Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5952

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/16093 & 13/16102
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Inreisverbod voor de duur van drie jaren. Belangen van het kind. Verweerder heeft het in de tussenuitspraak vermelde gebrek niet hersteld. Verweerder heeft immers nog steeds niet gemotiveerd waarom een inreisverbod voor een periode van tien jaren door verweerder te lang wordt gevonden, maar een inreisverbod van drie jaren niet. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het in stand laten van de rechtsgevolgen. De rechtbank herroept het primaire besluit, voor zover daarbij aan eiser een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van tien jaren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-05-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/16093 (beroep inreisverbod)

AWB 13/16102 (voorlopige voorziening inreisverbod)

einduitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 4 februari 2014

in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Surinaamse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk, advocaat te Rotterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlengen van de geldigheidsduur van de hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij [naam]’ afgewezen.
In dit besluit heeft verweerder tevens een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd, inhoudende dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaren.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 21 februari 2013 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg (AWB 12/38450), het bezwaar, gericht tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard, zich niet bevoegd geacht om te beslissen op het bezwaar dat is gericht tegen het inreisverbod en bepaald dat uitzetting van eiser achterwege blijft tot vier weken na bekendmaking van een besluit op bezwaar.

Verweerder heeft bij besluit van 4 juni 2013 (het bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard en de duur van het inreisverbod verkort tot drie jaren.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij aan eiser een inreisverbod is opgelegd, beroep (AWB 13/16093) ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (AWB 13/16102) te treffen. Hij verzoekt het inreisverbod te schorsen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2013. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met AWB 13/17016 (beroep terugkeerbesluit) en AWB 13/17018 (voorlopige voorziening terugkeerbesluit). Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 6 november 2013 heeft deze rechtbank en zittingsplaats, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen een termijn van zes weken.

Bij brief van 19 november 2013 heeft verweerder bericht van deze gelegenheid gebruik te willen maken en bij brief van 13 december 2013 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd.

Eiser heeft bij brief van 30 december 2013 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, Awb bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op grond van artikel 8:57, derde lid, Awb gesloten.

Overwegingen

1.

In de tussenuitspraak van 6 november 2013 heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 3.2.2 het volgende overwogen.

“Gelet hierop hebben de kinderen van eiser recht op contact met hun vader en hebben zij daar ook belang bij. Gezien de jonge leeftijd van de kinderen is dit contact naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk op een andere manier dan middels een feitelijke ontmoeting. Hoewel verweerder ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat dit belang is meegewogen in het bestreden besluit en heeft gewezen op de een na laatste regel op pagina 3 van het bestreden besluit, leest de rechtbank daar niet dat dit belang van de kinderen, vanuit hun perspectief, rekening houdend met hun leeftijd, in de belangenafweging is betrokken. Zeker nu verweerder aanleiding heeft gezien het inreisverbod te beperken tot een periode van drie jaren, heeft verweerder dan ook niet voldoende gemotiveerd, waarom het belang van de kinderen bij contact met eiser daaraan niet in de weg staat. Zonder nadere motivering is immers niet duidelijk waarom een inreisverbod voor een periode van tien jaar door verweerder te lang wordt gevonden, maar een inreisverbod voor een periode van drie jaar niet. Gelet op de leeftijd van de kinderen is een periode van drie jaar voor de binding met hun vader immers een lange periode.”

2.

Verweerder heeft zich in voornoemde brief van 13 december 2013 - samengevat - op de volgende standpunten gesteld.

Het inreisverbod is in het bestreden besluit verkort van tien jaren naar drie jaren gelet op de intentie van eiser om intensiever contact te hebben met zijn kinderen en het belang van de kinderen op omgang met hun vader. Er is sprake geweest van een beperkte omgang tussen eiser en zijn twee kinderen van minder dan een weekeinde in de twee weken tot de detentie van eiser van 23 april 2013 tot 11 juli 2013. Vanaf 8 augustus 2013 is er, gelet op de inhoud van de brief van 8 augustus 2013 waarin mevrouw [naam] heeft aangegeven dat het beter is voor de kinderen dat eiser hen helemaal niet meer ziet, geen sprake meer van omgang tussen eiser en zijn twee kinderen dan wel is dit op geen enkele wijze aangetoond middels objectieve stukken. Nu thans niet blijkt van intensivering van de omgang maar van vermindering, geldt dat gelet op de aard en de ernst van de gepleegde delicten het inreisverbod ook voor de duur van tien jaren had kunnen worden opgelegd.

Gelet op het feit dat eiser geweldsdelicten heeft gepleegd in het verleden mede als gevolg van het nuttigen van alcohol en hij volgens zijn ex-partner niet is veranderd, is het maar de vraag of omgang met de vader in het belang van de kinderen is.

Verweerder concludeert dat in dit geval de belangen van de twee kinderen niet zwaarder kunnen wegen dan het algemeen belang dat gediend is met het vertrek van eiser uit Nederland. Immers, gelet op de aard en de ernst van de meermaals gepleegde misdrijven vormt eiser een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid.

2.1

Eiser heeft in zijn zienswijze van 30 december 2013 aangevoerd dat de onenigheid die heeft bestaan tussen hem en mevrouw [naam] van tijdelijke aard is geweest en een incident betreft. Eiser verwijst naar een door hem bij zienswijze overgelegde brief van 17 december 2013, waarin mevrouw [naam] haar brief van 8 augustus 2013 intrekt en verklaart dat eiser goed contact met zijn kinderen onderhoudt en dat zij dit belangrijk vindt voor het welzijn van de kinderen. Voorts heeft eiser ter onderbouwing van zijn contact met de kinderen en de gezinsband foto’s en verklaringen van zijn moeder ([naam]) en zijn zussen ([naam] en [naam]) overgelegd.

2.2

Met de door hem overgelegde brief van 17 december 2013 van mevrouw [naam] heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de overige stukken, die hij heeft ingebracht over omgang met zijn kinderen in het verleden, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ook na 8 augustus 2013 feitelijk contact heeft gehad met zijn kinderen. Het standpunt van verweerder dat er sprake is van een vermindering van het contact, kan derhalve geen stand houden. Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak reeds heeft overwogen, hebben de kinderen recht op contact met hun vader en hebben zij daar ook belang bij. Gelet op het feit dat ook mevrouw [naam] verklaart dat het belangrijk is voor de kinderen dat zij contact hebben met hun vader, kan verweerder niet worden gevolgd in de door hem opgeworpen vraag of omgang met de vader wel in het belang van de kinderen is. Nu verweerder de beperking van het inreisverbod van tien jaren naar drie jaren enkel heeft gemotiveerd door erop te wijzen dat het inreisverbod eigenlijk ook voor de duur van tien jaren had kunnen worden opgelegd, zoals aanvankelijk was gedaan en zich daarbij heeft gebaseerd op het onjuiste gegeven dat geen contact meer plaats vond tussen eiser en zijn kinderen, heeft verweerder het in de tussenuitspraak vermelde gebrek niet hersteld. Immers verweerder heeft nog steeds niet gemotiveerd waarom een inreisverbod voor een periode van tien jaren door verweerder te lang wordt gevonden, maar een inreisverbod voor een periode van drie jaren niet.

3.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 Awb. Nu het motiveringsgebrek niet is hersteld, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 2.2 is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om het primaire besluit te herroepen, voor zover daarbij tegen eiser een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van tien jaren.

4.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.217,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, ½ punt voor de reactie op de brief van 13 december 2013 van verweerder, wegingsfactor 1).

5.

Met toepassing van artikel 8:74, Awb zal de rechtbank gelasten dat verweerder het betaalde griffierecht à € 160,- vergoedt.

Verzoek om een voorlopige voorziening

6.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

7.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

8.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 487,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

9.

Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de voorzieningenrechter gelasten dat verweerder het griffierecht à € 160,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij tegen eiser een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van drie jaren;

- herroept het primaire besluit, voor zover daarbij tegen eiser een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van tien jaren;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.217,50 te betalen;

- draagt verweerder op € 160,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 487,- te betalen;

- draagt verweerder op € 160,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.