Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6536

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
AWB 13/30976
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

niet verschoonbare bezwaartermijnoverschrijding, bezwaar terecht niet-ontvankelijk. Beroep ongegrond, geen proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/30976

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 mei 2014 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. M.M. Polman,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Eiser heeft op 9 december 2013 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 december 2013 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 maart 2014. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn als getuigen verschenen [naam 1] en [naam 2]. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eiser is geboren op [geboortedag] 1969 en bezit de Turkse nationaliteit. Bij besluit van 8 april 2013 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken. Eiser heeft tegen dit besluit op 17 september 2013 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2.

Eiser heeft in beroep gesteld dat zijn bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard en dat hij ten onrechte niet is gehoord. Eiser heeft ongeveer 10 jaar lang (tot augustus 2013) een zwervend bestaan geleid en kampt met psycho-sociale problemen. Eiser kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor het niet voldoen aan de verplichting veranderingen in zijn woon- of verblijfplaats door te geven. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn beroep een historisch adressenoverzicht overgelegd en voorts diverse bewijsstukken betreffende zijn psycho-sociale klachten.

De rechtbank overweegt als volgt.

3.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vier weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend wanneer deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11, van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.

Ingevolge artikel 3.104, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de beschikking, die niet of niet mede strekt tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, bekend gemaakt door toezending naar het laatst bekende adres van de vreemdeling.

Ingevolge artikel 4.37 van het Vb 2000, voor zover thans van belang, is de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, verplicht om in geval van verandering van woon- of verblijfplaats hiervan de staatssecretaris in kennis te stellen, onder opgave van het nieuwe adres.

5.

Vaststaat dat verweerder het besluit op 8 april 2013 bekend heeft gemaakt door dit aangetekend te verzenden naar het laatst bekende adres van eiser. Op grond van artikel 6:8 van de Awb is de bezwaartermijn gaan lopen op 9 april 2013. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 viel de laatste dag van de termijn voor het indienen van bezwaar op 7 mei 2013. Nu het bezwaar van eiser op 17 september 2013 is ingediend, is het derhalve na het verlopen van de bezwaartermijn ingediend.

6.

Ter beoordeling staat of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar kan worden geacht.

7.

Naar het oordeel van de rechtbank diende eiser te begrijpen dat verweerder op grond van de onder 4 aangehaalde artikelen van het Vb 2000 bij het ontbreken van een ander adres van het laatst bekende adres gebruik zou maken. Dat eiser tegen het besluit van 8 april 2013 niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, omdat hij niet meer woonachtig was op het destijds door hem opgegeven adres, dient derhalve voor zijn rekening en risico te komen. Eiser is verantwoordelijk voor de inschrijving of het zich in laten schrijven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) en voor het (laten) doorgeven van adreswijzigingen aan verweerder. Dat heeft hij nagelaten. Eiser heeft immers na het vertrek uit zijn woning in 2003 geen ander adres of een postadres bekend gemaakt. De omstandigheden dat eiser tot augustus 2013 een zwervend bestaan voerde en kampt met psycho-sociale problemen, leiden niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat eiser door zijn psychische gesteldheid in de onmogelijkheid heeft verkeerd ten minste een postadres door te (laten) geven, te meer daar eiser in deze periode ook gedurende langere tijd bij vrienden, familie en bekenden heeft verbleven. Op grond hiervan is niet aannemelijk gemaakt dat eiser in het geheel niet in staat is geweest om zijn eigen belangen te (laten) behartigen.

8.

De termijnoverschrijding is derhalve niet verschoonbaar, zodat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

9.

Het beroep is ongegrond.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.