Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:6010

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2014
Datum publicatie
02-06-2014
Zaaknummer
AWB-13_8291
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bouwplan voorziet in de bouw van een woning op een ander deel van het perceel dan waar de huidige woning is gesitueerd. De nieuwe woning is verder naar voren, dichter bij de openbare weg, op het perceel geprojecteerd. Eisers exploiteren een pensionstalling annex manege naast dat perceel. Voor de inrichting geldt de omgevingsvergunning van 24 augustus 2010, destijds verleend als vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Ter beoordeling staat of door de verplaatsing van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat en of de inrichting van eisers door het bouwplan wordt beperkt in uitbreidingsmogelijkheden, in exploitatiemogelijkheden of in de bestaande rechten. Niet in geschil is dat de inrichting van eisers nog steeds vergunningplichtig is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wabo. De huidige woning is reeds op een zodanige afstand van de inrichting is gelegen dat iedere verdere uitbreiding van de inrichting onmogelijk is. De geprojecteerde nieuwe woning blijft buiten de geurcirkel van 25 meter, zodat de bestaande rechten voor het houden van 125 paarden in de op grond van de geldende vergunning daartoe bestemde stal niet worden aangetast. Verweerder is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de belangen van het bedrijf van eisers niet onevenredig worden benadeeld. Tevens zal de geprojecteerde nieuwe woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat krijgen.

De beroepsgrond dat geen rekening is gehouden met de archeologische dubbelbestemming die ingevolge het bestemmingsplan op het perceel rust en dat het bouwplan daarom in strijd is met artikel 27.3.1. van de planregels, stuit af op artikel 8:69a Awb, aangezien dit voorschrift kennelijk niet is geschreven ter bescherming van de belangen van (het bedrijf van) eisers. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Algemene wet bestuursrecht 8:69a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/8291

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2014 in de zaak tussen

[A] en [B], te [plaats], eisers,

(gemachtigde: drs. S.A.N. Geerling, werkzaam bij SRK Rechtsbijstandverzekering),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder, (gemachtigde: R. Frijlink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [C], te [plaats], vergunninghouder, (gemachtigde: mr. R.W.I. Rietveld, werkzaam bij Juridisch adviesburo Rietveld).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woning aan de [a-straat nummer 1] te [plaats].

Bij besluit van 9 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen dit besluit, in afwijking van het advies van de onafhankelijke commissie voor bezwaarschriften (de commissie bezwaarschriften), ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden zijn nadien aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2014. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. A. de Groot, advocaat te Den Haag. De derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen


1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het bouwplan, waarvoor [C] op 25 juli 2012 een omgevingsvergunning heeft aangevraagd, voorziet in de bouw van een woning aan de [a-straat nummer 1] te [plaats] op een ander deel van het perceel dan waar de huidige woning van [C] is gesitueerd. De nieuwe woning is verder naar voren, dichter bij de openbare weg, op het perceel geprojecteerd.

1.2.

Eisers exploiteren een pensionstalling annex manege aan de [a-straat nummer 3] (de inrichting) naast het perceel van [C]. Voor de inrichting geldt de omgevingsvergunning van 24 augustus 2010, destijds verleend als vergunning krachtens de Wet milieubeheer.

1.3.

Verweerder heeft bij het primaire besluit voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), met gebruikmaking van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van het geldende bestemmingsplan.

1.4.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 24 januari 2013, zaaknummer AWB 13/131 (ECLI:NL:RBDHA:2013:766) de voorlopige voorziening getroffen dat het primaire besluit wordt geschorst tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar, omdat verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet (voldoende) aannemelijk heeft gemaakt dat er, met het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning binnen 25 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt, sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

2.1.

Verweerder staat, in essentie, op het standpunt dat de bestaande rechten die eisers nu voor hun inrichting hebben op grond van de geldende omgevingsvergunning niet worden aangetast door het bouwplan. Eisers worden niet geschaad door verlies aan uitbreidingsmogelijkheden voor hun inrichting, aangezien de aanwezigheid van de huidige woning van [C] reeds aan uitbreiding in de weg staat. Wel wordt de oppervlakte van het perceel waarop ten behoeve van het houden van paarden in de inrichting gebouwd kan worden verminderd van 3.473 m2 naar 3.214 m2, een vermindering met 8,06%, hetgeen verweerder geen onevenredige afbreuk aan de belangen van eisers acht. Verweerder heeft overwogen dat het verplaatsen van de woning past in de uitgangspunten zoals opgenomen in de ruimtelijke kwaliteitsparagraaf voor burgerwoningen.

2.2.

Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft verweerder nader onderzoek laten doen door Advies en Ingenieursbureau Oranjewoud (Oranjewoud).

2.3.

In het bestreden besluit is overwogen dat uit het advies van Oranjewoud van 30 mei 2013 blijkt dat als gevolg van het bouwplan de inrichting van eisers niet in een nadeliger positie wordt gebracht dan voorheen. De geprojecteerde nieuwe woning blijft op 27,5 meter van het emissiepunt van de inrichting, dat is gesitueerd aan de paardenstal. Anders dan eisers menen is het houden van paarden in de zogenoemde veldschuur niet toegestaan. Er blijft daarom naar het oordeel van verweerder sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

2.4.

In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat eisers geen contra-expertise hebben ingediend tegen het advies van Oranjewoud. Het advies van de commissie bezwaarschriften kan op grond van de uitkomsten van dat advies worden gepasseerd. De tekening van 16 december 2010 waarop eisers zich beroepen maakt volgens verweerder geen deel uit van de omgevingsvergunning voor hun inrichting, omdat deze na de besluitvorming over die vergunning is ingediend en niet voorzien is van een stempel. Eisers hebben geen beroep ingesteld tegen de milieuvergunning en hebben meermaals aangegeven niet bereid te zijn om mee te werken aan een nieuwe actualisatie van de milieuvergunning. Alleen de afstand tussen de woning en het dichtstbijzijnde emissiepunt is naar de mening van verweerder van belang voor het bepalen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat, niet de bestemming van het perceel van eisers. De emissiepunten zijn vermeld in de milieuvergunning, die 125 paarden toestaat in de paardenstal waar een geurcirkel van 25 meter omheen ligt.

3.1.

Eisers hebben bezwaar tegen het bouwplan, omdat het – kort samengevat – de kans vergroot dat zij worden geschaad in hun (toekomstige) bedrijfsvoering. Ook vrezen zij klachten over geur- en geluidhinder. Zij hebben gesteld dat een binnenplanse afwijking slechts is bedoeld om geringe inbreuken te faciliteren, hetgeen niet aan de orde is omdat eisers vrezen dat de bouw zal leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op hun bedrijfsbelangen.

3.2.

Eisers kunnen zich verder niet vinden in de motivering van het bestreden besluit dat contrair is aan het advies van de commissie bezwaarschriften. Bij brief van 18 juli 2013 hebben eisers de bevindingen van Oranjewoud bestreden. Ten onrechte heeft verweerder geen rekening gehouden met het feit dat de geprojecteerde nieuwe woning binnen een cirkel van 25 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt zal komen te liggen terwijl thans is voldaan aan de vereiste minimum afstand van 25 meter. In dat verband stellen zij dat op een tekening van 16 december 2010 (naast nr. 2227) paardenboxen zijn ingetekend in de veldschuur, zodat die mag worden benut voor het stallen paarden en opslag van stro. Openingen in de wand van deze opstal zijn bouwkundig noodzakelijk. Verder voeren zij aan dat ook om de paddock ook een geurcirkel getrokken had moeten worden. Een gemeentelijke geurverordening is nog niet vastgesteld, zodat daar niet op kan worden geanticipeerd.

3.3.

Verweerder heeft daarnaast volgens eisers geen rekening gehouden met de archeologische dubbelbestemming (artikel 27 van de planregels) die op het perceel van [C] rust.

4.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting hebben eisers het verzoek om [D] en [E] als mede-eisers aan te merken ingetrokken.

4.2.1.

In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

4.2.2.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

4.2.3.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking.

4.2.4.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Landelijk gebied”, dat op 7 februari 2012 is vastgesteld door de gemeenteraad. Het betrokken perceel heeft hierin de bestemming “Wonen”. In artikel 21.2.2, onder e, van de planregels is bepaald dat bij vervangende nieuwbouw de nieuwe woning gesitueerd dient te worden op de plaats van de bestaande woning. Ingevolge artikel 21.2.2, onder f, mag de afstand van een woning tot de weg niet minder bedragen dan de bestaande afstand.

4.2.5.

Ingevolge artikel 21.4.1, aanhef en onder b, van de planregels is verweerder bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 21.2.2 en lid 21.2.3 ten behoeve van een andere situering van woningen, aan-, uitbouwen en/of bijgebouwen dan wel het hanteren van andere onderlinge afstanden of afstanden tot de weg of zijdelingse perceelsgrenzen, indien zulks uit stedenbouwkundig en/of milieutechnisch en -hygiënisch oogpunt toelaatbaar dan wel gewenst is.

4.2.6.

Ingevolge artikel 21.4.2, aanhef en onder c, van de planregels maakt verweerder

uitsluitend gebruik van de in lid 21.4.1 genoemde afwijkingsmogelijkheid, indien en voor zover door de afwijking en/of bebouwing geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de in de omgeving gelegen (agrarische) bedrijven

4.2.8.

Niet in geschil is dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de geldende planregels, omdat de nieuwe woning niet is voorzien op de plaats van de bestaande woning, maar ruim 10 meter dichterbij de [a-straat].

4.2.9.

De beroepsgrond dat het bouwplan buiten de reikwijdte van de gehanteerde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid valt, faalt. Artikel 21.4.1, aanhef en onder b, van de planregels verleent verweerder expliciet de bevoegdheid af te wijken ten behoeve van een andere situering van woningen.

4.2.10.

Eisers hebben de motivering in het primaire besluit waarom verweerder de andere situering van de geprojecteerde woning stedenbouwkundig toelaatbaar acht, in bezwaar noch in beroep bestreden.

4.3.

De kern van het geschil wordt derhalve uitgemaakt door de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarde in artikel 21.4.1, aanhef en onder b, van de planregels, voor zover daarin is bepaald dat een andere situering van een woning uit milieutechnisch en hygiënisch oogpunt toelaatbaar dan wel gewenst moet zijn, in samenhang met de voorwaarde in artikel 21.4.2 aanhef en onder c, van de planregels, dat de afwijking geen onevenredige afbreuk mag doen aan de belangen van, in dit geval, de inrichting van eisers. Dat betekent concreet dat ter beoordeling staat of door de verplaatsing van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat en of de inrichting van eisers door het bouwplan wordt beperkt in uitbreidingsmogelijkheden, in exploitatiemogelijkheden of in de bestaande rechten.

4.3.1.

Niet in geschil is dat de inrichting van eisers nog steeds vergunningplichtig is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wabo. Evenmin is in geschil dat in de inrichting op grond van de geldende vergunning 125 paarden gehouden mogen worden. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eisers hebben aangevoerd, geen paarden mogen worden gehouden in de zogenoemde veldschuur. Verweerder heeft terecht erop gewezen dat de tekening waarop eisers zich beroepen niet is gewaarmerkt als onderdeel van de vergunning en dateert van na het onherroepelijk worden van het besluit waarbij de omgevingsvergunning voor de inrichting is verleend. De formele rechtskracht van dat besluit staat eraan in de weg de (on-)juistheid van die vergunning in dit geding aan de orde te stellen.

4.3.2.

Daaruit volgt dat de huidige woning van [C] reeds op een zodanige afstand van de inrichting is gelegen dat iedere verdere uitbreiding van de inrichting, dat wil zeggen, uitbreiding van het aantal te houden dieren, onmogelijk is. Dit is niet het gevolg van het thans bestreden besluit, maar van de wijziging van de bestemming van het perceel van [C] van een agrarische naar een woonbestemming, die plaats heeft gevonden bij de vaststelling van het thans geldende bestemmingsplan. Tegen dit bestemmingsplan hadden eisers rechtsmiddelen kunnen aanwenden, maar dat hebben zij niet gedaan.

4.3.3.

Verder volgt eruit dat de geprojecteerde nieuwe woning buiten de geurcirkel van 25 meter blijft, zodat de bestaande rechten voor het houden van 125 paarden in de op grond van de geldende vergunning daartoe bestemde stal niet worden aangetast.

4.3.4.

Hiervan uitgaande is ook niet bestreden dat de mogelijkheden voor eisers om elders op het perceel van de inrichting dan thans is vergund paarden te gaan houden, slechts in zeer geringe mate worden verminderd. De in overweging 2.1 weergegeven berekening is door eisers niet gemotiveerd weerlegd. De betwisting is gebaseerd op het voor onjuist te houden standpunt dat ook paarden in de veldschuur mogen worden gehouden respectievelijk dat ook de paddock maatgevend zou zijn voor het bepalen van de geurbelasting.

4.3.5.

Verweerder is op grond van het voorgaande op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de belangen van het bedrijf van eisers niet onevenredig worden benadeeld.

4.3.6.

Uit de voorgaande overwegingen volgt tevens dat de geprojecteerde nieuwe woning van [C] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal krijgen, aangezien deze buiten de geurcontour van 25 meter vanaf het emissiepunt van de inrichting van eisers blijft, ook al komt deze woning dichterbij de inrichting te liggen dan de huidige.

4.3.7.

Verweerder heeft hiermee tevens afdoende gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het advies van de commissie bezwaarschriften.

4.3.8.

Aan de bevoegdheidsvoorwaarden is derhalve voldaan, zodat verweerder van zijn bevoegdheid gebruik mocht maken.

4.4.

Gesteld noch gebleken is dat andere belangen van eisers zich verzetten tegen het gebruikmaken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen geen gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid.

4.5.

Alle tegen de toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid gerichte beroepsgronden falen dus. De toestemming om af te wijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo, kan daarom in rechte stand houden.

4.6.

De beroepsgrond dat geen rekening is gehouden met de archeologische dubbelbestemming die ingevolge het bestemmingsplan op het perceel van [C] rust en dat het bouwplan daarom in strijd is met artikel 27.3.1. van de planregels, stuit af op artikel 8:69a Awb, aangezien dit voorschrift kennelijk niet is geschreven ter bescherming van de belangen van (het bedrijf van) eisers.

4.7.

Het voorgaande betekent dat het bouwplan niet (meer) in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, onder c, Wabo.

4.8.

De toestemming op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo om te bouwen is voor het overige niet in beroep bestreden. Aangezien daarmee is gesteld noch gebleken dat een van de andere in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder, gelet op artikel 2.10 van de Wabo, op goede gronden de gevraagde omgevingsvergunning verleend en deze bij het bestreden besluit gehandhaafd.

5.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, voorzitter, mr.drs. H.M. Braam en mr. B. Bastein, leden, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.