Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6535

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
AWB 13/32681
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek opheffing ongewenstverklaring. Voldoet niet aan termijn. Geen bijzondere omstandigheden. Beroep ongegrond, geen proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/32681

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 mei 2014 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. P.R. Klaver,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Eiser heeft op 27 december 2013 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 december 2013 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 maart 2014. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig mevrouw [naam 1], de echtgenote van eiser, haar minderjarige zoon [naam 2] en M. Mars, tolk in de Servo-Kroatische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] (Kosovo/voormalig Joegoslavië) en de nationaliteit van dat land te bezitten. Hij is op 1 december 2008 tot ongewenst vreemdeling verklaard in de zin van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden na het onherroepelijk worden van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht van 9 december 2009 (AWB 08/42663 en 09/14294).

Eiser heeft op 23 september 2013 verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring.

Bij besluit van 16 oktober 2013 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

2.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser, gelet op zijn verklaring dat hij op 25 juni 2009 Nederland heeft verlaten, niet aan de voorwaarde heeft voldaan vijf jaren buiten Nederland verbleven te hebben, nog daargelaten dat hij ook de overige in artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) genoemde documenten niet heeft overgelegd. Er is geen sprake van bijzondere feiten en omstandigheden die nopen tot inwilliging van zijn verzoek.

3.

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat hij zich aan zijn vertrekplicht heeft gehouden door op 25 juni 2009 Nederland te verlaten. In juni 2014 zou hij dan volledig voldoen aan de vijf jaar termijn. Eiser meent dat een nieuwe belangenafweging gemaakt had moeten worden nu hij voor het laatst gepleegde delict reeds in januari 2005 in België is veroordeeld. Verweerder is niet voldoende gemotiveerd ingegaan op de Boultif-criteria in het kader van de belangenafweging. Eiser heeft na 2005 nooit meer een gevaar voor de openbare orde gevormd en is pas in 2008, drie jaar nadien, ongewenst verklaard. Er is volgens hem sprake van een relevant tijdsverloop. Eiser heeft in beroep een verklaring van het Ministerie van Interne Zaken van de Republiek Servië overgelegd waaruit blijkt dat hij geen strafblad heeft in Servië. Nieuw is verder dat zijn vrouw en zoon inmiddels in het bezit zijn van het Nederlanderschap. Zij verblijven hier al lange tijd en zijn zoon mist een vaderfiguur in het gezin. Bovendien is een van de kinderen van de echtgenote van eiser in Nederland begraven. Eiser doet een beroep op de artikelen 3, 4 en verder van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

De rechtbank overweegt als volgt.

4.

In geschil is of verweerder terecht het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring heeft afgewezen.

5.

Op grond van artikel 68 van de Vw 2000 wordt – op een daartoe strekkende aanvraag – de ongewenstverklaring opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen nieuwe gronden voor ongewenstverklaring hebben voorgedaan.

Op grond van artikel 6.6, eerste lid onder b, van het Vb 2000 wordt de aanvraag opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Wet, ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van enig misdrijf is onderworpen, en deze vreemdeling (…) tenminste vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.

Ingevolge hoofdstuk A4/3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kunnen er zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Verweerder laat het algemeen belang van de Nederlandse Staat uitsluitend wijken voor het belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden in het geval van de vreemdeling die bij de totstandkoming van de algemene regel over opheffing van de ongewenstverklaring niet zijn betrokken.

Ingevolge hoofdstuk A4/3.6 van de Vc 2000 geldt als uitgangspunt dat slechts in de volgende drie situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen:

a. familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM;

b. verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 van het EVRM;

c. toepasselijkheid van artikel 3.105b of artikel 3.105e van het Vb 2000.

6.

Vast staat dat eiser, zelfs wanner hij als gesteld feitelijk op 25 juni 2009 uit Nederland is vertrokken, Nederland sinds de ongewenstverklaring niet gedurende 5 jaar heeft verlaten. Verweerder heeft zich derhalve op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan deze in artikel 68 van de Vw 2000 en de in artikel 6.6 van het Vb 2000 genoemde voorwaarde voor opheffing van de ongewenstverklaring. De rechtbank ziet zich in deze procedure derhalve voor de vraag gesteld of sprake is van zodanige bijzondere feiten en omstandigheden dat deze de opheffing van de ongewenstverklaring voor het verstrijken van de in artikel 68 van de Vw 2000 en artikel 6.6 van het Vb 2000 genoemde duur van de ongewenstverklaring, rechtvaardigen.

7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht van 9 december 2009, op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van dergelijke bijzondere feiten en omstandigheden. Verweerder is bij het opleggen van de ongewenstverklaring uitgebreid en gemotiveerd ingegaan op de ‘guiding principles’ uit het arrest Boultif tegen Zwitserland (ECLI:NL:XX:2001:AD3516). Verweerder heeft derhalve bij het bestreden besluit in dit kader alleen de gewijzigde omstandigheden hoeven te beoordelen. Als gewijzigde omstandigheden kunnen worden aangenomen het tijdsverloop sinds zijn veroordeling op 5 januari 2005 in België en de gedragingen van eiser sindsdien, de gezinssituatie van eiser, de ernst van de moeilijkheden die zijn - uit Bosnië afkomstige - partner ondervindt wanneer zij eiser volgt naar het land van herkomst en de vraag of de op 25 november 2008 in Nederland geboren zoon van eiser en zijn partner, gelet op zijn leeftijd, belang en welzijn, problemen zou ondervinden in het land van herkomst van eiser.

8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende blijk gegeven bij de belangenafweging de gewijzigde omstandigheden als hiervoor weergegeven, te hebben betrokken. Daarbij heeft verweerder terecht overwogen dat geen sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden nu niet gebleken is dat de gezinssituatie van eiser inmiddels gewijzigd of veranderd is ten opzichte van het moment van het opleggen van de ongewenstverklaring. Verweerder heeft terecht overwogen dat het enkele feit dat de echtgenote en zoon van eiser inmiddels het Nederlanderschap hebben verkregen en dat zijn echtgenote vanwege gestelde medische problematiek niet af kan reizen naar eiser, niet is aangetoond dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM bij handhaving van de ongewenstverklaring. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om tot opheffing van de ongewenstverklaring over te gaan.

9.

Het beroep is ongegrond.

10.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.