Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6055

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
09-754069-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/754069-10

Datum uitspraak: 25 april 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlasteleggingen en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats],

adres: [adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9, 10 en 11 april 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. Egberts en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.B. Brouwer, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

([adres 2])

Zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 30 januari 2004

te Den Haag en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, meermalen,

althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt een of meer valse en/of vervalste

geschrift(en), te weten:

-een werkgeversverklaring van [bedrijf 1] ten name van [verdachte] d.d.

13 november 2003 ([naam document 1]) en/of

-een loonafrekening van [bedrijf 1] over oktober 2003 ten name van [verdachte]

[verdachte] ([naam document 2])

bestaande die valsheid erin dat (telkens) valselijk, immers opzettelijk in

strijd met de waarheid, in en/of op dat/die:

-werkgeversverklaring ([naam document 1]) staat vermeld dat zij, verdachte, vanaf

1 september 2003 in vaste dienst is bij [bedrijf 1] en/of dat zij,

verdachte, (uit dien hoofde) een bruto salaris van EUR 40.800 per jaar

verdient en/of

-werkgeversverklaring ([naam document 1]) een ondertekening van [betrokkene]

[betrokkene] staat en/of

-loonafrekening ([naam document 2]) staat vermeld dat zij, verdachte, in oktober

2003 174 uren heeft gewerkt bij/voor [bedrijf 1] en/of dat zij,

verdachte, (uit dien hoofde) een (netto) salaris heeft verdiend van EUR

1114,12,

bestaande dit gebruik hierin dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s)

dit/deze geschriften (telkens) als ware deze echt en onvervalst, heeft/hebben

verstrekt aan: ING Bank NV ter verkrijging van een hypothecaire lening van EUR

275.000, op naam van [verdachte];

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

(beslagdossier)

Zij op of omstreeks 13 juli 2009 te Den Haag en/of elders in Nederland, een

onderdeel van of hulpstuk voor wapen van categorie III (sub 1), te weten een

patroonmagazijn voor een pistool (vermoedelijk merk: Colt; kaliber: .45),

althans een onderdeel van of hulpstuk voor een vuurwapen, voorhanden heeft

gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3. Voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd. De redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgerond is overschreden aangezien de officier van justitie ervoor heeft gekozen om de zaak tegen verdachte gelijktijdig met andere zaken tegen andere verdachten te kunnen behandelen. Daarom kan niet worden volstaan met de gebruikelijke strafvermindering. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

3.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet-ontvankelijkheidsverweer moet worden verworpen. De redelijke termijn is in ernstige mate overschreden, maar niet-ontvankelijkheid is, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit gebied, niet aan de orde. Wel kan een dergelijke overschrijding bij een mogelijke straftoemeting worden betrokken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt met de raadsman en de officier van justitie vast dat de redelijke termijn fors is overschreden. De Hoge Raad heeft echter in zijn arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:PHR:2008:BD2578) geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding af te wijken van deze uitspraak van de Hoge Raad.

De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

4. Bewijsoverwegingen1

4.1

Feiten en omstandigheden


Door medeverdachte [medeverdachte 1], werkzaam bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]), is ten behoeve van verdachte een hypotheekaanvraag ingediend bij de ING Bank (hierna: ING). Dit resulteerde in een offerte van 22 oktober 2003 van ING2 in verband met de financiering van het nieuwbouwproject [naam nieuwbouwproject]tot een bedrag van € 275.000. De akte van levering en de hypotheekakte zijn op 30 januari 2004 gepasseerd. Een van de verkopers van dit project is medeverdachte [medeverdachte 2].3

Aansluitend op die offerte zijn door ING de navolgende bescheiden ontvangen, die dienen ter onderbouwing van de door [bedrijf 2] ingediende aanvraag:

- een werkgeversverklaring4 waarin staat vermeld dat verdachte vanaf 1 september 2003 in vaste dienst is bij [bedrijf 1] en dat verdachte uit dien hoofde een bruto salaris van € 40.800 per jaar verdient;

- een loonafrekening5 waarin staat vermeld dat verdachte in oktober 2003 174 uren heeft gewerkt bij/voor [bedrijf 1] en dat verdachte uit dien hoofde een netto salaris heeft verdiend van € 1.114,12.

Uit informatie afkomstig van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat er twee ondernemingen bestaan met daarin de naam "[bedrijf 1]" die beide gelieerd zijn aan medeverdachte [medeverdachte 2]. De oudste onderneming betreft een éénmanszaak met de naam [bedrijf 1] en voorzien van een tweede handelsnaam "[bedrijf 1]". Deze eenmanszaak is op 1 januari 1995 opgericht en op 28 april 2009 werden de activiteiten van deze onderneming "overgedragen". De onderneming werd gedreven voor rekening van de medeverdachte [medeverdachte 2].

De tweede onderneming betreft "[bedrijf 4]". Deze VOF is op 1 oktober 2002 opgericht en op 1 januari 2004 opgeheven. Medeverdachte [medeverdachte 2] was vennoot van deze VOF.6

Uit onderzoek7 is gebleken dat door [bedrijf 1] drie salarisstortingen op bankrekening van verdachte zijn gedaan. Uit bankafschriften blijkt dat:

- op 1 oktober 2003 een bedrag van € 2.285,88 werd gestort, afkomstig van bankrekeningnummer [rekeningnummer], met de omschrijving [omschrijving overschrijving], netto salaris september 2003;

- op 27 oktober 2003 een bedrag van € 2.285,88 werd gestort, afkomstig van bankrekeningnummer [rekeningnummer], met de omschrijving[omschrijving overschrijving], salaris oktober 2003;

- op 2 maart 2004 een bedrag van € 1.961,54 werd gestort, afkomstig van bankrekeningnummer [rekeningnummer], met de omschrijving [omschrijving overschrijving], salaris februari 2004.

Enkele dagen na de salarisstortingen van 1 en 27 oktober 2003, zijn geldbedragen van respectievelijk € 2.600,00 en € 2.300,00 contant van de rekening van verdachte opgenomen.

Voorts komt uit het onderzoek naar voren dat op de kopieën van de dagafschriften van de bankrekening van verdachte is te zien dat verdachte een (vast) dienstverband heeft bij een bedrijf genaamd [bedrijf 3]. Te zien is dat zij maandelijks een netto salaris ontvangt dat varieert van € 203,28 over de maand april 2003 tot € 672,48 over de maand juli 2004. Dit is tevens de laatste salarisbetaling van [bedrijf 3] die op voornoemde dagafschriften zichtbaar is.

Bij haar verhoor8 verklaarde verdachte, zakelijk weergegeven, dat zij al enige tijd het plan had om een woning te kopen. In oktober 2003 is zij naar [bedrijf 2], gevestigd aan de [straatnaam 1] te ’s-Gravenhage, gegaan. [bedrijf 2] was van medeverdachte [medeverdachte 2]. [bedrijf 2] adviseert bij hypotheken en vraagt hypotheken aan. Verdachte heeft bij [bedrijf 2] een aantal gesprekken met [medeverdachte 2] gevoerd over de aankoop van een pand. Verdachte wist dat zij met haar inkomen geen duur pand kon kopen. Ze werkte namelijk destijds bij [bedrijf 3] en verdiende daar in eerste instantie tussen de € 300,00 en € 400,00 netto per maand. Na een halfjaar is zij meer gaan werken en verdienen. Daarnaast had zij een Weduwe en wezen-uitkering en had zij inkomsten van ongeveer € 50,00 per week die zij niet verantwoordde bij de belastingdienst.

Verdachte heeft verder verklaard dat zij wist dat haar inkomen bij [bedrijf 3] ruim onvoldoende was voor de aankoop van een appartement op de [straatnaam 2]. [medeverdachte 2] zou tegen haar hebben gezegd dat zij zich geen zorgen hoefde te maken en dat hij een hypotheek voor haar "kon regelen". Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat haar inkomen bij [bedrijf 3] zou worden gebruikt voor een eventuele hypotheekaanvraag en dat [medeverdachte 2] daar op een creatieve manier "wat bij zou verzinnen". Vervolgens heeft [medeverdachte 2] haar voorgesteld aan medeverdachte [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft de hypotheekaanvraag voor de [adres 2] geregeld. Verdachte heeft bij [medeverdachte 1] een jaaropgaaf en een loonstrook van haar werkgever, [bedrijf 3], afgegeven.

Verdachte verklaarde voorts dat zij nooit geld heeft ontvangen van [bedrijf 1] en ook nooit voor [bedrijf 1] heeft gewerkt. Zij heeft een paar keer geld ontvangen van [bedrijf 1], waardoor het moest lijken alsof het loon was. Dit geld is contant en in een envelop aan medeverdachte [medeverdachte 2] teruggegeven.

Verdachte verklaarde over de aan haar getoonde en op haar naam gestelde werkgeversverklaring van 13 november 2003 en een loonafrekening van de maand oktober 2003 van [bedrijf 1] dat die vals zijn. Ze waren bedoeld om de bij de hypotheekaanvraag ingeleverde salarisbescheiden echt te laten lijken, aldus verdachte.

Over bovengenoemde feiten, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, heeft ter terechtzitting geen discussie plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten als vaststaand kunnen worden aangemerkt en dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten is verwezen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie neemt het standpunt in dat de in de tenlastelegging genoemde documenten vals zijn en dat deze door verdachte zijn gebruikt voor het verkrijgen van een hypothecaire lening.

Het onderdeel van een vuurwapen is bij verdachte thuis gevonden, het voorhanden hebben kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Verdachte wist niet dat er valse stukken waren opgemaakt en dat die werden gebruikt voor de hypotheekaanvraag. Verdachte ging ervan uit dat de hypotheek werd aangevraagd op basis van de door haar aangeleverde documenten. Verdachte is misleid en heeft er achteraf gezien ten onrechte op vertrouwd dat haar salaris van [bedrijf 3] op legale wijze zou worden aangevuld.

Het vuurwapenonderdeel was eigendom van de overleden partner van verdachte. Na zijn overlijden heeft zij dat in een kistje bewaard, tezamen met het laatst door hem gedragen T-shirt.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De verklaring van verdachte, geplaatst tegen de achtergrond van het onderzoek naar de stortingen van geldbedragen door [bedrijf 1], brengt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de werkgeversverklaring en de loonafrekening, die gebruikt zijn bij de aanvraag voor de hypothecaire lening ten behoeve van verdachte, vals zijn.

Verdachte heeft, ook al is niet uitgesloten dat zij de hiervoor genoemde documenten niet kende, minst genomen de voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van deze valse documenten. Daartoe is het volgende redengevend. Allereerst was verdachte er van op de hoogte dat haar daadwerkelijke inkomen onvoldoende was om de benodigde hypotheek te verkrijgen. Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte 2] aangegeven dat hij iets zou regelen om dat op te lossen. Vervolgens ontvangt verdachte drie betalingen van [bedrijf 1] op haar rekening, waarvan zij wist dat deze op salarisbetalingen moesten lijken en die zij direct weer contant moest teruggeven aan medeverdachte [medeverdachte 2]. Gelet op vorenstaande moet verdachte hebben begrepen dat op oneerlijke wijze werd voorgedaan alsof zij bij [bedrijf 1] werkzaam was, en dat voor een hoger salaris dan haar werkelijke inkomsten bij [bedrijf 3]. Verdachte heeft het feit gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte 2] en [bedrijf 2], zodat er sprake is van medeplegen.

Nu verdachte welbewust het vuurwapenonderdeel (te weten een patroonmagazijn) van haar overleden partner heeft behouden en bewaard is het voorhanden hebben van dat vuurwapenonderdeel wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen (zulks met verbetering van in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad) dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 30 januari 2004 te Den Haag en/of Amsterdam en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt een of meer valse geschriften, te weten:

-een werkgeversverklaring van [bedrijf 1] ten name van [verdachte] d.d. 13 november 2003 en

-een loonafrekening van [bedrijf 1] over oktober 2003 ten name van [verdachte],

bestaande die valsheid erin dat valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid, in die:

-werkgeversverklaring staat vermeld dat zij, verdachte, vanaf 1 september 2003 in vaste dienst is bij [bedrijf 1] en dat zij, verdachte, een bruto salaris van EUR 40.800 per jaar verdient en in die

-loonafrekening staat vermeld dat zij, verdachte, in oktober 2003 174 uren heeft gewerkt bij/voor [bedrijf 1] en/of dat zij, verdachte, een netto salaris heeft verdiend van EUR 1.114,12,

bestaande dit gebruik hierin dat zij, verdachte, en haar mededaders deze geschriften als ware deze echt en onvervalst, hebben verstrekt aan: ING Bank NV ter verkrijging van een hypothecaire lening van EUR 275.000, op naam van [verdachte].

2.

zij op of omstreeks 13 juli 2009 te Den Haag een onderdeel van of hulpstuk voor een wapen van categorie III (sub 1), te weten een patroonmagazijn voor een pistool (vermoedelijk merk: Colt; kaliber: .45), althans een onderdeel van of hulpstuk voor een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

5 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft toegelicht dat hij gelet op de overschrijding van de redelijke termijn twintig uren minder werkstraf en geen voorwaardelijke gevangenisstraf heeft geëist.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit om geen straf op te leggen. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit om een geheel voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van 1 dag op te leggen en nog meer subsidiair om de door de officier van justitie gevorderde werkstraf tot een minimum te beperken.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft er bewust aan meegewerkt dat haar door de bank een financiering is verstrekt die haar financiële draagkracht te boven gaat. Hierbij is gebruik gemaakt van een valse werkgeversverklaring en een valse loonstrook. In het economisch verkeer spelen kredieten en hypothecaire geldleningen een belangrijke rol. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvrager is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. Verdachte heeft het vertrouwen dat de bank in deze stukken moet kunnen stellen met haar handelwijze ernstig beschaamd.

De rechtbank heeft er acht op geslagen dat de woning van verdachte waarvoor de hypotheeklening was verleend, is verkocht, waarna een restschuld voor verdachte ontstond.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 maart 2014, waaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat de gehele opzet van de hypotheekfraude niet uit haar koker kwam en dat zij thans een restschuld heeft. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat de redelijke termijn met circa twee jaar is overschreden en dat het bewezenverklaarde feit 1 meer dan tien jaar geleden is gepleegd. Tenslotte ziet de rechtbank, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit 1, geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Wel zal de rechtbank, mede gelet op de verklaring die verdachte heeft gegeven waarom zij een vuurwapenonderdeel voorhanden had, voor het bewezenverklaarde feit 2 geen hogere of afzonderlijke straf opleggen dan de rechtbank voor feit 1 passend acht. Gelet op het voorstaande acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd van 1 jaar passend.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 47, 57, 225 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen categorie III;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 (honderdtwintig) UREN;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op een jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mrs. M.F. Baaij en M.M. Meijers, rechters

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1509/2009/2547, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen.

2 Een geschrift, zijnde offerte ING Bank, [naam document 3].

3 Een geschrift, zijnde akte van levering d.d. 30 januari 2004 [naam document 4]

4 Een geschrift, zijnde een werkgeversverklaring, [naam document 1]

5 Een geschrift, zijnde een loonafrekening, [naam document 2]

6 Proces-verbaal van bevindingen Belastingdienst betaling loonbelasting d.d. 8 november 2010, [naam proces-verbaal].

7 Proces-verbaal van bevindingen salarisstortingen d.d. 30 september 2010, [naam proces-verbaal].

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam proces-verbaal], [naam proces-verbaal]