Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:654

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
23-01-2014
Zaaknummer
09/711768-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Den Haag heeft een 28-jarige voormalige leraar van het Segbroek College veroordeeld tot 40 uur taakstraf voor ontucht met een minderjarige leerlinge van die school. De man die tot op heden nog een relatie heeft met dit meisje wordt ontslagen van alle rechtsvervolging voor het in bezit hebben van een filmpje waarop zij grotendeels naakt te zien is. Het ging hier om één filmpje dat zij zelf heeft gemaakt. De man wordt vrijgesproken van ontucht met een andere leerlinge.

De man was de leraar van het meisje in het schooljaar van 2010/2011. In 2012, hij was toen niet meer haar leraar, werd het contact meer dan vriendschappelijk. Vanaf haar 14e kregen zij een liefdesrelatie met elkaar. Hiermee heeft de man de sociaal-ethische norm die nog steeds geldt in relatie met meisjes van deze jonge leeftijd, overschreden. Er was sprake van een groot leeftijdsverschil (bijna 13 jaar) en juist dit leeftijdsverschil weegt voor de rechtbank zwaar mee.

Dat er sprake was van een liefdesrelatie en vrijwilligheid van haar kant, maakt dit niet anders.

De man is – door deze relatie – zijn baan als docent Frans kwijtgeraakt. Hij heeft (nog steeds) geen lesbevoegdheid en heeft ter zitting verklaard dat hij nooit meer in het onderwijs werkzaam wil zijn. Inmiddels heeft hij een baan buiten het onderwijs. De rechtbank ziet dan ook geen toegevoegde waarde in een verbod om het beroep van leraar uit te oefenen zoals de officier had geëist. De rechtbank weegt in de strafoplegging verder het blanco strafblad van verdachte en de grote mediabelangstelling voor deze zaak mee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/711768-12

Datum uitspraak: 23 januari 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats],

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 januari 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Lijnse, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. M.A. van de Weerd, advocaat te ’s-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij - toen hij Frans doceerde aan het Segbroekcollege, waar [minderjarige A.] leerlinge was, althans toen die [minderjarige A.] aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid was toevertrouwd - op één (of meerdere) tijdstip(pen) in de periode van 1 oktober 2011 tot en met 19 oktober 2012 in te ’s-Gravenhage met [minderjarige A.], geboren op [geboortedag] 1997, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (meermalen) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit:

- het knuffelen en/of vasthouden van die [minderjarige A.], en/of:

- het (tong)zoenen van die [minderjarige A.], en/of;

- het strelen van het (naakte) lichaam van die [minderjarige A.], en/of;

- het (naakt) tegenaan en/of op die (naakte) [minderjarige A.] liggen, en/of;

- het hebben van (een soort van) seks met die [minderjarige A.], althans:

- het betasten van de (blote) borst(en) en/of de (blote) vagina, althans het (naakte) lichaam, van die [minderjarige A.], en/of;

- het zich laten betasten over de (blote) penis en/of (blote) billen, althans het (naakte) lichaam, door die [minderjarige A.].

2.

hij op één (of meerdere) tijdstip(pen) in de periode van 1 juli 2009 tot en met 16 november 2011 te ’s-Gravenhage (meermalen) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding, zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige leerlinge, [minderjarige B.], geboren op[geboortedag]1993, bestaande die ontucht hierin dat hij - als docent Frans op het Segbroekcollege toen die [minderjarige B.] daar leerlinge was -:

- met die [minderjarige B.] heeft ge(tong)zoend, en/of;

- de (naakte) vagina en/of billen en/of borst(en), althans het (naakte) lichaam van die [minderjarige B.] heeft gestreeld/betast, en/of;

- zijn, verdachtes, penis, althans zijn naakte lichaam heeft laten strelen/betasten door die [minderjarige B.], en/of;

- zijn, verdachtes, penis, in de vagina van die [minderjarige B.] heeft gebracht.

3.

hij - toen hij Frans doceerde aan het Segbroekcollege, waar [minderjarige A.] leerlinge was, althans aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid was toevertrouwd - in de periode van 1 oktober 2011 tot en met 29 november 2012 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland en/of in Vietnam, één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten 1 filmpje, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt (te weten: [minderjarige A.], geboren:[geboortedag] 1997), was betrokken of schijnbaar was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit: een blanke, slanke jonge vrouw ligt op haar rug op een bed, zij draagt een rode bh en is verder geheel naakt. Zij filmt zichzelf vanuit de rechterhand.

In beeld is haar rode bh en vervolgens haar blote buik, navel, vagina en benen. Haar linkerbeen heeft zij opgetrokken, haar rechterbeen gestrekt. [bestandsnaam]).

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 19 oktober 2012 heeft M.A.M. Korsten, rector van het Segbroekcollege te ‘s-Gravenhage, aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat verdachte, leraar Frans op voornoemde school, een relatie zou hebben met een leerlinge van die school, genaamd [minderjarige A.] (hierna: [minderjarige A.]). [minderjarige A.] was op dat moment net 15 jaar oud geworden. Verdachte heeft [minderjarige A.] lesgegeven in het schooljaar 2010/2011. Ook zou verdachte een relatie hebben gehad met een andere, voormalige, leerlinge van de school, genaamd [minderjarige B.] (hierna: [minderjarige B.]).2

Bij onderzoek van de inbeslaggenomen mobiele telefoon van verdachte is een filmpje aangetroffen waarop [minderjarige A.] is te zien, terwijl zij op haar rug op een bed ligt, een rode bh draagt en verder geheel naakt is.3

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zullen worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit bepleit. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen bewezen kan worden dat verdachte en [minderjarige A.] met elkaar hebben gezoend en geknuffeld. Volgens de raadsman zijn deze handelingen niet in strijd met een sociaal ethische norm. Evenmin was sprake van een afhankelijkheidsrelatie, nu verdachte ten tijde van de ten laste gelegde periode geen les gaf aan [minderjarige A.] en niet in hetzelfde gebouw verbleef.

De raadsman van verdachte heeft eveneens vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit bepleit. Omdat alleen [minderjarige B.] heeft verklaard dat de ten laste gelegde handelingen (met uitzondering van het zoenen) in de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden, wordt het bewijsminimum niet gehaald.

Ook ten aanzien van feit 3 is vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman is het filmpje niet (kinder-)pornografisch van aard, gelet op de context waarin het filmpje is gemaakt en het feit dat er niet expliciet is ingezoomd op de geslachtsdelen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1 (ontucht met [minderjarige A.], al dan niet met misbruik van zijn gezag)

[minderjarige A.] (geboren op [geboortedag] 1997) heeft verklaard dat het contact met verdachte in het tweede leerjaar (het schooljaar 2010/2011) is begonnen. Zij kreeg toen als leerling drie uur in de week les van hem. Aan het einde van dat leerjaar en in de daarop volgende zomervakantie van 2011 werd het contact vriendschappelijk, aldus [minderjarige A.]. In oktober 2011, zij was toen nog 13 jaar oud, is verdachte als begeleider meegegaan bij een schoolreis naar Parijs. Tijdens die reis was, aldus [minderjarige A.], sprake van meer dan een normale leraar-leerling verhouding. Zij waren naar elkaar toegegroeid. Volgens [minderjarige A.] is het in het jaar 2012, in het midden van de derde klas, pas echt begonnen. Zij ging vanaf dat moment ook bij hem op bezoek. Als ze bij hem was, zo verklaart zij ten slotte, knuffelden zij alleen.4

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij [minderjarige A.] tijdens de schoolreis naar Parijs op de mond heeft gekust.5 Daarna is er weinig contact geweest, tot het voorjaar van 2012. “Hun datum” was 25 april 2012, aldus verdachte. Ook verdachte geeft aan dat hun relatie platonisch van aard was, in die zin dat geen sprake was van echte seks. Er werd wel geknuffeld en zij hebben elkaar gekust waarbij ook sprake was van tongzoenen. Voorts hebben zij, zo heeft verdachte verklaard, een “soort van seks gehad” wat erop neer kwam dat hij zichzelf bevredigde terwijl zij via Whatsapp met elkaar contact hadden.6

Hebben de ten laste gelegde feitelijke handelingen plaatsgevonden?

Gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen die op elkaar aansluiten en voor wat betreft de “soort van seks” wordt ondersteund door het chatgesprek dat zich in het dossier bevindt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van knuffelen, vasthouden, (tong)zoenen en het hebben van een soort van seks met een meisje dat op dat moment de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt. Het dossier bevat geen bewijs dat het contact ook heeft bestaan uit het strelen of betasten van blote lichaamsdelen of het naakt tegen elkaar aanliggen, zodat in zoverre vrijspraak dient te volgen.

Kunnen deze handelingen als ontuchtig worden gekwalificeerd?

Als uitgangspunt heeft te gelden dat het bij ontucht gaat om handelingen gericht op contact van seksuele aard die indruisen tegen de sociaal-ethische norm. Artikel 247 Sr (en daarmee ook artikel 249 Sr als lex specialis daarvan) strekt in dat kader tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die daartoe, gelet op hun jeugdige leeftijd, in het algemeen geacht worden niet of onvoldoende in staat te zijn. Onder bijzondere omstandigheden kan aan deze handelingen het ontuchtig karakter ontbreken, bijvoorbeeld wanneer die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate van leeftijd verschillen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewezen geachte handelingen aan te merken als handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De enkele omstandigheid dat tussen [minderjarige A.] en verdachte sprake was van een (ontluikende) liefdesrelatie en dat er sprake is van vrijwilligheid van de kant van [minderjarige A.], maakt niet dat het ontuchtige karakter aan deze handelingen komt te ontvallen. De beoogde bescherming van minderjarigen is immers mede daarop gebaseerd dat zij voor wat betreft relaties als de onderhavige in het algemeen niet of onvoldoende in staat zijn om de draagwijdte van hun handelen te overzien en hun wil dienaangaande in vrijheid te bepalen en dat zij in zoverre tegen een ongewenste beïnvloeding van hun wil moeten worden beschermd. Tussen verdachte en [minderjarige A.] was sprake van een groot leeftijdsverschil (bijna 13 jaar) en juist dit leeftijdsverschil weegt voor de rechtbank zwaar mee, gelet op de levensfase waarin [minderjarige A.] als jong-adolescent verkeerde. Zij was immers nog maar 13 jaar toen verdachte haar voor het eerst kuste.

Was [minderjarige A.] aan de zorg, opleiding of waakzaamheid van verdachte toevertrouwd?

Artikel 249 Sr beoogt minderjarigen te beschermen tegen ontuchtige initiatieven van hen die daarbij misbruik maken van een uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht waardoor de minderjarige aan die dader minder weerstand kan bieden dan aan anderen. De wetgever heeft daarbij ook gedoeld op de situatie dat sprake is van een verhouding leraar-leerling, nu uitdrukkelijk ontucht met een “aan zijn zorg en opleiding toevertrouwde minderjarige” strafbaar is gesteld. Of van een dergelijke hoedanigheid sprake is, hangt vervolgens af van alle omstandigheden van het geval.7

Vast staat dat verdachte leraar was op de school van [minderjarige A.]. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gegeven op zichzelf echter onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake was van voormelde hoedanigheid. Vast staat voorts dat verdachte in de periode waarin de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden, geen les aan haar gaf. Uit het dossier blijkt verder dat hij in die periode werkzaam was op de locatie aan de Klaverstraat terwijl [minderjarige A.] les kreeg op de locatie op de Goudsbloemlaan. Los van de schoolreis naar Parijs – waarover hierna meer – is niet gebleken dat tussen hen in die periode contacten zijn geweest die voortvloeien uit of zijn terug te voeren op de relatie leraar-leerling.

Tijdens de schoolreis naar Parijs was verdachte uit hoofde van zijn functie begeleider van de leerlingen. Op de dag dat hij [minderjarige A.] kuste, was hij zelfs specifiek de begeleider van haar, haar vriendin en een jongen uit haar klas. Onder deze omstandigheden was naar het oordeel van de rechtbank toen sprake van een situatie waarin [minderjarige A.] “aan zijn zorg en opleiding was toevertrouwd”.

Het plegen van deze ontuchtige handeling wordt verdachte echter niet verweten, nu in de tenlastelegging uitsluitend Den Haag als pleegplaats wordt vermeld.

Gelet op het voorgaande dient ten aanzien van dit verwijt daarom vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van feit 2:

Was [minderjarige B.] aan de zorg, opleiding of waakzaamheid van verdachte toevertrouwd?

Ten aanzien van [minderjarige B.] staat vast dat verdachte haar nooit les heeft gegeven. Uit het dossier blijkt verder niet dat hij haar heeft begeleid of dat er op enig moment contacten zijn geweest die pasten bij of terug te voeren zijn op de relatie leraar-leerling. Gelet op hetgeen hiervoor als is overwogen, dient verdachte ook van dit verwijt vrijgesproken te worden.

Op zichzelf bevat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte ook met [minderjarige B.] buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd (tongzoenen) terwijl zij de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt. Dit verwijt wordt verdachte echter niet gemaakt nu het element “buiten echt” in de tenlastelegging ontbreekt.

Ten aanzien van feit 3:

Zoals reeds vastgesteld is op de mobiele telefoon van verdachte een filmpje aangetroffen. Op dit filmpje met een duur van 32 seconden, is [minderjarige A.] te zien die in haar kamer op haar rug op bed ligt. Ze draagt een rode bh en is voor de rest geheel naakt. Zij filmt zichzelf vanaf haar rode bh naar beneden over haar blote buik, navel, vagina naar haar benen. Haar linkerbeen heeft zij opgetrokken, haar rechterbeen is gestrekt.8 Verdachte heeft verklaard dat [minderjarige A.] dat filmpje van zichzelf heeft gemaakt en hem dat filmpje vervolgens heeft ge-sms’t.9

Kan het filmpje gekwalificeerd worden als kinderporno in de zin van artikel 240b Sr?

Het bezitten van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand is betrokken die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is strafbaar. Het kan daarbij ook gaan om een afbeelding van een handeling die op zichzelf niet expliciet seksueel van aard is, maar die gelet op de wijze waarop de afbeelding tot stand is gekomen in het concrete geval onmiskenbaar strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Gelet op hetgeen op het filmpje is te zien, heeft dat filmpje naar het oordeel van de rechtbank de bedoeling een seksuele prikkeling op te wekken. Hierbij past dat verdachte heeft verklaard dat hij het filmpje inderdaad erotisch vond.10

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

op meerdere tijdstippen in de periode van 1 maart 2012 tot en met 19 oktober 2012 te ’s-Gravenhage met [minderjarige A.], geboren op [geboortedag] 1997, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit:

- het knuffelen en vasthouden van die [minderjarige A.] en

- het tongzoenen van die [minderjarige A.] en

- het hebben van een soort van seks met die [minderjarige A.].

ten aanzien van feit 3:

in de periode van 1 oktober 2011 tot en met 29 november 2012 te ’s-Gravenhage een gegevensdrager, bevattende één afbeelding van seksuele gedragingen, te weten 1 filmpje, bij welke vorenbedoelde afbeelding een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt (te weten:[minderjarige A.], geboren: [geboortedag] 1997), was betrokken in bezit heeft gehad, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit: een blanke, slanke jonge vrouw ligt op haar rug op een bed, zij draagt een rode bh en is verder geheel naakt. Zij filmt zichzelf vanuit de rechterhand. In beeld is haar rode bh en vervolgens haar blote buik, navel, vagina en benen. Haar linkerbeen heeft zij opgetrokken, haar rechterbeen gestrekt. [bestandsnaam]).

4 De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van feit 1:

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van dit feit uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 3:

De strekking van de strafbaarheidstelling in artikel 240b Sr is de minderjarige zoveel mogelijk te beschermen tegen seksueel misbruik en de digitale exploitatie van dat misbruik. Daarnaast gaat het om het voorkomen van schade als gevolg van het in omloop brengen van beeldmateriaal dat seksueel misbruik suggereert of strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Zoals al is overwogen heeft het filmpje deze laatste bedoeling. Het gaat echter om het bezit van één filmpje dat door [minderjarige A.] zelf op eigen initiatief in de privésfeer is gemaakt voor verdachte met wie zij toen (al) een liefdesrelatie had. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige A.] hierbij niet in enig belang is geschaad en dat er geen sprake is van strijd met het belang van de minderjarige dat deze strafbaarheidstelling beoogt te beschermen.

Dit leidt tot het oordeel dat het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van feit 1:

Verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis wordt opgelegd alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 4 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat het verdachte voor een periode van vijf jaar wordt verboden als docent werkzaam te zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat aan verdachte een voorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd zonder bijkomende bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft zich niet verzet tegen een zogenaamd beroepsverbod.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komen uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het reclasseringsadvies.

De rechtbank stelt voorop dat zij alleen al gelet op de beperkte bewezenverklaring, tot een aanmerkelijk lagere straf komt dan door de officier van justitie is geëist. Voorts heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen en laten mee wegen.

Verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met [minderjarige A.], een meisje dat hij heeft leren kennen toen ze bij hem in de klas zat. Hij heeft haar voor de eerste keer gekust toen ze slechts 13 jaar oud was en op dat moment aan zijn zorg en opleiding was toevertrouwd. Vanaf haar 14e jaar heeft hij een liefdesrelatie met haar opgebouwd. Verdachte heeft daarmee de sociaal-ethische norm die nog steeds geldt in relatie met meisjes van deze jonge leeftijd, overschreden. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij zich hier ook van bewust is geweest maar (uiteindelijk) voorrang heeft gegeven aan zijn gevoelens voor haar. Uit het dossier blijkt echter dat hij al eerder met een meisje die hij van school kende en die bij aanvang nog geen 16 jaar was, een relatie is aangegaan. Dit baart de rechtbank zorgen.

Daar staat tegenover dat de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen naar hun aard een beperkte inbreuk maken, zich veelal in de privésfeer hebben afgespeeld en dat verdachte en [minderjarige A.] tot op dit heden een liefdesrelatie hebben. Voorts zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat bij verdachte sprake is van (een vorm van een) pedoseksuele geaardheid. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank het advies van de reclassering om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld een gedragsinterventie en zedenbehandeling niet overnemen.

Verder staat vast dat verdachte als gevolg van deze relatie zijn baan als docent Frans is kwijtgeraakt. Hij heeft (nog steeds) geen lesbevoegdheid en heeft ter zitting verklaard dat hij nooit meer in het onderwijs werkzaam wil zijn. Inmiddels heeft hij een baan buiten het onderwijs. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook geen toegevoegde waarde in een verbod om het beroep van leraar uit te oefenen.

De rechtbank laat verder meewegen dat verdachte een blanco strafblad heeft. Voorts wordt meegewogen dat deze zaak binnen de regio veel mediabelangstelling heeft gekregen, wat niet alleen zijn weerslag heeft gehad op het leven van verdachte maar ook op dat van [minderjarige A.] en haar familie.

Alles in aanmerking genomen acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken in bezit hebben

verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 40 (veertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 20 (twintig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mrs R.G.C. Veneman en K. Bozia, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W. Gunnewegh, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL15J2 2012224023, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 01 t/m 194).

2 Proces-verbaal van verhoor aangever M.A.M. Korsten, blz. 26-31.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 104-105.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige L. [minderjarige A.], blz. 47-59.

5 Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 9 januari 2014, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 106 en verklaring ter terechtzitting.

7 HR 11 juni 2002, NS 2002, 211.

8 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 104-105, proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 9 januari 2014, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 143-144.

10 Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 9 januari 2014, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.