Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6883

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
AWB-13_9425
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2015:384, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking aan ontkenner KB Lux rekening is terecht gegeven. De door verweerder gevraagde informatie was voor de belastingheffing van eiseres voor de jaren 2008 t/m 2011 van belang. De omstandigheid dat het niet ging om een aanzienlijk saldo doet daaraan niet af. Niet kan worden uitgesloten dat eiseres, die in ieder geval in 1994 rekeninghouder was van een KB Lux rekening, ook in 2008 t/m 2011 nog steeds rekeninghouder was van die KB Lux rekening dan wel dat zij, al dan niet via een andere buitenlandse rekening, over (een deel van) het vermogen van de opgeheven KB Lux rekening heeft beschikt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1202
FutD 2014-1394
Mr. W.E. Nent annotatie in NTFR 2014/2111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 13/9425 t/m SGR 13/9427 en SGR 14/3956

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2014 in de zaken tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 17 juli 2013 ten aanzien van eiseres met betrekking tot de jaren 2008 tot en met 2011 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) gegeven.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2013 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014 te Den Haag.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [B], [C] en [D].

Overwegingen

Feiten

1.

Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB Lux). De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [rekeningnummer] met een saldo op 31 januari 1994 van (in totaal) 23.159,42 Canadese dollars (één termijndeposito van 23.179,25 Canadese dollars en een zichtrekening van - 19,83 Canadese dollars) ten name van [X]. Verweerder heeft eiseres als houder van die rekening geïdentificeerd.

2.

Eiseres heeft in haar aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2008 tot en met 2011 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een KB Lux rekening. Aan eiseres zijn aanslagen over de jaren 2008 tot en met 2011 opgelegd, waarbij geen correcties met betrekking tot voormelde KB Lux rekening zijn aangebracht.

3.

Bij brief van 24 juni 2013 heeft verweerder eiseres betreffende de KB Lux rekening met nummer [rekeningnummer] de volgende vragen gesteld:

“1. Wordt deze bankrekening in 2008, 2009, 2010 en 2011 nog steeds door u aangehouden?

2. Zo ja: wat was het saldo inclusief onderliggende sub- en beleggingsrekeningen op 1 januari en 31 december 2008, 2009, 2010 en 2011;

3. Zo nee: op welke andere rekening(en) en op welke locatie wordt het eerder op de Kredietbank Luxemburg gestalde vermogen in 2008, 2009, 2010 en 2011 aangehouden?

4. Wat was het saldo van die andere rekening(en) op 1 januari en 31 december 2008, 2009, 2010 en 2011?

5. Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?

6. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) (in kopie) voor deze jaren te overleggen.”.

4.

Bij brief van 2 juli 2013 heeft de gemachtigde aangegeven dat eiseres over de onderhavige jaren geen buitenlandse bankrekening heeft aangehouden. Verweerder heeft bij brief van 3 juli 2013 eiseres verzocht om de vragenbrief van 24 juni 2013 voor het jaar 2010 te beantwoorden. Bij brief van 8 juli 2013 heeft eiseres aangegeven dat zij nooit een buitenlandse bankrekening heeft gehad. Bij brief van 10 juli 2013 heeft de gemachtigde aangegeven dat eiseres in 2010 geen buitenlandse bankrekening heeft aangehouden.

Vervolgens heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikking gegeven, waarbij hij dezelfde vragen heeft gesteld als in de brief van 24 juni 2013.

Geschil

5.

In geschil is of verweerder de informatiebeschikking terecht heeft gegeven.

6.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de informatiebeschikking. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

7.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr is een ieder verplicht desgevraagd aan verweerder de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Indien met betrekking tot een – voor zover hier van belang – op te leggen navorderingsaanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de Awr, kan verweerder dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking).

8.

De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor de beoordeling of de gegeven informatiebeschikking rechtmatig is, van belang is of eiseres heeft voldaan aan de op haar rustende informatieverplichting van artikel 47 van de Awr. Verweerder neemt het standpunt in dat dit niet het geval is. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op verweerder de last rust om dit aannemelijk te maken.

9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 10 januari 2013, nrs. AWB 11/6016 t/m AWB 11/6021, ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9899, geoordeeld dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres rekeninghouder is (geweest) van de onder 1 genoemde KB Lux rekening. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om van dit eerdere oordeel af te wijken. De enkele ontkenning door eiseres acht de rechtbank in dat kader onvoldoende.

10.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiseres voor de jaren 2008 tot en met 2011 van belang kon zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de Awr is namelijk slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125, en Hoge Raad 1 november 2013, nr. 12/02791, ECLI:NL:HR:2013:1016). Gelet op de renseignementen en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiseres als rekeninghouder van de in 1 vermelde KB Lux rekening kon worden aangewezen, bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om eiseres, nu dit ook voor haar belastingheffing voor de jaren 2008 tot en met 2011 van belang kon zijn, nadere inlichtingen te vragen omtrent de hiervoor genoemde KB Lux rekening. De enkele omstandigheid dat het niet om een aanzienlijk saldo gaat kan, anders dan eiseres van mening is, aan voormeld oordeel niet afdoen, nu hieruit niet kan worden afgeleid dat er voor de jaren 2008 tot en met 2011 geen belang (meer) zou zijn voor de belastingheffing van eiseres. Het kan immers niet worden uitgesloten dat eiseres, die in ieder geval in 1994 rekeninghouder was van voormelde KB Lux rekening, ook in latere jaren (2008 tot en met 2011) nog steeds rekeninghouder was van die KB Lux rekening dan wel dat zij, al dan niet via een andere buitenlandse bankrekening, over (een deel van) het vermogen van de opgeheven KB Lux rekening heeft beschikt. Daarnaast wijst de wijze waarop het saldo is belegd, nagenoeg geheel in een termijndeposito in buitenlandse valuta, alsmede het bij de KB Lux in gebruik zijnde systeem van zicht- en tegenrekeningen op een belegging voor de lange termijn. Nu het voorts een algemene ervaringsregel is dat buitenlandse banktegoeden in een land met een bankgeheim voor een langere periode worden aangehouden, vraagt dit om een nadere toelichting van de zijde van eiseres.

11.

De stelling van eiseres dat verweerder in het onderhavige geval geen vragen mocht stellen, omdat de identificatie van eiseres als rekeninghouder bij de KB Lux nog niet onherroepelijk vaststaat, faalt, nu het civiele kort geding vonnis van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2014, nr. 200.127.817/01 KG, ECLI:NL:GHAMS:2014:624, waarnaar eiseres ter zitting heeft verwezen, op een andere situatie ziet.

12.

Nu eiseres, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder daartoe, geen gegevens over voormelde rekening heeft verstrekt, heeft eiseres niet aan haar informatieverplichting voldaan. Aldus is ten aanzien van eiseres terecht de onderhavige informatiebeschikking gegeven. De omstandigheid dat in de informatiebeschikking staat vermeld dat de door verweerder gevraagde informatie verband houdt met de behandeling van de aangiften over de jaren 2008 tot en met 2011, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Uit de vragenbrief van 24 juni 2013 blijkt namelijk dat er voor die jaren primitieve aanslagen zijn opgelegd zonder KB Lux correcties en dat in verband hiermee de in de brief opgenomen vragen aan eiseres worden gesteld. Aldus kan hieruit, een en ander in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onderhavige informatiebeschikking niet ziet op de reeds opgelegde primitieve aanslagen maar op de nog, naar verweerder ter zitting heeft verklaard, op te leggen navorderingsaanslagen. De stelling van eiseres dat geen sprake is van een nieuw feit behoeft hier geen behandeling, nu de beoordeling van de vraag of verweerder over de jaren 2008 tot en met 2011 kan navorderen, pas aan de orde kan komen in een eventuele (latere) bezwaar- en beroepsprocedure tegen de navorderingsaanslagen.

13.

Het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2012 (nr. 12/1937, ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2216) kan niet tot een ander oordeel leiden, nu in het daar voorliggende geval, anders dan hier het geval is, verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de desbetreffende belastingplichtige in een eerder jaar (1994) gerechtigd was tot een buitenlandse bankrekening.

14.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. De rechtbank zal eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

Proceskosten

15.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- stelt eiseres een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, voorzitter, en mr. I. Obbink-Reijngoud en mr. T.A. de Hek, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep