Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6047

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
09-997105-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/997105-13

Datum uitspraak: 16 mei 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

adres: [adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 mei 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J.V. Spek en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. O.P. Kuit, advocaat te Waddinxveen, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

De rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., verder te noemen "[bedrijf 1]",

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 maart 2011 tot 1 oktober 2011

te Naaldwijk en/of Den Haag en/of Apeldoorn, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) op naam van [bedrijf 1] gestelde aangifte(n) omzetbelasting over de maanden januari 2011 en/of maart 2011 en/of april 2011 en/of mei 2011 en/of juni 2011 en/of juli 2011 (D-01, D-02, D-85, D-86),

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers hebbende [bedrijf 1] en/of haar verdachten, mededader(s) (telkens) opzettelijk

op het/ de bij de Inspecteur der belastingen te Haaglanden, althans de Belastingdienst te Apeldoorn, ingeleverde/ingezonden (digitale) aangifte(en)/aangiftebiljet(en) voor de Omzetbelasting (een) te ho(o)ge en/of gefingeerde(e) bedrag(en) aan voorbelasting opgegeven en/of vermeld, en althans doen en/of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en), hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens/meermalen) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens/meermalen) feitelijke leiding heeft gegeven.

3 Bewijs rechtmatig verkregen?

Alvorens toe te komen aan de inhoudelijke beoordeling van deze zaak ziet de rechtbank zich – gelet op het daartoe door de verdediging gevoerde verweer – gesteld voor de vraag of het bewijs in deze zaak rechtmatig is verkregen en zo niet, wat daarvan de consequentie zou moeten zijn.

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het bewijs in deze zaak onrechtmatig is verkregen en niet kan dienen als bewijs in deze strafzaak. Daartoe heeft de verdediging – kort en zakelijk - het volgende aangevoerd.

Het boekenonderzoek en de vragenbrieven van de Belastingdienst zijn in strijd met artikel 6 van het EVRM. Immers, voorafgaand aan het boekenonderzoek bestond er een redelijk vermoeden dat [bedrijf 1] B.V. (hierna ook: [bedrijf 1]) zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit. Nu er reeds een verdenking bestond, hadden de vertegenwoordigers van [bedrijf 1] voorafgaand aan het boekenonderzoek en de vragenbrieven de cautie moeten krijgen. Verdachte en [bedrijf 1] zijn echter onder bedreiging van strafrechtelijke vervolging gedwongen stukken af te geven en informatie te verstrekken die enkel strafrechtelijke vervolging tot doel hadden. Deze stukken en de verklaringen van de vertegenwoordigers van [bedrijf 1] zijn derhalve onrechtmatig verkregen, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting. Omdat al het verdere bewijs rechtstreeks hieruit is voortgevloeid, dient ook dit bewijs - als ‘verboden vruchten’ van het onrechtmatige onderzoek - van het bewijs te worden uitgesloten.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat tijde van het boekenonderzoek nog geen redelijk vermoeden van een strafbaar feit bestond en dat [bedrijf 1] gehouden was om op grond van haar informatieverplichting informatie te verschaffen. Deze informatie bestond onafhankelijk van de wil van [bedrijf 1] of verdachte. De verklaringen die zijn afgelegd voordat het strafrechtelijk onderzoek was aangevangen, worden wat de officier van justitie betreft niet tot het bewijs gebezigd.

3.3

De beoordeling door de rechtbank

[bedrijf 1] heeft – ter vaststelling van de heffing van belasting – de verplichting om informatie aan de Belastingdienst te verschaffen op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Zowel informatie waarvan het bestaan niet afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsonafhankelijk materiaal) als informatie waarvan het bestaan wel afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal) mag worden afgedwongen voor belastingheffingsdoeleinden.

In zijn arrest van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ364) heeft de Hoge Raad in onderdeel 3.6 overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar geldt als wilsonafhankelijk materiaal. Uit rechtspraak van het EHRM - de rechtbank begrijpt dat ook Chambaz/Zwitserland hieronder wordt geschaard - blijkt niet dat van dit uitgangspunt is teruggekomen, aldus de Hoge Raad. Nu de gevoerde administratie en de daarin opgenomen facturen informatie betreft die onafhankelijk van de wil van [bedrijf 1] en verdachte bestaat, is het opvragen van dergelijke informatie naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met artikel 6 EVRM en kan deze informatie als bewijs in een strafprocedure worden betrokken (vergelijk HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3272).

Aan de beoordeling of het wilsafhankelijke materiaal – te weten: de verklaringen van verdachte in het kader van het boekenonderzoek en de beantwoording van het verzoek om nadere informatie – van bewijs in deze strafzaak uitgesloten dient te worden, komt de rechtbank niet toe, omdat dit wilsafhankelijke materiaal niet tot het bewijs (zie hierna onder 4) zal wordt gebezigd. De rechtbank zal slechts de verklaringen gebruiken die zijn afgelegd nadat de cautie is gegeven. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Ter zitting heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat het door de raadsman aangevoerde ook niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding1

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen – zoals genoemd in de voetnoten – als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Ten name van [bedrijf 1] B.V. zijn aangiften omzetbelasting digitaal aan de Belastingdienst verstuurd vanaf IP-adres [IP-adres]. Dit IP-adres is gekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte], [adres 2], zijnde het bedrijfsadres van [bedrijf 1].2

Over de tijdvakken januari 2011, februari 2011, maart 2011, april 2011, mei 2011, juni 2011 en juli 2011 zijn bij de Centrale Administratie van Belastingdienst te Apeldoorn digitaal aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] binnengekomen. De Belastingdienst heeft deze aangiften omzetbelasting op respectievelijk 3 maart 2011, 5 april 2011, 11 mei 2011, 3 juni 2011, 4 juli 2011, 10 augustus 2011 en 20 september 2011 ontvangen.34 Medeverdachte [medeverdachte] heeft deze aangiften omzetbelasting verzorgd vanaf het kantooradres van [bedrijf 1].5 In de aangiften over januari 2011, maart 2011, april 2011, mei 2011, juni 2011 en juli 2011 zijn te hoge bedragen aan voorbelasting opgenomen.67 Hierdoor is ongeveer € 363.000 te weinig omzetbelasting van [bedrijf 1] geheven.8

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is wat de rol van verdachte bij het doen van de onjuiste aangiften omzetbelasting is geweest.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gericht op belastingfraude dan wel een opdracht van verdachte aan [medeverdachte], en dat verdachte geen feitelijk leiding aan de verboden gedragingen heeft gegeven, omdat hij op dat gebied geen formele of feitelijke beschikkingsmacht had en niet willens en weten de kans heeft aanvaard dat medeverdachte [medeverdachte] een onjuiste belastingaangifte zou doen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft als volgt verklaard over het indienen van de onjuiste aangiften omzetbelasting: “[verdachte] en ik hebben in overleg besloten om onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen waardoor we meer financiële ruimte kregen. (…) Maandelijks berekenden [verdachte] en ik wat we aan extra geld nodig hadden om aan onze verplichtingen te voldoen. Deze verplichtingen betrof eveneens ons salaris. (…) Ik heb maandelijks met [verdachte] besproken hoeveel er aan voorbelasting bij geplust moest worden. Ik stuurde [verdachte] dan een e-mail of besprak dit mondeling met wat de kosten waren en hoeveel er via de voorbelasting bij moest om aan onze verplichtingen te kunnen voldoen. [verdachte] gaf mij altijd toestemming om de onjuiste aangifte over de genoemde maanden in te dienen.”9

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben, voordat zij samenwerkten in [bedrijf 1], samengewerkt bij het bedrijf [bedrijf 2]. Verdachte was bij [bedrijf 2] bestuurder en medeverdachte [medeverdachte] boekhouder. Verdachte was bij de oprichting formeel bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1]. In verband met de afwikkeling van het faillissement van [bedrijf 2] heeft verdachte zijn aandelen in [bedrijf 1] overgedragen aan medeverdachte [medeverdachte] en is [medeverdachte] bestuurder geworden. Er bestond namelijk het risico dat crediteuren van [bedrijf 2] beslag zouden leggen op de aandelen van verdachte in [bedrijf 1]. De rolverdeling tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] veranderde daardoor niet. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben het bedrijf samen geleid, hij was samen met medeverdachte [medeverdachte] feitelijk leidinggever van [bedrijf 1], aldus verdachte.10

Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat [medeverdachte] met een tijdelijke oplossing kwam om hun liquiditeitsproblemen op te lossen, namelijk door het ‘schuiven’ met de omzetbelasting tussen verschillende aangifteperioden. Verdachte verklaarde dat hij dacht dat ze daar alleen een boete voor konden krijgen en dat ze het konden rechttrekken als ze een ‘klapper’ in de omzet zouden maken.11

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1], ook ten aanzien van het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Verdachte heeft ermee heeft ingestemd dat er meer omzetbelasting door [bedrijf 1] aan de Belastingdienst werd teruggevraagd dan waar [bedrijf 1] recht op had terwijl hij wist dat dit kon leiden tot een boete. Vervolgens heeft hij niet ingegrepen toen bleek dat de ‘klapper’ uitbleef. Onder deze omstandigheden maakt het strafrechtelijk geen verschil dat verdachte niet zelf de aangiften omzetbelasting heeft ingediend.

De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook op de na te melden wijze wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

De rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., verder te noemen "[bedrijf 1]",

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 maart 2011 tot 1 oktober 2011

te Naaldwijk en/of Den Haag en/of Apeldoorn, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) op naam van [bedrijf 1] gestelde aangifte(n) omzetbelasting over de maanden januari 2011 en/of maart 2011 en/of april 2011 en/of mei 2011 en/of juni 2011 en/of juli 2011 (D-01, D-02, D-85, D-86),

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers hebbende [bedrijf 1] en/of haar verdachten, mededader(s) (telkens) opzettelijk

op het/ de bij de Inspecteur der belastingen te Haaglanden, althans de Belastingdienst te Apeldoorn, ingeleverde/ingezonden (digitale) aangifte(en)/aangiftebiljet(en) voor de Omzetbelasting (een) te ho(o)ge en/of gefingeerde(e) bedrag(en) aan voorbelasting opgegeven en/of vermeld, en althans doen en/of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en), hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

(telkens/meermalen) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens/meermalen) feitelijke leiding heeft gegeven.

5 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, ingeval van strafoplegging, verzocht een boete, althans een taakstraf met een substantieel voorwaardelijk deel op te leggen. Daarnaast heeft de verdediging bepleit om de op te leggen straf te matigen gelet op het voortraject van deze strafzaak.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude ter zake van omzetbelasting.

Door deze omzetbelastingfraude is ruim € 350.000,-- aan publieke middelen ten onrechte uitgekeerd. De Nederlandse overheid is dan ook voor dit bedrag benadeeld. Verdachte heeft hierbij louter het financieel gewin van hemzelf en zijn medeverdachte op het oog gehad. Tevens heeft hij hiermee het op maatschappelijk vertrouwen gebaseerde Nederlandse systeem van omzetbelasting ernstig ondermijnd.

Uit hetgeen onder 3 is overwogen, volgt dat de door de verdediging gestelde onrechtmatigheden in het voortraject niet kunnen leiden tot strafvermindering.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 12 maart 2014, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten.

Gelet op de ernst van het feit en de omvang van het belastingnadeel is de rechtbank van oordeel, mede gelet op de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te volgen en dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend is.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mrs. M.L. Ruiter en M. Enthoven, rechters

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het dossiernummer 49940, van de Belastingdienst/FIOD/Kantoor Haarlem, met bijlagen (ongenummerd).

2 Proces-verbaal van Ambtshandeling, onderzoek naar ontvangen aangifte OB en het ip adres van 10 december 2012, AH-05.

3 Een geschrifte zijnde een brief van de Centrale administratie van de Belastingdienst ten aanzien van de tijdvakken januari 2011, februari 2011, april 2011, mei 2011, juni 2011 en juli 2011, van 30 november 2012, D-02, p. 1 en 2.

4 Een geschrifte zijnde een brief van de Centrale administratie van de Belastingdienst ten aanzien van het tijdvak maart 2011 van 29 maart 2013 2012, D-86, p. 1 en 2.

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 28 januari 2013, V01-01, p. 8 tot en met 10.

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 29 januari 2013, V01-02, p. 10 tot en met p. 11; .

7 Proces-verbaal van ambtshandeling, berekening fiscaal strafrechtelijk nadeel van 4 maart 2013, AH-20, p. 3.

8 Proces-verbaal van ambtshandeling, berekening fiscaal strafrechtelijk nadeel van 4 maart 2013, AH-20, p. 3.

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 29 januari 2013, V01-02, p. 10.

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 mei 2014.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 mei 2014.