Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6150

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
C-09-451644 - HA ZA 13-1095
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/451644 / HA ZA 13-1095

Vonnis van 14 mei 2014 (bij vervroeging)

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE DEN HAAG,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. G.J. Huith te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] BOUW 'S-HERTOGENBOSCH B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Den Haag.

Partijen zullen hierna de Gemeente en [A] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 september 2013;

  • -

    de conclusie van antwoord van 8 januari 2014;

  • -

    het tussenvonnis van 22 januari 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de op 14 april 2014 gehouden comparitie;
    - de brief van 6 mei 2014 van mr. Huith naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de brief van 7 mei 2014 van mr. B.R. van Veen namens [A].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen de Gemeente en Hevo B.V. (hierna: Hevo) is op 16 mei 2007 een “Raamovereenkomst Integraal Projectmanagement” (hierna: de IPM-Overeenkomst) gesloten, waarbij aan Hevo is opgedragen het “integraal projectmanagement” uit te voeren ten behoeve van het ontwerp en de realisatie van het project Wateringse Binnentuinen te Den Haag (hierna: het Werk).

2.2.

Het Werk betreft een gebouw waarin inmiddels twee scholen en een

kinderdagverblijf zijn gehuisvest en dat dagelijks huisvesting biedt aan circa 1200

schoolkinderen, leerkrachten en begeleiders. Het Werk diende in eerste instantie op 1

juli 2009 aan de Gemeente te worden opgeleverd, maar nadien is 1 februari 2010 als

uiterste datum van oplevering overeengekomen.

2.3.

Voor de bouwkundige werkzaamheden hebben de Gemeente en Hevo op 10

juli 2008 een driepartijenovereenkomst met [A] gesloten, die op 28 augustus 2008

door [A] is ondertekend (hierna: de driepartijenovereenkomst).

2.4.

De driepartijenovereenkomst bepaalt, voor zover in het kader van dit geschil

Relevant, het volgende:

“Artikel 1: opdracht

De Gemeente, respectievelijk Hevo, draagt aan Aannemer ([A], rechtbank) op, welke opdracht door

Aannemer wordt aanvaard, het uitvoeren van de bouwkundige werkzaamheden voor het Totaalproject, conform de aanbestedingsdocumenten.


Artikel 2: contractuele verhoudingen, derdenbeding en subrogatie

Lid 1: Derdenbeding en subrogatie

De Gemeente bedingt ten behoeve van Hevo de overdracht van al haar rechten onder de last voor Hevo tot volledige nakoming van de overeenkomst IPM Gemeente en subrogeert Hevo op grond van artikel 6:150, sub d, BW inzake al haar plichten aangaande de opdracht onder de voorwaarde van het bestaan van het derdenbeding, van welke overdracht en subrogatie Hevo en Aannemer thans kennis nemen en waarmee zij instemmen. Hevo wordt hierdoor tevens partij bij deze Overeenkomst voor wat betreft de Onderwijsvoorziening en treedt voor de duur van de overeenkomst IPM Gemeente volledig in alle rechten en verplichtingen van de Gemeente in dezen.(…)

Lid 2: Einde derdenbeding en subrogatie

Enkel en alleen indien Hevo in verzuim is ten opzichte van de Gemeente inzake de

nakoming van de overeenkomst IPM Gemeente komt de Gemeente de bevoegdheid toe het derdenbeding te herroepen, vervalt de subrogatie en is Aannemer gehouden de opdracht jegens de Gemeente verder uit te voeren en te voltooien. De met Hevo te sluiten Uitwerkingsovereenkomst vindt in dat geval overeenkomstige toepassing in de relatie Gemeente - Aannemer.

Lid 3: Uitwerking contractuele verhoudingen

Aannemer zal voor de verdere detaillering van deze Overeenkomst, conform de

aanbestedingsdocumenten, een Uitwerkingsovereenkomst sluiten met Hevo.”

2.5.

Eveneens op 10 juli 2008 heeft Hevo met [A] ter uitvoering van de in artikel 2 lid 3 van de driepartijenovereenkomst opgenomen verplichting een aannemingsovereenkomst gesloten (hierna ook wel aangeduid als de uitwerkingsovereenkomst).

2.6.

Tijdens de uitvoering van het Werk is in juli 2009 geconstateerd dat een aantal

dragende penanten en wanden, die door [A] waren gebouwd, waren

bezweken.

2.7.

Begin februari 2010 hebben Hevo en [A] het Werk ter goedkeuring (aan de Gemeente) aangeboden. Die goedkeuring heeft de Gemeente aan het Werk onthouden.

2.8.

Bij nader destructief onderzoek in opdracht van de Gemeente is geconstateerd dat het gebouw constructief niet veilig bleek.

2.9.

Omdat [A] en Hevo weigerden de noodzakelijke herstelwerkzaamheden uit te voeren, heeft de Gemeente in september 2010 de herstelwerkzaamheden opgedragen aan een derde.

2.10.

Het Werk is uiteindelijk onder regie van de Gemeente voltooid en op 21 april

2011 aan de Gemeente opgeleverd.

2.11.

Bij brief van 28 september 2011 aan Hevo heeft de Gemeente het bij de

driepartijenovereenkomst tussen de Gemeente, Hevo en [A] overeengekomen

derdenbeding herroepen.

2.12.

Op dezelfde dag, dus op 28 september 2011, heeft de Gemeente een arbitrageprocedure tegen [A] aanhangig gemaakt bij het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI). Over de uitvoering van het Werk waren op dat moment al twee andere arbitrageprocedures aanhangig gemaakt, te weten tussen Hevo en de Gemeente en tussen [A] en Hevo. Deze drie procedures zijn gevoegd behandeld.

2.13.

De Gemeente heeft in de arbitrageprocedure tegen [A], kort gezegd, in conventie het volgende gevorderd:

i. i) een verklaring voor recht dat [A] is tekortgeschoten in de nakoming van haar

verplichtingen uit hoofde van de driepartijenovereenkomst en de aannemingsovereenkomst;

ii) veroordeling van [A] tot betaling van een korting van in totaal € 532.800, met rente;

iii) veroordeling van [A] tot betaling van schade als gevolg van haar tekortkoming,

begroot op € 1.948.875,20 inclusief BTW, met rente;

iv) een verklaring voor recht dat [A] een ernstige beroepsfout heeft begaan in de zin

van artikel 45 lid 3 sub d van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (hierna: Bao);

v) veroordeling van [A] tot vergoeding van de volledige kosten van juridische bijstand;

vi) veroordeling van [A] in de kosten van de arbitrage.

2.14.

De Gemeente heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [A] is tekort geschoten in de tijdige nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de

driepartijenovereenkomst en de uitwerkingsovereenkomst. [A] was uit hoofde van

die overeenkomsten gehouden het Werk op 1 februari 2010 op te leveren, aan welke verplichting niet is voldaan. De Gemeente stelde zich voorts op het standpunt dat als gevolg van de herroeping van het derdenbeding Hevo is ontlast van haar verplichtingen uit de driepartijenovereenkomst en [A] ten aanzien van de uitvoering van haar opdracht in een directe contractuele relatie tot de Gemeente is komen te staan. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden vorderde de Gemeente van [A] de daarin bedongen korting en aanvullende schadevergoeding. Daarnaast heeft de Gemeente betoogd dat [A] een ernstige beroepsfout heeft begaan als bedoeld in artikel 45 lid 3 onder d Bao door zich bij de uitvoering van het werk niet te houden aan de bestekseisen.

2.15.

[A] heeft zich verweerd tegen de vorderingen en stellingen

van de Gemeente en alle aansprakelijkheid ontkend en heeft zelf een tegenvordering tegen de Gemeente ingesteld.

2.16.

Het door het NAI benoemde scheidsgerecht heeft bij vonnis van 13 juni 2013 de vordering zowel in conventie als in reconventie afgewezen. Deze beslissing is gebaseerd op de volgende overwegingen:

“C8. De driepartijenovereenkomst bepaalt dat “de Gemeente, respectievelijk

Hevo” aan aannemer het werk opdraagt. Artikel 2 lid 1 bepaalt vervolgens onder meer:

“De Gemeente bedingt ten behoeve van Hevo de overdracht van al haar

rechten onder de last voor Hevo tot volledige nakoming van de overeenkomst

IPM Gemeente en subrogeert Hevo op grond van artikel 6:150, sub d, BW

inzake al haar plichten aangaande de opdracht onder de voorwaarde van het

bestaan van het derdenbeding, van welke overdracht en subrogatie Hevo en

Aannemer thans kennis nemen en waarmee zij instemmen.”


C9. De strekking van een en ander is kennelijk deze dat de Gemeente een

opdracht geeft aan [A] doch haar contractuele positie jegens [A] overdraagt aan Hevo, zodat er met betrekking tot die opdracht een rechtstreekse contractuele band ontstaat tussen Hevo en [A]. Aldus ook artikel 5 lid 4 van de al eerder opgestelde IPM-overeenkomst tussen de Gemeente en Hevo waarin is opgenomen dat het de bedoeling is dat een vergelijkbare situatie ontstaat als zou Hevo de procespartners (waaronder de aannemer) rechtstreeks contracteren.

De driepartijen overeenkomst bepaalt dat Hevo “.... voor de duur van de overeenkomst IPM Gemeente volledig in alle rechten en verplichtingen van de Gemeente in dezen (treedt)”.

C10. Artikel 2 lid 2 van de driepartijen overeenkomst moet zo begrepen worden

dat indien Hevo jegens de Gemeente in verzuim is de Gemeente haar contractuele

positie als opdrachtgever van [A] kan hernemen. Alsdan is aannemer gehouden

de opdracht jegens de Gemeente verder uit te voeren en te voltooien.”

De Gemeente heeft van artikel 2 lid 2 gebruik gemaakt op 28 september 2011, Het

werk was toen al geruime tijd opgeleverd, door de Gemeente goedgekeurd en was ook in gebruik genomen.

[A] heeft betoogd dat het door de Gemeente beëindigen van de driepartijen

overeenkomst, zoals mogelijk gemaakt door artikel 2 lid 2, alleen voor de toekomst

werkt.

C11. Arbiters volgen [A] daarin. Voor het geval de Gemeente haar contractuele

positie herneemt bepaalt artikel 2 lid 2 met zoveel woorden dat de aannemer dan is

gehouden “.. de opdracht jegens de Gemeente verder uit te voeren en te voltooien.”

Dat betekent dat de Gemeente al hetgeen zich met betrekking tot die opdracht heeft

afgespeeld voor die beëindiging met Hevo dient af te wikkelen.

C12. Nu het in dit geschil uitsluitend gaat om feiten (en daarop gebaseerde

vorderingen) betreffende de periode die is voorafgegaan aan de voltooiing van het

werk heeft de Gemeente op grond van de driepartijenovereenkomst geen aanspraken jegens [A] (en [A] niet jegens de Gemeente).

C13. Dit leidt in conventie tot afwijzing van de vordering van de Gemeente.

(...) Arbiters constateren dat hun oordeel geheel is gebaseerd op (uitleg van) de

driepartijenovereenkomst, zodat zij de beslissingsmaatstaf “naar de regelen des

rechts” hanteren.”

2.17.

Het arbitraal vonnis is op 14 juni 2013 gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Den Haag.

3 Het geschil

3.1.

De Gemeente vordert – samengevat – het tussen partijen op 13 juni 2013 gewezen arbitraal vonnis te vernietigen met veroordeling van [A] in de kosten.

3.2.

Daartoe baseert de Gemeente zich op de volgende vernietigingsgronden:

1) het scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden door niet in te gaan op essentiële stellingen van de Gemeente (artikel 1065 lid 1 sub c Rv);

2) het vonnis is niet met redenen omkleed (artikel 1065 lid 1 sub d Rv);

3) het vonnis is in strijd met de openbare orde tot stand gekomen omdat het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht is genomen (artikel 1065 lid 1 sub e).

3.3.

[A] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De door de Gemeente ingeroepen vernietigingsgronden heeft zij uitgewerkt in een aantal specifieke klachten ten aanzien van de door haar in de arbitrale procedure ingestelde vorderingen. De rechtbank stelt bij de beoordeling daarvan het volgende voorop. Een vernietigingsprocedure mag niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep; het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt mee dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. De rechter zal zich bij een onderzoek naar het bestaan van een vernietigingsgrond in beginsel dus terughoudend moeten opstellen. Dit is in elk geval zo wanneer de vordering tot vernietiging is gegrond op het betoog dat het vonnis niet met redenen is omkleed. Vernietiging van een arbitraal vonnis op deze grond kan slechts plaatsvinden wanneer de motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van een ondeugdelijke motivering. Met het ontbreken van en een motivering wordt op één lijn gesteld het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt (zie onder meer HR 9 januari 2004, NJ 2005, 190). Deze maatstaf verschaft de rechter in elk geval niet de bevoegdheid om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. Voor de hiervoor bedoelde terughoudendheid is minder reden wanneer moet worden geoordeeld dat bij de totstandkoming van het arbitrale vonnis is gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor (zie onder meer HR 24 april 2009, NJ 2010, 171). Ten slotte wordt als uitgangspunt genomen dat voor het antwoord op de vraag of in een arbitraal vonnis niet is ingegaan op essentiële stellingen niet beslissend is of een scheidsgerecht alle stellingen van partijen expliciet heeft benoemd.

4.2.

De rechtbank bespreekt vanwege het principiële karakter daarvan, eerst het betoog van de Gemeente dat betrekking heeft op de vorderingen ii en iii (tot betaling van de overeengekomen korting en schadevergoeding). De Gemeente verwijt het scheidsgerecht dat het bij zijn oordeel op tweeërlei wijze de door [A] aangevoerde gronden heeft aangevuld en – daarom – geen steekhoudende verklaring voor zijn beslissing heeft gegeven. [A] heeft volgens de Gemeente verschillende standpunten ingenomen ten aanzien van de juridische duiding van de driepartijenovereenkomst en het daarin opgenomen derdenbeding, waaronder het standpunt dat dit beding een contractsovername behelsde en dat het herroepen daarvan moest worden gekwalificeerd als een “retro-contractsovername”. In deze laatste benadering heeft [A] volgens de Gemeente echter niet gesteld dat de Gemeente geen aanspraken meer zou kunnen ontlenen aan feiten die zich voor het gereedkomen van het gebouw hadden voorgedaan. Nu het er volgens de Gemeente op lijkt dat arbiters [A] hebben gevolgd in haar betoog dat het derdenbeding moet worden beschouwd als contractsovername, stond het hun niet vrij, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van de Gemeente, het door [A] in een ander verband gedaan beroep op de ex nunc werking in hun oordeel te betrekken. Van aanvulling van gronden is in de opvatting van de Gemeente bovendien sprake omdat [A] nimmer de letterlijke tekst van artikel 2 lid 2 van de driepartijenovereenkomst heeft geciteerd, terwijl het scheidsgerecht kennelijk doorslaggevende betekenis aan de tekst van deze bepaling heeft gehecht. Volgens de Gemeente ontbreekt daarom iedere steekhoudende verklaring voor de door het scheidsgerecht gegeven motivering, zodat het vonnis moet worden gelijkgesteld met een niet gemotiveerd vonnis.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat arbiters in hun overwegingen aan artikel 2 leden 1 en 2 van de driepartijenovereenkomst niet een uitdrukkelijke kwalificatie hebben toegekend. Zij hebben onder verwijzing naar de tekst van het eerste lid – waarin zowel het woord overdracht als het woord subrogatie is opgenomen – volstaan met de overweging dat de strekking van het eerste lid kennelijk is dat de Gemeente haar contractuele positie jegens [A] aan Hevo overdraagt om een rechtstreekse contractuele band tussen Hevo en [A] te doen ontstaan. Ten aanzien van het tweede lid hebben arbiters gesproken over “het hernemen” door de Gemeente van haar contractuele positie. Of arbiters bij deze uitleg nu subrogatie, contractsovername of een andere rechtsfiguur voor ogen hebben gehad of de juistheid van de door partijen ingenomen standpunten in het midden hebben willen laten, kan dus niet zonder meer uit het arbitrale vonnis worden afgeleid. Maar ook indien met de Gemeente wordt aangenomen dat het scheidsgerecht [A] heeft gevolgd in haar benadering dat het derdenbeding moet worden beschouwd als contractsovername, kunnen de klachten van de Gemeente niet slagen. Daarvoor is het volgende van belang.

4.4.

Zoals de Gemeente (onder 5.16 van de dagvaarding) zelf ook onderkent, was de juridische kwalificatie van het derdenbeding een essentieel punt van debat, waarover arbiters zich dienden uit te laten vanwege de daaraan verbonden rechtsgevolgen. [A] heeft daarover in de memorie van antwoord in conventie het volgende gesteld:

177. (…) Op 28 september 2011 heeft de Gemeente een beroep gedaan op de driepartijenovereenkomst en daarmee het in die overeenkomst opgenomen derdenbeding herroepen en de subrogatie doen vervallen. De Gemeente stelt onder 1.4.4 MvE dat zij aldus Hevo als (gedelegeerd) opdrachtgeefster van [AB] terzijde heeft geschoven, en in een rechtstreeks contractuele relatie met [AB] is komen te staan.
(…)
178. [AB] meent dat deze stellingen onjuist zijn, althans dat de Gemeente aan haar beroep op de driepartijenovereenkomst rechten ontleent die zij niet heeft (gekregen).

179. Op grond van artikel 5 lid 4 IPM-overeenkomst en artikel 2 leden 1 en 2 van de driepartijenovereenkomst heeft Hevo alle rechten en plichten van de Gemeente verkregen. Hevo is daardoor rechtstreeks in relatie tot [AB] getreden;

(…)

“Driepartijenovereenkomst: kwalificatie

191. Als echter naar de driepartijenovereenkomst wordt gekeken kan de vraag worden gesteld of wel van subrogatie sprake is. (…) De constructie lijkt eerder op contractsovername (artikel 2 lid 1) en “retro” contractsovername (artikel 2 lid 2) in de zin van artikel 6:159 BW.

192. [AB] betwist dat de Gemeente via de “retro” contractsovername de opeisbare schadevorderingen van Hevo heeft overgenomen; er wordt bovendien gedeeltelijk vervangende schadevergoeding gevorderd, welke vordering voortvloeit uit de wet. Kortom, de Gemeente is niet-ontvankelijk, althans haar vorderingen dienen haar te worden ontzegd.

Driepartijenovereenkomst: strekking en werking

193. De Gemeente heeft eerst op 28 september 2011 een beroep gedaan op de driepartijenovereenkomst. Gelet op de gevolgen die zij daaraan verbindt verleent de Gemeente aan haar beroep een “ex tunc” werking; [AB] krijgt alle financiële gevolgen vanaf februari 2010 op haar bord. Het is de vraag of het herroepen van de driepartijenovereenkomst die gevolgen heeft c.q. kan hebben. Gesteld dat sprake is van subrogatie c.a. in de driepartijenovereenkomst, heeft dit “ex nunc” werking; (…)

194. Door haar beroep op de driepartijenovereenkomst heeft de Gemeente zich een eigen positie verworven per 28 september 2011. [AB] betwist dan ook dat de Gemeente de door haar gepretendeerde vorderingsrechten op korting en schade heeft, die van vóór 28 september 2011 dateren; zij rusten nog bij Hevo.

4.5.

In de pleitnota van 4 februari 2013 heeft [A] daar onder meer het volgende aan toegevoegd:

“28. De in de driepartijenovereenkomst (en overigens ook in de IPM-overeenkomst) omschreven constructie is op het eerste gezicht wat merkwaardig, gelet op de formulering van “subrogatie van plichten”, Volgens [AB] is dat onmogelijk. Het lijkt veeleer op contractsovername, hetgeen een heel ander juridisch leerstuk is (…)

29. Ook als naar de bedoeling van de driepartijenovereenkomst wordt gekeken, dan is een beroep door de Gemeente in september 2011, als alle werkzaamheden klaar zijn, niet te rijmen. De driepartijenovereenkomst ziet immers – getuige lid 3 – op het overnemen van het stokje gedurende de uitvoering van het Totaalproject. Daarvan was in september 2011 geenszins sprake meer; de driepartijenovereenkomst was in september 2011 al uitgewerkt.

30. Bovendien heeft het beroep op de driepartijenovereenkomst wat [AB] betreft geen terugwerkende kracht, zo dat al mogelijk zou zijn omdat Hevo in april 2011 al haar vorderingen had ingesteld (…).”

4.6.

Hoewel [A] in haar betoog niet expliciet de tekst van artikel 2 lid 2 van de driepartijenovereenkomst heeft vermeld, is duidelijk dat zij de rechtsgevolgen van de herroeping van het derdenbeding, welke bevoegdheid in artikel 2 lid 2 is neergelegd, aan de orde heeft gesteld en daarmee dus ook de betekenis van deze bepaling.

4.7.

Bovendien heeft het scheidsgerecht, aan wie de uitleg van de stellingen van partijen was voorbehouden, in de hiervoor weergegeven feitelijke stellingen en juridische argumenten van [A] begrijpelijkerwijs het betoog kunnen lezen dat de Gemeente hoe dan ook – dus vanuit welk gezichtspunt ook gezien – geen vorderingsrecht jegens haar heeft voor zover het de uitvoering van de uitwerkingsovereenkomst voor 28 september 2011 betreft. Daaraan doet niet af dat [A] verschillende, kennelijk als alternatief bedoelde, standpunten heeft ingenomen ten aanzien van de uitleg van de driepartijenovereenkomst en het daarin opgenomen derdenbeding en evenmin dat zij in de arbitrale procedure tegen Hevo een tegengesteld standpunt heeft ingenomen. Dat stond [A] vrij. Evenmin doet daaraan af dat [A] in de memorie van antwoord in het kader van de door haar bepleite kwalificatie van de herroeping van het derdenbeding als een retro contractsovername niet uitdrukkelijk de ex nunc werking van artikel 2 lid 2 heeft verdedigd. Nog afgezien ervan dat het scheidsgerecht het betoog van [A], in de gehele context van de door haar aangedragen argumenten bezien, niet zo beperkt heeft hoeven opvatten als de Gemeente thans verdedigt, heeft [A] in de pleitnota van 4 februari 2013 meer algemeen, dus los van een concrete kwalificatie van (de herroeping van) het derdenbeding, verdedigd dat het beroep op de driepartijenovereenkomst geen terugwerkende kracht heeft.

4.8.

Kortom, het scheidsgerecht heeft zich bij zijn oordeel over de betekenis van artikel 2 lid 2 van de driepartijenovereenkomst gebaseerd op door [A] aangevoerde argumenten. Bovendien ziet de Gemeente eraan voorbij dat het scheidgerecht op basis van het tussen partijen gevoerde debat ook een eigen uitleg aan artikel 2 lid 2 mocht geven, mits het daarbij niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Gezien de in het partijdebat door [A] ingenomen stellingen en standpunten, is het scheidsgerecht, óók indien wordt aangenomen dat het een eigen uitleg van artikel 2 lid 2 heeft gegeven, niet buiten deze grenzen getreden. Van een oordeel dat zo onbegrijpelijk is dat het moet worden gelijkgesteld met een ongemotiveerd vonnis, is dan evenmin sprake.

4.9.

Op het oordeel dat geen sprake is van aanvulling van gronden, strandt eveneens het betoog van de Gemeente dat arbiters gehouden waren om haar in de gelegenheid te stellen zich nader over de juridische kwalificatie van het derdenbeding uit te laten. Dat geldt temeer nu de Gemeente in de onderhavige procedure zelf heeft gesteld (onder 5.15 en ook onder 5.22 van de dagvaarding) dat zij uitvoerig heeft beargumenteerd waarom de door [A] verdedigde uitleg van artikel 2 lid 2 onjuist is. Ook in de eigen visie van de Gemeente heeft zij zich dus in voldoende mate kunnen uitlaten over de betekenis van artikel 2 lid 2. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake.

4.10.

Voor zover de Gemeente nog heeft aangevoerd dat het scheidsgerecht haar essentiële stellingen met betrekking tot de uitleg van het derdenbeding niet heeft besproken, kan het vonnis ook op deze grond niet worden vernietigd. De in artikel 1065 lid 1 onder c Rv bedoelde grond doet zich niet reeds voor als een scheidsgerecht een standpunt van partijen niet met zoveel woorden in zijn vonnis heeft weergegeven. Uit het in het arbitrale vonnis vervatte oordeel valt af te leiden dat arbiters het standpunt van de Gemeente (impliciet) hebben verworpen.

4.11.

De Gemeente stelt zich onder 5.2 e.v. van de dagvaarding op het standpunt dat het scheidsgerecht ten aanzien van de vorderingen sub i en iv geen motivering en daarom een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven. Met deze vorderingen wilde de Gemeente een verklaring voor recht verkrijgen dat [A] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de driepartijenovereenkomst en de uitwerkingsovereenkomst en een ernstige beroepsfout heeft begaan. Zij voert ter toelichting op dit betoog aan dat het oordeel van het scheidsgerecht over de uitleg van artikel 2 lid 2 van de driepartijenovereenkomst geen betrekking heeft op deze vorderingen omdat de rechtsgevolgen van het herroepen van het derdenbeding geen betrekking zouden hebben op deze vorderingen.

4.12.

Dit betoog faalt. Zoals uit de overwegingen van het arbitrale vonnis volgt, heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat de Gemeente al hetgeen zich met betrekking tot de opdracht heeft afgespeeld voor de beëindiging van de driepartijenovereenkomst – 28 september 2011, het moment van het herroepen van het derdenbeding – met Hevo moet afwikkelen. In de overweging onder C12 ligt het oordeel besloten dat niet alleen de feiten die in het arbitrale geschil speelden betrekking hebben op de periode die is voorafgegaan aan de voltooiing van het werk, maar ook alle, op die feiten gebaseerde, vorderingen van de Gemeente. Ook ten aanzien van de gevraagde verklaringen voor recht heeft het scheidsgerecht dus – impliciet – geoordeeld dat deze betrekking hebben op feiten vóór de voltooiing van het werk, welke vaststelling voor het lot van deze vorderingen beslissend is geweest. Dat de gevraagde verklaringen voor recht samenhangen met deze feiten, heeft de Gemeente op zichzelf ook niet bestreden. In haar optiek is met de vordering tot de verklaringen voor recht echter een oordeel gevraagd over de rechtstoestand op enig moment, die losstaat van de herroeping van het derdenbeding. Nog daargelaten dat de rechtbank de Gemeente hierin niet kan volgen, betoogt de Gemeente in wezen dat het scheidsgerecht een onjuiste beslissing heeft gegeven over de strekking van de vorderingen onder i en iv. Die toets is in een vernietigingsprocedure als de onderhavige echter niet mogelijk. Van een oordeel waarvoor geen steekhoudende verklaring is te vinden, is in elk geval geen sprake. Het betoog van de Gemeente dat het oordeel van het scheidsgerecht over de uitleg van artikel 2 lid 2 geen betrekking heeft op de gevraagde verklaringen voor recht, gaat bovendien uit van een onjuiste lezing van het bestreden vonnis.

4.13.

Evenmin hebben de arbiters zich buiten de rechtsstrijd van partijen begeven. Hun oordeel dat de vorderingen van de Gemeente niet toewijsbaar zijn omdat zij betrekking hebben op feiten die zich voor de voltooiing van het Werk hebben voorgedaan, sluit aan bij het al besproken standpunt van [A] dat het beroep op 28 september 2011 van de Gemeente op de driepartijenovereenkomst geen terugwerkende kracht heeft. De vernietigingsgronden van artikel 1065 lid 1 sub c en d Rv doen zich dus evenmin voor.

4.14.

Dat de Gemeente, zoals zij onder 5.5 van de dagvaarding heeft gesteld en toegelicht, een belang had bij de door haar gevorderde verklaringen voor recht, dwong het scheidsgerecht niet tot een nadere motivering van zijn oordeel. Aan de inhoud van die vorderingen kwam het immers niet toe. Van het onbesproken laten van essentiële stellingen, zoals de Gemeente in 5.10 van de dagvaarding onder verwijzing naar de in het arbitraal vonnis gegeven samenvatting van haar stellingen lijkt te willen betogen, is om dezelfde reden evenmin sprake.

4.15.

Uit het voorgaande vloeit evenzeer voort dat het scheidsgerecht, anders dan de Gemeente onder 5.25 van de dagvaarding heeft betoogd, niet gehouden was afzonderlijk te motiveren waarom ook de vordering tot vergoeding van de vertragingsschade en de andere schade, waaronder de kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en de buitengerechtelijke kosten, niet kon worden toegewezen. Ook deze vorderingen hangen direct samen met de volgens de Gemeente ondeugdelijke uitvoering door [A] van het Werk.

4.16.

Voor zover de Gemeente ten slotte nog klaagt over de onjuiste samenvatting door arbiters van de stellingen van [A], kan ook dit betoog niet tot vernietiging van het arbitrale vonnis leiden, reeds omdat niet is aangegeven welke vernietigingsgrond hierbij in het geding is.

4.17.

De slotsom is dat de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis wordt afgewezen. Bij deze uitkomst wordt de Gemeente in de kosten van deze procedure veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 589,- aan verschotten (griffierecht) en € 904,- aan advocaatkosten (2 punten à € 452,-), in totaal dus € 1.493,-.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vordering van de Gemeente af;

5.2.

veroordeelt de Gemeente in de kosten van deze procedure aan de zijde van [A] en begroot deze kosten op € 1.493,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis;

5.3.

veroordeelt de Gemeente in de nakosten van € 131,- zonder betekening dan wel € 191,- in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis;

5.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Aarts en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.