Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6293

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
06-06-2014
Zaaknummer
C-09-465520
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Benoeming bijzonder curator

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0157
FJR 2015/35.13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: JE RK 14-1129

Zaaknummer: C/09/465520

Datum beschikking: 13 mei 2014

Benoeming bijzondere curator

Beschikking op het op 6 mei 2014 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

de minderjarige,

wonende te[plaats],

advocaat: mr. L. van Dijk te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[A],

de vader,

wonende te[plaats],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.

en

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden (hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg).

De minderjarige verblijft in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, te weten [X] te [plaats].

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.

Op 13 mei 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld. Hierbij is verschenen: mr. L. van Dijk en mevrouw [B] namens Bureau Jeugdzorg.

Verzoek

Het verzoek strekt tot benoeming van een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daartoe is aangevoerd dat bij beschikking d.d. 17 maart 2014 een machtiging is verleend tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. De minderjarige kan zich niet verenigen met de genomen beslissing en wil daartegen hoger beroep instellen. Hij heeft echter gezien zijn leeftijd, geen eigen rechtsingang. De enige met het gezag belaste ouder, te weten de vader, heeft niet gereageerd op brieven waarin de raadsman hem heeft gevraagd of hij al dan niet hoger beroep wil instellen tegen de beschikking. Naar de mening van de raadsman dient er te worden uitgegaan dat de vader geen hoger beroep zal instellen tegen de beschikking van

17 maart 2014.

Nu de minderjarige zelf hoger beroep wil instellen en de met het gezag belaste ouder daar niet toe overgaat, is sprake van een belangentegenstelling sprake als bedoeld in artikel 1:250 BW.

Beoordeling

Mevrouw [B] heeft ter terechtzitting namens Bureau Jeugdzorg verklaard dat het perspectief van de minderjarige thans bepaald is. De minderjarige is aangemeld bij [Y] en staat momenteel nog op een wachtlijst. Naar de mening van Bureau Jeugdzorg is het instellen van hoger beroep en daarmee het benoemen van een bijzondere curator dan ook niet nodig.

Mr. Van Dijk heeft opgemerkt dat de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg tot september 2014 is afgegeven. Naar de mening van de raadsman is plaatsing van de minderjarige op een wachtlijst voor een plek op [Y] geen garantie dat de minderjarige vóór het verstrijken van voornoemde machtiging op [Y] wordt geplaatst.

Daarnaast heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat de kinderrechter in eerste aanleg meer heeft toegewezen dan is verzocht, zodat de beschikking reeds hierom niet in stand kan blijven. Verder heeft hij erop gewezen dat het een zeer jonge minderjarige (tien jaar) betreft die al langere tijd is geplaatst in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg en aldaar zware medicatie (antipsychotica) krijgt toegediend.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Een minderjarige is in beginsel processueel onbekwaam en niet bevoegd om zelfstandig als formele procespartij op te treden, tenzij de wet anders bepaalt. Artikel 29a, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) maakt hierop een uitzondering door te bepalen dat in zaken die betrekking hebben op de toepassing van dit hoofdstuk (de plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg) een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt bekwaam is in rechte op te treden. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen.

Op basis van het tweede lid van artikel 29f Wjz wordt aan de minderjarige ambtshalve een raadsman toegevoegd. Dit geldt zowel voor de minderjarige van twaalf jaar en ouder als voor de minderjarige jonger dan twaalf.

Voor een minderjarige van jonger dan twaalf en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen geldt dat hij ingevolge artikel 1:245 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in rechte wordt vertegenwoordigd door de degene onder wiens gezag hij staat. Als deze ouder anders dan (de advocaat van) de minderjarige tegen een machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg geen hoger beroep wil instellen, bestaat louter nog de mogelijkheid tot benoeming van een bijzondere curator die voor de minderjarige in hoger beroep gaat. Immers, omdat de minderjarige processueel onbekwaam is kan zijn advocaat voor hem geen hoger beroep instellen. Op grond van artikel 1:250 BW kan de kinderrechter een bijzondere curator benoemen om de belangen van de minderjarige te behartigen in alle conflicten van substantiële aard tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige.

De minderjarige is tien jaar oud, benedengemiddeld intelligent en bekend met verschillende stoornissen (reactieve hechtingsstoornis, ADHD en ODD). Door de advocaat noch Bureau Jeugdzorg is aangevoerd dat de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Gelet op wat bekend is over de persoon van de minderjarige ziet de kinderrechter geen aanleiding om ambtshalve tot deze conclusie te komen dan wel hiernaar nader onderzoek te verrichten.

Dit betekent dat in de door de minderjarige gewenste procedure hij dus in principe in rechte dient te worden vertegenwoordigd door de vader, die het gezag over de minderjarige heeft. Echter de vader heeft niet gereageerd op het verzoek van de raadsman om tegen de beslissing tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg hoger beroep in te stellen en heeft tegen de beslissing ook zelf geen hoger beroep ingesteld. De belangen van de minderjarige zijn dan ook in strijd met de belangen van de met het gezag belaste ouder.

De kinderrechter is van oordeel dat er in het onderhavige geval sprake is van een conflict van substantiële aard tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige en acht benoeming van een bijzondere curator in het belang van de minderjarige noodzakelijk. De minderjarige is in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg geplaatst, waardoor sprake is van een maatregel tot vrijheidsbeneming. Artikel 5 lid 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind geven de minderjarige die van zijn vrijheid is beroofd het recht om de rechtmatigheid van zijn vrijheidsbeneming aan de rechter voor te leggen en op een beslissing ten aanzien van het instellen van hoger beroep.

Derhalve zal worden beslist als na te melden.

Beslissing

De kinderrechter:

benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige: mr. L. van Dijk, kantoorhoudende te Den Haag om voor de minderjarige hogere beroep in te stellen en hem in tweede aanleg in rechte bij te staan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Dam in aanwezigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2014.