Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6528

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
AWB 14/608
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1390, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Rechtstreeks belanghebbende, artikel 1:2 Awb. Eiseres heeft feitelijk een groter belang bij korting subsidie dan de werkgever.

Reële mogelijkheid dat eiseres in een aan een fundamenteel recht op arbeid ontleend belang wordt geschaad ter bescherming waarvan haar de toegang tot de bestuursrechter niet kan worden onthouden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/608

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2014 in de zaak tussen

de Medenzeggenschapsraad van de Nederlandse Afdeling van het Lycée International St Germain-en-Laye, te Saint Germain en Laye, Frankrijk, eiseres

(gemachtigde: mr. S.E.H van Thoor, advocaat)

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigden mr. D.W. Mulder en drs. F. Geleijnse).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2013 heeft verweerder aan de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (NOB) meegedeeld voornemens te zijn met ingang van 1 januari 2014 een korting toe te passen bij de verlening van subsidie voor 2014 en verder.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2014.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Tevens waren namens eiseres aanwezig mevr. [A], bestuurslid van eiseres en de heer [B], rector van de Nederlandse Afdeling van het Lycée International.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 12 juli 2013 is onder meer meegedeeld dat dient te worden bezuinigd op de volledige aanvullende subsidie voor het voeren van het bevoegd gezag over de Nederlandse Afdeling van het Lycée International en op de volledige aanvullende subsidie voor het werkgeverschap van het personeel verbonden aan de Nederlandse Afdeling van het Lycée International.

2.

Het Lycée International in Saint-Germain-en-laye is een Franse staatsschool. Het is de voortzetting van de SHAPE international school, die tot 1967 bestond in verband met de aanwezigheid van het NAVO hoofdkwartier te Parijs. De Nederlandse Afdeling is onderdeel van deze school en is geen zelfstandige juridische entiteit. Nederland verstrekt aanvullende bekostiging voor de Nederlandse Afdeling verbonden aan het Lycée International. Deze bekostiging betreft salariskosten en kosten van materiële instandhouding.

3.

De directie en de leerkrachten van de Nederlandse Afdeling zijn rechtstreeks benoemd door de Minister van OC&W. De Stichting NOB is door de minister gemandateerd om namens de minister als werkgever op te treden voor betaling van salariskosten. De Stichting NOB is verder door de minister aangewezen als bevoegd gezag van de Nederlandse Afdeling.

4.

De Stichting NOB heeft een medezeggenschapsraad (eiseres) opgericht. In het Nederlands onderwijs is de medezeggenschapsraad het enige vertegenwoordigende orgaan met wettelijke bevoegdheden. De medezeggenschapsraad bestaat uit twee geledingen: personeel en ouders/leerlingen.

5.

Bij besluit van 11 december 2013 heeft verweerder eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar omdat hij van oordeel is dat de Stichting NOB rechtstreeks belanghebbende is bij het besluit van 12 juli 2013 en eiseres slechts een afgeleid belang heeft.

6.

Verweerder heeft zich ter zitting nog op het volgende standpunt gesteld.

De salariskosten kunnen niet worden aangemerkt als subsidie in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft in de beslissing van 22 november 1013 op het bezwaar van de Stichting NOB meegedeeld dat verweerder aansprakelijk blijft voor de betaling van salariskosten onafhankelijk van het bedrag aan subsidie en dat verweerder in blijft staan voor de kosten die gemoeid zijn met de afvloeiing van het personeel. Daarmee is ten aanzien van de salariskosten geen sprake van een op rechtsgevolg gericht besluit. Verder is eiseres niet de feitelijke ontvanger van de subsidies voor de kosten van materiële instandhouding, overwegend bestemd voor aanvullingen op de door Frankrijk ter beschikbaar gestelde leermiddelen. De Stichting NOB heeft om praktische redenen voor deze subsidie/kosten een zakelijke bankrekening in Frankrijk geopend, waarvoor twee personeelsleden van de Nederlandse Afdeling gemachtigd zijn. Gelet hierop kan eiseres niet worden aangemerkt als belanghebbende.

7.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat haar belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken en heeft daartoe –zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

Er is sprake van een bijzondere constructie waarbinnen de Nederlandse Afdeling is opgericht en gefinancierd. De Stichting NOB heeft een dubbele positie doordat zij enerzijds een overheidsopdracht uitvoert als gemandateerd werkgever en anderzijds optreedt als bevoegd gezag. Daardoor kan zij de belangen van de Nederlandse Afdeling niet goed behartigen. De Stichting NOB heeft haar beroep inmiddels ook ingetrokken vanwege de hypotheek die de procedure zou leggen op de relatie tussen de Stichting NOB en OC&W. Hiermee is eiseres in feite vleugellam geraakt, terwijl eiseres juist opkomt voor de belangen van het personeel en de leerlingen, die het meest worden gedupeerd door het besluit. Als gevolg van het besluit komt het personeel in een zeer ongunstige situatie te verkeren. Omdat zij allen werk- en woonachtig in Frankrijk zijn kunnen zij naar alle waarschijnlijkheid geen aanspraak maken op een WW-uitkering en bovenwettelijk uitkering. Eiseres wordt door het besluit geschaad in een fundamenteel belang en daarom mag haar de toegang tot de rechter niet worden onthouden. Eiseres heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:847.

8.

Ter beantwoording staat de vraag of verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

9.

De rechtbank overweegt dat onder belanghebbende ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Uit de jurisprudentie volgt dat een persoon met een afgeleid belang geen rechtstreeks belang heeft. Uitgangspunt daarbij is dat degene die slechts in een privaatrechtelijk rechtsverhouding met de eerst getroffene staat niet in bezwaar/beroep kan worden ontvangen, nu laatstgenoemde voor die belangen dient op te komen. Zo is een werknemer in beginsel geen belanghebbende bij een tot diens werkgever gericht besluit. Uit de jurisprudentie volgt verder dat er uitzonderingen op die regel mogelijk zijn, waarbij moet worden geoordeeld dat de belangen van de werknemer toch rechtstreeks bij een tot de werkgever gericht besluit zijn betrokken. Dit is bijvoorbeeld het geval als het persoonlijk belang van de werknemer groter is dan dat van de werkgever, zie onder meer de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) van 11 januari 2000, ECLI:NL:CBB:2000:AN6260. En verder als er een reële mogelijkheid bestaat dat eiser(es) wordt geschaad in een aan een fundamenteel recht ontleend belang, ter bescherming waarvan deze de toegang tot de bestuursrechter niet zou mogen worden onthouden, zie onder meer de uitspraak van de AbRS van 21 augustus 2013 waarnaar eiseres heeft verwezen en de uitspraak van de AbRS van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2341.

10.

De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval sprake is van een dergelijke uitzondering en dat moet worden geoordeeld dat de belangen van eiseres rechtstreeks bij het besluit van 12 juli 2013 zijn betrokken. Het besluit is weliswaar gericht aan de Stichting NOB, maar het treft de Nederlandse Afdeling zwaarder, nu de Stichting NOB wordt gekort op subsidie, terwijl de vergoeding aan de Nederlandse Afdeling geheel wordt beëindigd. Door het besluit zal de Nederlandse Afdeling moeten afbouwen en uiteindelijk moeten sluiten met als gevolg onder meer ontslag van het personeel. Daarbij wordt overwogen dat naar eiseres heeft betoogd de personeelsleden wonen en werken in Frankrijk en daardoor mogelijk geen aanspraak kunnen maken op een werkloosheidsuitkering of andere uitkering.

Gelet hierop heeft eiseres, als vertegenwoordigend orgaan van het personeel, feitelijk een groter belang bij het besluit tot korting van de subsidie dan de Stichting NOB zelf, die niet alleen dient te bezuinigen op de Nederlandse Afdeling maar ook op andere onderwijsvoorzieningen. Daarbij komt dat de Stichting NOB in de bijzondere relatie met verweerder, waarbij de Stichting optreedt als door verweerder gemandateerd werkgever, aanleiding heeft gezien het beroep tegen de handhaving van het besluit in te trekken.

Gelet hierop bestaat een reële mogelijkheid dat eiseres in een aan het fundamenteel recht op arbeid ontleend belang zal worden geschaad ter bescherming waarvan haar de toegang tot de bestuursrechter niet kan worden onthouden. Anders dan verweerder is de rechtbank daarom van oordeel dat eiseres voldoende eigen belang heeft om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.

11.

Hetgeen verweerder verder over de subsidie heeft aangevoerd doet hieraan niet af. Dit kan in bezwaar aan de orde komen. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder verder inhoudelijk heeft gesteld dat de bezuiniging op het Nederlands onderwijs in het buitenland in het algemeen en op de Nederlandse Afdeling in het bijzonder uitgebreid en expliciet met de Tweede Kamer is besproken en een korting op de subsidie rechtvaardigen. Verweerder komt hierbij een ruime beleidsvrijheid toe. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat een redelijke termijn in acht wordt genomen met een afbouwperiode tot 1 augustus 2016 waarin de kosten van Nederlandse Afdeling zullen worden vergoed. Verweerder vindt hierbij steun in de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 3 oktober 2013 in de zaak van de Stichting NOB tegen verweerder, waarin de voorzieningenrechter naar voorlopig oordeel heeft overwogen dat er geen reden is voor de conclusie dat de korting op de subsidie geen stand kan houden en de geboden termijn niet redelijk is. Al deze door verweerder genoemde aspecten zullen door verweerder bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar kunnen worden betrokken in de beoordeling of het besluit van 12 juli 2013 rechtmatig is.

12.

Gelet op vorenstaande heeft verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Daarom wordt onder gegrondverklaring van het beroep het besluit vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.

13.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

14.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast komen de door eiseres aangevoerde reiskosten gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking, tot een bedrag van € 127,06. De overige door eiseres aangevoerde reiskosten zijn niet onderbouwd.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigd het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1101.06.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J. Edens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.