Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6215

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
C-09-438946 - FA RK 13-1975
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2013:17964
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verklaring voor recht en verbetering en doorhaling akte burgerlijke stad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 13-1975

Zaaknummer: C/09/438946

Datum beschikking: 19 mei 2014

Verklaring voor recht en verbetering en doorhaling akte burgerlijke stand

Beschikking op het op 14 februari 2013 bij de rechtbank Limburg ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] en [de man],

verzoekers, dan wel de vrouw en de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.J.A. Bakker te Utrecht.

Als belanghebbende ten aanzien van de verzochte verklaring voor recht wordt aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente],

zetelend te [gemeente],

de ambtenaar.

Als belanghebbende ten aanzien van het verzoek tot verbetering en doorhaling van een akte van de burgerlijke stand wordt aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente],

zetelend te [gemeente].

Procedure

De verklaring voor recht

Bij beschikking d.d. 9 december 2013 van deze rechtbank is een beslissing op het verzoek, in afwachting van een door de rechtbank te vragen advies van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) pro forma aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- het rapport en advies d.d. 29 januari 2014 van het IJI;

- de brief d.d. 4 februari 2014 van de ambtenaar;

- de brief d.d. 14 maart 2014 van de zijde van verzoekers.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

De rechtbank heeft het IJI de volgende vraag voorgelegd:

“Is het op [datum huwelijk] op het Egyptische consulaat te Brussel gesloten huwelijk van verzoekers naar Belgisch internationaal privaatrecht (ipr) geldig, nu alleen de man uitsluitend de Egyptische nationaliteit had en de vrouw, naast de Egyptische nationaliteit, ook de Nederlandse nationaliteit had?”.

Het IJI concludeert na bestudering van beschikbare documentatie dat het standpunt in België over de hiervoor gestelde vraag niet eenduidig is en ziet - kort weergegeven - de volgende mogelijkheden:

1.

De uitspraak d.d. 15 april 2002 van de rechtbank te Luik, België, volgend, is het consulaire huwelijk van verzoekers op grond van het reciprociteitsvereiste rechtsgeldig gesloten.

2.

Volgens de Omzendbrief 1980 en met toepassing van de toets betreffende de effectieve nationaliteit is het gesloten huwelijk, indien de vrouw de nauwste verbondenheid heeft met de Nederlandse nationaliteit, nietig.

3.

Bij toepassing van de toets van de nominale nationaliteit is het huwelijk rechtsgeldig gesloten.

4.

Uitgaande van de stelling dat aan de nationaliteit van een EU-land voorrang wordt gegeven boven elke andere niet-EU nationaliteit, zodat de Nederlandse nationaliteit van de vrouw altijd voorrang heeft boven haar Egyptische nationaliteit, is het huwelijk nietig.

De ambtenaar stelt zich op het standpunt dat, gelet op de bevindingen van het IJI en nu verzoekers opnieuw in [gemeente] zijn gehuwd, nadat kennelijk de registratie van het consulaire huwelijk door de bevoegde Belgische autoriteit ongedaan is gemaakt, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het consulaire huwelijk niet door de daartoe bevoegde Belgische instantie is erkend. Daarom kan volgens de ambtenaar niet geconcludeerd worden dat is voldaan aan het vereiste van artikel 10:31 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Uit de schriftelijke reactie d.d. 14 maart 2014 van verzoekers maakt de rechtbank op dat verzoekers zich het meest kunnen vinden in de door het IJI genoemde mogelijkheid onder 1. Zij wijzen er voorts op dat in de Omzendbrief met betrekking tot huwelijken gesloten voor consulaire ambtenaren het volgende is opgenomen: “De huwelijken aangegaan voor die ambtenaren door echtgenoten die geen van beide of waarvan één niet die nationaliteit bezit, zijn in principe nietig. Zij moeten evenwel als geldig worden beschouwd zolang de nietigheid niet gerechtelijk is vastgesteld.”. Verzoekers merken op dat hieruit kan worden opgemaakt dat een huwelijk dat is gesloten voor een consulair ambtenaar slechts door tussenkomst van een rechter kan worden vernietigd. Nu zodanige vernietiging niet heeft plaatsgevonden, is het consulaire huwelijk geldig, aldus verzoekers.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu het door verzoekers gesloten consulaire huwelijk naar Egyptisch recht rechtsgeldig tot stand is gekomen, wordt het huwelijk op grond van artikel 10:31 lid 2 BW als rechtsgeldig erkend, tenzij die voltrekking in België niet was toegestaan.

Beoordeeld dient derhalve te worden of vast is komen te staan, zoals de ambtenaar heeft betoogd, dat het consulaire huwelijk in België niet was toegestaan. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen vast staat dat indien er, voor wat betreft de vaststelling van de nationaliteit van verzoekers bij het sluiten van het consulaire huwelijk, geen effectiviteitstoets hoeft plaats te vinden, het huwelijk als rechtsgeldig dient te worden erkend. Immers verzoekers hebben beiden de (nominale) Egyptische nationaliteit. De vraag is echter of er een effectiviteitstoets dient plaats te vinden, zoals de ambtenaar stelt. De ambtenaar voert immers aan dat verzoekers bij het sluiten van het consulaire huwelijk niet dezelfde nationaliteit hadden wegens het feit dat de vrouw, naast de Egyptische nationaliteit, de Nederlandse nationaliteit had of anders gezegd, wegens het feit dat de effectieve nationaliteit van de vrouw niet de Egyptische, maar de Nederlandse nationaliteit was.

Beoordeeld dient derhalve te worden of ten tijde van het aangaan van het consulaire huwelijk (slechts) de Nederlandse nationaliteit van de vrouw als haar nationaliteit had te gelden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet is komen vast te staan en overweegt daartoe als volgt.

In de Omzendbrief van 13 maart 1980 is inzake de bevoegdheid van de diplomatieke of consulaire ambtenaren om een huwelijk te voltrekken wel vermeld dat deze bevoegdheid beperkt is tot huwelijken van personen die de nationaliteit bezitten van het land waartoe de diplomatieke of consulaire ambtenaar behoort. Op bipatridie wordt in de Omzendbrief echter in het geheel niet ingegaan, en dientengevolge evenmin op de vraag omtrent de effectieve nationaliteit. Ook uit Belgische rechtspraak of regelgeving is niet, althans niet eenduidig, op te maken dat volgens het Belgische (internationale privaat)recht een effectiviteitstoets dient te worden aangelegd bij het vaststellen van de nationaliteit van degenen die een (consulair) huwelijk willen aangaan. Evenmin is gebleken van volkenrechtelijke afspraken tussen België en Egypte met een dergelijke inhoud. De rechtbank ziet derhalve in zoverre geen grond voor aanknoping bij de Nederlandse (effectieve) nationaliteit van de vrouw.

Voor aanknoping bij de Nederlandse nationaliteit van de vrouw omdat deze nationaliteit, als EU-nationaliteit, voorrang zou hebben boven de Egyptische, ziet de rechtbank evenmin aanleiding, nu niet is gebleken van geldende Belgische regelgeving of rechtspraak waaruit een dergelijke voorrangsregel zou voortvloeien.

Nu het standpunt in België niet eenduidig is en ook overigens niet kan worden vastgesteld dat, voor wat betreft de bevoegdheid van verzoekers om het consulaire huwelijk aan te gaan, het volgen van hun nominale nationaliteit (de Egyptische) niet toegestaan zou zijn, en nu het consulaire huwelijk voorts niet in België bij rechterlijke uitspraak is vernietigd,

dient het consulaire huwelijk op grond van artikel 10:31, tweede lid BW, als rechtsgeldig te worden erkend. De verzochte verklaring voor recht zal derhalve worden toegewezen.

De verbetering van de geboorteakte

Nu het consulaire huwelijk als rechtsgeldig wordt erkend, komt de rechtbank toe aan de verzoeken van verzoekers tot verbetering van de geboorteakte van de minderjarige [de minderjarige] en tot doorhaling van de akte van erkenning. Nu de minderjarige is geboren te [gemeente] en het verzoek derhalve een verbetering van een door de ambtenaar van de burgerlijke stand in die gemeente opgemaakte geboorteakte betreft, dient de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente], als belanghebbende, in de gelegenheid gesteld te worden zich over de verzochte verbetering uit te laten. Daarbij dient de bij deze beschikking toegewezen verklaring voor recht als een gegeven te worden beschouwd.

De rechtbank zal deze ambtenaar hiertoe als volgt in de gelegenheid stellen, zulks met de mogelijkheid voor verzoekers om op de uitlating van de ambtenaar te reageren.

Gelet op het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat het door verzoekers op [datum huwelijk] op het Egyptische consulaat te Brussel gesloten huwelijk, naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig is;

bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot verbetering en doorhaling van de geboorteakte van de minderjarige wordt aangehouden tot 1 augustus 2014 pro forma teneinde de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten als hiervoor vermeld;

bepaalt dat deze ambtenaar uiterlijk twee weken voor de genoemde proformadatum schriftelijk reageert op het verzoek ten aanzien van de geboorteakte van de minderjarige;

bepaalt dat verzoekers uiterlijk op genoemde proformadatum voor zover daarop wordt prijs gesteld, zullen reageren;

bepaalt dat indien de ambtenaar aan het hierbij bepaalde geheel of gedeeltelijk niet voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de geboorteakte van de minderjarige aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, M.T. Nijhuis en S.M. Westerhuis-Evers, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2014.