Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5978

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
C-09-13-220 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldenaar heeft een ter verificatievergadering aangenomen akkoord aangeboden waarbij aan de concurrente en preferente schuldeisers 40% respectievelijk 80% van hun vordering zal worden uitgekeerd tegen finale kwijting. De rechter-commissaris heeft negatief geadviseerd ten aanzien van de homologatie omdat er niet van kan worden uitgegaan dat de bij het akkoord aangeboden som ten minste gelijk zal zijn aan de bij voortduring van de schuldsaneringsregeling te realiseren baten. Naar het oordeel van de rechtbank is echter geen sprake van een situatie waarbij ‘de baten des boedels, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan’. Bepalend voor de hoogte van de uitdeling aan de schuldeisers is met name de kwestie inzake de verkoop van de woning van schuldenaar. Bij weigering van het akkoord wordt de verkoop weer ter hand genomen. Nu de woning al diverse jaren te koop staat, en rekening houdende met verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten, is een scenario waarbij uiteindelijk ongeveer 43% aan de concurrente schuldeisers (en het dubbele aan de preferente schuldeisers) aan het einde van de regeling wordt uitgekeerd, aannemelijk. Schuldenaar heeft hierop zijn aanbod tot 43% (resp. 86%) verhoogd en de daarvoor benodigde gelden bijgestort. Van weigeringsgronden als vermeld in art. 153 lid 2 Fw is de rechtbank – dus – niet gebleken. Het akkoord is ruim voldoende toegelicht aan de schuldeisers, waarbij ook inzage is verstrekt in de afspraken die schuldenaar met de bank heeft gemaakt over de woning. Kennelijk heeft een ruime meerderheid van de schuldeisers, hiermee rekening houdende, gekozen voor het aangeboden akkoord. Ook de visie van de rechter-commissaris wordt geacht bekend te zijn bij de schuldeisers. Geen der schuldeisers heeft schriftelijk of mondeling hierop gereageerd. Nu bovendien inmiddels het aanbod is verhoogd, is een weigering van de homologatie, in weerwil van een bewuste keuze van de schuldeisers, niet geïndiceerd.

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Faillissementswet (herziening schuldsaneringsregeling natuurlijke personen)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/13/220 R

uitspraakdatum : 14 mei 2014

In de schuldsaneringsregeling van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

woonadres: [woonplaats], [adres],

is de volgende beschikking gegeven.

Bij vonnis van 8 april 2013 werd de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken met benoeming van mr. R. Cats tot rechter-commissaris. Mr. L.E.M. Elbertse, kantoorhoudende te Waddinxveen, werd benoemd tot bewindvoerder.

De rechtbank heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de op 23 april 2014 gehouden verificatievergadering, alsmede van het door schuldenaar aan zijn schuldeisers aangeboden akkoord.

Blijkens dit proces-verbaal werd het akkoord met de bij de wet vereiste meerderheid aangenomen.

Ingevolge artikel 337, lid 1van de Faillissementswet (hierna: Fw) heeft de rechter-commissaris op 1 mei 2014 schriftelijk verslag uitgebracht, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd.

Bij brief van 5 mei 2014 heeft schuldenaar op basis van zijn berekeningen voorgesteld het aan de (concurrente) schuldeisers aangeboden akkoord te verhogen naar 43%.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Geen van de crediteuren heeft doen blijken van enige grond waarop de homologatie als niet wenselijk zou moeten of kunnen worden geweigerd, terwijl aan de rechtbank ook anderszins geen zodanige grond bekend is geworden. Het negatieve advies van de rechter-commissaris staat daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg. De rechter-commissaris heeft – kort samengevat – in zijn verslag verklaard dat er zijns inziens niet van kan worden uitgegaan dat de bij het akkoord aangeboden som ten minste gelijk zal zijn aan de bij voortduring van de schuldsaneringsregeling te realiseren baten. De rechtbank deelt niet het standpunt dat er sprake is van een imperatieve weigeringsgrond ex artikel 153 lid 2, aanhef en sub 1, Fw, inhoudende dat de homologatie zou moeten worden geweigerd, en overweegt daartoe als volgt.

Bij de huidige stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarbij ‘de baten des boedels, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan’. Bepalend voor de hoogte van de uitdeling aan de schuldeisers is met name de kwestie inzake de verkoop van de woning van schuldenaar. Daarbij moet worden betrokken de onzekerheid omtrent het moment van verkoop van de woning, de verkoopopbrengst ervan, de ingangsdatum van eventuele huur en de hoogte daarvan. Aangezien de woning van schuldenaar al lange tijd te koop staat en gelet op de verkoopprijzen van vergelijkbare woningen, acht de rechtbank een scenario aannemelijk waarin de woning bij de huidige vraagprijs nog enige tijd te koop zal staan en/of waarin de woning uiteindelijk voor een aanmerkelijk lager bedrag dan de vraagprijs zal worden verkocht. In dat geval zal sprake zijn van een uitdelingspercentage dat gelegen is tussen dat van “scenario 3”en “scenario 4” als bedoeld in het verslag van de rechter-commissaris, wat neer zou komen op een uitdelingspercentage van (ongeveer) 43% aan de concurrente schuldeisers en 86% aan de preferente schuldeisers, zoals schuldenaar dat laatstelijk heeft verhoogd.

De rechtbank heeft de behandeling aangehouden om schuldenaar de gelegenheid te geven de gelden te verzamelen benodigd voor voornoemde uitdelingen van 43% respectievelijk 86%. Uit de e-mail van de bewindvoerder d.d. 12 mei 2014 is gebleken dat schuldenaar een aanvullende storting op de boedelrekening heeft gedaan en een aanvullende storting op de derdengeldrekening van mr. Eijer heeft laten doen, waarmee uitvoering kan worden gegeven aan vorengenoemde uitdelingen aan de schuldeisers tegen finale kwijting. De bewindvoerder heeft geadviseerd tot homologatie van het akkoord.

Aangezien vorenvermeld aanbod meer is dan het percentage dat in het aangenomen akkoord is vermeld, gaat de rechtbank ervan uit dat de schuldeisers hiertegen geen bezwaar zullen hebben. In deze situatie gaan de baten des boedel de aangeboden som naar het oordeel van de rechtbank niet (aanmerkelijk) te boven. Ook van de andere drie imperatieve weigeringsgronden als vermeld in artikel 153, lid 2, Fw is niet gebleken.

Op grond van artikel 153, lid 3, Fw kan de rechtbank de homologatie ook op andere gronden en ook ambtshalve weigeren. Ook een dergelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. In dit verband zij vermeld dat gesteld noch gebleken is dat er sprake is van verzwegen baten of andere onrechtmatigheden of onregelmatigheden; het akkoord is ruim voldoende toegelicht aan de schuldeisers, waarbij ook inzage is verstrekt in de afspraken die schuldenaar met de bank heeft gemaakt, waardoor een aanzienlijke (rest)schuld van deze hypotheekhouder buiten de schuldsanering is gehouden. Het akkoord is derhalve voldoende transparant. Kennelijk heeft de meerderheid van de schuldeisers, met de beschikbare informatie en dus rekening houdende met alle onzekerheden, gekozen voor het aangeboden akkoord. Ook de visie van de rechter-commissaris wordt geacht bekend te zijn bij de schuldeisers. Geen der schuldeisers heeft schriftelijk hierop gereageerd, en geen der schuldeisers is bij de homologatiezitting verschenen om verweer te voeren. Nu bovendien inmiddels het aanbod is verhoogd, is een weigering van de homologatie, in weerwil van een bewuste keuze van de schuldeisers, niet geïndiceerd. Derhalve dient het akkoord te worden gehomologeerd.

BESLISSING:

De rechtbank:

- homologeert het akkoord;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, mr. L.E.M. Elbertse, vast op € 1.316,48 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting);

- stelt het bedrag van de kosten vast op € 17,39;

- stelt het griffierecht vast op € 599,--.

Gegeven door mr. C.M. Derijks en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2014 in aanwezigheid van R. Becker, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.