Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:662

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-01-2014
Datum publicatie
23-01-2014
Zaaknummer
AWB 13/31634, 13/31632
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3162, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Dublin II, subsidiaire status in Italië, echtgenote heeft subsidiaire status in NL en verblijft in NL met hun jonge minderjarige kind, motiveringsgebrek humanitaire clausule

Verzoeker geniet subsidiaire bescherming in Italië. De voorzieningenrechter acht de Dublinverordening van toepassing op grond van artikel 9, eerste lid; artikel 2, aanhef en onder j en artikel 16, tweede lid van de Verordening.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de aanvraag niet onverplicht in behandeling heeft genomen op grond van de humanitaire clausule van artikel 15, eerste lid. Het belang van de jonge dochter van verzoeker en zijn echtgenote om bij haar beide ouders op te groeien is niet kenbaar meegewogen. Voorts is het gezin afhankelijk van elkaar en tijdens de vlucht op abrupte wijze van elkaar gescheiden. De voorzieningenrechter wijst voorts op de preambule, onder 6, van de Verordening, waarin het uitgangspunt van gezinsvereniging krachtig is verwoord. Verweerders verwijzing naar oud beleid ter onderbouwing van het standpunt dat aanvragen nimmer onverplicht in behandeling worden genomen als in de andere lidstaat reeds op de aanvraag is beslist gaat niet op. De voorzieningenrechter verwijst naar hetgeen thans is neergelegd in paragraaf C2/5.1 Vc met betrekking tot het onverplicht aantrekken van de behandeling van asielaanvragen. Wegens strijd met artikel 3:46 verklaart de voorzieningenrechter het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/31634 (voorlopige voorziening)

AWB 13/31632 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2014

in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum 1], van Eritrese nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3.

De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.
Verzoeker is door de Italiaanse autoriteiten in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van subsidiaire bescherming, geldend tot 17 juli 2015.
De echtgenote van verzoeker, mevrouw [naam 1], verblijft in Nederland en is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verzoeker en zijn echtgenote hebben samen een dochtertje, [naam 2], geboren op [geboortedatum 2] te Nederland.

Verweerder heeft op 18 oktober 2013 bij de Italiaanse autoriteiten een terugnameverzoek ingediend. Dit verzoek is door de Italiaanse autoriteiten op 18 november 2013 geaccepteerd.

4.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

5.

Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

6.

Verzoeker heeft allereerst aangevoerd dat verweerder eerst bij het bestreden besluit een kopie van het terugnameverzoek aan de gemachtigde van verzoeker heeft doen toekomen. Dit is strijdig met het bepaalde in artikel 39, eerste lid, Vw. Bepaalde gronden konden daardoor eerst in beroep worden aangevoerd. Hoewel verzoeker inmiddels de beschikking heeft over bedoeld dossierstuk, heeft verzoeker ter zitting toegelicht dat zijn belang bij handhaving van deze beroepsgrond erin is gelegen dat hij wenst te voorkomen dat hem wordt tegengeworpen dat hij in beroep gronden aanvoert, zonder dat daarover in zijn zienswijze reeds argumenten zijn aangevoerd.

6.1

In artikel 39, eerste lid, Vw is voor zover hier relevant bepaald dat, indien het voornemen bestaat om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning af te wijzen, de vreemdeling hiervan, onder opgave van redenen, schriftelijk mededeling wordt gedaan, vergezeld van de op de aanvraag betrekking hebbende stukken.



In artikel 6:22 Awb is bepaald dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

6.2

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder onbetwist heeft gelaten dat het terugnameverzoek zich in strijd met artikel 39, eerste lid Vw niet bevond bij de bij het voornemen gevoegde stukken. De door verzoeker aangedragen beroepsgronden zullen hierna echter worden beoordeeld, zonder dat daarbij een rol speelt of deze reeds bij zienswijze zijn aangedragen. Gelet daarop is verzoeker door het geconstateerde gebrek niet in zijn belangen is geschaad. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 6:22 Awb aan het gebrek voorbij te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.

7.

Verzoeker heeft voorts primair aangevoerd dat de Verordening toepassing mist in het onderhavige geval. Daarbij wijst verzoeker op de inhoud van het formulier van het terugnameverzoek, dat niet voorziet in de situatie waarin een andere lidstaat positief op een asielaanvraag heeft beslist. Het formulier is blijkens de redactie ervan bedoeld voor situaties waarin de aangeschreven lidstaat nog geen beslissing heeft genomen op het asielverzoek, de asielaanvraag is afgewezen of wanneer onbekend is of al een beslissing is genomen. Voor het overige heeft verzoeker verwezen naar de zienswijze. Bij een toegekende status is geen behandeling van het verzoek meer noodzakelijk. Indien iemand internationale bescherming geniet, is hij geen verzoeker meer in de zin van artikel 2, aanhef en onder d Verordening en is de Verordening daarom niet van toepassing. Verweerder heeft in het bestreden besluit verzuimd om op deze argumenten van de zienswijze te reageren.

7.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Verordening van toepassing is. Omdat verzoeker subsidiaire bescherming geniet in Italië en dus niet als Verdragsvluchteling is erkend, heeft verweerder een claimverzoek ingediend bij de Italiaanse autoriteiten op grond van de Verordening in plaats van op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239; het Verdrag van Straatsburg).

7.2

De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat de Verordening in het onderhavige geval van toepassing is. Het enkele feit dat verzoeker reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel brengt niet mee dat hij geen verzoeker is in de zin van artikel 2, aanhef en onder d Verordening. In artikel 9, eerste lid, van de Verordening is expliciet voorzien in de situatie dat de asielzoeker houder is van een geldige verblijfstitel. De voorzieningenrechter verwijst voorts naar artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening, waarin het begrip “verblijfstitel” is gedefinieerd en naar artikel 16, tweede lid, van de Verordening. Nu in de Verordening expliciet is voorzien in deze situatie, valt niet in te zien waarom de Verordening niet van toepassing is als de asielzoeker al in het bezit is van een verblijfsstatus die hem door een andere lidstaat is toegekend. Daaraan doet niet af dat het formulier van verweerder niet in deze situatie voorziet. Voor het oordeel dat verweerder zijn standpunt niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd bestaat geen grond. Verzoekers beroepsgrond slaagt niet.

8.

Verzoeker heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, indien de Verordening van toepassing is, Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek op grond van artikel 7 van de Verordening. Aan de Vw is een één-status-systeem ten grondslag gelegd. Verweerder maakte geen onderscheid tussen verzoeken tot gezinshereniging met personen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a Vw en verzoeken daartoe met personen die in het bezit zijn gesteld van een asielvergunning op een andere grond van artikel 29 Vw. Verzoeker verwijst naar het beleid dat was neergelegd in artikel C3/2.3.5 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dat gold tot 1 april 2013. Nu met de herinrichting van de Vc geen inhoudelijke wijziging is beoogd, is dit beleid onverminderd van toepassing.

8.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Nederland niet op grond van artikel 7 van de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoekers aanvraag, omdat de echtgenote van verzoeker niet is toegelaten op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a Vw.

8.2

Artikel 7 van de Verordening heeft betrekking op gezinsleden van asielzoekers die als vluchteling zijn toegelaten voor verblijf in een lidstaat.
In artikel 2, aanhef en onder g Verordening is het begrip “vluchteling” gedefinieerd als iedere onderdaan van een derde land die de status van vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève bezit en die als zodanig is toegelaten voor verblijf op het grondgebied van een lidstaat. Gelet hierop en gelet op het feit dat verzoeker verweerders stelling dat de vrouw van verzoeker in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw onbetwist heeft gelaten, volgt de voorzieningenrechter verweerder in zijn standpunt dat Nederland niet op grond van artikel 7 van de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoekers asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.

9.

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 15, eerste lid, van de Verordening niet noopt tot behandeling van het asielverzoek, althans dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid het asielverzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij heeft verweerder ten onrechte als extra voorwaarde een speciale onderlinge afhankelijkheid van gezinsleden gesteld. De onderlinge afhankelijkheid wordt blijkens de tekst van artikel 15, eerste lid, Verordening bij leden van een gezin juist verondersteld. Verweerder had er van uit moeten gaan dat verzoekers dochter van hem afhankelijk is en het gezin onderling van elkaar afhankelijk is. Voor de ontwikkeling van verzoekers dochter is van belang dat zij opgroeit in de nabijheid van haar vader en moeder.

9.1

Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 15, eerste lid, van de Verordening. Daarbij stelt verweerder voorop dat van de bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt. In verschillende criteria ter vaststelling van de verantwoordelijkheid zijn in de Verordening immers waarborgen opgenomen voor gezinsleden van de asielzoeker. Voorts maakt verweerder geen gebruik van deze bevoegdheid als in een andere lidstaat reeds op een asielaanvraag is beslist. Nu daarvan in het onderhavige geval sprake is, ziet verweerder geen aanleiding om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat verzoeker afhankelijk is van de hulp van zijn echtgenote of dat zijn echtgenote en dochter afhankelijk zijn van zijn hulp. Hierbij neemt verweerder in aanmerking dat de echtgenote van verzoeker reeds sinds december 2011 in Nederland verblijft en zich sinds die tijd zonder hulp van verzoeker heeft kunnen redden. Daar komt bij dat zowel verzoeker als zijn echtgenote in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel, zodat zij elkaar kunnen blijven bezoeken en verzoeker een reguliere aanvraag tot gezinshereniging zou kunnen indienen.

9.2

In artikel 15, eerste lid, Verordening, dat meestal wordt gelezen in samenhang met artikel 3, tweede lid, Verordening, is bepaald dat verweerder de asielaanvraag onverplicht in behandeling kan nemen teneinde gezinsleden te herenigen op humanitaire gronden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker terecht aangevoerd dat door verweerder bij beoordeling van deze bevoegdheid niet kenbaar is betrokken het belang van de jonge dochter van verzoeker en zijn echtgenote om bij haar beide ouders op te groeien. Dat de echtgenote van verzoeker als alleenstaande moeder voorts in staat is gebleken om haar dochter tot de komst van verzoeker naar Nederland op te voeden, doet niets af aan het belang van gezinsleden om bij elkaar te verkeren en de onderlinge afhankelijkheid van gezinsleden. Verweerder heeft bovendien niet kenbaar in zijn standpunt betrokken dat verzoeker en zijn partner blijkens het relaas gedurende de vlucht op abrupte wijze van elkaar gescheiden zijn geraakt. De voorzieningenrechter volgt verweerder voorts niet in zijn standpunt dat aanvragen op grond van artikel 15, eerste lid, Verordening nimmer onverplicht in behandeling worden genomen indien een andere lidstaat reeds op een asielaanvraag van de asielzoeker heeft beslist. Verweerder heeft op dit punt verwezen naar zijn oude beleid, maar in het thans toepasselijke beleid is dit punt niet expliciet geregeld. Bovendien is in de huidige, op het bestreden besluit van toepassing zijnde, paragraaf C2/5.1 Vc neergelegd dat verweerder de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek in ieder geval onverplicht aan zich trekt als het gezinslid van de asielzoeker als bedoeld in artikel 7 van de Verordening niet is toegelaten als vluchteling, maar in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw.
In het kader van de beoordeling van artikel 15, eerste lid, van de Verordening is van belang dat verweerder beziet of hij de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de aanvraag aan zich trekt, ondanks dat de aangezochte lidstaat op grond van de criteria van de Verordening verantwoordelijk is. Gelet daarop kan verweerder niet van zijn bevoegdheid afzien met het argument dat verzoeker in het bezit van een verblijfsstatus in Italië is. De voorzieningenrechter wijst voorts op de preambule, onder 6, van de Verordening, waarin het uitgangspunt van gezinsvereniging krachtig is verwoord: de eenheid van het gezin moet worden gehandhaafd, voor zover dat verenigbaar is met de overige doelstellingen die worden nagestreefd met de opstelling van criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. Gelet daarop en mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient verweerder deugdelijk te motiveren waarom hij in de onderhavige situatie geen gebruik maakt van de bevoegdheid om de eenheid van het gezin te handhaven. Dat verzoeker, zijn vrouw en zijn kind elkaar kunnen ontmoeten omdat zij tussen Nederland en Italië kunnen reizen kan in dit verband niet als een zwaarwegend argument gelden. De beroepsgrond treft doel.

10.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 Awb. De voorzieningenrechter zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

11.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

12.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 472,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met in achtneming van de aanwijzingen van de voorzieningenrechter;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 472,- in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.