Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6449

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/24499
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, afkomst Noord-Korea, vestigingsalternatief in Zuid-Korea, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/24499,

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 mei 2014 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. M.J. Paffen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M. Pieters.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 augustus 2013 waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 5 maart 2014. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S.S. Sihn, tolk in de Koreaanse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van de uitspraak eenmaal verlengd.

Overwegingen

1.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1968 en de Noord-Koreaanse nationaliteit te bezitten. Op 18 februari 2013 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2.

Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij op 19 oktober 2005 uit Noord-Korea naar zijn opa (een broer van zijn moeders moeder) in China is gevlucht. De reden hiervoor was dat zijn vader op 29 september 2005 is gearresteerd en uiteindelijk is geëxecuteerd. Eisers vader werd gearresteerd omdat hij in april 2002 pamfletten had geschreven en opgehangen in de stad, die tegen het regime waren. Hij deed dit naar aanleiding van de openbare executie van twee van zijn beste vrienden. Eiser heeft zijn vader met de motor door de stad gereden tijdens het verspreiden van deze pamfletten en is daarom medeplichtig aan deze misdaad.

Verder heeft eisers opa tijdens eisers verblijf in China in juli 2007 contact gehad met de zus van eiser in het grensgebied van China en Noord-Korea. Tijdens dit gesprek heeft eisers zus verklaard dat de veiligheidsdienst een maand na de arrestatie van eisers vader aan de deur bij hun moeder is gekomen om naar eiser te vragen en dat ze tevens eisers motor hebben meegenomen voor onderzoek. Eiser heeft zeven jaar illegaal in China kunnen verblijven en in een Chinees restaurant kunnen werken, omdat zijn opa, die de Chinese nationaliteit heeft, en de eigenaar van het restaurant bevriend waren met het hoofd van het politiebureau. Toen het hoofd van het politiebureau in september 2012 werd overgeplaatst was eiser niet meer veilig in China. Eiser is gevlucht omdat hij bang was dat de Chinese autoriteiten hem terug zouden terug sturen naar Noord-Korea. Eiser stelt dat hij te vrezen heeft voor de Noord-Koreaanse autoriteiten.

3.

Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven. Verweerder heeft tegengeworpen dat hij toerekenbaar niet beschikt over documenten met betrekking tot zijn nationaliteit, identiteit, reisroute en asielrelaas. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van de verklaringen van eiser over zijn identiteit, de arrestatie en executie van zijn vader, de aanleiding daartoe en medeplichtigheid van eiser, zijn vlucht uit Noord-Korea en de ontmoeting tussen opa en zus positieve overtuigingskracht uitgaat. Van de verklaring over het vermeende bezoek van de veiligheidsdienst een maand na de arrestatie van eiser vader gaat echter geen positieve overtuigingskracht uit. Eiser komt niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De vermoedens van eiser dat hij bij terugkeer door de Noord-Koreaanse autoriteiten wordt vervolgd en net als zijn vader zal worden geëxecuteerd zijn niet aannemelijk. Het bezoek van de veiligheidsdienst is ongeloofwaardig. Verder heeft eiser in het nader gehoor (pagina 5 en 6) verklaard dat hij getuige was van de arrestatie van zijn vader en dat zijn moeder hem de dag na de arrestatie van zijn vader vertelde dat ook hij gevaar liep en dat hij het land snel moest verlaten. Dit was voor hem de reden om zijn land te ontvluchten.

Daarnaast kan van eiser redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich onder bescherming stelt van Zuid-Korea, alwaar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen. Verweerder heeft hierbij verwezen naar het Country of Origin Information Report ‘Democratic People’s Republic of Korea’ (hierna: COI-rapport) van 15 september 2008 van de UK Home Office en de Operational Guidance Note ‘North Korea’ van juli 2012 en van 25 juni 2013 van dezelfde instantie, alsmede naar de uitspraak van deze rechtbank van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:7804). Verweerder ziet in de drie uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag (AWB 13/5668) van 4 april 2013, zittingsplaats Roermond (Awb 13/4748) van 12 maart 2013 en zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (AWB 13/3389) van 26 februari 2013, die eiser bij zijn aanvullende zienswijze heeft overgelegd, geen aanleiding om het beleid te wijzigen ten aanzien van het tegenwerpen van Zuid-Korea als vestigingsalternatief.

Ten aanzien van het gestelde risico van familieleden in Noord-Korea heeft verweerder ten eerste overwogen dat de beoordeling van de asielaanvraag ziet op de vraag of hij bescherming in Nederland behoeft en dat de situatie van hun familieleden in beginsel niet binnen de ‘scope’ van deze beoordeling valt. Voorts is overwogen dat eiser met zijn verwijzing naar een twaalftal kranten/internetartikelen er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte zullen komen van zijn vestiging in Zuid-Korea en dat zijn familie in Noord-Korea daardoor gevaar loopt. Dat zich in Zuid-Korea Noord-Koreaanse spionnen ophouden, is onvoldoende om te concluderen dat de Noord-Koreaanse autoriteiten reeds daarom op de hoogte zullen raken van het verblijf van eiser aldaar. Voorts is niet gebleken dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van het verblijf van eiser in het buitenland.

5.

Eiser heeft in beroep primair gesteld dat zijn relaas als zodanig geloofwaardig wordt geacht, zodat er geen ruimte is om artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegen te werpen. Subsidiair stelt eiser dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 hem ten onrechte wordt tegengeworpen. Eiser is van mening dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als politiek dissident in de negatieve aandacht van de Noord-Koreaanse autoriteiten staat. Gelet hierop dienen de verklaringen van familieleden over het risico dat hij loopt eveneens als aannemelijk en geloofwaardig te worden gezien. Eiser stelt, onder verwijzing naar pagina 2 van het World Report 2013 – North Korea van Human Rights Watch, dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden wel degelijk gevaar loopt bij terugkeer naar Noord-Korea.

Eiser stelt verder dat verweerders standpunt dat hij zich onder de bescherming van de

Zuid-Koreaanse autoriteiten kan stellen, gebaseerd is op een enkele bron, te weten het COI-rapport van 15 september 2008. Dat is geen objectieve bron. In dit kader verwijst eiser voorts naar de uitspraak van het Upper Tribunal van de UK van februari 2011, die leidend is voor de Operational Guidance Note “North Korea” van september 2012. Verder verwijst eiser naar de Zuid-Koreaanse wetgeving van 24 mei 2001, die nog geldig is

Daarnaast voert eiser aan dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat hij bescherming krijgt van de Zuid-Koreaanse autoriteiten. Vanwege zijn lange verblijf in het buitenland moet hij de Zuid-Koreaanse nationaliteit aanvragen.

Ook kan redelijkerwijs niet van hem verwacht worden dat hij zich op zijn Zuid-Koreaanse staatsburgerschap beroept, gelet op het gevaar voor zijn familie in Noord-Korea.

Eiser stelt dat hij in zijn zienswijze een veelvoud aan krantenartikelen en informatie heeft aangehaald welke in combinatie met reeds bekende landeninformatie tot de conclusie dienen te leiden dat een vestiging in Zuid-Korea gevaar oplevert voor zijn familieleden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser nog twee artikelen overgelegd.

Ten slotte heeft eiser zich, onder verwijzing naar het V-nummer [nummer 1], beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Op 15 januari 2013, na inwerkingtreding van het nieuwe beleid op 1 januari 2013, is aan [naam 1] een verblijfsvergunning verleend. Ter zitting heeft eiser een besluit van 27 december 2012 overgelegd waaruit blijkt dat verweerder aan [naam 1] een verblijfsvergunning asiel heeft verleend. Tevens heeft eiser een besluit van verweerder van 9 september 2013 overgelegd, waarbij aan [naam 2] een verblijfsvergunning asiel is verleend.

6.

Verweerder heeft in het verweerschrift van 28 januari 2014 verwezen naar het bestreden besluit, met de kanttekening dat de overweging in het bestreden besluit, dat de beoordeling van de situatie van familieleden van eiser in Noord-Korea in beginsel geen deel uitmaakt van de onderhavige beoordelingsscope, komt te vervallen. Indien een vreemdeling stelt dat zijn vestiging in Zuid-Korea een bijzonder risico oplevert voor in Noord-Korea achtergebleven familie, zal deze omstandigheid worden betrokken bij de besluitvorming. Verweerder verwijst in dit verband naar een met zijn verweerschrift meegezonden brief van 6 november 2013 van het hoofd afdeling Migratie en Asiel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin de antwoorden staan op vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, die zijn voorgelegd aan de Nederlandse vertegenwoordiging in Seoul. Verder ligt het niet op de weg van verweerder om nader te onderzoeken hoe aannemelijk de kans is dat de autoriteiten van Noord-Korea op de hoogte zullen raken van een vestiging van eiser in Zuid-Korea en of in dat geval gevaar dreigt voor zijn familieleden in Noord-Korea. Het is aan eiser om dat aannemelijk te maken.

De rechtbank overweegt als volgt.

7.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (het Vluchtelingenverdrag) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

In de laatste alinea onder (2) van deze bepaling staat dat indien een persoon meer dan één nationaliteit bezit, de term “het land waarvan hij de nationaliteit bezit” elk van de landen betekent waarvan hij de nationaliteit bezit. Een persoon wordt niet geacht van de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, verstoken te zijn, indien hij, zonder geldige redenen ingegeven door gegronde vrees, de bescherming van één van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit, niet inroept.

Verdragsvluchtelingen komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (verder: Vw 2000).

Ingevolge artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) kan niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan behandeling als bedoeld in deze verdragsbepaling, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

Artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) bepaalt dat het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Vluchtelingenverdrag en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: “de Verdragen”).

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

In het derde lid is, voor zover hier van belang, bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3.105a van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaalt dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

Artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder e, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (verder: VV 2000) bepaalt dat de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a dan wel b, van de Wet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd plaatsvindt op individuele basis en onder meer rekening houdt met de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de vreemdeling zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen.

8.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd waarom eiser toerekenbaar niet beschikt over reis- identiteits- of andere documenten. Eiser heeft dat in beroep niet weerlegd. Verweerder heeft dan ook terecht beoordeeld of van het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht uitgaat.

9.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van de verklaring van eiser, over het vermeende bezoek van de veiligheidsdienst een maand na de arrestatie van eisers vader, geen positieve overtuigingskracht uitgaat en dat de vermoedens die eiser hieraan ontleent, dat hij bij terugkeer maar Noord-Korea door de autoriteiten zal worden vervolgd en net als zijn vader zal worden geëxecuteerd, niet aannemelijk zijn. Hiertoe is van belang dat eiser de verklaring, dat de veiligheidsdienst in Noord-Korea naar hem op zoek is, van horen zeggen heeft, namelijk van zijn moeder via zijn zus. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat familieleden niet gelden als objectieve bron. Verweerder heeft daarom kunnen komen tot het oordeel dat positieve overtuigingskracht ontbreekt en dat het asielrelaas daarmee als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt.

10.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser zonder toestemming van de autoriteiten zijn land van herkomst heeft verlaten en dat hij bij terugkeer naar Noord-Korea te vrezen heeft voor vervolging, dan wel behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, vanwege republiekvlucht. In geschil is of verweerder de asielaanvraag van eiser heeft mogen afwijzen op de grond dat eiser zich op het staatsburgerschap van Zuid-Korea kan beroepen.

11.

Uit het COI-rapport volgt dat niet alle Noord-Koreanen automatisch door Zuid-Korea als staatsburgers worden beschouwd. Degenen die na een veiligheidsonderzoek niet in aanmerking komen voor het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap betreffen personen die langere tijd in een derde land hebben verbleven en internationale criminelen zoals moordenaars, vliegtuigkapers, drugssmokkelaars of terroristen. Het begrip “langere tijd” is in de Operational Guidance Note van 2 juli 2010 gedefinieerd als een periode van meer dan tien jaren. Voorts volgt uit het COI-rapport dat, indien het veiligheidsonderzoek geen positieve uitkomst heeft, dit geen effect heeft op het verkrijgen van het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap, maar mogelijk sociale en financiële bijstand aan de betreffende Noord-Koreaan kan worden onthouden. In de Operational Guidance Note van 27 september 2012 is vermeld dat de meeste Noord-Koreanen ook Zuid-Koreaan zijn, omdat ze die nationaliteit bij de geboorte verkrijgen door afstamming van een Koreaanse ouder. Bij afwezigheid van meer dan tien jaren van het Koreaanse schiereiland wordt aangenomen dat men een andere nationaliteit heeft verkregen en de Zuid-Koreaanse nationaliteit heeft verloren. Ook in dat laatste geval kan de Zuid-Koreaanse nationaliteit wel weer worden verkregen. Noord-Koreanen kunnen in beginsel in Zuid-Korea verblijven en recht hebben op dat staatsburgerschap.

12.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze informatie kan worden afgeleid dat eiser – die korter dan tien jaar in een derde land (China) heeft verbleven en die niet is aan te merken als internationaal crimineel – zich kan beroepen op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap. Dit standpunt wordt ook duidelijk bevestigd in de brief van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 november 2013, waarin antwoord is gegeven op vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam.

13.

Anders dan eiser heeft aangevoerd, acht de rechtbank het tegenwerpen van dit vestigingsalternatief niet in strijd met het Vluchtelingenverdrag. Uit de tekst van artikel 1 A onder (2), laatste alinea, van dit verdrag, volgt dat geen vluchtelingrechtelijke bescherming toekomt aan de persoon die de nationaliteit van twee landen heeft, indien hij zonder geldige redenen ingegeven door gegronde vrees, de bescherming van één van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit, niet inroept. Gewezen wordt op gevallen waarin de betrokkene weliswaar het staatsburgerschap heeft van een land waar hij geen gegronde vrees heeft, maar dit staatsburgerschap ineffectief dreigt te zijn omdat dit niet de bescherming oplevert die normaal aan staatsburgers wordt verleend. In de regel moet er eerst een verzoek zijn om, en een weigering van, bescherming, alvorens kan worden vastgesteld dat het betreffende staatsburgerschap ineffectief is. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser niet gezegd kan worden dat het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap niet effectief is in de hiervoor bedoelde zin.

14.

Nu artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder e, van het VV 2000, dat de neerslag in het nationale recht vormt van artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van Richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn) niet in strijd is met het Vluchtelingenverdrag, is deze bepaling evenmin in strijd met het in artikel 18 van het Handvest opgenomen Unierechtelijke voorschrift dat het recht op asiel in overeenstemming moet zijn met de Verdragen.

15.

Vervolgens staat ter beoordeling of van eiser ook redelijkerwijs mag worden verwacht dat hij zich op zijn Zuid-Koreaanse staatsburgerschap beroept. De rechtbank

stelt voorop dat het aan verweerder is om te onderzoeken of de vestiging in Zuid-Korea in redelijkheid van eiser mag worden verwacht, nu verweerder dit vestigingsalternatief tegenwerpt.

16.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het in rechtsoverweging 15 genoemde onderzoek heeft uitgevoerd. Verweerder heeft dienaangaande terecht gesteld dat eiser in het nader gehoor (pagina 14) heeft verklaard dat het normaal gaat met zijn moeder en zussen in Noord-Korea en dat zij, voor zover hij weet, geen problemen ondervinden. Eiser heeft eerder de vrees geuit (nader gehoor: bladzijde 13) dat zijn moeder en zussen zullen worden gedeporteerd en dat zijn neven van vaderszijde, die officieren in het leger zijn, hun functies zullen verliezen omdat vestiging in Zuid-Korea als landverraad wordt gezien. Deze stelling heeft eiser echter niet nader onderbouwd. Eiser heeft met zijn verwijzing naar een twaalftal kranten- en internetartikelen niet aannemelijk weten te maken dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte raken van zijn vestiging in Zuid-Korea en dat zijn familieleden in Noord-Korea daardoor gevaar lopen. Hier mocht verweerder dan ook aan voorbij gaan.

De twee in beroep overgelegde artikelen kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Dat zich in Zuid-Korea Noord-Koreaanse spionnen ophouden, is onvoldoende om te concluderen dat de Noord-Koreaanse autoriteiten reeds daarom op de hoogte zullen raken van het verblijf van eiser aldaar. Verder is niet gebleken dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte zijn van het verblijf van eiser in het buitenland. De rechtbank volgt verweerder hierin, mede gezien de door verweerder met zijn verweerschrift toegezonden brief van 6 november 2013 van het hoofd afdeling Migratie en Asiel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In die brief staat onder meer: “Indien een Noord-Koreaan zich met succes beroept op het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap kunnen de familieleden van overlopers daarvan negatieve gevolgen ondervinden: variërend van de dood tot het verliezen van hun werk. Dit hangt vooral af van de status en het niveau van de overloper. Een hooggeplaatste of waardevolle overloper brengt zijn familie ernstiger in gevaar dan een gewone burger. Het feit is echter dat er zoveel mensen vluchten dat het regime onmogelijk al hun familieleden kan straffen, ook wanneer de autoriteiten ontdekt hebben dat er mensen gevlucht zijn. Een verdwijning wordt bovendien niet altijd als een geval van overlopen beschouwd.” Gesteld noch gebleken is dat eiser als een overloper als hiervoor bedoeld beschouwd dient te worden. Gelet hierop mag redelijkerwijs worden verwacht dat eiser zich op zijn Zuid-Koreaanse staatsburgerschap beroept.

17.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Het besluit van 27 december 2012 is een oud besluit van vóór de inwerkingtreding van het nieuwe beleid op 1 januari 2013. Verder blijkt uit het overgelegde besluit van 9 september 2013 niet dat die zaak identiek is aan de zaak van eiser.

18.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

19.

Het beroep is ongegrond

20.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.