dat ten aanzien van de nieuw aangevoerde klachten van eiser in het geheel geen sprake is van (een) ziekte of gebrek in de zin van de hiervoor genoemde jurisprudentie en het WIA/IP Protocol, nu geen stoornis of structurele anatomische afwijking aan de enkel(s) en/of heup(en) is geconstateerd. De rechtbank volgt verweerder hierin niet vanwege het navolgende.

17.

Uit het rapport van Van den Wildenberg blijkt dat eiser tijdens de anamnese heeft aangegeven veel last te hebben van, onder meer, zijn linker heup en beide enkels waardoor hij geen grote gewichten kan tillen, niet ver kan lopen en waardoor zijn linker enkel soms blokkeert. Voorts blijkt uit het rapport dat Van den Wildenberg bij onderzoek aan de linker heup van eiser onder meer heeft geconstateerd dat sprake is van een onaangename endorotatie van 0%. Van den Wildenberg stelt ten aanzien van de linker heup de diagnose “exorotatie surmenage beeld linker heup”. Voorts blijkt uit het rapport dat op röntgenfoto’s van de linker enkel van 30 juni 2009 een minimale onregelmatigheid aan de onderzijde van de malleolus lateralis te zien is. Voorts concludeert Van den Wildenberg dat uit de berichtgeving van de verschillende medisch specialisten waar eiser door de jaren heen onder behandeling is geweest blijkt, dat sprake is van een wisselende pathologie in schouders, heupen en enkels. Ten tijde van de expertise op 18 september 2012 had betrokkene geen klachten aan de rechter heup, de rechter knie en de beide schouders, hoewel hij dit in het verleden wel heeft gehad, aldus Van den Wildenberg. Een dergelijk wisselend klachtenpatroon is volgens Van den Wildenberg bijna pathognomonisch voor overbelastingsklachten. Voorts concludeert Van den Wildenberg dat eiser een evident afwijkende statiek heeft bij staan en bij lopen.

18.

De rechtbank is van oordeel dat aan de bevindingen van Van den Wildenberg groot gewicht toekomt. Immers, uit het rapport blijkt dat Van den Wildenberg een uitgebreide anamnese heeft afgenomen, eiser (tot twee keer toe) lichamelijk heeft onderzocht en zijn onderzoeksbevindingen uitvoerig heeft weergegeven. Bovendien blijkt uit het rapport dat Van den Wildenberg diverse röntgenfoto’s van het gestel van eiser heeft beoordeeld en ter beschikking gestelde medische informatie uitvoerig heeft samengevat en betrokken in zijn conclusies. De conclusies in het rapport zijn bovendien logisch en consistent en sluiten aan op de onderzoeksbevindingen. Hoewel Van den Wildenberg chirurg-traumatoloog is en geen orthopeed, zoals door de rechtbank in de uitspraak was voorgeschreven, is de rechtbank van oordeel dat Van den Wildenberg als deskundige op het terrein van de orthopedie kan worden aangemerkt nu door hem onbetwist is gesteld dat hij publicaties over diverse onderwerpen van het steun- en bewegingsapparaat op zijn naam heeft staan. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat Van den Wildenberg bij brief van 11 juni 2013 heeft gereageerd op de door Van der Schuur aangevoerde onzorgvuldigheden en/of onvolkomenheden in het rapport.

19.

In het rapport ziet de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van de nieuw aangevoerde klachten sprake is van (een) ziekte of gebrek zoals bedoeld in de hiervoor genoemde jurisprudentie en het WIA/IP Protocol. De rechtbank ziet in de voornoemde definities van het begrip verergerend dienstverband geen ondersteuning voor de stelling van verweerder (in navolging van Woudstra) dat moet zijn vastgesteld (en kenbaar moet zijn) welke stoornis of welke structurele anatomische afwijking aan de ziekte of het gebrek ten grondslag ligt.

20.

Voorts blijkt in voldoende mate uit het rapport dat de nieuw aangevoerde klachten van eiser zijn dagelijks leven en functioneren in negatieve zin beïnvloeden ten opzichte van een vergelijkbaar gezond persoon, zoals onder verwijzing naar jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5544) aannemelijk dient te worden gemaakt. Zo heeft eiser aangevoerd dat hij geen zware gewichten kan tillen, niet ver kan lopen en bij het autorijden geen gevoel heeft in zijn linker been.

21.

Voor zover verweerder zich ten aanzien van de rechter knie klachten van eiser op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een ziekte of gebrek, omdat de conclusies ten aanzien van de rechter knie zijn verwisseld met die van de linker knie waarvoor in het verleden de diagnose Retropatellaire chondropathie is gesteld, overweegt de rechtbank dat uit de bevindingen van Van den Wildenberg kan worden afgeleid dat de nieuw aangevoerde klachten van eiser zijn terug te voeren op overbelasting. De rechtbank acht het gelet hierop aannemelijk dat eiser vanwege die overbelasting ook klachten heeft aan zijn rechter knie en daarvan beperkingen ondervindt.

22.

Nu ten aanzien van de door eiser nieuw aangevoerde klachten sprake is van een ziekte of gebrek in de zin van de onder 13 genoemde jurisprudentie en het WIA/IP Protocol en eiser daarvan beperkingen ondervindt in zijn dagelijks leven, is thans de onder 15 genoemde beoordeling aan de orde. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

23.

Uit de bevindingen en conclusies van Van den Wildenberg blijkt dat de nieuw aangevoerde klachten van eiser zijn terug te voeren op overbelasting waaraan verschillende factoren, waaronder de dienstverbandaandoening aan de linker knie en rug van eiser, ten grondslag liggen. Deze conclusie komt in grote lijnen overeen met de conclusies van Koomen en Samijo in 2008 respectievelijk 2010 (zie onder 1.1.). De rechtbank oordeelt dat indien voldoende aannemelijk is dat de dienstverbandaandoening een duidelijk aanwezige factor is geweest bij het ontstaan of verergeren van de nieuw aangevoerde klachten van eiser, sprake is van verergerend dienstverband ten aanzien van die klachten. Dit is thans evenwel onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het volgende is daartoe redengevend.

24.

Gelet op hetgeen onder 7 en verder is overwogen stelt de rechtbank vast dat verweerder bij zijn beoordeling van de mate van invaliditeit van eiser is uitgegaan van een verkeerd criterium en toetsingskader. Als gevolg daarvan heeft verweerder aan Van den Wildenberg de verkeerde vraag gesteld, te weten of aannemelijk is dat de nieuw aangevoerde klachten van eiser in belangrijke dan wel overwegende mate worden veroorzaakt door zijn dienstletsel (zie onder 1.2.). Gelet op hetgeen onder 14 en 15 is overwogen had verweerder aan Van den Wildenberg moeten vragen of aannemelijk is dat de dienstverbandaandoening van eiser een duidelijk aanwezige factor is geweest bij het ontstaan of verergeren van de nieuw aangevoerde klachten van eiser. De rechtbank is met eiser van oordeel dat deze vraag een andere beoordeling behoeft dan de door verweerder aan Van den Wildenberg gestelde vraag. Hoewel Van den Wildenberg heeft geantwoord dat hij achteraf gezien niet kan vaststellen welke factor het meest van invloed is geweest op het afwijkend looppatroon en de afwijkende statiek van eiser, is niet uit te sluiten dat Van den Wildenberg zich in staat ziet antwoord te geven op de vraag of één van die factoren, te weten de dienstverbandaandoening van eiser, een duidelijk aanwezige factor is geweest bij het ontstaan of verergeren van de nieuw aangevoerde klachten.

25.

Zoals blijkt uit het voorgaande is in het bestreden besluit sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding tot toepassing van de bestuurlijke lus. De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid stellen het motiveringsgebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, dient verweerder de vraag aan Van den Wildenberg voor te leggen of de aandoening aan de linker knie en rug van eiser, waarvoor destijds dienstverband is aangenomen, een duidelijk aanwezige factor is geweest bij het ontstaan of verergeren van de door eiser nieuw aangevoerde klachten aan zijn rechter knie(schijf), zijn linker enkel/voet en linker heup. Voorts dient verweerder aan de hand van de reactie van Van den Wildenberg een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

26.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:

stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de onder 24 genoemde vraag aan Van den Wildenberg voor te leggen en aan de hand van de reactie van Van den Wildenberg een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

bepaalt dat verweerder hierna een afschrift van dit besluit aan de rechtbank zal doen toekomen, onder gelijktijdige toezending aan eiser;

stelt vervolgens eiser in de gelegenheid om binnen vier weken een schriftelijke reactie te doen toekomen aan de rechtbank, onder gelijktijdige toezending aan de gemachtigde van verweerder.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.Y. Morison-Libourel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan slechts tegelijkertijd met een hoger beroep tegen de einduitspraak hoger beroep worden ingesteld.