Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6274

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/28319
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan eiseres heeft gesteld, heeft verweerder het verblijfsrecht van eiseres niet zonder meer beëindigd. De Richtlijn 2004/38 is geïmplementeerd in de artikelen 8.7 tot en met 8.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Verweerder heeft alvorens over te gaan tot de beëindiging van het verblijfsrecht van eiseres, getoetst aan deze bepalingen van het Vb 2000 en de belangen van eiseres afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid om het verblijfsrecht te beëindigen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van deze belangen niet heeft kunnen overgaan tot beëindiging van het verblijfsrecht van eiseres.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/28319

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan beëindigd en het verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken.

Bij besluit van 10 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 29 november 2013 heeft zij de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 21 februari 2014 heeft eiseres een nader stuk ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Roemeense nationaliteit. Zij staat sinds 15 december 2008 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Boxtel.

Eiseres heeft op 2 februari 2010 verzocht om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Op 11 maart 2010 heeft verweerder eiseres in het bezit gesteld van dit document met als doel ‘gemeenschapsonderdaan. Arbeid als zelfstandige’.

Op 8 januari 2011 is eiseres in ’s-Hertogenbosch bevallen van haar [dochter]. De dochter van eiseres heeft de Roemeense nationaliteit. [persoon 1], eveneens van Roemeense nationaliteit, heeft de dochter erkend.

Vanaf 10 mei 2011 tot 1 januari 2014 heeft eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand ontvangen.

Bij brief van 29 januari 2013 heeft verweerder kenbaar gemaakt voornemens te zijn het verblijfsrecht van eiseres te beëindigen. Bij brief van 1 maart 2013 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt. In het primaire besluit heeft verweerder vervolgens het verblijfsrecht van eiseres beëindigd en het aan eiseres verstrekte verblijfsdocument ingetrokken.

2.

In het bestreden besluit heeft verweerder de beëindiging van het verblijfsrecht en de intrekking van het aan eiseres verstrekte document gehandhaafd, omdat eiseres volgens verweerder een onredelijke last voor de publieke middelen vormt.

3.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte haar verblijfsrecht heeft beëindigd. Eiseres heeft hiertoe gesteld dat verweerder het verblijfsrecht niet zonder meer mag beëindigen, maar een belangenafweging moet verrichten waarbij de persoonlijke omstandigheden van eiseres moeten worden betrokken. Zij heeft in dit verband gewezen op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 20 september 2001 inzake Grzelcyk (C-184/99), van 7 september 2004 inzake Trojani (C-456/02) en van 24 april 2012 inzake Kamberaj (C-571/10) (www.curia.europa.eu).

4.

Anders dan eiseres heeft gesteld, heeft verweerder het verblijfsrecht van eiseres niet zonder meer beëindigd. De overwegingen uit de arresten waar eiseres in dit verband naar heeft verwezen, zijn verwerkt in Richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Richtlijn). De Richtlijn is geïmplementeerd in de artikelen 8.7 tot en met 8.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Verweerder heeft alvorens over te gaan tot de beëindiging van het verblijfsrecht van eiseres, getoetst aan deze bepalingen van het Vb 2000 en de belangen van eiseres afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid om het verblijfsrecht te beëindigen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van deze belangen niet heeft kunnen overgaan tot beëindiging van het verblijfsrecht van eiseres. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank hiertoe als volgt.

5.

Niet in geschil is dat eiseres niet kan worden aangemerkt als werknemer en niet langer zelfstandige is. Verweerder heeft bij de verrichte belangenafweging betrokken de duur van het verblijf, de duur, frequentie en omvang van het beroep op de publieke middelen, de reden waarom eiseres tijdelijk dan wel permanent niet in staat is om in haar levensonderhoud te voorzien, de banden met het land van herkomst, de gezinssituatie en de medische situatie.

In de gestelde tijdelijkheid van het beroep op de publieke middelen tot 1 januari 2014 en de omstandigheid dat eiseres tot die tijd niet vrij was op de arbeidsmarkt, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om niet tot verblijfsbeëindiging over te gaan. Verweerder heeft juist ten nadele van eiseres kunnen laten wegen dat zij gedurende een periode van ruim tweeënhalf jaar een beroep op de publieke middelen heeft gedaan. Dat eiseres tot 1 januari 2014 niet vrij op de arbeidsmarkt was, is een omstandigheid die verweerder voor rekening en risico van eiseres heeft kunnen laten komen. Nederland heeft bij de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie gebruik gemaakt van de mogelijkheid om tijdelijke maatregelen te treffen voor de toegang tot de arbeidsmarkt van Roemeense werknemers. Door gedurende deze periode naar Nederland te komen, heeft eiseres het risico genomen dat zij bij niet voortzetten van haar werkzaamheden als zelfstandige, geen vrije toegang tot de arbeidsmarkt zou hebben met alle mogelijke gevolgen van dien. Verweerder heeft in dit verband ook van belang kunnen achten dat niet is gebleken dat eiseres de werkzaamheden die zij heeft gesteld wel te kunnen verrichten, zoals naaiwerkzaamheden, niet als zelfstandige zou kunnen verrichten, nu uit de overgelegde facturen van de onderneming van eiseres blijkt dat deze ook daarop was gericht.

Verweerder heeft verder niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat eiseres door de zwangerschap en bevalling van haar dochter arbeidsongeschikt is geraakt, omdat eiseres die stelling niet met objectieve verifieerbare stukken, zoals een verklaring van een keuringsarts, heeft onderbouwd. De door eiseres overgelegde stukken heeft verweerder onvoldoende kunnen achten om arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Hierdoor is evenmin aannemelijk dat zij om die reden genoodzaakt was een beroep op de publieke middelen te doen.

Ook bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder bij evenbedoelde belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de dochter van eiseres en het gezinsleven tussen haar dochter en dier vader. Verweerder heeft gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat eiseres en haar dochter de Roemeense nationaliteit hebben. Ook bestaat geen objectieve belemmering het gezinsleven in Roemenië uit te oefenen, omdat eiseres tot 2008 in Roemenië heeft gewoond, haar familie daar nog steeds woont en de vader van de dochter ook de Roemeense nationaliteit heeft, terwijl het een keuze van hem is om al dan niet met eiseres en haar dochter terug te keren naar Roemenië.

Voor zover eiseres onder verwijzing naar de artikelen 15 van de considerans behorend bij de Richtlijn en 13, tweede lid, onder b en d, van de Richtlijn heeft gesteld dat de vader van de dochter van eiseres op grond van de Richtlijn verblijfsrecht in Nederland heeft en dat daarom doorslaggevend gewicht moet worden toegekend aan het gezinsleven tussen hem en zijn dochter, kan zij hierin niet worden gevolgd. Deze artikelen zien op behoud van verblijfsrecht van familieleden van de burger van de Unie bij overlijden van deze burger van de Unie en bij scheiding en ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of geregistreerd partnerschap met deze burger. Die situatie is in deze zaak niet aan de orde. Bovendien laten deze artikelen onverlet dat ook volgens de Richtlijn het recht van verblijf van een burger van de Unie en zijn familieleden voor een periode van meer dan drie maanden aan bepaalde voorwaarden moet zijn verbonden om te voorkomen dat zij een onredelijke belasting vormen voor het sociale bijstandstelsel van het gastland. Een beroep op gezinsleven tussen de dochter van eiseres en haar vader, kan niet leiden tot het toestaan van verblijf aan eiseres met voorbijgaan aan deze voorwaarden.

6.

De beroepsgrond faalt.

7.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, rechter, in aanwezigheid van B.C.T. Rabou-Coort LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.