Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6336

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
C-09-450611- FA RK 13-716
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ook bij geen nauwe persoonlijke betrekking tussen kind en minderjarige (1:377a lid 1 BW) kan recht van omgang bestaan. Ivm strijd met het in artikel 8 EVRM ook begrepen recht van priveleven van de bio-vader altijd belangenafweging maken voordat niet-ontvankelijkheid van het omgangsverzoek kan worden uitgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0192
EB 2014/89

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 13-716

Zaaknummer: C/09/450611

Datum beschikking: 8 april 2014

Omgang, informatieregeling en status- en afstammingsvoorlichting

Beschikking op het op 10 september 2013 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.D. Verwoerd te Alphen aan den Rijn.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats].

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 11 februari 2014, met bijlagen, van de zijde van de man.

Op 26 februari 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en zijn advocaat. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Verzoek

Het verzoekschrift strekt ertoe:

1.

primair te bepalen dat het in het belang van de minderjarige is om omgang te hebben met de man en een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de minderjarige vanaf het begin gedurende vier weken van 10.00 uur tot 12.00 uur op zaterdag of zondag omgang heeft met de man, de vier opvolgende weken iedere zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur bij de man verblijft en vervolgens iedere zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijft;

subsidiair de beslissing ten aanzien van het primair verzochte aan te houden en te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek zal doen naar de mogelijkheden voor het treffen van een omgangsregeling en een bijzondere curator te benoemen;

2.

een informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de vrouw is gehouden om de man twee maandelijks schriftelijk op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarige en dat zij daarbij een recente (pas)foto meezendt;

3.

te bepalen dat de minderjarige status- en afstammingsvoorlichting dient te krijgen binnen een termijn van drie maanden, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn en, indien de rechtbank dit nodig acht, de raad voor de kinderbescherming op te dragen de vrouw en de minderjarige hierin te begeleiden,

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad gedurende ongeveer een jaar tot eind april 2004.

- Uit de vrouw is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats].

- [erkenner] heeft de minderjarige, met toestemming van de vrouw, op 4 januari 2007 erkend.

- De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 18 augustus 2008 is het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning door de man dan wel

vernietiging van de erkenning door[erkenner], afgewezen en is de man niet- ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om omgang met de minderjarige. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man geenszins heeft aangetoond in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige te staan. In die procedure stond tussen partijen vast dat de man de verwekker is van het kind.

- De man heeft met de minderjarige nimmer contact gehad.

Beoordeling

Omgang

Ontvankelijkheid

Blijkens artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW), eerste lid – voor zover hier van belang – heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe betrekking tot hem staat. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel stelt de rechter op verzoek van een ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, een omgangsregeling vast.

Nu de nieuwe partner van de vrouw de minderjarige heeft erkend, heeft de man als verwekker geen mogelijkheid om het juridisch vaderschap (hiervoor aangeduid met de term ‘ouder’) te verwerven. De rechtbank zal in het navolgende nagaan of de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang met de minderjarige op grond van zijn stelling dat hij een nauwe persoonlijke betrekking heeft met de minderjarige.

De rechtbank stelt voorop dat in de eerdere beschikking van 18 augustus 2008 reeds is overwogen dat een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige niet kan worden vastgesteld. Door de man zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd.

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat er door toedoen van de vrouw geen sprake is van het vereiste ‘family life’, maar dat er wel sprake is van ‘intended family life’, oftewel het voornemen tot familieleven, omdat de man vanaf het moment dat hij op

de hoogte was van de zwangerschap heeft aangegeven dat hij een vader wilde zijn voor de minderjarige. De man beroept zich op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Anayo tegen Duitsland van 21 december 2010, EHRM, nr. 20578/07, NJ 2011,508 (rechtsoverweging 57 en 60) waarin het EHRM heeft bepaald dat het voornemen tot ‘family life’ onder omstandigheden ook valt onder de reikwijdte van het in artikel 8 van het EVRM beschermde recht op familieleven. Tevens doet de man een beroep op schending van zijn privéleven, een recht dat ook door voormeld artikel wordt beschermd.

Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt inmiddels dat in gevallen waarin geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking, zoals hiervoor weergegeven, een verzoek tot omgang van een verwekker van een kind niet zonder meer kan worden afgewezen. Zeker niet in de situatie dat het aan de ouder(s) van het kind te wijten is dat er tussen de verwekker en het kind geen contact bestaat, terwijl daarnaast aan de orde is dat de verwekker wel altijd dit contact heeft gewild. Volgens het EHRM is in die situatie wellicht al sprake van family life op grond van een intentie daartoe maar in ieder geval is sprake van een recht dat ook is begrepen in voormeld artikel 8 namelijk het recht op een “private life”. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 62 in voornoemde uitspraak Anayo tegen Duitsland,

waarin het navolgende is overwogen:

“Having regard to the foregoing, the Court does not exclude that the applicant’s intended relationship with this biological children attracts the protection of ‘family life’ under Article 8. In any event, the determination of the legal relations between the applicant and his biological children here at issue – namely the question whether the applicant had a right of access to his children – even if they fell short of family life concerned an important part of the applicant’s identity and thus his ‘private life’ within the meaning of Article 8 § 1. The domestic courts’ decision tot refuse him contact with his children thus interfered with his right to respect, at least, for his private life.”

Nu in de voorgaande procedure tussen de vrouw en de man is komen vast te staat dat de man de verwekker is van de minderjarige gaat de rechtbank daar in deze procedure ook vanuit.

Dit heeft tot gevolg dat alvorens geoordeeld kan worden dat een inbreuk op het recht van de man tot bescherming van zijn privéleven gemaakt kan worden, door zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met de minderjarige niet ontvankelijk te verklaren, eerst een belangenafweging dient plaats te vinden. Immers het belang van de minderjarige om al dan niet omgang te hebben met zijn verwekker waarbij zijn relatie met zijn ouders(s) in ogenschouw genomen moeten worden, dient afgewogen te worden tegen het belang van de man om omgang te hebben met de minderjarige.

Belang van het kind

De rechtbank acht zich thans onvoldoende voorgelicht om het belang van het kind om al dan niet omgang te hebben met de man goed te kunnen beoordelen.

De rechtbank zal een nieuwe zitting bepalen waarbij de vrouw zal worden opgeroepen om in persoon, al dan niet vergezeld door een advocaat, te verschijnen voor het verschaffen van inlichtingen als bedoeld in artikel 88 in samenhang met artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verder zal de rechtbank bepalen dat de zaak wordt voortgezet in de aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming, welke instantie mogelijk gevraagd zal worden om te rapporteren en adviseren over het belang van de minderjarige. Waarbij ook aan de orde kan komen dat volgens de man de erkenner van de minderjarige op dit moment niet meer de partner is van de vrouw.

De rechtbank zal derhalve de beslissing ter zake het verzoek van de man om een omgangsregeling te bepalen aanhouden tot de voortzetting van de behandeling ter zitting op 21 mei 2014.

De rechtbank zal de verzoeken van de man om vaststelling van een informatie- en consultatieregeling en het verplicht opleggen van een status c.q. afstammingsvoorlichting eveneens aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de behandeling ter terechtzitting zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de op de Kinderbescherming op de terechtzitting van 21 mei 2014 te 11.15 uur;

*

bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de gedingstukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

*

beveelt [de vrouw], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], om in persoon te verschijnen op de terechtzitting van 21 mei 2014 te 11.15 uur voor het verschaffen van inlichtingen als bedoeld in artikel 88 in samenhang met artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang, de informatie- en consultatieregeling en de status- c.q. afstammingsvoorlichting aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Vink, kinderrechter, bijgestaan door

mr. K. Beukhof als griffier, en uitgesproken door mr. J. Brandt ter openbare terechtzitting van 8 april 2014.