Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6518

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
09/753991-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf schoonheidsspecialiste voor mishandeling en oplichting

De schoonheidsspecialiste die veertien klanten zwaar letsel en pijn heeft toegebracht, krijgt van de Haagse rechtbank twee jaar celstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Gedurende vijf jaar mag zij geen schoonheidsspecialistische behandelingen verrichten.

De schoonheidsspecialiste verrichte, hoewel ze niet bekwaam was, diverse ingrijpende cosmetische ingrepen, waaronder het injecteren van zogenoemde fillers en het aanbrengen van permanente make-up. Deze behandelingen leidden onder andere tot pijn en zwellingen bij haar klanten. Een deel van de slachtoffers heeft zware hersteloperaties moeten ondergaan. Zij hebben nog steeds last van de nadelige gevolgen.

De rechtbank veroordeelt de schoonheidsspecialiste ook omdat ze haar slachtoffers oplichtte door onder meer de indruk te wekken dat zij een professioneel werkende en betrouwbare cosmetische kliniek had. De rechtbank rekent het de vrouw zeer zwaar aan dat zij het in haar gestelde vertrouwen ernstig heeft geschaad en zich uitsluitend heeft laten leiden door haar eigen financiële gewin. Dit klemt te meer nu zij geen enkel berouw heeft getoond over haar laakbare gedrag en de schuld telkens bij haar slachtoffers en hun medische behandelaars heeft gelegd.

De rechtbank heeft in het feit dat het programma Undercover in Nederland in oktober 2013 een uitzending over de praktijken van deze vrouw heeft uitgezonden en het feit dat dit TV-programma bij de arrestatie van de vrouw in juni 2013 aanwezig is geweest geen aanleiding gezien om de op te leggen straf naar beneden bij te stellen. Gezien deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van een schending van de privacy van de vrouw die tot strafvermindering moet leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/753991-12

Datum uitspraak: 27 mei 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1960 te [woonplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [p.i.].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 september 2013, 12 december 2013,

27 februari 2014 en 13 mei 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Rijsdorp en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. T. de Bont, advocaat te Amsterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 juni 2013 te Leiden en/of Amsterdam en/of ’s-Gravenhage en/of Nijmegen en/of Schiphol, in elk geval in Nederland, opzettelijk (een) perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13]), heeft mishandeld door,

- onder onvoldoende hygienische omstandigheden voornoemde perso(o)n(en) te behandelen (waaronder door te behandelen lichaamsdelen onvoldoende te desinfecteren/ontsmetten voorafgaand aan de behandeling en/of niet steriele producten te gebruiken en/of niet steriel te werken) en/of

- ( onbevoegd) een voorbehouden handeling te verrichten, te weten te injecteren in de lippen en/of elders in het gezicht en/of de borsten en/of de billen (in strijd met art 35 Wet BIG) en/of

- met niet (voor de Nederlandse markt) goedgekeurde ‘fillers’ te injecteren en/of

- zich voor te doen werkende volgens de algemeen geldende standaarden en/of normen en/of goedgekeurde producten en/of

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling(en) en/of

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling(en), tengevolge waarvan deze personen zwaar lichamelijk letsel ((blijvende littekens en/of verlittekening en/of abcessen en/of (chronische) ontstekingen en/of bulten in de lippen en/of elders in het gezicht en/of borsten en/of billen), althans enig lichamelijk letsel, heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

en/of

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 juni 2013 te Leiden en/of Amsterdam en/of ’s-Gravenhage en/of Nijmegen en/of Schiphol, in elk geval in Nederland, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van (een) perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13]), door,

- onder onvoldoende hygienische omstandigheden voornoemde perso(o)n(en) te behandelen (waaronder door te behandelen lichaamsdelen onvoldoende te desinfecteren/ontsmetten voorafgaand aan de behandeling en/of niet steriele producten te gebruiken en/of niet steriel te werken) en/of

- ( onbevoegd) een voorbehouden handeling te verrichten, te weten te injecteren in de lippen en/of elders in het gezicht en/of de borsten en/of de billen (in strijd met art 35 Wet BIG) en/of

- met niet (voor de Nederlandse markt) goedgekeurde ‘fillers’ te injecteren en/of

- zich voor te doen werkende volgens de algemeen geldende standaarden en/of normen en/of goedgekeurde producten en/of

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling(en) en/of

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling(en), tengevolge waarvan deze personen zwaar lichamelijk letsel ((blijvende littekens en/of verlittekening en/of abcessen en/of (chronische) ontstekingen en/of bulten in de lippen en/of elders in het gezicht en/of borsten en/of billen), althans enig lichamelijk letsel, heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

en/of

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 juni 2013 te Leiden en/of Amsterdam en/of ’s-Gravenhage en/of Nijmegen en/of Schiphol, in elk geval in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, te weten

- onder onvoldoende hygienische omstandigheden voornoemde perso(o)n(en) heeft behandeld (waaronder dat zij de te behandelen lichaamsdelen onvoldoende heeft gedesinfecteerd/ontsmet voorafgaand aan de behandeling en/of niet steriele producten heeft gebruikt en/of niet steriel te werken) en/of

- ( onbevoegd) een voorbehouden handeling heeft verricht, te weten door te injecteren in de lippen en/of elders in het gezicht en/of de borsten en/of de billen (in strijd met art 35 Wet BIG) en/of

- met niet (voor de Nederlandse markt) goedgekeurde ‘fillers’ heeft geïnjecteerd en/of

- zich heeft voorgedaan werkende volgens de algemeen geldende standaarden en/of normen en/of goedgekeurde producten en/of

- onvoldoende informatie heeft verstrekt over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling(en) en/of

- nalatig is geweest in de nazorg van de behandeling(en), waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat (een) perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13]) zwaar lichamelijk letsel ((blijvende littekens en/of verlittekening en/of abcessen en/of (chronische) ontstekingen en/of bulten in de lippen en/of elders in het gezicht en/of borsten en/of billen), heeft/hebben bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

2.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 april 2013 tot en met 11 juni 2013 te Amsterdam en/of Schiphol, in elk geval in Nederland, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 5]), heeft mishandeld door

- zonder vergunning en/of onder onvoldoende hygiënische omstandigheden met tatoeage inkt en/of een tatoeage apparaat de tepel(s) te behandelen en/of

- zich voor te doen werkende volgens de algemeen geldende standaarden en/of normen en/of goedgekeurde producten en/of

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling(en) en/of

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling(en), tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (blijvende donkere rand(en) en/of litteken(s) op en/of rondom de tepel(s)), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en/of

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 april 2013 tot en met 11 juni 2013 te Amsterdam en/of Schiphol, in elk geval in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, te weten

- zonder vergunning en/of onder onvoldoende hygiënische omstandigheden met tatoeage inkt en/of een tatoeage apparaat de tepel(s) heeft behandelen en/of

- zich heeft voorgedaan werkende volgens de algemeen geldende standaarden en/of normen en/of goedgekeurde producten en/of

- onvoldoende informatie heeft verstrekt over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling(en) en/of

- nalatig is geweest in de nazorg van de behandeling(en), waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat een persoon, te weten [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvende donkere rand(en) en/of litteken(s) op en/of rondom de tepel(s)) heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

3.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 januari 2010 tot en met 31 december 2010 te Leiden, in elk geval in Nederland, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 14]), heeft mishandeld door

- met verkeerde althans niet of minder geschikte tatoeage inkt en/of met (een) verkeerde inktkleur(en) te behandelen en/of

- in strijd met de geldende norm onder de ogen getatoeëerd/permanente make-up aan te brengen en/of

- zich voor te doen werkende volgens de algemeen geldende standaarden en/of normen en/of goedgekeurde producten en/of

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of de ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling(en) en/of

- nalatig is geweest in de nazorg van de behandeling(en), tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (pijn en/of zwelling(en) en/of ontsierende en/of (lichte) verkleuring onder de ogen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en/of

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 januari 2010 tot en met 31 december 2013 te Leiden, in elk geval in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, te weten

- met verkeerde althans niet of minder geschikte tatoeage inkt en/of met (een) verkeerde inktkleur(en) heeft behandeld en/of

- in strijd met de geldende norm onder de ogen getatoeëerd/permanente make-up heeft aangebracht en/of

- zich heeft voorgedaan werkende volgens de algemeen geldende standaarden en/of normen en/of goedgekeurde producten en/of

- onvoldoende informatie heeft verstrekken over de aard en/of de ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling(en) en/of

- nalatig is geweest in de nazorg van de behandeling(en), waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat een persoon, te weten [slachtoffer 14] zwaar lichamelijk letsel, te weten (pijn en/of zwelling(en) en/of ontsierende en/of (lichte) verkleuring onder de ogen) heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

4.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 juni 2013 te Leiden en/of Amsterdam en/of ’s-Gravenhage en/of Nijmegen, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 6] en/of en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 12] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ten behoeve van ondergane behandelingen, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- ( relatief) goedkope behandelingen aangeboden (waarna steeds meer/steeds weer bij) betaald moest worden en/of

- zich voorgedaan als gediplomeerd en/of gecertificeerd en/of GGD bevoegd behandelaar en/of

- zich voorgedaan als groot, door het hele land gevestigd, bedrijf en/of;

- zich voorgedaan als werkende volgens de algemeen geldende standaarden en/of normen en/of goedgekeurde producten en/of

- gesuggereerd dat ze beschikte over vereiste vergunningen en/of

- gesuggereerd dat ze relevante opleidingen zou hebben gevolgd en/of

- ( semi) en/of tijdelijke permanente opvulling (fillers) aangeboden, terwijl die na een aantal dagen en/of weken weer waren verdwenen en/of er geen resultaat meer van te zien was, waardoor voornoemde perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 juni 2013 te Leiden en/of Amsterdam en/of 's-Gravenhage en/of Nijmegen en/of Wijchen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, een of meer geschrift(en), waaronder diploma's en/of certifica(a)t(en) op het gebied van schoonheidsbehandelingen in ruime zin, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of voornoemde valse of vervalste geschriften (telkens) opzettelijk

voorhanden heeft gehad, terwijl zij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik immers heeft verdachte toen en daar (telkens) valselijk, op haar/een computer de geschrift(en) geheel valselijk opgemaakt en/of (vervolgens) uitgeprint en/of (vervolgens) voorzien van een of meer valse handtekening(en) en/of diploma('s) en/of certifica(a)t(en) in de behandelruimte(n) opgehangen, in elk geval zichtbaar gemaakt voor de perso(o)n(en) die bij verdachte behandeld werden als ware het echt en onvervalst;

6.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 juni 2013 te Leiden en/of Amsterdam en/of 's-Gravenhage en/of Nijmegen en/of Wijchen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer geschrift(en), waaronder etiket(ten) (bedoeld voor medicijnflesjes, althans flesjes gevuld met een vloeistof), op welke etiketten onder de tekst “NCTF 135 HA” en/of “2015-10” stond vermeld, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of voornoemde valse of vervalste geschriften (telkens) opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik immers heeft verdachte toen en daar (telkens) valselijk, die etiketten gekopieerd en/of op andere wijze gereproduceerd/gedupliceerd op blanco etiketten en/of op andere wijze vervalst en/of op (een) medicijnflesje(s) geplakt en/of deze/dit flesje gebruikt bij (een) behandeling(en) in in elk geval zichtbaar voorhanden heeft gehad voor de perso(o)n(en) die bij verdachte behandeld werden als ware het echt en onvervalst;

7.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 juni 2013 te Leiden en/of Amsterdam en/of 's-Gravenhage en/of Nijmegen en/of Wijchen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten, lidocaine, zijnde/althans (een) middel(en) bevattende lidocaine, in elk geval een geneesmiddel vallend onder de geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad heeft gehad en/of heeft afgeleverd en/of ter hand heeft gesteld;

8.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van1 januari 2010 tot en met 11 juni 2013 te Leiden en/of Amsterdam en/of 's-Gravenhage en/of Nijmegen en/of Wijchen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen (handels)vergunning geldt, te weten, lidocaine, zijnde/althans (een) middel(en) bevattende lidocaine, in elk geval een geneesmiddel vallend onder de geneesmiddelenwet en waarvoor geen (handels)vergunning geldt, heeft bereid.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte in de hoedanigheid van schoonheidsspecialiste 14 klanten pijn en/of (zwaar) letsel heeft toegebracht door het injecteren van zogenoemde fillers en/of het aanbrengen van tatoeages en/of permanente make-up (feiten 1, 2 en 3). Voorts wordt haar verweten een deel van deze klanten te hebben opgelicht (feit 4), en zich schuldig te hebben gemaakt aan valsheid in geschrift (feiten 5 en 6) en overtreding van de Geneesmiddelenwet (feiten 7 en 8).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kern van het tenlastegelegde, met uitzondering van feit 5, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, op gronden in zijn pleitnota verwoord, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Op hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.4

Het oordeel van de rechtbank1

3.4.1

Algemene overwegingen

De rechtbank stelt de volgende, voor het bewijs relevante, feiten en omstandigheden voorop. Verdachte is na in haar geboorteland Iran een economische opleiding te hebben gevolgd vanaf medio 2008 tot juni 2013 werkzaam geweest als schoonheidsspecialiste in onder meer Leiden, Amsterdam, Schiphol, Den Haag en Nijmegen.2 De werkwijze in haar salons was aldus, dat cliënten contant moesten afrekenen en geen factuur ontvingen. Op 22 september 2008 heeft verdachte voor haar bedrijf [bedrijf 1] van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de periode tot en met 21 september 2010 een vergunning gekregen voor het aanbrengen van tatoeages in haar schoonheidssalon in Leiden. Blijkens een printscreen van haar website en de website [website] d.d. 3 augustus 2012 was zij landelijk actief en legde zij zich onder meer toe op (permanente) lipvergrotingen, permanente make-up, injectables met hyaluronzuur, tepelinkleuring en behandelingen tegen donkere oogkringen.3 Nadat op het internet negatieve berichten over haar dienstverlening circuleerden, heeft verdachte haar activiteiten voortgezet onder de bedrijfsnaam [bedrijf 2].4 Op 6 april 2011 werd de verlengingsaanvraag voor haar tatoeëervergunning bij beschikking afgewezen, omdat bij een inspectie van de GGD diverse overtredingen waren geconstateerd. Uit de betreffende beschikking blijkt dat klanten onvoldoende werden geïnformeerd over de risico’s van de behandeling, de tatoeagemachine verkeerd was neergezet waardoor de naald kon worden herbesmet, er werd getatoeëerd op wijnvlekken, moedervlekken of aangetaste huid zonder toestemming van een arts, er in strijd met de voorschriften geen handschoenen werden gedragen en ten slotte dat de handen niet werden gereinigd of gedesinfecteerd.5 Vanaf circa 2010 hebben zich diverse ontevreden klanten gemeld bij de politie en overige toezichthouders. Hierna is door de politie onder leiding van de officier van justitie een opsporingsonderzoek opgestart, wat heeft uitgemond in de voorliggende tenlastelegging. Parallel aan het politieonderzoek en onafhankelijk daarvan heeft het televisieprogramma Undercover in Nederland onderzoek naar verdachte verricht en in oktober 2013 een uitzending aan haar gewijd. Op 11 juni 2013 is verdachte aangehouden en zijn haar woningen en twee behandellocaties doorzocht.

3.4.2

Beoordeling van de feiten 1, 2, 3 en 4

Algemene bewijsoverwegingen feiten 1 tot en met 3

Het verwijt in feit 1, 1 tot en met 3 cumulatief/alternatief, is feitelijk omschreven aan de hand van zes gedachtestreepjes. Alvorens de rechtbank toekomt aan de bespreking van de bewijsmiddelen overweegt de rechtbank over het eerste, tweede, derde en vierde gedachtestreepje als volgt. Achter het eerste gedachtestreepje is omschreven dat verdachte haar behandelingen zou hebben verricht onder onvoldoende hygiënische en/of steriele omstandigheden. Hoewel aannemelijk is geworden dat in het algemeen van dergelijke omstandigheden sprake was, gelet op de bevindingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met betrekking tot drie behandellocaties van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat dit ook tijdens de behandelingen van de afzonderlijke aangevers daadwerkelijk het geval was. Dit onderdeel kan dan ook niet bewezen worden verklaard. Het tweede gedachtestreepje bevat het verwijt dat verdachte meermalen een handeling (injecteren) heeft verricht die op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg is voorbehouden aan een geregistreerde zorgverlener. Uit de tekst van de wet en de parlementaire geschiedenis blijkt echter dat de wet slechts ziet op handelingen die er toe strekken de gezondheid van de betrokkene te bevorderen en/of te bewaken en dat de wetgever niet heeft beoogd niet medisch noodzakelijke, cosmetische ingrepen (waaronder cosmetische injecties) onder het toepassingsbereik van de wet te scharen. Minister Schippers van Volksgezondheid heeft bij brief van 21 oktober 2013 de Tweede Kamer bericht dat ook zij de wet aldus interpreteert en overigens opgemerkt dat zij in dit beperkte toepassingsbereik van de wet aanleiding heeft gezien een wetswijziging te initiëren. Gelet hierop kan ook het tweede gedachtestreepje niet bewezen worden verklaard. Achter het derde en vierde gedachtestreepje is omschreven dat verdachte niet (voor de Nederlandse markt) goedgekeurde fillers heeft geïnjecteerd, respectievelijk dat zij zich heeft voorgedaan als werkende volgens de algemene geldende standaarden/normen en met behulp van goedgekeurde producten. De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld welke producten verdachte daadwerkelijk bij de afzonderlijke aangevers heeft ingespoten en voorts dat het dossier onvoldoende informatie over de in de branche toepasselijke algemene standaarden en/of normen bevat. De rechtbank kan ook deze onderdelen niet (volledig) bewezen verklaren. Het voorgaande geldt (tenzij hierna anders vermeld) mutatis mutandis ook voor de vrijwel gelijkluidende gedachtestreepjes in de feiten 2 en 3.

Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de rechtbank zich thans geplaatst voor de beoordeling van de overige onderdelen van de tenlastelegging. De rechtbank stelt voorop dat in de onderhavige zaak een bewezenverklaring van mishandeling en/of opzettelijke benadeling van de gezondheid en/of zwaar lichamelijk letsel door schuld kan volgen indien bewezen kan worden dat verdachte, zonder daartoe bekwaam te zijn, de verweten behandeling (zoals injecteren en of (cosmetisch) tatoeëren) heeft verricht en dat het in de tenlastelegging beschreven gevolg (pijn en/of letsel) is ingetreden. Dat verdachte onbekwaam was de aan de orde zijnde cosmetische behandelingen te verrichten, volgt genoegzaam uit het onder 3.4.1 overwogene in samenhang met de hierna aan te halen verklaringen en overige bewijsmiddelen. Voorts leren de algemene ervaringsregels dat deze behandelingen pijn en/of letsel met zich kunnen brengen, zodat bij verdachte ten minste sprake moet zijn geweest van aanvaarding van het risico van het toebrengen van pijn en/of letsel. Dat de behandelingen van verdachte daadwerkelijk ook pijn met zich hebben gebracht blijkt uit de aangiftes waarin zonder uitzondering wordt gesproken over hevige pijn. Ook verklaren de aangevers over het door hen geleden letsel. Opzet op het toebrengen van pijn en/of letsel, al dan niet in voorwaardelijke vorm, is daarmee dan ook gegeven.

Met betrekking tot de wederrechtelijkheid overweegt de rechtbank dat in algemene zin kan worden gesteld dat wanneer een cliënt opdracht geeft tot het verrichten van een cosmetische behandeling, daarmee (impliciet) toestemming wordt verleend om pijn en/of tijdelijk letsel toe te brengen indien de behandeling dat vereist. Dit is evenwel anders wanneer de behandelaar, in casu verdachte, niet bekwaam en/of niet bevoegd is de betreffende behandeling te verrichten, en deze de cliënt daarover en over de aard, risico’s en gevolgen van de behandeling, niet of gebrekkig heeft geïnformeerd. In dat geval mag er niet van worden uitgegaan dat de wederrechtelijkheid ontbreekt, nu men erop mocht vertrouwen zich te onderwerpen aan de behandeling van een bekwaam en/of bevoegde behandelaar. Hierbij weegt de rechtbank mee dat het feit dat het injecteren formeel geen voorbehouden handeling in de zin van de Wet BIG betreft, niet met zich brengt dat een ieder straffeloos over kan gaan tot het geven van injecties. De ratio van de wet BIG op dit punt is immers dat het injecteren grote risico’s met zich brengt voor de gezondheid, zodat er eisen gesteld mogen worden aan de bekwaamheid van degene die deze injecties aanbiedt. Aan deze eisen voldoet verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet.

Ten slotte is ook het nalaten deugdelijke nazorg te verlenen, voor zover het niet reeds heeft bijdragen aan het ontstaan van pijn en/of letsel, redengevend voor het opzet en de wederrechtelijkheid, omdat hierdoor de onbekwaamheid van verdachte wordt onderstreept.

Verdachte heeft, voor zover zij heeft bekend vloeistoffen in het lichaam van de aangevers te hebben gebracht, aangevoerd dat slechts sprake was van mesotherapie; een in haar ogen onschuldige behandeling met korte naalden waarvoor – anders dan voor fillerinjecties – geen bijzondere bekwaamheid is vereist. De rechtbank overweegt dat zij deze lezing niet volgt. Uit algemeen kenbare bronnen volgt dat mesotherapie een vorm van schoonheidsbehandeling is waarbij door middel van kleine naaldjes, welke zijn bevestigd op een daarvoor bestemd apparaat, slechts 1 tot 2 mm diep afbreekbare vloeistoffen in de huid worden gebracht. Door middel van mesotherapie kan de huid worden verbeterd. Echter, mesotherapie betreft uitdrukkelijk niet het vullen van rimpels en evenmin kunnen lippen dan wel andere lichaamsdelen worden vergroot door middel van mesotherapie. Uit de aangiftes volgt dat alle aangevers, met uitzondering van [slachtoffer 14] waarbij het uitsluitend om tatoeëren ging, een behandeling ondergingen waarbij zogenoemde “fillers” vanuit de losse hand door middel van een injectiespuit werden geïnjecteerd, veelal in de lippen of in (diepe) rimpels in het gezicht. De lezing van verdachte wordt voorts weersproken door na te noemen bewijsmiddelen en het feit dat onder verdachte (afgevulde) injectiespuiten in beslag zijn genomen.6 De stelling dat deze waren bestemd voor eigen gebruik, acht de rechtbank in het licht van de overige onderzoeksbevindingen volstrekt onaannemelijk.

Algemene bewijsoverwegingen feit 4

De rechtbank stelt voorop dat een bewezenverklaring ter zake van oplichting kan volgen indien bewezen kan worden dat verdachte de betreffende aangevers door een of meer in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot het tegen betaling ondergaan van een (filler)behandeling, terwijl zij wist dat deze behandeling gedoemd was te mislukken. In dat geval is niet uitsluitend sprake van een civiele tekortkoming in de nakoming, maar tevens van een strafbare oplichting. Bij de beoordeling hiervan betrekt de rechtbank allereerst hetgeen hiervoor is overwogen over, en hierna zal blijken ten aanzien van de bekwaamheid van verdachte. Ook slaat zij acht op de inhoud van de hiervoor genoemde website van verdachte, nu (vrijwel) alle aangevers via die weg zijn geattendeerd op de door verdachte aangeboden diensten en aldus met haar in contact zijn gekomen. De rechtbank is van oordeel dat met deze website, gelet op het professionele uiterlijk, de aanprijzingen van de behandelingen en de foto’s van de te verwachten behandelingsresultaten, de indruk werd gewekt dat men van doen had met een professioneel werkende en betrouwbare cosmetische kliniek. Een indruk die gelet op hetgeen is komen vast staan met betrekking tot de bekwaamheid en handelwijze van verdachte, volstrekt in strijd met de werkelijkheid was. Ook het feit dat op de website cursussen werden aangeboden die blijkens de aanprijzingen voldeden aan GGD-richtlijnen, droeg bij aan de schijn van professionaliteit, deskundigheid en bekwaamheid. De rechtbank betrekt bij de beoordeling van het tenlastegelegde voorts de omstandigheid dat op een behandellocatie van verdachte injectiespuiten (kennelijk gereed voor injectie) zijn aangetroffen, gevuld met hyaluronzuur van een type dat niet geschikt is te worden gebruikt als filler.7 Ten slotte overweegt de rechtbank dat, zoals hierna zal blijken, de modus operandi in de diverse zaken onderling vrijwel overeenstemt, zodat de verklaringen in de afzonderlijke zaken in zoverre over en weer kunnen en zullen dienen als steunbewijs.

Uit een aantal aangiftes kan niet worden opgemaakt dat het resultaat van de behandeling met fillers, in strijd met wat door verdachte aan de betreffende aangeefster werd aangeboden, binnen afzienbare tijd reeds was verdwenen. Waar aangeefsters niet expliciet hebben verklaard over het (snel) verdwijnen c.q. het gebrek aan resultaat van de behandeling zal de rechtbank verdachte vrijspreken van feit 4 voor zover dit ziet op deze aangeefsters. De rechtbank heeft vastgesteld dat het vorengaande geldt voor de aangiftes van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10]. Ten aanzien van aangever [slachtoffer 14] zal verdachte ook worden vrijgesproken, omdat onvoldoende duidelijk is geworden over het product dat verdachte voor de tatoeages heeft gebruikt, en [slachtoffer 14] op enig moment tevreden was over het resultaat. Omstandigheden die meebrengen dat een en ander niet zonder meer als oplichting kan worden aangemerkt.

[slachtoffer 1]

(hierna ook: [slachtoffer 1]) heeft in haar aangifte verklaard dat zij medio juli 2011 in contact is gekomen met verdachte omdat zij interesse had in een door verdachte aangeboden anti-rimpelbehandeling. Verdachte adviseerde haar om niet alleen de kaaklijn, maar ook de borsten en de billen met permanente gel te injecteren. Verdachte vertelde dat zij de enige was met een vergunning voor dergelijke cosmetische ingrepen. Zij bood een levenslange garantie. Verdachte vertelde voorts dat dit een dure behandeling is, maar dat zij [slachtoffer 1] veel korting zou geven. In totaal zou de behandeling € 10.000,-- kosten. Enige tijd later gaf verdachte te kennen dat de behandeling bij nader inzien € 12.000,-- zou kosten. Verdachte toonde haar foto’s van het te verwachten resultaat en haalde haar over snel te beslissen, omdat de prijs anders nog hoger zou worden. Op 2 september 2011 vond in Leiden de eerste behandeling plaats. In de behandelkamer hingen diploma’s aan de wand. Verdachte spoot zonder verdere uitleg diverse injecties in haar kaaklijn. De behandeling was pijnlijk. Verdachte zei haar dat dit erbij hoorde en dat zij moest door zetten. De dagen erna hield de pijn aan. Op 5 september 2011 vond in Leiden de tweede behandeling plaats. Verdachte spoot diverse injecties in de borsten en billen van [slachtoffer 1]. Ook deze behandeling was pijnlijk en verdachte zei wederom dat dit niet abnormaal was. Enige tijd later ontstonden ontstekingen op de behandelde lichaamsdelen. Er ontstonden onderhuidse bulten waar bloed, pus en gel uit kwam. Verdachte gaf haar hierop op 15 september 2011 een antibioticakuur en adviseerde niet naar een dokter te gaan, omdat deze de gel zou verwijderen. [slachtoffer 1] betaalde verdachte contant de behandelingskosten. Als gevolg van de complicaties is zij haar baan kwijtgeraakt.8 Op nadere vragen heeft [slachtoffer 1] voorts verklaard dat verdachte had benadrukt dat er geen risico’s aan de behandeling kleefden. Het resultaat zou binnen twee weken volledig uit de verf komen. De gehanteerde injectienaalden waren ongeveer 6 centimeter lang en werden 1 à 1,5 centimeter het lichaam in gebracht.9

[dermatoloog 1], dermatoloog, heeft in november 2011 bij [slachtoffer 1] waargenomen dat sprake was van een fors opgezette mamma met tekenen van ontsteking en induratie rond en onder de tepel en aureo, hetgeen voor hem aanleiding was [slachtoffer 1] door te verwijzen naar een plastisch chirurg.10

Verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 1] heeft behandeld door middel van mesotherapie op haar hoofdhuid. Verdachte had naar eigen zeggen voorgesteld cocktailinjecties met onder meer hyaluronzuur in te spuiten, maar [slachtoffer 1] zou hier geen interesse in hebben gehad.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte jegens [slachtoffer 1] het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat het letsel als zwaar kan worden gekwalificeerd. Ook de behandeling aan de billen vindt onvoldoende steun in overig bewijs, zodat deze onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen zullen worden verklaard.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij omstreeks september 2011 tot en met november 2011 te Leiden, opzettelijk [slachtoffer 1] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij omstreeks september 2011 tot en met november 2011 te Leiden, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 1] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij omstreeks september 2011 tot en met november 2011 te Leiden, in elk geval in Nederland, grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, te weten door

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben verklaard dat zij verdachte hadden benaderd omdat zij beiden hun lippen wilden laten vergroten. Blijkens haar website kon verdachte voor een bedrag van

€ 150,-- onbeperkt lippen volspuiten. Op 14 maart 2013 spraken zij met verdachte af in een kantoorpand in Den Haag. Voorafgaand aan de behandeling moest contant worden betaald. Eerst werd [slachtoffer 3] behandeld. Verdachte vertelde [slachtoffer 3] dat zij niet hoefde te schrikken als haar lippen zouden opzwellen. De injecties vonden plaats met een dikke naald en waren pijnlijk. Na afloop had zij opgezwollen lippen. Toen was [slachtoffer 2] aan de beurt. Verdachte spoot ten minste tien maal met een injectienaald vloeistof in haar lippen. [slachtoffer 2] huilde naar eigen zeggen van de pijn. Na enkele uren waren de lippen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dusdanig ernstig opgezwollen, dat zij naar het ziekenhuis zijn gegaan. Daar werden beide aangevers opgenomen en voorzien van medicatie.11 Op nadere vragen heeft [slachtoffer 2] op 6 november 2013 verklaard dat haar lippen niet volledig zijn hersteld en nog steeds weleens pijnlijk zijn. Verdachte had naar haar zeggen verzekerd dat de zwelling binnen een dag verdwenen zou zijn. [slachtoffer 2] had zich bij verdachte laten behandelen omdat zij ten opzichte van andere schoonheidsspecialisten goedkoop was en omdat verdachte vertelde dat andere klanten tevreden waren.12 De behandeling heeft bij [slachtoffer 2] geen effect gehad. Na tweeënhalve week waren haar lippen weer van het formaat van voor de behandeling.13 [slachtoffer 3] heeft op nadere vragen verklaard dat verdachte haar niet had geïnformeerd over de risico’s van de behandeling. Ook tegen haar had verdachte gezegd dat de zwelling snel weg zou zijn. Verdachte hanteerde naar zeggen van [slachtoffer 3] lagere prijzen dan haar concurrenten.14 Beide aangevers hebben blijkens hun schriftelijke slachtofferverklaringen als gevolg van het letsel tijdelijk niet kunnen werken.15

Verdachte heeft verklaard dat zij de lippen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gevuld met fillers. Beide dames wilden naar haar zeggen meer ingespoten krijgen dan goed voor hen was. Omdat dit echter geen kwaad zou kunnen, heeft zij deze hoeveelheden toch ingespoten. Van een van de dames wist verdachte dat zij in het verleden eerder een filler had ingebracht gekregen, en dat dit een verhoogd risico op een allergische reactie met zich brengt.16

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat het letsel als zwaar kan worden gekwalificeerd, zodat die onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen zullen worden verklaard. Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte jegens [slachtoffer 2] het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij op 14 maart 2013 te Den Haag, opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling, ten gevolge waarvan deze personen enig lichamelijk letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden;

en

zij op 14 maart 2013 te Den Haag, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling ten gevolge waarvan deze personen enig lichamelijk letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden;

en

zij op 14 maart 2013 te Den Haag grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, te weten door

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] letsel hebben bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.

4.

zij op 14 maart 2013 te ’s-Gravenhage met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ten behoeve van ondergane behandelingen hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven

- gesuggereerd dat ze relevante opleidingen zou hebben gevolgd en/of

- ( semi) permanente opvulling (fillers) aangeboden, terwijl die na een aantal dagen weer waren verdwenen en er geen resultaat meer van te zien was, waardoor voornoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

[slachtoffer 4]

heeft verklaard dat zij met verdachte in contact is gekomen nadat zij op internet had gezien dat verdachte voor een schappelijke prijs fillerbehandelingen tegen rimpels aanbood. Zij spraken in juni 2011 af in de woning van verdachte in Den Haag. [slachtoffer 4] betaalde de overeengekomen prijs van € 150,-- contant. Aan de wanden van de woning hingen enige certificaten. Nadat verdachte de rimpels op het voorhoofd van [slachtoffer 4] had bekeken vroeg zij een hoger tarief. Toen [slachtoffer 4] daarop te kennen gaf dat zij niet meer geld had, zei verdachte dat zij korting zou krijgen. Tijdens het injecteren riep [slachtoffer 4] vanwege de enorme pijn meermalen dat verdachte moest stoppen, waarop verdachte zei dat [slachtoffer 4] veel injecties nodig had en dat doorgaan het beste voor haar zou zijn. Na de behandeling zag [slachtoffer 4] bobbeltjes op haar voorhoofd. Op de vraag van [slachtoffer 4] wat verdachte gedaan had, antwoordde verdachte dat zij een paar dagen moest wachten om de gel te laten werken. In de maanden daarna verergerden de klachten, waarna een dermatoloog constateerde dat er sprake was van een ontsteking door een chemische stof. Verdachte liet [slachtoffer 4] desgevraagd weten dat zij niet moest zeuren en dat de klachten vanzelf weg zouden gaan. Op enig moment is [slachtoffer 4] weer bij verdachte langsgegaan. Verdachte heeft toen met een naald in de zwellingen geprikt en een zwelling uitgeknepen tot bloedens toe. [slachtoffer 4] schreeuwde van de pijn. Verdachte zei dat [slachtoffer 4] een maand moest afwachten en dat het goed zou zijn als de behandelde huid zou gaan ontsteken. Het letsel verergerde in de daarop volgende maanden en er volgende diverse medische onderzoeken. In december 2012 is [slachtoffer 4] geopereerd door een plastisch chirurg die de huid van haar voorhoofd heeft moeten losmaken en afstropen om filler te verwijderen. [slachtoffer 4] kampt nu nog met een groot litteken in de haarrand en bulten op haar voorhoofd, en een stuk gevoelloze huid omdat er bij de operatie een zenuw is geraakt. Zij heeft nog dagelijks pijn en het litteken zal niet verdwijnen.17

Dr. [plastisch chirurg 1], plastisch chirurg, heeft gerapporteerd dat zich bij [slachtoffer 4] op 3 juli 2012 onder de huid van het voorhoofd wisselend verheven tumoren bevonden met een hoogte van maximaal 1 centimeter. Onderzoek naar een biopt wees uit dat sprake was een chronisch ontstekingsproces met vermoedelijk fagocytose van ingebracht materiaal, hetgeen aanleiding was de hiervoor beschreven operatie uit te voeren. Het bleek niet mogelijk het onderhuidse littekenweefsel volledig te exideren. Na de operatie is er overgevoeligheid op de behaarde hoofdhuid ontstaan, als gevolg van noodzakelijke doorsnijding van enkele huidzenuwen. Restloos herstel is uitgesloten.18

Verdachte heeft verklaard dat zij op het voorhoofd van [slachtoffer 4] rimpels door middel van een naald met vloeistof heeft opgevuld. Zij heeft gezien dat na verloop van tijd zwellingen ontstonden op het voorhoofd van [slachtoffer 4].19

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte jegens [slachtoffer 4] het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank is voorts van oordeel dat het beschreven letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd, zodat ook die onderdelen van de tenlastelegging bewezen zullen worden verklaard. Verdachte heeft gesteld dat [slachtoffer 4] na de behandeling in het buitenland opnieuw een filler heeft laten inbrengen en dat het letsel als gevolg daarvan is ontstaan. Voorts heeft zij gesteld dat het letsel op een minder ingrijpende wijze had kunnen worden hersteld en dat de chirurgische ingreep niet noodzakelijk was. De rechtbank acht beide stellingen volstrekt ongefundeerd, zodat het daarop gestoelde tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij in de periode van juni 2011 tot december 2012 te Den Haag, opzettelijk [slachtoffer 4] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon zwaar lichamelijk letsel (littekens en abcessen en bulten en ontstekingen in het gezicht) heeft bekomen;

en

zij in de periode van juni 2011 tot december 2012 te Den Haag, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 4] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon zwaar lichamelijk letsel (littekens en abcessen en bulten en ontstekingen in het gezicht) heeft bekomen;

en

zij in de periode van juni 2011 tot december 2012 te Den Haag, grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, te weten door

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel (littekens en abcessen en bulten en ontstekingen in het gezicht) heeft bekomen.

[slachtoffer 5]

heeft verklaard dat zij met verdachte in contact was gekomen nadat zij op internet was gestuit op een website waarop verdachte haar cosmetische diensten aanbood. Medio maart 2013 is [slachtoffer 5] met verdachte overeengekomen dat verdachte haar wallen en andere delen van het gezicht zou opvullen met (deels permanente) fillers en voorts dat verdachte littekens bij de tepels zou corrigeren. Op 2 april 2013 vond op Schiphol de behandeling plaats. [slachtoffer 5] betaalde contant. Verdachte garandeerde dat alles volledig veilig was en dat zij geen allergische reactie zou kunnen krijgen. Verdachte injecteerde de lippen, wangen, wenkbrauwen en jukbeenderen. Vervolgens begon zij met de behandeling van de littekens bij de tepels. Het apparaat dat verdachte hanteerde gaf een snijdend gevoel en bracht een donker randje aan rondom de tepels. Verdachte zei dat dit nog zou bijkleuren en dat [slachtoffer 5] zich geen zorgen hoefde te maken, ook niet over het opgezwollen gezicht. Verdachte zei “hoe meer zwelling, hoe beter”. De dagen erna hielden de zwellingen aan. Verdachte zei desgevraagd dat dit niet gevaarlijk was en dat een en ander zou wegtrekken. Op 9 april 2013 waren de zwellingen nog steeds niet weg en waren de randjes rond de tepels nog steeds donker. Verdachte benadrukte nogmaals dat er geen reden was voor bezorgdheid. Na een bezoek aan een plastisch chirurg bleek echter een operatieve ingreep noodzakelijk. In de periode daarna is [slachtoffer 5] opgenomen geweest en volgden diverse operatieve ingrepen om de filler te verwijderen en de ontsteking weg te nemen.20 Op nadere vragen heeft [slachtoffer 5] verklaard dat verdachte tevoren niet heeft geïnformeerd over de risico’s van de behandeling. Voorts heeft verdachte [slachtoffer 5] na het ontstaan van de ontstekingen nog geadviseerd zelf met naaldjes in de ontstekingen te prikken. Over de littekenbehandeling heeft [slachtoffer 5] verklaard dat er nog steeds twee zwarte randen om haar tepels zitten, ondanks dat verdachte had toegezegd dat dit zou bijkleuren.21

Dr. [plastisch chirurg 2], plastisch chirurg, heeft gerapporteerd dat bij [slachtoffer 5] medio april 2013 sprake was van ernstige ontstekingen en abcesvorming rondom de ogen.22

Verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 5] op de locatie Schiphol heeft behandeld aan haar gezicht en tepels. Haar donkere ‘oogringen’ en overige gezichtsdelen heeft zij door middel van een naald met een vloeistof ingespoten. De littekens rondom de tepel heeft verdachte middels tatoeage ‘ingekleurd’. Verdachte was naar eigen zeggen niet het in bezit van een vergunning voor het aanbrengen van tatoeages op de locatie Schiphol.23

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte jegens [slachtoffer 5] het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank is voorts van oordeel dat het beschreven letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd, zodat ook die onderdelen van de tenlastelegging bewezen zullen worden verklaard. Verdachte heeft gesteld dat het letsel op een minder ingrijpende wijze had kunnen worden hersteld en dat de chirurgische ingreep niet noodzakelijk was. De rechtbank schuift deze stelling als volstrekt ongefundeerd ter zijde.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte jegens [slachtoffer 5] het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij omstreeks april 2013 te Schiphol, opzettelijk [slachtoffer 5] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon zwaar lichamelijk letsel (littekens en abcessen en bulten en ontstekingen in het gezicht) heeft bekomen;

en

zij omstreeks april 2013 te Schiphol, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 5] door

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon zwaar lichamelijk letsel (littekens en abcessen en bulten en ontstekingen in het gezicht) heeft bekomen;

en

zij omstreeks april 2013 te Schiphol, grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, te weten door

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel (littekens en abcessen en bulten en ontstekingen in het gezicht) heeft bekomen;

2.

zij omstreeks april 2013 te Schiphol opzettelijk [slachtoffer 5], heeft mishandeld door

- zonder vergunning met een tatoeage apparaat de tepels te behandelen en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (blijvende donkere randen op en/of rondom de tepels) heeft bekomen;

en

zij omstreeks april 2013 te Schiphol grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, te weten door

- zonder vergunning met een tatoeage apparaat de tepels te behandelen en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat een persoon, te weten [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel (blijvende donkere randen op en/of rondom de tepels) heeft bekomen;

[slachtoffer 6]

heeft verklaard dat zij medio juli 2010 met verdachte in contact was gekomen, nadat zij op het internet was gestuit op een website waarop verdachte voor relatief weinig geld lipvergrotingen aanbood. Verdachte vertelde haar dat zij lage prijzen hanteerde, omdat haar behandelingen dan ook voor minder draagkrachtigen bereikbaar waren. Verdachte adviseerde een permanente filler in de lippen te laten spuiten voor een bedrag van € 250,--. Op de dag van de behandeling, 5 juli 2010, in Leiden, vertelde verdachte dat zij ruim 20 jaar ervaring had en dat zij certificaten en diploma’s had. Verder vertelde zij dat zij door het hele land klanten had. Aan de wand hingen twee certificaten. Na de lippen van [slachtoffer 6] te hebben bekeken adviseerde verdachte de behandeling daadwerkelijk te laten uitvoeren met en permanente filler, omdat zij vond dat [slachtoffer 6] dunne lippen had. Verdachte garandeerde een prachtig resultaat. De behandeling zou anders dan eerder toegezegd € 750,-- kosten. Uiteindelijk kreeg [slachtoffer 6] enige korting en zou een bedrag van € 650,-- worden gerekend. Dit is contant betaald. Verdachte spoot de vloeistof met een dikke naald in de lippen. Dit deed veel pijn. De dagen erna zwollen de lippen soms op en hield de pijn aan. Verdachte zei dat [slachtoffer 6] moest afwachten. Na tien dagen was het resultaat verdwenen. Verdachte zei desgevraagd dat dit kwam door haar dunne lippen en adviseerde tegen betaling een tweede behandeling te laten verrichten. [slachtoffer 6] weigerde. Op 10 augustus 2010 ontstond een pijnlijke infectie aan de lippen. Eén lip hing scheef en er ontstond een puspuist. Verdachte zei dat deze vanzelf weg zou gaan en adviseerde de puist uit te knijpen. Toen op 8 september 2010 de puist nog niet weg was, heeft verdachte deze uitgeknepen en weer volgespoten; wederom een pijnlijke behandeling. Na enige tijd was de vulling weer verdwenen.24 Op nadere vragen heeft [slachtoffer 6] verklaard dat verdachte tevoren niet had geïnformeerd naar haar gezondheidstoestand en dat zij niet had gezegd dat mogelijk meerdere behandelingen nodig waren.25

Drs. [arts], arts, heeft gerapporteerd dat hij op 16 september 2010 heeft waargenomen dat bij [slachtoffer 6] sprake was van bultjes in de lippen.26

Verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 6] een fillerbehandeling heeft gegeven.27

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte jegens [slachtoffer 6] het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat het letsel als zwaar kan worden gekwalificeerd en/of dat [slachtoffer 6] in de uitoefening van haar werkzaamheden is verhinderd geweest, zodat die onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen zullen worden verklaard.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte jegens [slachtoffer 6] het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij in de periode van juli 2010 tot en met september 2010 te Leiden, opzettelijk [slachtoffer 6] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij in de periode van juli 2010 tot en met september 2010 te Leiden, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 6] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4.

zij in de periode van juli 2010 tot en met september 2010 te Leiden met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen (door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ten behoeve van ondergane behandelingen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid

- ( relatief) goedkope behandelingen aangeboden (waarna steeds meer/steeds weer bij) betaald moest worden en

- zich voorgedaan als gediplomeerd en/of gecertificeerd behandelaar en

- gesuggereerd dat ze relevante opleidingen zou hebben gevolgd en

- permanente opvulling (fillers) aangeboden, terwijl die na een aantal dagen weer waren verdwenen en er geen resultaat meer van te zien was, waardoor voornoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

[slachtoffer 7]

heeft verklaard dat zij medio april 2013 met verdachte in contact was gekomen, nadat zij op het internet was gestuit op een website waarop verdachte cosmetische behandelingen aanbood. Kort daarop heeft zij samen met haar vriendin [betrokkene] een bezoek gebracht aan de behandellocatie van verdachte in Den Haag. Nadat eerst [betrokkene] was behandeld kreeg [slachtoffer 7] van verdachte meerdere injecties in haar lippen. Na afloop rekendenbeide dames contant af. Verdachte zei dat na de behandeling geen nadere zorg vereist was. De dagen erna zwollen de lippen op en werden deze pijnlijk. [slachtoffer 7] heeft zich hierop onder medische behandeling gesteld om de vulling te laten verwijderen. De arts constateerde dat sprake was van abcessen in de bovenlip. Verdachte was de dagen na de behandeling niet bereikbaar.28 Op nadere vragen heeft [slachtoffer 7] verklaard dat verdachte haar tevoren niet had geïnformeerd over de risico’s van de behandeling. Zij zei dat de zwelling binnen 24 uur zou zijn verdwenen.29

Op 21 mei 2013 heeft verdachte aan [slachtoffer 7] een sms-bericht gestuurd, waarmee zij kennelijk reageert op een sms-bericht van [slachtoffer 7] waarin laatstgenoemde haar zorgen uit over het resultaat van de behandeling.30

[betrokkene] heeft verklaard dat zij medio mei samen met [slachtoffer 7] in Den Haag een fillerbehandeling heeft gekregen van verdachte. De te verwachten zwelling zou naar zeggen van verdachte binnen 24 uur weg zijn. De behandeling was pijnlijk en na afloop ontstond een grote zwelling. De pijn nam toe.31

Drs. [huisarts], huisarts, heeft gerapporteerd dat medio mei 2013 bij [slachtoffer 7] sprake was van abcesvorming en ontstekingen in de bovenlip. Uit de lippen kwam een grote hoeveelheid vloeistof.32

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte jegens [slachtoffer 7] het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat het letsel als zwaar kan worden gekwalificeerd en/of dat [slachtoffer 7] in de uitoefening van haar werkzaamheden is verhinderd geweest, zodat die onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen zullen worden verklaard.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij omstreeks mei 2013 te Den Haag, opzettelijk [slachtoffer 7] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij omstreeks mei 2013 te Den Haag, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 7] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

[slachtoffer 8]

heeft verklaard dat zij medio mei 2013 met verdachte in contact was gekomen teneinde haar lippen te laten vergroten. Kort daarop heeft zij een bezoek gebracht aan de behandellocatie van verdachte in Amsterdam. Tegen betaling van € 260,-- heeft verdachte met een naald vloeistof in haar lippen gespoten. Dit deed veel pijn. Verdachte zei dat na de behandeling geen nadere zorg vereist was. Na de behandeling zwollen de lippen op en werden deze pijnlijk. Toen dit aanhield heeft zij een bezoek gebracht aan de spoedeisende hulp. Toen de zwelling na enige weken weg was, resteerden in de lippen drie harde plekken.

Verdachte had haar tevoren niet geïnformeerd over de risico’s van de behandeling. Ook hoefde [slachtoffer 8] geen gezondheidsverklaring te ondertekenen. Na de behandeling was verdachte niet bereikbaar.33 [slachtoffer 8] heeft blijkens haar schriftelijke slachtofferverklaringen als gevolg van het letsel tijdelijk niet kunnen werken.34

Verdachte heeft verklaard [slachtoffer 8] te hebben behandeld aan haar lippen. Naar haar zeggen wilde [slachtoffer 8] een meer dan gemiddeld grote hoeveelheid vloeistof in haar lippen.35

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte jegens [slachtoffer 8] het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat het letsel als zwaar kan worden gekwalificeerd, zodat die onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen zullen worden verklaard.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij omstreeks mei 2013 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 8] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij omstreeks mei 2013 te Amsterdam, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 8] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

en

zij omstreeks mei 2013 te Amsterdam grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, te weten door

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 8] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden was ontstaan.

[slachtoffer 9]

heeft verklaard zij op het internet was gestuit op een website waarop verdachte tegen een schappelijke prijs cosmetische behandelingen aanbood. Op 8 mei 2013 heeft verdachte in Nijmegen door middel van injecties vloeistof in het gezicht van [slachtoffer 9] gespoten. De behandeling was pijnlijk. Na afloop hield de pijn aan en ontstonden er in haar gezicht bloeduitstortingen en zwellingen. Verdachte was na de behandeling niet meer bereikbaar. Verdachte had haar tevoren niet op de risico’s van de behandeling gewezen. Ook had zij niet verteld dat er zulke pijnlijke zwellingen zouden kunnen ontstaan.36 heeft voorts verklaard dat zij met het resultaat van de behandeling uiteindelijk wel tevreden was, maar dat de effecten na drie maanden waren verdwenen, terwijl het zeker één tot twee jaar te zien zou moeten zijn. 37

In de agenda van verdachte staat bij 8 mei 2013 handgeschreven de naam [slachtoffer 9] en haar telefoonnummer vermeld.38 Verdachte heeft verklaard dat zij het handschrift herkent als het hare.39

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de behandeling bij [slachtoffer 9] heeft verricht en dat zij jegens haar het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat het letsel als zwaar kan worden gekwalificeerd en/of dat [slachtoffer 9] in de uitoefening van haar werkzaamheden is verhinderd geweest, zodat die onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen zullen worden verklaard.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte jegens [slachtoffer 9] het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij omstreeks mei 2013 te Nijmegen, opzettelijk [slachtoffer 9] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, tengevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij omstreeks mei 2013 te Nijmegen, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 9] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, tengevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4.

zij omstreeks mei 2013 te Nijmegen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 9] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ten behoeve van ondergane behandelingen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid

- ( relatief) goedkope behandelingen aangeboden en

- permanente opvulling (fillers) aangeboden, terwijl die na een aantal weken weer waren verdwenen en er geen resultaat meer van te zien was, waardoor voornoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

[slachtoffer 10]

heeft verklaard dat zij op het internet was gestuit op een website, waarop verdachte tegen een schappelijke prijs cosmetische behandelingen aanbood. Op 14 februari 2012 heeft verdachte haar fronsrimpels door middel van injecties opgevuld. [slachtoffer 10] betaalde hiervoor contant € 90,--. Verdachte adviseerde haar ook de lijnen tussen haar neus en lippen op te vullen. [slachtoffer 10] zou er naar zeggen van verdachte twee jaar plezier van hebben. Het resultaat bij de fronsrimpels was na een maand verdwenen. Enige weken later heeft zij verdachte in Leiden ook de andere door verdachte geadviseerde behandeling laten uitvoeren voor een bedrag van € 500,--. Verdachte zei dat verdoving niet nodig was, maar de behandeling was zeer pijnlijk. Ze spoot met een naald vloeistof in haar gezicht. Toen er na de behandeling bulten ontstonden, zei verdachte dat [slachtoffer 10] geduld moest hebben. Een week later zei verdachte in haar behandellocatie in Den Haag dat het beter zou zijn om er tegen betaling nog wat bij te spuiten. [slachtoffer 10] was door de gevolgen van de behandeling niet in staat te werken. Verdachte reageerde inmiddels niet meer op pogingen van [slachtoffer 10] om contact te krijgen. Enkele maanden later klapten de bulten open en kwam er pus uit. Op dit moment zijn de gevolgen nog zichtbaar en heeft [slachtoffer 10] nog geregeld jeuk in het gezicht.40

In de woning van verdachte is op 30 juli 2013 een brief aangetroffen waarin [slachtoffer 10] jegens verdachte haar beklag doet over de behandeling.41

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 10] niet tevreden was over de behandeling.42

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de behandeling bij [slachtoffer 10] heeft verricht en dat zij jegens haar het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat het letsel als zwaar kan worden gekwalificeerd, zodat dat onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen zal worden verklaard.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij omstreeks februari tot en met april 2012 te Leiden en/of Den Haag, opzettelijk [slachtoffer 10] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij omstreeks februari tot en met april 2012 te Leiden en/of Den Haag, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 10] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

en

zij omstreeks februari tot en met april 2012 te Leiden en/of Den Haag grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, te weten door

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 10] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden was ontstaan.

[slachtoffer 11]

heeft verklaard dat zij medio april 2013 met verdachte in contact was gekomen teneinde rimpels rondom haar mond en kin te laten opvullen. Op 24 april 2013 vond de behandeling in Nijmegen plaats. Verdachte vertelde dat [slachtoffer 11] voor € 300,-- gedurende tien jaar van haar rimpels af zou zijn. Verdachte spoot vervolgens door middel van injecties vloeistof in de huid boven de bovenlip en in de huid tussen de onderlip en de kin. Na afloop zwol de huid op en ontstonden er puistjes en een groot abces. Een dokter heeft vervolgens meerdere abcessen verwijderd. Op 13 mei 2013 heeft [slachtoffer 11] zich op haar werk ziek moeten melden. Verdachte was in de periode na de behandeling niet bereikbaar. Verdachte had [slachtoffer 11] tevoren niet geïnformeerd over de risico’s van de behandeling. Zij zei dat [slachtoffer 11] niet bang hoefde te zijn. De behandeling heeft uiteindelijk niet het gewenste effect gehad.43

Drs. [dermatoloog 2], dermatoloog, heeft in mei 2013 waargenomen dat bij [slachtoffer 11] sprake was van grote, pijnlijke zwellingen en geïnfecteerde abcessen. Hierdoor was naar zijn zeggen sprake geweest van beroepsmatige invaliditeit.44

De echtgenoot van [slachtoffer 11] heeft verdachte bij e-mailbericht van 26 mei 2013 aangeschreven over het slechte resultaat van de behandeling.45

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de behandeling bij [slachtoffer 11] heeft verricht en dat zij jegens haar het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. Haar verklaring vindt steun in het overige bewijsmateriaal en, nu de modus operandi in de diverse zaken onderling vrijwel overeenstemt, is de rechtbank van oordeel dat ook de bewijsmiddelen van de overige zaken kunnen dienen ter ondersteuning van haar verklaring.

De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat het letsel als zwaar kan worden gekwalificeerd, zodat dat onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen zal worden verklaard.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte jegens [slachtoffer 11] het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij omstreeks april en mei 2013 te Nijmegen, opzettelijk [slachtoffer 11] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij omstreeks april en mei 2013 te Nijmegen, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 11] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

en

zij omstreeks april en mei 2013 te Nijmegen, grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, te weten door

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 11] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden was ontstaan;

4.

zij omstreeks april en mei 2013 te Nijmegen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 11] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ten behoeve van ondergane behandelingen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid

- permanente opvulling (fillers) aangeboden, terwijl die na een aantal weken weer waren verdwenen en er geen resultaat meer van te zien was, waardoor voornoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

[slachtoffer 12]

heeft verklaard dat zij medio april 2013 met verdachte in contact was gekomen teneinde rimpels in haar gezicht te laten opvullen. Op 3 mei 2013 vond de behandeling in Nijmegen plaats. Nadat [slachtoffer 12] contant € 150,-- had betaald spoot verdachte met naalden vloeistof in haar gezicht. Verdachte had tevoren verteld dat er nog nooit iets mis gegaan was bij haar behandelingen. Het zou veilig zijn. De dagen na de behandeling ontstonden er zwellingen en kreeg [slachtoffer 12] last een branderig, pijnlijk gevoel in het gezicht. Na drie weken waren de zwellingen verdwenen, maar was ook het beoogde resultaat niet zichtbaar.46

Het dossier bevat een uitdraai van e-mailberichten tussen de mailadressen van [slachtoffer 12] en verdachte. Hierin wordt gesproken over de fillerbehandeling en de na de behandeling ontstane zwellingen.47

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de behandeling bij [slachtoffer 12] heeft verricht en dat zij jegens haar het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. Haar verklaring vindt steun in het overige bewijsmateriaal en, nu de modus operandi in de diverse zaken onderling vrijwel overeenstemt, is de rechtbank van oordeel dat ook de bewijsmiddelen van de overige zaken kunnen dienen ter ondersteuning van haar verklaring.

De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat het letsel als zwaar kan worden gekwalificeerd en/of dat [slachtoffer 12] in de uitoefening van haar werkzaamheden is verhinderd geweest, zodat die onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen zullen worden verklaard.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte jegens [slachtoffer 12] het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij omstreeks mei 2013 te Nijmegen, opzettelijk [slachtoffer 12] heeft mishandeld door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij omstreeks mei 2013 te Nijmegen, opzettelijk de gezondheid heeft benadeeld van [slachtoffer 12] door,

- ‘ fillers’ te injecteren en

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en/of ingrijpendheid en/of de risico’s van de behandeling en

- nalatig te zijn geweest in de nazorg van de behandeling, ten gevolge waarvan deze persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4.

zij omstreeks mei 2013 te Nijmegen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 12] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ten behoeve van ondergane behandelingen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid

- permanente opvulling (fillers) aangeboden, terwijl die na een aantal weken weer waren verdwenen en er geen resultaat meer van te zien was, waardoor voornoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

[slachtoffer 13]

heeft verklaard dat verdachte in haar gezicht een fillerbehandeling heeft uitgevoerd, met letsel en pijn tot gevolg. Verdachte heeft deze verklaring betwist. Hoewel de rechtbank geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 13], moet de rechtbank verdachte op grond van het Wetboek van Strafvordering van dit feit vrijspreken, omdat het dossier geen overige bewijs bevat dat haar eigen verklaring concreet en rechtstreeks ondersteunt.

[slachtoffer 14]

heeft verklaard dat hij medio januari 2010 met verdachte in contact was gekomen teneinde de donkere kringen onder zijn ogen weg te laten werken. Verdachte zou daartoe blijkens de aanprijzingen op haar website toe in staat zijn. Op 16 januari 2010 vond de eerste behandeling plaats aan de [adres 1] te Leiden. Aan de muur hingen GGD- certificaten. [slachtoffer 14] betaalde € 700,-- voor twee behandelingen. Later heeft hij nog € 700,-- betaald voor de derde en vierde behandeling. Verdachte voerde de behandeling uit door middel van een tatoeagepen. [slachtoffer 14] doorstond naar eigen zeggen ‘helse pijnen’. Na afloop waren zijn ogen rood en opgezwollen. Verdachte zei dat 3 à 4 behandelingen nodig waren voor het gewenste resultaat. De tweede tatoeagebehandeling vond op 6 februari 2010 plaats in de [adres 2] te Leiden. Ook deze behandeling was buitengewoon pijnlijk. De derde tatoeagebehandeling vond weer plaats aan de [adres 1] in Leiden en was wederom zeer pijnlijk. Verdachte had moeite de juiste kleur van de tatoeage-inkt te mengen. Tijdens de vierde behandeling maakte verdachte een gehaaste indruk en veroorzaakte zij een enorme pijn. Na afloop van deze behandeling zei verdachte dat er mogelijk nog drie of vier behandelingen nodig waren. Van vervolgbehandelingen is het niet meer gekomen, omdat er discussie ontstond over de prijs van de behandeling en [slachtoffer 14] inmiddels had vernomen dat de behandeling niet geschikt was om het gewenste resultaat te bereiken. Hij heeft zich vervolgens onder behandeling gesteld bij de dermograaf [dermograaf]. Laatstgenoemde vertelde dat de schade niet volledig hersteld kan worden.48

[dermograaf] heeft verklaard dat de behandeling van verdachte niet geschikt was om het door [slachtoffer 14] verlangde resultaat te realiseren. De (kleur van de) inkt was niet goed. Hij was gechoqueerd door het letsel van [slachtoffer 14]. Het letsel kan niet volledig worden hersteld.49

Verdachte heeft verklaard dat zij onder de ogen van [slachtoffer 14] een tatoeage heeft aangebracht.50

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte jegens [slachtoffer 14] het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals weergegeven in de navolgende bewezenverklaring. De rechtbank verwijst voor een nadere bewijsmotivering naar hetgeen hiervoor in de eerste twee alinea’s van paragraaf 3.4.2 is overwogen. De rechtbank overweegt overigens dat is komen vast te staan dat verdachte tenminste een van de tatoeagebehandelingen heeft uitgevoerd op een behandellocatie waarvoor zij geen vergunning had. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen reden de verklaring van [dermograaf], voor zover hiervoor weergegeven, als onbetrouwbaar ter zijde te schuiven.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

3.

zij omstreeks de periode van 2 januari 2010 tot en met 31 december 2010 te Leiden, opzettelijk [slachtoffer 14], heeft mishandeld door

- met verkeerde althans niet of minder geschikte tatoeage-inkt en/of met een verkeerde inktkleur te behandelen en/

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en de ingrijpendheid en de risico’s van de behandelingen en

- nalatig is geweest in de nazorg van de behandelingen, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (pijn en zwellingen en ontsierende en verkleuring onder de ogen) heeft bekomen;

en

zij omstreeks de periode van 2 januari 2010 tot en met 31 december 2010 te Leiden, grovelijk, onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, te weten door

- met verkeerde althans niet of minder geschikte tatoeage-inkt en/of met een verkeerde inktkleur te behandelen en/

- onvoldoende informatie te verstrekken over de aard en de ingrijpendheid en de risico’s van de behandelingen en

- nalatig is geweest in de nazorg van de behandelingenwaardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 14] zwaar lichamelijk letsel, te weten (pijn en zwellingen en ontsierende en verkleuring onder de ogen) heeft bekomen.

3.4.3

Beoordeling van de feiten 5 en 6

Feit 5

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Feit 6

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte en haar man in Wijchen op 11 juni 2013 is een origineel hyaluronzuurpreparaat van het merk Filorga aangetroffen met daarin drie kleine verzegelde flesjes met elk 3 milliliter inhoud. Het betrof het preparaat NCTF-135HA. Op de etiketten stond een houdbaarheidsdatum 2015-10. Voorts is een aantal flesjes met een inhoud van 20 milliliter aangetroffen met daarop etiketten met onder meer de tekst NCTF 135 HA en 2015-10. De etiketten hadden een enigszins andere kleurstelling, maar wel hetzelfde chargenummer en houdbaarheidsdatum als het originele preparaat. Verder stond als inhoud 3 milliliter aangeven, terwijl de inhoud van de flesjes overduidelijk groter was. Onderzoek heeft uitgewezen uit dat het etiket van een van de 20-milliliterflesjes vervalst was.51

Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voornoemde vervalste etiketten tezamen en in vereniging opzettelijk valselijk heeft opgemaakt. De lezing van verdachte dat zij geen wetenschap had van deze etiketten, acht de rechtbank gelet op het feit dat de etiketten in haar woning zijn aangetroffen en op haar actieve rol in de bedrijfsvoering niet aannemelijk. De stelling dat deze etiketten waren bestemd voor eigen gebruik acht de rechtbank, gelet op het feit dat zij zich bedrijfsmatig bezighield met cosmetische dienstverlening, evenmin aannemelijk. Het meer of anders tenlastegelegde zal bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs niet bewezen worden verklaard.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

6.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 juni 2013 te Wijchen tezamen en in vereniging geschriften, waaronder etiketten (bedoeld voor medicijnflesjes, althans flesjes gevuld met een vloeistof), op welke etiketten onder de tekst “NCTF 135 HA” en “2015-10” stond vermeld, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3.4.4

Beoordeling van de feiten 7 en 8

Feit 7

In de woning van verdachte in Wijchen zijn op 11 juni 2013 flesjes met lidocaïne van de producent Rotex Medica aangetroffen. Uit controle in het openbare geneesmiddelenregister is gebleken dat voor lidocaïne van deze producent geen handelsvergunning geldt.52 Ook in de behandelkamer van verdachte in Nijmegen zijn op 11 juni 2013 tubes met lidocaïne aangetroffen, waarvan uit controle in het geneesmiddelenregister is gebleken dat daarvoor geen handelsvergunning geldt.53

Verdachte heeft verklaard lidocaïne in bezit te hebben gehad.54

Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals in de navolgende bewezenverklaring weergegeven, heeft begaan. Het verweer van de raadsman dat de stof lidocaïne een alom geaccepteerd middel is en dus geen bewezenverklaring kan volgen, treft geen doel, nu blijkens de geneesmiddelenwet een handelsvergunning moet zijn afgegeven ten behoeve van de betreffende producent.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

7.

zij op 11 juni 2013 te Nijmegen en Wijchen opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten, lidocaine, in voorraad heeft gesteld.

Feit 8

In de woning van verdachte in Wijchen zijn op 11 juni 2013 vooraf gevulde injectiespuiten met daarin onder meer lidocaïne aangetroffen.55 Verdachte heeft verklaard lidocaïne in bezit te hebben gehad.56 Het afvullen/verpakken van een geneesmiddel is blijkens artikel 18 lid 1 van de Geneesmiddelenwet gelijkgesteld met ‘bereiden’ in de zin van die wet. Nu niet is gebleken dat verdachte daartoe een vergunning had, zal het tenlastegelegde, zoals in de navolgende bewezenverklaring weergegeven, bewezen worden verklaard.

De rechtbank verklaart bewezen dat:

8.

zij omstreeks 11 juni 2013 te Wijchen opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen (handels)vergunning geldt, te weten, lidocaine, heeft bereid.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feit en uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren met als bijzondere voorwaarde een beroepsverbod voor de cosmetische dienstverlening. Zij heeft voorts gevorderd de dadelijke uitvoerbaarheid te gelasten van deze bijzondere voorwaarde.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de geëiste straf moet worden gematigd. Hij heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf conform voorarrest en een beperkte voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij heeft daartoe in het bijzonder aangevoerd dat er in de media veel aandacht is besteed aan de strafzaak van verdachte en voorts dat het openbaar ministerie in strijd met artikel 8 EVRM het televisieprogramma Undercover in Nederland heeft toegestaan opnames te maken van de aanhouding van verdachte en deze vervolgens uit te zenden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft bij de uitoefening van haar werkzaamheden als schoonheidsspecialist 14 klanten (zwaar) letsel en/of pijn toegebracht. Zij heeft, hoewel daartoe niet bekwaam, diverse ingrijpende cosmetische ingrepen verricht, waaronder het injecteren van zogenoemde fillers en het aanbrengen van permanente make-up en/of cosmetische tatoeages. Een deel van de slachtoffers heeft zware hersteloperaties moeten ondergaan en blijkens de ter terechtzitting voorgehouden schriftelijke slachtofferverklaringen ondervindt een deel van de slachtoffers tot op heden nog de nadelige gevolgen van de door verdachte gepleegde mishandelingen. Voorts is bewezenverklaard dat zij een aantal van de slachtoffers heeft opgelicht. De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat zij het in haar gestelde vertrouwen ernstig heeft geschaad en zich kennelijk uitsluitend heeft laten leiden door haar eigen financiële gewin. Dit klemt te meer nu verdachte geen enkel berouw heeft getoond over haar laakbare gedrag en de schuld telkenmale bij de slachtoffers en/of de medische behandelaars heeft gelegd.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en overtreding van de Geneesmiddelwet; laakbare feiten waarvan verdachte zich had behoren te weerhouden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2014, waaruit volgt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een rapport van Reclassering Nederland d.d. 23 april 2014. De reclassering heeft zich vanwege de ontkennende houding van verdachte onthouden van een strafadvies.

Alles overwegende acht de rechtbank de oplegging van een forse gevangenisstraf passend en geboden. Teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen zal een deel hiervan voorwaardelijk worden opgelegd. Aan dit voorwaardelijk strafdeel zal als bijzondere voorwaarde worden verbonden dat verdachte zich gedurende de proeftijd onthoudt van het verrichten van schoonheidsspecialistische behandelingen. Aan laatstgenoemde voorwaarde zal een proeftijd van 5 jaren worden verbonden. Al met al komt de op te leggen straf lager uit dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij straffen die in enigszins soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank, gelet op artikel 14e van het Wetboek van strafrecht, voorts beslissen dat voornoemde bijzondere voorwaarde, dadelijk uitvoerbaar is.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding strafvermindering toe te kennen vanwege de uitzending van Undercover in Nederland en de rol van het openbaar ministerie bij de totstandkoming van die uitzending. De officier van justitie heeft hierover verklaard dat een groot deel van de opnames zijn gemaakt buiten weten van het openbaar ministerie. Toen tijdens het opsporingsonderzoek bleek dat deze opnames reeds waren gemaakt en zouden worden uitgezonden, zijn om te voorkomen dat het onderzoek zou worden verstoord afspraken gemaakt met SBS6. Overeengekomen werd dat verdachte onherkenbaar in beeld zou komen, dat dat er geen privénamen zouden worden genoemd, en dat het openbaar ministerie de voorgenomen uitzending van tevoren zou mogen bekijken. In ruil hiervoor werd SBS6 toegestaan de aanhouding van verdachte en de doorzoeking van een behandellocatie (niet zijnde de woning van verdachte) te filmen. De rechtbank is, gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat verdachte in de uitzending niet herkenbaar in beeld is gebracht, van oordeel dat niet is gebleken van een privacyschending die strafvermindering zou moeten meebrengen.

7 De vordering van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

a. [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 15.804,18, bestaande uit € 3.000,-- ter zake van immateriële schade en € 12.804,18 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

b. [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 950,--, bestaande uit € 750,-- ter zake van immateriële schade en

€ 200,-- ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

c. [slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.326,94, bestaande uit € 1.123,-- ter zake van immateriële schade en € 203,94 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

d. [slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 10.693,78, bestaande uit € 10.000,-- ter zake van immateriële schade en € 693,78 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

e. [slachtoffer 8] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 900,--, bestaande uit € 750,-- ter zake van immateriële schade en

€ 150,-- ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

f. [slachtoffer 9] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 706,66, bestaande uit € 400,-- ter zake van immateriële schade en

€ 306,66 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

g. [slachtoffer 10] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 5.182,--, bestaande uit € 2.500,-- ter zake van immateriële schade en € 2.682,-- ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

h. [slachtoffer 13] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.470,--, bestaande uit € 1.210,-- ter zake van immateriële schade en € 1.260,-- ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

i. [slachtoffer 14] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 3.238,68, bestaande uit € 1.000,-- ter zake van immateriële schade en € 2.238,68 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt vast dat het merendeel van de benadeelde partijen de kosten van de behandeling door verdachte als door hen geleden schade hebben opgevoerd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen een bewezenverklaarde (zware) mishandeling en de kosten van behandeling door verdachte. Volgens de officier van justitie kunnen de kosten van behandeling door verdachte slechts als door de benadeelde partij geleden schade worden aangemerkt voor zover ten aanzien van deze benadeelde partij tot een bewezenverklaring ter zake van oplichting is gekomen.

a. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 14.040,34 waarvan € 2.000,-- aan immateriële schade. Ten aanzien van het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij haars inziens niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die kosten onvoldoende zijn onderbouwd dan wel dat er onvoldoende sprake is van een rechtstreeks verband tussen de bewezenverklaarde feiten en de geleden schade.

b. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 950,--, waarvan € 750,-- aan immateriële schade.

c. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 1.326,94, waarvan € 1.123,-- aan immateriële schade.

d. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] tot een bedrag van € 5.693,78, waarvan € 5000,-- aan immateriële schade. Ten aanzien van het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die kosten onvoldoende zijn onderbouwd.

e. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] tot een bedrag van € 500,--. Ten aanzien van het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat met betrekking tot de kosten van de behandeling door verdachte geen sprake is van een rechtstreeks verband en de immateriële schade voor het overige onvoldoende is onderbouwd.

f. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] tot een bedrag van € 556,66, waarvan € 250,-- aan immateriële schade. Ten aanzien van het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de immateriële schade voor het overige onvoldoende is onderbouwd.

g. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] tot een bedrag van € 4.340,--, waarvan € 2.500,-- aan immateriële schade. Ten aanzien van het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat ten het verlies aan verdienvermogen voor het overige onvoldoende is onderbouwd.

h. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] tot een bedrag van € 1.575,60, waarvan € 1210,-- aan immateriële schade. Ten aanzien van het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat met betrekking tot de kosten van de behandeling door verdachte geen sprake is van een rechtstreeks verband en de overige kosten onvoldoende zijn onderbouwd.

i. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] tot een bedrag van € 3.036,68 waarvan € 1.000,-- aan immateriële schade. Ten aanzien het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij haars inziens niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die kosten onvoldoende zijn onderbouwd.

De officier van justitie heeft voorts ten aanzien van alle vorderingen van de benadeelde partijen verzocht de vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen, gelet op de door hem bepleite vrijspraken, dienen te worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van alle vorderingen benadeelde partij bepleit dat sprake is van een vorm van eigen schuld, waarbij voorts meegewogen moet worden dat de benadeelde partijen de behandeling vrijwillig hebben ondergaan. Daarnaast heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

a. [slachtoffer 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering nu de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De factuur met betrekking van kosten van de behandeling is vervalst, de noodzaak tot het vervoer per taxi niet is aangetoond en de kosten van behandeling door PsyQ onvoldoende rechtstreeks verband hebben met de feiten. Daarnaast is de onderbouwing van de immateriële schade onvoldoende en zou een vergoeding van maximaal € 1.000,-- volstaan.

c. Bij de vordering van [slachtoffer 3] dient rekening te worden gehouden met het feit dat zij eerder injectables heeft gehad. Daarnaast blijkt onvoldoende of sprake is van blijvend letsel.

d. De immateriële schade die gevorderd wordt door [slachtoffer 4] is onvoldoende onderbouwd en moet sterk worden gematigd.

e. Bij [slachtoffer 8] is geen sprake van blijvend letsel. Dit moet leiden tot een lager bedrag aan immateriële schade.

g. De vordering van [slachtoffer 10] is onvoldoende onderbouwd voor wat betreft het verlies aan verdienvermogen en de immateriële schade. De behandelingen in de schoonheidssalon vormen geen rechtstreekse schade. De kosten van botoxbehandeling komen niet (in zijn geheel) voor terugbetaling in aanmerking.

h. De vordering van [slachtoffer 13] is onvoldoende onderbouwd voor wat betreft de posten eigen risico 2012 en 2014 en immateriële schade. De medische kosten in de toekomst hebben onvoldoende rechtstreeks verband met de feiten. De post eigen risico 2013 is slechts gedeeltelijk onderbouwd.

i. De vordering van [slachtoffer 14] is onvoldoende onderbouwd voor wat betreft de posten behandeling door Ecuri, de kosten van make-up en de immateriële schade.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De kosten van behandeling door verdachte

Het merendeel van de benadeelde partijen heeft in de vordering de kosten van de behandeling door verdachte als schadepost opgevoerd. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze kosten van behandeling niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks gevolg van een (zware) mishandeling. Voor zover de benadeelde partijen ook slachtoffer zijn geworden van oplichting door verdachte komen de kosten van de behandeling door verdachte weer wel voor vergoeding in aanmerking, nu deze kosten in dat geval wel in rechtstreeks verband staan met de gepleegde oplichting.

a. De vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1]

Materiële schade

De rechtbank zal de post “eigen risico” toewijzen ten aanzien van de bedragen die zien op medicatie ten bedrage van € 15,13 en € 25,21. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de kosten van de behandeling bij PsyQ het vereiste rechtstreekse verband met het bewezenverklaarde feit onvoldoende is aangetoond, zodat de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor de post “reiskosten” niet-ontvankelijk verklaren nu de noodzaak tot het vervoer per taxi niet is aangetoond.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor de post “behandelingen verdachte” niet-ontvankelijk verklaren nu de factuur wordt betwist en het onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Gelet hierop behoeft het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen geen bespreking meer.

Immateriële schade

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van € 2.000,--. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat benadeelde partij blijvend letsel aan het handelen van verdachte heeft overgehouden. De rechtbank komt tot een lager bedrag dan gevorderd nu zij verdachte gedeeltelijk heeft vrijgesproken van de haar met betrekking tot deze benadeelde partij gemaakte verwijten.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 2.040,34, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2011, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

b. De vordering benadeelde partij van [slachtoffer 2]

Materiële kosten

De rechtbank zal de post “behandeling” toewijzen nu deze post rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaarde oplichting.

Immateriële schade

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van

€ 250,--. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het in haar zaak bewezenverklaarde. De rechtbank komt tot een lager bedrag dan gevorderd omdat het letsel naar haar oordeel in vergelijking met de aangehaalde jurisprudentie geringer van aard is.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 450,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2013, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

c. De vordering benadeelde partij van [slachtoffer 3]

Materiële schade

De rechtbank zal de post “eigen risico” toewijzen nu deze namens verdachte niet is betwist en voldoende is onderbouwd.

Immateriële schade

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van

€ 400,--. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het in haar zaak bewezenverklaarde. De rechtbank komt tot een lager bedrag dan gevorderd omdat weliswaar sprake is van blijvend letsel, te weten een scheve lip, maar dit letsel naar haar oordeel in vergelijking met de aangehaalde jurisprudentie geringer van aard is.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 603,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2013, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

d. De vordering benadeelde partij van [slachtoffer 4]

Materiële schade

De rechtbank zal de posten “reiskosten” en “kosten medische informatie” toewijzen nu deze namens verdachte niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.

Immateriële schade

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van

€ 3000,--. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het in haar zaak bewezenverklaarde. De rechtbank komt tot een lager bedrag dan gevorderd omdat weliswaar sprake is van blijvend letsel, maar dit letsel naar haar oordeel in vergelijking met de aangehaalde jurisprudentie geringer van aard is.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 3.693,78, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2011, nu de behandeling in juni 2011 heeft plaats gevonden zodat de schade in ieder geval met ingang van 1 juli 2011 is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

e. De vordering benadeelde partij van [slachtoffer 8]

Materiële schade

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor de post “kosten behandeling” nu deze post geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Immateriële schade

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van

€ 250,--. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het in haar zaak bewezenverklaarde. De rechtbank komt tot een lager bedrag dan gevorderd omdat het letsel naar haar oordeel in vergelijking met de aangehaalde jurisprudentie geringer van aard is.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 250,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2013, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

f. De vordering van de benadeelde partij van [slachtoffer 9]

Materiële schade

De rechtbank zal de post “behandeling” toewijzen nu deze post rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaarde oplichting.

De rechtbank zal de post “reiskosten” toewijzen nu deze namens verdachte niet is betwist en voldoende is onderbouwd.

Immateriële schade

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van

€ 150,--. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het in haar zaak bewezenverklaarde. De rechtbank komt tot een lager bedrag dan gevorderd omdat het letsel naar haar oordeel in vergelijking met de aangehaalde jurisprudentie geringer van aard is.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 456,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2013, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

g. De vordering van de benadeelde partij van [slachtoffer 10]

Materiële schade

De rechtbank zal de benadeelde partij voor de post “verlies verdienvermogen” niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien deze onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank zal de benadeelde partij voorts voor de post “behandelingen Beauté Naturelle” niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, nu onvoldoende is aangetoond dat deze behandelingen daadwerkelijk effectief waren om het door de behandelingen van verdachte ontstane letsel te verhelpen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor de post “kosten behandeling” nu deze post geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Immateriële schade

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van

€ 1.000,--. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het in haar zaak bewezenverklaarde. De rechtbank komt tot een lager bedrag dan gevorderd omdat het letsel naar haar oordeel in vergelijking met de aangehaalde jurisprudentie geringer van aard is.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 1.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2012, nu de tweede behandeling door verdachte omstreeks medio maart 2012 is verricht, zodat de schade in ieder geval met ingang van 1 april 2012 is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

h. De vordering benadeelde partij van [slachtoffer 13]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij verdachte zal vrijspreken ten aanzien van de verwijten die haar met betrekking tot deze benadeelde partij worden gemaakt.

i. De vordering benadeelde partij van [slachtoffer 14]

Materiële schade

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor de post “kosten behandelingen [bedrijf 1]” nu deze post geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor de posten “behandelingen [bedrijf 3]”, “reiskosten naar [bedrijf 3]” en “aanschaf make-up [bedrijf 4]” niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering nu deze posten onvoldoende zijn onderbouwd.

Immateriële schade

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van

€ 1000,--. Zij acht dit bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het in zijn zaak bewezenverklaarde.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 1.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2010, nu is komen vast te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens voornoemde slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht en verdachte voor die feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van voornoemde bedragen, ten behoeve van de respectievelijke slachtoffers.

8 De inbeslaggenomen goederen

Blijkens de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zijn onder verdachte negen voorwerpen in beslag genomen, waaronder voornamelijk sporendragers. Nu het strafvorderlijk belang zich daartegen niet langer verzet, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat deze dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

  • -

    14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 56, 225, 300, 308 en 326 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    18 en 40 van de Geneesmiddelenwet;

  • -

    1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank,

verklaart het onder 5 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 6, 7, en 8 tenlastegelegde heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

mishandeling, al dan niet terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, meermalen gepleegd;

en

opzettelijke benadeling van de gezondheid, al dan niet terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, meermalen gepleegd;

en

aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, dan wel zodanig letsel bekomt dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

en

aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt;

ten aanzien van feit 3:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

en

aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt;

ten aanzien van feit 4:

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 6:

medeplegen van valsheid in geschrift;

ten aanzien van feit 7:

overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;

ten aanzien van feit 8:

overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 18 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 8 (acht) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op vijf jaren vastgestelde proeftijd onthoudt van het verrichten van schoonheidsspecialistische behandelingen;

beveelt dat de voornoemde bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 2.040,34 vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 5 september 2011 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.040,34 vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2], een bedrag van € 450,-- vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 14 maart 2013 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 450,-- vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 9 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3], een bedrag van € 603,94 vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 14 maart 2013 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 603,94 vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 4], een bedrag van € 3.693,78 vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 1 juli 2011 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.693,78 vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 4];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 46 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 8], een bedrag van € 250,-- vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 31 mei 2013 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 250,-- vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 8];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 9] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 9], een bedrag van € 456,66 vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 8 mei 2013 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 456,66 vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 9];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 9 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 10] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 10], een bedrag van € 1.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 1 april 2012 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,-- vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 10];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart [slachtoffer 13] niet-ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt haar in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 14] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 14], een bedrag van € 1.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van 20 maart 2010 tot en met de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,-- vermeerderd met de genoemde wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 14];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de teruggave aan verdachte van de goederen (1 t/m 9) vermeld op de beslaglijst met parketnummer 45/753991-12.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, voorzitter,

mrs. J.M.C. Louwinger-Rijk en O.F. Bouwman, rechters

in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal ‘163KANAAL’ van politie Den Haag, met bijlagen.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 13 mei 2014.

3 Proces-verbaal, blz. 647; geschriften, blz. 652 t/m 724.

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 13 mei 2014.

5 Een geschrift, blz. 13 en 14.

6 Sporenlijst, blz. 16.

7 Forensisch geneeskundig rapport NFI, blz. 12.

8 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], blz. 170 t/m 174.

9 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 925 en 926.

10 Een geschrift, blz. 957.

11 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2], blz. 230 t/m 234; proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3], blz. 244 t/m 247.

12 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 928 en 929.

13 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2], blz 234

14 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 930 en 931.

15 Schriftelijke slachtofferverklaring [slachtoffer 2]; schriftelijke slachtofferverklaring [slachtoffer 3].

16 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 13 mei 2014.

17 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], blz. 250 t/m 252.

18 Een geschrift, blz. 955 en 956.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 577 t/m 580.

20 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5], blz. 260 t/m 264.

21 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 933 t/m 935.

22 Een geschrift, blz. 391.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 580 t/m 585.

24 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 6], blz. 52 t/m 62.

25 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 922.

26 Een geschrift, blz. 389.

27 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 13 mei 2014.

28 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 7], blz. 875 t/m 877.

29 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 889 en 890.

30 Een geschrift, blz. 886.

31 Proces-verbaal van bevingen, blz. 631.

32 Een geschrift, blz. 879.

33 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 8], blz. 893 t/m 895

34 Schriftelijke slachtofferverklaring [slachtoffer 8].

35 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 13 mei 2014.

36 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 9], blz. 906 t/m 908; proces-verbaal van bevindingen, blz. 912.

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 912

38 Een geschrift, door de officier van justitie ter terechtzitting van 13 mei 2014 aan het dossier toegevoegd.

39 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 13 mei 2014.

40 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 10], blz. 1159 t/m 1163.

41 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 726; geschrift, blz. 735 en 736.

42 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 13 mei 2014.

43 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 11], blz. 1170 t/m 1172.

44 Een geschrift, blz. 1179.

45 Een geschrift, blz. 1195.

46 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 12], blz. 1200 t/m 1202.

47 Geschriften, blz. 1203 t/m 1208.

48 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 14], blz. 30 t/m38.

49 Proces-verbaal van verhoor [dermograaf], blz. 332 en 333.

50 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 13 mei 2014.

51 FO-dossier, blz. 2 en 6; proces-verbaal van bevindingen, blz. 597 en 598.

52 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 598 en 599.

53 Sporenlijst, blz. 17; proces-verbaal van bevindingen, blz. 936 en 937; rapport NFI, blz. 40 t/m 57; e-mailbericht [e-mail] d.d. 12 mei 2014.

54 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 1006.

55 Sporenlijst, blz. 15 t/m 19; proces-verbaal van bevindingen, blz. 936 en 937; rapport NFI, blz. 40 t/m 57.

56 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 1006.