Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6280

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/17432
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overheveling bevoegdheid verlening mvv; restitutie; ne bis beoordelingskader; Byankov-arrest

Het besluit op bezwaar tegen de weigering restitutie leges mvv is, gelet op de overheveling van aangelegenheden betreffende de verlening van mvv’s per 1 juni 2013, dat mede de restitutie van leges voor de behandeling van een mvv-aanvraag omvat, door het bevoegde bestuursorgaan genomen. Het verzoek om restitutie is volgens de rechtbank aan te merken als een verzoek om terug te komen van een eerder besluit, waarop het ne bis beoordelingskader van toepassing is. De rechtbank ziet in de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2013 geen aanleiding om anders te oordelen. Ook de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011 staat niet in de weg aan de toepassing van dit beoordelingskader. In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2012 in de zaak Byankov, waarnaar is verwezen, ziet de rechtbank, ook in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013, evenmin aanleiding om dit beoordelingskader buiten toepassing te laten. In het Byankov-arrest is een uitzondering gemaakt op het, ook in het Unierecht geldende, uitgangspunt dat een bestuursorgaan in beginsel niet hoeft terug te komen op een besluit dat definitief is geworden, omdat aan Byankov een absoluut uitreisverbod voor onbepaalde duur was opgelegd, en zulks bijgevolg een schending vormde van het in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verankerde recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten. Het betreft hier echter niet een vergelijkbare zaak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 13/17432

Datum uitspraak: 4 februari 2014

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

eiseres,

mede namens haar drie minderjarige kinderen,

allen van Georgische nationaliteit,

gemachtigde mr. D. Schaap,

tegen

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder

(onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Bij brief van 8 maart 2013 heeft eiseres verzocht om restitutie van teveel betaalde leges, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van heffing tot aan het moment van terugbetaling. Dit verzoek ziet op de geheven leges in verband met de door eiseres, mede voor haar kinderen, ingediende aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Bij besluit van 18 april 2013 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken dit verzoek afgewezen.

Daartegen heeft eiseres, mede namens haar kinderen, op 16 mei 2013 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 juni 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 4 juli 2013 heeft eiseres, mede namens haar kinderen, beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

12 november 2013. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.A.M. de Groot.

De beoordeling

1.De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 6 juni 2013 door het bevoegde bestuursorgaan is genomen. Zoals volgt uit het Besluit van 10 juni 2013 houdende departementale herindeling met betrekking tot visa lang verblijf (Stcrt. 2013, nr. 16492, 20 juni 2013) is met ingang van 1 juni 2013 de Minister van Veiligheid en Justitie belast met de behartiging van aangelegenheden betreffende de verlening van mvv’s. Naar het oordeel van de rechtbank ziet deze overheveling ook op het nemen van besluiten over de restititie van leges voor de behandeling van een mvv-aanvraag. De uitspraken van rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats, Den Bosch van 29 april 2011 (AWB 11/2086), nevenzittingsplaats Middelburg van 6 september 2012 (AWB 12/12313) en zittingsplaats Den Haag van 5 juni 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:7855), waarnaar eiseres in beroep heeft verwezen, missen relevantie, nu ten tijde van de in die uitspraken aan de orde zijnde besluiten van voormelde overheveling nog geen sprake was.

2. Eiseres heeft aan haar verzoek om restitutie van leges ten grondslag gelegd dat zij, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 9 oktober 2012 (JV 2012/470), te hoge legeskosten heeft betaald voor de in het kader van gezinshereniging ingediende mvv-aanvragen.

3.De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 september 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR6949) overwogen dat het voldoen van leges een voorwaarde is voor het in behandeling nemen van de door de vreemdeling ingediende aanvraag en als zodanig deel uitmaakt van het besluit dat wordt genomen op deze aanvraag. Een verzoek tot restitutie van leges dat niet binnen de voor het instellen van rechtsmiddelen gestelde termijn van vier weken is ingediend, is aan te merken als een verzoek om terug te komen van het besluit dat is genomen op de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier. Voor een inhoudelijke beoordeling van het op een dergelijk verzoek genomen besluit door de rechter is slechts plaats indien sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Indien het verzoek is gedaan vóór de datum van openbaarmaking van deze uitspraak zal het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet aan rechterlijke toetsing van het besluit in de weg staan, aangezien de Afdeling voorheen oordeelde dat het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden niet aan rechterlijke toetsing in de weg stond

4.De rechtbank stelt vast dat het verzoek van eiseres om restitutie van de door haar betaalde leges dateert van 17 februari 2012 en derhalve is gedaan na de datum van openbaarmaking van voormelde uitspraak van 2 september 2011. Gelet hierop is het verzoek aan te merken als een verzoek om terug te komen van het besluit dat is genomen op de aanvraag om een mvv. Voor een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 6 juni 2013 is dan (in beginsel) slechts plaats indien sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank ziet in de verwijzing van eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2013 (NJ 2013/342) geen aanleiding om anders te oordelen aangezien dit arrest niet handelde over een soortgelijk geval. In dat geval oordeelde de Hoge Raad dat de betalingsverplichting voortvloeide uit een overeenkomst tussen partijen en niet uit een onherroepelijk geworden vrijstellingsbesluit, hetgeen de Hoge Raad tot het oordeel bracht dat het bedingen van de financiële bijdrage ook in een procedure bij de burgerlijke rechter aan de orde kon komen. Voormeld arrest kan dan ook niet afdoen aan het hiervoor weergegeven toetsingskader dat de bestuursrechter in acht heeft te nemen bij de beoordeling van besluiten op verzoeken om terug te komen van onherroepelijke besluiten.

5.Eiseres heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van

21 september 2011 (LJN: BT2131), betoogd dat zij wegens het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing verschoonbaar niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de leges die geheven is bij het besluit omtrent de mvv-aanvraag en dat zij om die reden het in het besluit tot verlening van de mvv’s opgenomen besluit over de legesheffing thans alsnog kan aanvechten zonder dat sprake is van een terugkomen op een onherroepelijk besluit.

6.In de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011 heeft de Afdeling, onder rechtsoverweging 2.2.4 het volgende overwogen:

“De Afdeling is thans, gelet op het belang van de rechtseenheid in het bestuursrecht, in aansluiting op de rechtspraak van de Hoge Raad (..), de Centrale Raad van Beroep (..) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (...), van oordeel dat het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit of uitspraak in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet, stellende dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. Dit beginsel lijdt uitzondering indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende tijdig wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen. Van bekendheid met de termijn kan in ieder geval worden uitgegaan indien de belanghebbende voor afloop van de termijn reeds werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Bij een professionele rechtsbijstandverlener mag kennis omtrent het in te stellen rechtsmiddel en de daarvoor geldende termijn immers worden verondersteld en diens kennis kan in dit verband aan de belanghebbende worden toegerekend.”.

7. Voor zover eiseres met het hiervoor onder rechtsoverweging 5 vermelde betoog beoogt te stellen dat, gelet op voormelde uitspraak van 21 september 2011, het onder rechtsoverweging 3 weergegeven beoordelingskader in dit geval niet kan worden toegepast, faalt dat betoog. Naar het oordeel van de rechtbank staat de uitspraak van 21 september 2011 niet in de weg aan de toepassing van het onder rechtsoverweging 3 vermelde beoordelingskader. De beoordeling of het wegens het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing niet mogelijk is gebleken tijdig bezwaar te maken tegen de geheven leges dient plaats te vinden in een tegen het besluit tot inwilliging van de mvv gericht bezwaar.

8. Eiseres heeft voorts, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2012 in de zaak Byankov, (LJN: BY0917; hierna: het Byankov-arrest), betoogd dat het tegenwerpen van het in rechtsoverweging 3 vermelde beoordelingskader in strijd is met het Unierecht.

9.Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juni 2011 in zaak nr. 201011351/1/V1Z) is ook in gedingen betreffende aanspraken ontleend aan het Unierecht de toepassing van nationale procedureregels in beginsel slechts onderworpen aan de vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid en komt aan het rechtszekerheids-beginsel zwaarwegende betekenis toe. De rechtbank overweegt dat in het Byankov-arrest een uitzondering is gemaakt op het, ook in het Unierecht geldende, uitgangspunt dat een bestuursorgaan in beginsel niet hoeft terug te komen op een besluit dat definitief is geworden, omdat aan Byankov een absoluut uitreisverbod voor onbepaalde duur was opgelegd, en zulks bijgevolg een schending vormde van het in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verankerde recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten. In dit verband overweegt de rechtbank dat de zaak Byankov geen vergelijkbaar geval betreft, aangezien in dat geval in het geheel geen nationale rechtsgang meer open stond tegen het aangevallen besluit. In het onderhavige geval kan wel nog een rechterlijke toetsing van het besluit plaatsvinden, mits er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. De rechtbank ziet, ook in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2688), in het Byankov-arrest dan ook geen aanleiding om ten aanzien van eiseres het onder rechtsoverweging 3 vermelde beoordelingskader buiten toepassing te laten.

10. Nu het besluit van 6 juni 2013 van gelijke strekking is als het eerdere, in het besluit tot inwilliging van de aanvraag tot verlening van een mvv vervatte, besluit tot het heffen van leges, en niet gebleken is van bijzondere omstandigheden als aan de orde in het Byankov-arrest, is het in rechtsoverweging 3 uiteengezette beoordelingskader van toepassing. Eiseres heeft geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden aangevoerd. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 22 januari 2008, LJN: BC3006) is een rechterlijke uitspraak geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Evenmin kan uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan. Dat de legestarieven voor een in het kader van gezinshereniging ingediende aanvraag om een mvv zijn verlaagd (Stcrt. 2013, nr. 2529, 31 januari 2013) houdt geen voor eiseres relevante wijziging van het recht in, nu deze wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen terugwerkende kracht heeft tot 8 oktober 2012 en het legesbedrag, waarop het verzoek van 8 maart 2013 ziet, voor deze datum is geheven.

11. Derhalve is er geen plaats voor een rechterlijke toetsing van het besluit van 6 juni 2013. Het beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, voorzitter en mr. R.J. Jue en

mr. B.J. Zippelius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).