Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6023

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/1288 en AWB 13/1857
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op het moment van het nemen van het primaire besluit I viel eiseres binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG en voldeed zij aan de voorwaarden voor toekenning van de status van EG-langdurig ingezetene.

Ambtshalve is de rechtbank bekend dat verweerder aan de bepaling van de derde alinea uit het beleid neergelegd in paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000 (“Indien intrekking in deze gevallen wordt overwogen, wordt de vreemdeling derhalve in de gelegenheid gesteld een aanvraag tot wijziging van de beperking in ‘voortgezet verblijf’ in te dienen.”) vorm geeft door in een brief het volgende op te nemen:

“voortgezet verblijf

Gelet op uw persoonlijke situatie merk ik voorts op dat u mogelijk in aanmerking komt voor het verblijfsdoel ‘voortgezet verblijf’. Hiervoor dient u wel het inburgeringsexamen behaald te hebben.”

Verweerder heeft dit in onderhavige zaak ten onrechte niet gedaan.

Toen na 2 oktober 2012 vaststond dat het inburgeringsvereiste niet kon worden tegengeworpen, had verweerder in het kader van het bezwaar tegen het primaire besluit I kunnen beslissen dat die grond niet meer aan de verlening van de status EG-langdurig ingezetene in de weg stond. In plaats daarvan heeft verweerder (in het bezwaar tegen de intrekking) enkele maanden na 2 oktober 2012 (op 13 december 2012) beslist als volgt: “Nu bij beschikking van heden het bezwaar tegen het afwijzen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard, is op goede grond de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van betrokkene ingetrokken per 26 augustus 2011”.

Verweerder heeft aldus bij de beslissing op bezwaar over de intrekking verwezen naar de beslissing op bezwaar voortgezet verblijf/EG-langdurig ingezetene, zoals die was gemotiveerd met de intrekkingsbeslissing in primo. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat procedurele perikelen eiseres hebben belemmerd in de uitoefening van het recht op verblijf als EG-langdurig ingezetene. Daarbij heeft de rechtbank mede in overweging genomen dat verweerder eiseres niet conform zijn eigen beleid in de gelegenheid heeft gesteld een aanvraag voortgezet verblijf in te dienen, die ertoe had kunnen leiden dat eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf”, met als ingangsdatum 26 augustus 2011, zou hebben gekregen en aansluitend een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd onder de beperking “EG-langdurig ingezetene”, met als ingangsdatum 12 april 2012, de datum van de aanvraag. Immers, ook bij die beoordeling was de vrijstelling van het inburgeringsvereiste van belang en in het beleid is de intrekking afhankelijk gesteld van een eventuele verlening van die vergunning voortgezet verblijf.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat eiseres daags voor het primaire besluit derhalve geen rekening hoefde te houden met een intrekking met terugwerkende kracht van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, nu voornoemd beleid (paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000) voorzag in het vangnet van de mogelijkheid om een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf na verbreking (huwelijks)relatie aan te vragen. Daarbij had een rol kunnen spelen dat er medische gronden waren om zich op de vrijstelling van het inburgeringsvereiste te beroepen. Dat er ten aanzien van eiseres in het kader van het EG-langdurig ingezetenschap geen sprake zou zijn van strijd met de rechtszekerheid (zoals door verweerder in het verweerschrift van 31 mei 2013 en ter zitting is betoogd) volgt de rechtbank dan ook niet.

Tenslotte kan niet worden uitgesloten dat eiseres, indien verweerder haar tijdig in de gelegenheid had gesteld een aanvraag voortgezet verblijf in te dienen zoals in het beleid van paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000 is bepaald, reeds voorafgaande aan het primaire besluit I zou zijn geslaagd in de onderbouwing van haar beroep op vrijstelling van het inburgeringsvereiste op medische gronden.

Hoewel de Richtlijn 2003/109/EG correct is geïmplementeerd in de Vw 2000, is de rechtbank van oordeel dat het weigeren aan eiseres van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als EG-langdurig ingezetene op de enkele grond dat het langdurig en ononderbroken verblijf van eiseres niet direct voorafgaat aan de aanvraag, afbreuk doet aan het nuttig effect van Richtlijn 2003/109/EG en in strijd komt met het in punt 10 van de considerans van die richtlijn neergelegde beginsel dat procedures doorzichtig en billijk moeten zijn, om de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden, en dat zij niet mogen worden gebruikt als middel om de uitoefening van het recht van verblijf door de rechthebbenden te belemmeren. De bepalingen van Richtlijn 2003/109/EG zijn voldoende concreet om ten aanzien van eiseres rechtstreeks te werken. Eiseres kan zich derhalve op deze bepalingen en de strekking en bedoeling daarvan beroepen om daadwerkelijke en volledige toepassing ervan te verzekeren.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres in beroep terecht heeft aangevoerd dat het bij het bestreden besluit I gehandhaafde primaire besluit I is genomen in strijd de strekking en het nuttig effect van Richtlijn 2003/109/EG en daarmee in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zoals onder andere in de considerans van die richtlijn verwoord. Ten tijde van het primaire besluit I voldeed eiseres ruimschoots aan de voorwaarden voor toekenning van de status van EG-langdurig ingezetene. Uitsluitend als gevolg van procedurele perikelen, waaronder het niet voldoen van verweerder aan zijn eigen beleid zoals opgenomen in paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000, is het recht op die status bij eiseres niet geëffectueerd. Het beroep met kenmerk AWB 13/1288 is reeds daarom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Het bestreden besluit I dient te worden vernietigd. Gelet op de motivering van het bestreden besluit II kan ook dat besluit niet in stand blijven. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak op beide bezwaren opnieuw moeten beslissen. De rechtbank kan niet beoordelen of zich andere omstandigheden verzetten tegen verlening van de vergunningen en kan daarom niet zelf in de zaak voorzien.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: AWB 13/1288 en AWB 13/1857

V-nummer: 270.269.0936

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2014 in de zaken tussen

[naam 1], eiseres,

gemachtigde: mr. D. Schaap,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigden mr. H.D. Streef en mr. W.A. Kleingeld.

Procesverloop

Op 13 april 2012 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (status EG-langdurig ingezetene). Verweerder heeft deze aanvraag tevens aangemerkt als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (voor verblijf bij echtgenoot [naam 2]). Bij besluit van 10 augustus 2012 (het primaire besluit I) heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van 10 augustus 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 26 augustus 2011.

Bij besluit van 13 december 2012 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijk besluit van 13 december 2012 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I is geregistreerd met kenmerk AWB 13/1288. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit II is geregistreerd met kenmerk AWB 13/1857.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2013. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Op 3 september 2013 heeft de rechtbank de zaken verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 3 februari 2014. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres, geboren op [datum] 1966, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Zij is op 21 januari 2004 Nederland binnengekomen met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en is op 26 februari 2004 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [naam 2]”. Deze verblijfsvergunning was geldig van 23 januari 2004 tot 23 januari 2005 en is laatstelijk verlengd tot 17 juli 2013.

1.2.

Het huwelijk tussen eiseres en [naam 2] is ontbonden op 14 januari 2010.

1.3.

Op 17 december 2010 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”. Bij besluit van 18 februari 2011 heeft verweerder die aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldeed aan het inburgeringsvereiste. Verweerder heeft voorts aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking “verblijf bij partner [naam 2]”, omdat zij weliswaar inmiddels van [naam 2] was gescheiden maar de relatie wel werd voortgezet. De geldigheidsduur van die aan eiseres verleende verblijfsvergunning was eveneens 17 juli 2013.

1.4.

Op 12 april 2012 heeft eiseres wederom een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd/status EG-langdurig ingezetene.

1.5.

Volgens een op 28 april 2012 opgemaakt proces-verbaal heeft de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond op verzoek van de Immigratie- en Naturalisatiedienst een onderzoek ingesteld naar de relatie tussen eiseres en [naam 2]. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat eiseres sinds 23 januari 2004 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staat ingeschreven op het adres [adres 1] en dat [naam 2] sinds 26 augustus 2011 in de GBA staat ingeschreven op het adres [adres 2]. De verbalisanten hebben op 27 maart 2012 [naam 2] en op 19 april 2012 eiseres gehoord.

1.6.

Bij brief van 11 juli 2012 heeft verweerder eiseres naar aanleiding van de in 1.4. genoemde aanvraag bericht dat gebleken is dat eiseres niet in het bezit is van een inburgeringsdiploma en dat gebleken is dat zij niet meer voldoet aan de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, nu zij niet meer samenwoont met [naam 2]. Verweerder heeft eiseres verder geadviseerd om zo snel mogelijk te voldoen aan het inburgeringsvereiste, omdat de aan haar verleende verblijfsvergunning anders wordt ingetrokken.

Bij brief van 25 juli 2012 heeft eiseres op deze brief gereageerd en, onder verwijzing naar medische stukken, gesteld dat zij dient te worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste.

1.7.

Vervolgens heeft verweerder de primaire besluiten I en II genomen.

1.8.

Op 10 september 2012 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en de gronden van dat bezwaar aangevuld op 2 oktober 2012. Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten I en II genomen.

1.9.

Op 22 februari 2013 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dan wel wijziging van het verblijfsdoel van de aan haar verleende verblijfsvergunning. Bij besluit van 26 maart 2013 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf”, met ingang van 22 februari 2013 en geldig tot 22 februari 2018.

2.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit I overwogen dat eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat zij het inburgeringsexamen heeft behaald en dat niet is aangetoond dat zij behoort tot de categorie vreemdelingen die hiervan is vrijgesteld. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene” noch voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op nationale gronden. Eiseres komt evenmin in aanmerking voor verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, omdat zij door de verbreking van het huwelijk tussen haar en [naam 2] niet langer voldoet aan de beperking waaronder deze verblijfsvergunning is verleend en nu gebleken is dat eiseres en [naam 2] per 26 augustus 2011 niet meer samenwonen.

In het bestreden besluit I heeft verweerder de afwijzingsgrond met betrekking tot het inburgeringsvereiste laten vallen, nu uit een in bezwaar overgelegd medisch advies blijkt dat eiseres in aanmerking komt voor vrijstelling van het inburgeringsvereiste. Nu eiseres gelet op de verbreking van haar relatie niet voldoet aan de beperking waaronder zij de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft verkregen, komt zij evenwel nog steeds niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dan wel verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, aldus verweerder.

2.2.

Verweerder stelt zich, gezien het vorenstaande, in bestreden besluit II op het standpunt dat aanleiding bestaat de verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 26 augustus 2011 in te trekken.

3.1.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

Op grond van artikel 19 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b.

Op grond van artikel 4 van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten (hierna: Richtlijn 2003/109/EG) kennen de lidstaten de status van langdurig ingezetene toe aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken sedert de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het desbetreffende verzoek op hun grondgebied verblijven.

Op grond van artikel 7 van Richtlijn 2003/109/EG dient ter verkrijging van de status van langdurig ingezetene een verzoek te worden ingediend.

Op grond van artikel 8, tweede lid, van Richtlijn 2003/109/EG verstrekken de lidstaten aan langdurig ingezetenen een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De verblijfsvergunning is ten minste vijf jaar geldig. De vergunning wordt, indien nodig en op verzoek, bij het verstrijken van die periode automatisch verlengd.

Op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van Richtlijn 2003/109/EG de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000.

3.2.

Het beleid met betrekking tot gezinshereniging en gezinsvorming was met ingang van 1 oktober 2012, en dus ten tijde van de bestreden besluiten I en II, neergelegd in hoofdstuk B2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000 luidde, voor zover thans van belang, als volgt:

“Verbreking van de (huwelijks)relatie

Ingevolge artikel 19 juncto 18, eerste lid, onder f, Vw kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden. Daarvan zal met name sprake zijn ingeval van verbreking van de (huwelijks)relatie. Er is sprake van een verbreking van de (huwelijks) relatie indien:

- de (huwelijks)relatie op grond waarvan verblijf was toegestaan feitelijk of juridisch is verbroken. Dit kan ondermeer blijken uit het feit dat de vreemdeling en de hoofdpersoon niet meer staan ingeschreven op hetzelfde adres in de GBA, of uit het feit dat de partners naar buiten toe verschillende adressen voeren;

- de hoofdpersoon is overleden; of

- de hoofdpersoon zich vrijwillig in het buitenland heeft gevestigd.

Tenzij op grond van B16 een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf kan worden verleend, wordt in een dergelijk geval de verblijfsvergunning ingetrokken. De verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf kan alleen op aanvraag worden verleend. Indien intrekking in deze gevallen wordt overwogen, wordt de vreemdeling derhalve in de gelegenheid gesteld een aanvraag tot wijziging van de beperking in 'voortgezet verblijf' in te dienen. (…)”

4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank ziet zich, gelet op de aan eiseres bij besluit van 26 maart 2013 verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ambtshalve gesteld voor de vraag of eiseres thans nog belang heeft bij onderhavige beroepen.

In geschil is, onder meer, of verweerder eiseres reeds ten tijde van de intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij partner in het bezit had moeten stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf” (met ingang van 26 augustus 2011), in plaats van dit eerst te doen bij besluit van 26 maart 2013 (met ingang van 22 februari 2013). Anders gezegd: eiseres beoogt haar aanspraak op voortgezet verblijf met ingang van een eerdere datum te realiseren. Tevens is in geding de beoordeling van de weigering status EG-langdurig ingezetene, welke status gepaard gaat met een aparte, gunstiger rechtspositie.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onzekere toekomstige gebeurtenis als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN9222) en is het procesbelang bij in ieder geval het beroep met kenmerk AWB 13/1288 gegeven.

4.2.

De rechtbank zal het bestreden besluit I beoordelen in het licht van de daartegen door eiseres aangedragen beroepsgronden.

4.2.1.

Eiseres heeft van 23 januari 2004 tot aan 10 augustus 2012, zijnde de datum van het primaire besluit I, waarbij haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken, acht jaar en ruim vijf maanden rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a, van de Vw 2000 gehad.

Daarmee viel zij op het moment van het nemen van het primaire besluit I binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG en voldeed zij aan de voorwaarden voor toekenning van de status van EG-langdurig ingezetene. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, van die Richtlijn.

Voorts wijst de rechtbank op punten 6 en 10 van de considerans van Richtlijn 2003/109/EG, waarin - voor zover thans van belang - het volgende is opgenomen:

“(6) Het belangrijkste criterium voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene is de duur van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat. Het moet gaan om een langdurig en ononderbroken verblijf, waaruit blijkt dat de betrokkene sterke banden met het land heeft gekregen. (…).”

en

“(10) Er moeten procedurevoorschriften worden vastgesteld voor het onderzoeken van de aanvraag voor de status van langdurig ingezetene. Deze procedures moeten niet alleen doelmatig zijn en kunnen worden afgewikkeld naast de normale werklast van de overheidsinstanties van de lidstaten, maar ook doorzichtig en billijk zijn, om de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden. Zij mogen niet worden gebruikt als middel om de uitoefening van het recht van verblijf door de rechthebbenden te belemmeren.”

4.2.2.

Uit het dossier blijkt van een aantal procedurele perikelen. De belangrijkste van die perikelen is de omstandigheid dat eiseres reeds bij brief van 25 juli 2012 heeft gesteld dat zij op medische gronden diende te worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste, maar er kennelijk eerst in de bezwaarfase voorafgaande aan het bestreden besluit I (van 13 december 2012) in is geslaagd haar beroep op die vrijstelling genoegzaam te onderbouwen.

De rechtbank leidt uit de mededelingen ter zitting van de gemachtigde van verweerder af dat, indien eiseres in die onderbouwing in de aanvraagfase voorafgaand aan het primaire besluit I van 10 augustus 2012 was geslaagd, zij bij dat besluit in het bezit zou zijn gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, onder vrijstelling van het inburgeringsvereiste. Nu er op het moment van het bestreden besluit I echter al een intrekking met terugwerkende kracht tot 26 augustus 2011 lag, kan de latere vrijstelling van het inburgeringsvereiste daar volgens verweerder niet aan afdoen.

4.2.3.

Verder is in dat kader van belang dat het beleid neergelegd in paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000, zoals hiervoor aangehaald, inhoudelijk gelijkluidend is aan het voordien geldende beleid, toentertijd neergelegd in paragraaf B2/9.3 van de Vc 2000. Laatstgenoemde paragraaf is op 9 december 2009 in werking getreden en was dus ook geldend beleid op 11 juli 2012, te weten het moment waarop verweerder eiseres per brief berichtte dat gebleken was dat zij niet meer voldeed aan de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Conform dat beleid had verweerder eiseres bij een voorgenomen intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij partner” in de gelegenheid moeten stellen een aanvraag tot wijziging van die beperking in “voortgezet verblijf” in te dienen.

Ambtshalve is de rechtbank bekend dat verweerder aan de bepaling van de derde alinea uit het beleid neergelegd in paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000 (“Indien intrekking in deze gevallen wordt overwogen, wordt de vreemdeling derhalve in de gelegenheid gesteld een aanvraag tot wijziging van de beperking in ‘voortgezet verblijf’ in te dienen.”) vorm geeft door in een brief het volgende op te nemen:

voortgezet verblijf

Gelet op uw persoonlijke situatie merk ik voorts op dat u mogelijk in aanmerking komt voor het verblijfsdoel ‘voortgezet verblijf’. Hiervoor dient u wel het inburgeringsexamen behaald te hebben.”

Verweerder heeft dit in onderhavige zaak ten onrechte niet gedaan.

4.2.4.

Wel liep op dat moment al een aanvraag onbepaalde tijd/status EG-langdurig ingezetene, in het kader waarvan eiseres, onderbouwd, op medische gronden een beroep op vrijstelling van het inburgeringsvereiste had gedaan. Eerst in de beslissing in primo op die aanvraag (het primaire besluit I) is eiseres erop gewezen dat, indien zij van mening is dat zij om medische redenen moet worden vrijgesteld, een brief van het college van burgemeester en wethouders moet overleggen waarin staat dat zij niet in staat is het inburgeringsexamen te halen. Een dergelijke brief (gedateerd 10 september 2012) heeft eiseres op 2 oktober 2012 overgelegd. Deze brief heeft ertoe geleid dat aan eiseres bij het bestreden besluit I het inburgeringsvereiste niet langer is tegengeworpen. Verweerder heeft daarna niet de behandeling van het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit en de behandeling van het bezwaar tegen de weigering onbepaalde tijd/status EG-langdurig ingezetene op elkaar afgestemd. Toen na 2 oktober 2012 vaststond dat het inburgeringsvereiste niet kon worden tegengeworpen, had verweerder in het kader van het bezwaar tegen het primaire besluit I kunnen beslissen dat die grond niet meer aan de verlening van de status EG-langdurig ingezetene in de weg stond. In plaats daarvan heeft verweerder (in het bezwaar tegen de intrekking) enkele maanden na 2 oktober 2012 (op 13 december 2012) beslist als volgt: “Nu bij beschikking van heden het bezwaar tegen het afwijzen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard, is op goede grond de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van betrokkene ingetrokken per 26 augustus 2011”.

4.2.5.

Verweerder heeft aldus bij de beslissing op bezwaar over de intrekking verwezen naar de beslissing op bezwaar voortgezet verblijf/EG-langdurig ingezetene, zoals die was gemotiveerd met de intrekkingsbeslissing in primo. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat procedurele perikelen eiseres hebben belemmerd in de uitoefening van het recht op verblijf als EG-langdurig ingezetene. Daarbij heeft de rechtbank mede in overweging genomen dat verweerder eiseres niet conform zijn eigen beleid in de gelegenheid heeft gesteld een aanvraag voortgezet verblijf in te dienen, die ertoe had kunnen leiden dat eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf”, met als ingangsdatum 26 augustus 2011, zou hebben gekregen en aansluitend een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd onder de beperking “EG-langdurig ingezetene”, met als ingangsdatum 12 april 2012, de datum van de aanvraag. Immers, ook bij die beoordeling was de vrijstelling van het inburgeringsvereiste van belang en in het beleid is de intrekking afhankelijk gesteld van een eventuele verlening van die vergunning voortgezet verblijf.

4.2.6.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat eiseres daags voor het primaire besluit derhalve geen rekening hoefde te houden met een intrekking met terugwerkende kracht van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, nu voornoemd beleid (paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000) voorzag in het vangnet van de mogelijkheid om een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf na verbreking (huwelijks)relatie aan te vragen. Daarbij had een rol kunnen spelen dat er medische gronden waren om zich op de vrijstelling van het inburgeringsvereiste te beroepen. Dat er ten aanzien van eiseres in het kader van het EG-langdurig ingezetenschap geen sprake zou zijn van strijd met de rechtszekerheid (zoals door verweerder in het verweerschrift van 31 mei 2013 en ter zitting is betoogd) volgt de rechtbank dan ook niet.

4.2.7.

Tenslotte kan niet worden uitgesloten dat eiseres, indien verweerder haar tijdig in de gelegenheid had gesteld een aanvraag voortgezet verblijf in te dienen zoals in het beleid van paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000 is bepaald, reeds voorafgaande aan het primaire besluit I zou zijn geslaagd in de onderbouwing van haar beroep op vrijstelling van het inburgeringsvereiste op medische gronden.

4.2.8.

Hoewel de Richtlijn 2003/109/EG correct is geïmplementeerd in de Vw 2000, is de rechtbank van oordeel dat het weigeren aan eiseres van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als EG-langdurig ingezetene op de enkele grond dat het langdurig en ononderbroken verblijf van eiseres niet direct voorafgaat aan de aanvraag, afbreuk doet aan het nuttig effect van Richtlijn 2003/109/EG en in strijd komt met het in punt 10 van de considerans van die richtlijn neergelegde beginsel dat procedures doorzichtig en billijk moeten zijn, om de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden, en dat zij niet mogen worden gebruikt als middel om de uitoefening van het recht van verblijf door de rechthebbenden te belemmeren. De bepalingen van Richtlijn 2003/109/EG zijn voldoende concreet om ten aanzien van eiseres rechtstreeks te werken. Eiseres kan zich derhalve op deze bepalingen en de strekking en bedoeling daarvan beroepen om daadwerkelijke en volledige toepassing ervan te verzekeren.

4.2.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres in beroep terecht heeft aangevoerd dat het bij het bestreden besluit I gehandhaafde primaire besluit I is genomen in strijd de strekking en het nuttig effect van Richtlijn 2003/109/EG en daarmee in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zoals onder andere in de considerans van die richtlijn verwoord. Ten tijde van het primaire besluit I voldeed eiseres ruimschoots aan de voorwaarden voor toekenning van de status van EG-langdurig ingezetene. Uitsluitend als gevolg van procedurele perikelen, waaronder het niet voldoen van verweerder aan zijn eigen beleid zoals opgenomen in paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000, is het recht op die status bij eiseres niet geëffectueerd. Het beroep met kenmerk AWB 13/1288 is reeds daarom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Het bestreden besluit I dient te worden vernietigd. Gelet op de motivering van het bestreden besluit II kan ook dat besluit niet in stand blijven. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak op beide bezwaren opnieuw moeten beslissen. De rechtbank kan niet beoordelen of zich andere omstandigheden verzetten tegen verlening van de vergunningen zoals beschreven in 4.2.5. en kan daarom niet zelf in de zaak voorzien.

5.

De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het in beide procedures betaalde griffierecht vergoedt.

6.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres voor de beroepen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.948,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de enkelvoudige kamer, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de meervoudige kamer, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het in beide procedures betaalde griffierecht van in totaal € 320,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.948,-, te betalen aan eiseres;

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. A.P. Hameete en mr. L.H. Waller, leden, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.