Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6123

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
AWB-13_6134
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:477, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vereniging Christen Democratisch Appèl (CDA), subsidievaststelling voor het jaar 2011, interpretatie van artikel 6 van de Wet subsidiëring politieke partijen, beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Wet subsidiëring politieke partijen 6
Wet subsidiëring politieke partijen 6a
Algemene wet bestuursrecht 4:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/6134

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2014 in de zaak tussen

de vereniging Christen Democratisch Appèl (CDA), te Den Haag, eiseres

(gemachtigde: mr. S.H. van den Ende)

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. J.W. Severijnen en drs. J.B.A. Severens).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie voor het jaar 2011 definitief vastgesteld.

Bij besluit van 17 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2014. Voor eiseres is verschenen [A], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Ter zitting is het onderzoek geschorst. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Na verkregen toestemming van partijen voor het achterwege laten van een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 3 november 2010 heeft eiseres (het CDA) een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van subsidie voor het jaar 2011.

Bij besluit van 9 februari 2011 is voor het jaar 2011 subsidie verleend ten bedrage van € 2.300.459,03 waarbij het voorschot is vastgesteld op 80 % van het maximaal beschikbare bedrag. Bij de verlening is een voorbehoud gemaakt voor wat betreft de extra taakstelling over de jaren 2008-2011 en is eiseres erop gewezen dat, gelet op het aanhangige wetsvoorstel, voor 2011 is voorzien in een subsidieverlaging.

Bij brief van 12 juli 2012 heeft verweerder het CDA bericht over de subsidieverlaging met betrekking tot de jaren 2010 tot en met 2015 die het gevolg is van de wijziging van de Wet subsidiëring politieke partijen. (Wspp).

Bij het primaire besluit van 29 oktober 2012 heeft verweerder, rekening houdend met de verlaging van de subsidies als gevolg van de wetswijzing, de subsidie definitief vastgesteld op een bedrag van € 2.129.837,47.

Dit besluit is in bezwaar, met aanpassing van de motivering, gehandhaafd.

2.

Bij brief van 11 juli 2007 zijn alle politieke partijen door verweerder geïnformeerd over de in het Coalitieakkoord Balkenende IV opgenomen bezuinigingstaakstelling 2008-2011 ten aanzien van subsidies, inclusief de subsidies aan politieke partijen. Voor 2010 en 2011 zijn voorlopige cijfers genoemd. In verband daarmee werd een aanpassing van de Wspp aangekondigd.

Bij brief van 27 november 2007 heeft verweerder een aanvullende subsidiekorting aangekondigd die het gevolg is van de ophoging van de taakstelling zoals is opgenomen in de Miljoenennota.

Bij brief van 26 juni 2008 zijn de gevolgen van de subsidieverlaging opnieuw onder de aandacht gebracht en zijn de voorlopige subsidiebedragen voor 2008 per partij bekendgemaakt.

3.1

Het CDA heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de subsidie in strijd met de wet en derhalve onjuist heeft vastgesteld. Volgens het CDA is verweerder bij de berekening van de subsidievaststelling voor 2011 van het onjuiste kortingspercentage van 6,5 uitgegaan terwijl dit volgens artikel 6a van de Wspp een percentage van 1,39 had moeten zijn. Verweerder heeft de jaarlijkse kortingen dan ook ten onrechte gecumuleerd toegepast.

3.2

Meer specifiek heeft het CDA betoogd dat niet is voldaan aan hetgeen in artikel 4:46, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald, te weten dat de subsidieverlening onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Het CDA bestrijdt niet dat het haar bekend was dat op de subsidies voor politieke partijen zou worden bezuinigd en dat daarvoor een wijziging van de Wspp in gang werd gezet. Het CDA wist echter niet, en behoorde dit volgens haar ook niet te weten, dat het subsidiebedrag van de verlening voor het jaar 2011, afgezien van jaarlijks fluctuerende berekeningselementen zoals het aantal leden, meer dan 1,39% zou zijn. Het CDA heeft voorts gesteld dat sprake is van strijd met de rechtszekerheid, omdat zij is afgegaan op de tekst van de wet waarvan bij de subsidiekorting wordt afgeweken. De subsidiekorting over 2010 is niet aangevochten omdat de subsidieverlaging voor dat jaar naar haar opvatting wel conform de wet is vastgesteld. De kortingen over 2012 en 2013 heeft het CDA geaccepteerd.

4.

In artikel 6 van de Wet subsidiëring politieke partijen (Staatsblad 1999, 257 zoals nadien gewijzigd) is de wijze van berekening van subsidie aan de daarvoor in aanmerking komende politieke partijen geregeld.

Bij Wet van 7 juni 2012 tot wijziging van de Wet subsidiëring politieke partijen met het oog op verlaging van de subsidies (Staatsblad 2012, 277) is artikel 6 gewijzigd en is een nieuw artikel 6a ingevoegd. De wetswijziging is op 28 juni 2012 in werking getreden en werkt op grond van artikel II, eerste lid, van die wet voor de artikelen 6 en 6a terug tot en met 1 januari 2010 . Artikel 6a van de Wspp luidt als volgt:

Ten behoeve van de kalenderjaren 2010 tot en met 2015 worden de bedragen, genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdelen a, b en c, en tweede lid, na toepassing van artikel 6, zesde lid, nader gewijzigd door het resultaat van de berekening:

a. per 1 januari 2010 te verlagen met 5,11 %;

b. per 1 januari 2011 te verlagen met 1,39 %;

c. per 1 januari 2012 te verlagen met 1,5%;

d. per 1 januari 2013 te verlagen met 1,5%;

e. per 1 januari 2014 te verlagen met 1,5 %, en

f. per 1 januari 2015 te verlagen met 1,5 %.

De Wspp is op 1 mei 2013 ingetrokken en met ingang van die datum opgevolgd door de Wet financiering politieke partijen.

Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

Ingevolge het tweede lid onder d, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.

5.

De aan de Wspp ontleende bevoegdheid van verweerder om de subsidie voor het subsidiejaar 2011 op een lager bedrag vast te stellen dan het bedrag van de subsidieverlening voor 2011 is niet in geschil.

Partijen zijn verdeeld over de vraag op welke wijze artikel 6a van de Wspp voor het subsidiejaar 2011 moet worden uitgelegd.

De subsidie voor politieke partijen werd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van de Wspp opgebouwd uit onder andere een basisbedrag, een bedrag per kamerzetel en een bedrag per lid van de partij. Dit bedrag werd jaarlijks aangepast aan de loon- en prijsbijstelling en kon ook variëren door wisselende ledenaantallen.

In artikel 6a van de Wspp staat vermeld dat ten behoeve van de kalenderjaren 2010 tot en met 2015 de conform artikel 6 opgebouwde bedragen na indexering nader gewijzigd worden door het resultaat van de berekening per 1 januari 2010 te verlagen met 5,11 %, per 1 januari 2011 met 1,39 % enzovoorts tot en met 1 januari 2015.

De opvatting van het CDA dat de tekst van artikel 6a van de Wspp geen grondslag biedt voor cumulatie van de kortingspercentages, acht de rechtbank onjuist. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft uiteengezet leidt een grammaticale interpretatie van artikel 6a van de Wspp, met name het gebruik van het woord “per” in de onderdelen a tot en met f en het woord “en” aan het einde van onderdeel e, er juist toe dat de kortingspercentages cumulatief dienen te worden toegepast. Met de stelling dat bovenal uit de combinatie van de artikelen 6 en 6a blijkt dat cumulatie niet aan de orde is, miskent het CDA dat in artikel 6a, waarin de kortingspercentages vermeld staan, is verwezen naar de bedragen die conform het bepaalde in artikel 6 zijn opgebouwd als zijnde de bedragen waarop de kortingen dienen te worden toegepast. Het ontgaat de rechtbank hoe de verwijzing naar de combinatie van beide bepalingen steun kan bieden voor het standpunt van het CDA dat voor cumulatie van de kortingspercentages geen wettelijke grondslag voorhanden is. De tekst is helder zodat de rechtbank ook overigens voor de door het CDA voorgestane interpretatie geen aanleiding ziet. De tekst correspondeert met de Memorie van Toelichting waarin niet alleen staat vermeld dat een cumulatieve reeks wordt gehanteerd maar waarin ook rekenvoorbeelden worden gegeven waaruit de optelling blijkt.

Verweerder heeft in dit kader nog verwezen naar de algehele taakstelling zoals opgenomen in het Regeerakkoord van het Kabinet Balkenende IV en de aanvullende taakstelling. Ingevolge deze documenten dienen ook de subsidies aan politieke partijen, stapsgewijs, te worden verlaagd. In de Nota van Wijziging van 26 oktober 2011 (Kamerstukken II, 2011/12, 31 906, nr. 7, p. 4) is terug te lezen dat deze subsidiekortingen oplopen tot 6% in 2015. In de Nota naar aanleiding van het verslag van 17 februari 2010 (Kamerstukken II, 2011/12, 31 906, nr. 6, p. 6) staat een tabel waarin de kortingspercentages zijn omgezet naar de nieuwe subsidiebedragen. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat indien de redenering van eiseres zou worden gevolgd de korting elk jaar lager en het subsidiebedrag hoger zou worden. Van een stapsgewijze subsidietaakstelling, het doel dat de wetgever voor ogen stond, is dan geen sprake.

6. De conclusie op grond van het vorenstaande is dat verweerder de subsidievaststelling over het jaar 2011 op juiste wijze heeft vastgesteld.

7. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, voorzitter, mr. J.J.P. Bosman en mr. J.E. Visser, leden, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.