Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5878

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
C/09/432667
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadeclaim voor niet uitkomen verwachtingen energielabel-markt afgewezen

De Staat hoeft geen geld uit te keren aan ondernemingen die financiële schade zouden hebben geleden omdat de markt voor energielabels zich onvoldoende heeft ontwikkeld. Ook kan Nederland niet door deze bedrijven worden gedwongen om de Europese richtlijn voor energiebesparing voor gebouwen na te komen. De rechtbank Den Haag heeft dat bepaald in een civiele rechtszaak waarbij bedrijven uit de energiebesparingsbranche zich hadden verenigd tegen de Staat.

De rechtbank oordeelt dat de bedrijven zich niet rechtstreeks op de Europese richtlijn kunnen beroepen. Die richtlijn heeft tot doel om het milieu te beschermen en consumentenbelangen te behartigen. De bescherming van de financiële belangen van eisers valt hier niet onder.

Als het gaat om de gewekte verwachtingen, oordeelt de rechtbank dat de Staat in zijn algemeenheid een grote mate van vrijheid toekomt om wet- en regelgeving en beleid te wijzigen, ook als daardoor eerdere verwachtingen of vooruitzichten teniet worden gedaan. Het uiteindelijk niet uitkomen van de verwachtingen van deze bedrijven behoren tot het eigen ondernemersrisico in de markt voor energiebesparing. Zij hadden hier zelf in hun bedrijfsvoering rekening mee moeten houden. De Staat heeft zich met de wijziging van beleid dus niet onbehoorlijk gedragen.

De bedrijven waren boos over het stopzetten van het stimuleren van energielabels. Volgens hen heeft Nederland eerst met subsidieregelingen een vraagmarkt gecreëerd waarop zij hebben ingespeeld met investeringen voor (onder meer) het opleiden van energieprestatieadviseurs. Vervolgens heeft de Staat vrijwel alle financiële prikkels voor gebouweigenaren voor het verkrijgen van een energielabel weer weggenomen. Verder zou Nederland in strijd met Europese regels het energielabel de facto niet verplicht hebben gemaakt, waardoor de marktvraag naar energieprestatieadviezen en energiebesparende producten onvoldoende van de grond kwam, zo vinden de bedrijven. De rechtbank ging hierin echter niet mee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/295
O&A 2014/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel

Zaaknummer / rolnummer: C/09/432667 / HA ZA 12 - 1425

Vonnis van 14 mei 2014

in de zaak van

de stichting

1. STICHTING ENERGYCLAIM,

gevestigd te Delft,

2. [eiser 1],

wonende te [woonplaats 1],

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

3. ARTRI B.V.,

gevestigd te Meppel,

4. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2],

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

5. DUTCH SOLAR SYSTEMS,

gevestigd te Enschede,

eisers,

advocaat: mr. R.A. van Dijk te Houten,

TEGEN

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. R.J.M. van Tweel te Den Haag.

Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als "EnergyClaim c.s." dan wel de gezamenlijke eisers, en "de Staat".

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 november 2012 (met producties);

  • -

    de conclusie van antwoord (met producties);

  • -

    het tussenvonnis, waarbij een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer is bepaald;

  • -

    de brief van 30 oktober 2013 van de zijde van EnergyClaim c.s. met aanvullende producties;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de zijde van de Staat;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen voor de meervoudige kamer, en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de pleitnota’s van mr. van Dijk en mr. van den Tweel.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Stichting EnergyClaim is opgericht als opvolger van het in 2007 opgerichte ‘Comité EnergyClaim’. De Stichting EnergyClaim heeft via een cessieovereenkomst de vorderingsrechten van meer dan 75 gedupeerde ondernemingen uit de energiebesparingsbranche verkregen, alsmede een last c.q. volmacht om in eigen naam tot incasso van die vorderingen over te gaan. Eiser sub 2 (hierna: [eiser 1], tevens handelend onder de naam DUMA), eiser sub 4 (hierna: [eiser 2]) en eiser sub 3 (hierna: Artri) zijn (eigenaren van) ondernemingen die werken op het terrein van energiebesparing en het verstrekken van energielabels. Eiser sub 5 (hierna: Dutch Solar Systems) is werkzaam op het terrein van de levering van duurzame energiesystemen. [eiser 2] is voorzitter van de Stichting EnergyClaim.

2.2.

Vanaf de jaren ’90 van de vorige eeuw heeft de overheid beleid ontwikkeld voor het stimuleren van energiebesparing in gebouwen. Sinds 1995 bestaat de Energie Prestatie Norm, die wettelijke eisen stelt aan nieuw te bouwen gebouwen. Per 1 januari 2000 werd in Nederland het Energie Prestatie Advies (hierna: EPA) geïntroduceerd, waarmee inzicht werd verkregen in de energiezuinigheid van een woning. Volgens de overheid waren er grote aantallen Energie Prestatie Adviseurs nodig om het desbetreffende beleid uit te voeren. Vele bedrijven in de energiebesparingsbranche zijn in deze vraagmarkt gestapt en hebben investeringen gedaan in (onder meer) het opleiden van gecertificeerde EPA-adviseurs. De Staat heeft in de periode 2000 tot en met 2005 met diverse subsidieregelingen en fiscale regelingen het EPA in de markt gestimuleerd. Woningeigenaren konden bijvoorbeeld subsidie krijgen voor een EPA dat was uitgebracht door een gecertificeerd EPA-adviseur. Verder werd voor het opstellen van EPA’s in opdracht van de Staat een gestandaardiseerde werkwijze ontwikkeld (de Basismethode EPA) met bijbehorende software die aan EPA-adviseurs tegen lage kosten ter beschikking werd gesteld. In juli 2001 heeft de Staat in een convenant met onder meer woningcorporaties – het Nationaal Akkoord Wonen – afgesproken dat voor ten minste 30% van de sociale huurwoningen een EPA zou worden uitgebracht. Nederland liep met het EPA in feite vooruit op de harmonisatie van voorschriften voor energielabels in de Europese Unie. De Staat heeft op meerdere momenten verkondigd dat na implementatie van de EPBD in Nederlandse wet- en regelgeving in 2006 een verplichting zou worden geïntroduceerd om een EPA c.q. EnergiePrestatieCertificaat aan te bieden bij verkoop of verhuur van woningen en gebouwen.

2.3.

Op 16 december 2002 is Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen’ (Energy Performance of Buildings Directive, hierna: “EPBD” of “Richtlijn 2002/91”) in werking getreden. Op grond van Richtlijn 2002/91 moesten de lidstaten de noodzakelijke maatregelen nemen opdat minimumeisen voor de energieprestatie van gebouwen worden vastgesteld (artikel 4 EPBD) en ervoor zorgen dat bij de bouw, verkoop of verhuur van een gebouw aan de eigenaar, of door de eigenaar aan de toekomstige koper of huurder een energieprestatiecertificaat met een geldigheid van maximaal tien jaar wordt verstrekt (artikel 7 EPBD). In artikel 10 EPBD was bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat (onder meer) de certificering van gebouwen op onafhankelijke wijze wordt uitgevoerd door gekwalificeerde en/of erkende deskundigen die hetzij zelfstandig, hetzij in dienst van een openbaar of particulier orgaan optreden. Artikel 15 EPBD bepaalde – kort gezegd – dat de lidstaten de bepalingen uiterlijk op 4 januari 2006 moesten hebben omgezet in hun nationale wet- en regelgeving. Bij gebrek aan gekwalificeerde en/of erkende deskundigen hadden de lidstaten een extra termijn van drie jaar voor de integrale toepassing van de artikelen 7, 8 en 9 EPBD (artikel 15 lid 2 EPBD). Wanneer de lidstaten van deze mogelijkheid gebruikmaakten, dienden zij de Commissie daarvan in kennis te stellen, onder opgave van hun redenen en van een tijdschema voor de verdere toepassing van de richtlijn.

2.4.

De Staat heeft Richtlijn 2002/91 in 2006 omgezet in het Besluit energieprestatie gebouwen’ (hierna: “Beg”) en de Regeling energieprestatie gebouwen (hierna: “Reg”). In het Reg en het Beg zijn geen expliciete bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhavingsancties opgenomen. Er werd zoveel mogelijk aangesloten bij het reeds op nationaal niveau bestaande (vrijwillige) kader voor energiecertificering van gebouwen. In de Nota van Toelichting bij het Beg is onder meer het volgende vermeld: “Ter voorkoming van verdere verzwaring van de bestaande werklast van de overheid en rechterlijke macht is ervoor gekozen in dit besluit geen expliciete bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingssancties op te nemen. (…)”. Door de Staat is voorts aan (de rechtsvoorganger van) EnergyClaim te kennen gegeven dat voor het niet-opnemen van een sanctioneringssysteem tevens is gekozen teneinde de administratieve lasten voor burgers en bedrijven in verband met het verplicht hebben van een energielabel te beperken. De kosten van het verplichte energielabel werden daarmee lager dan de kosten van het bestaande en vrijwillige EPA. Het Beg en de Reg zijn op 1 januari 2008 in werking getreden.

2.5.

De kwaliteitseisen waaraan een gecertificeerd adviseur moet voldoen om energielabels af te geven zijn vastgelegd in een nationale beoordelingsrichtlijn (BRL 9500) en twee ISSO publicaties (ISSO 75 en 82). Een gecertificeerd adviseur moest beschikken over goedgekeurde software en zich laten certificeren door een certificerende instelling.

2.6.

De Europese Commissie heeft Nederland op 8 februari 2006 in gebreke gesteld ten aanzien van de niet tijdige omzetting van de Richtlijn 2002/91. De Europese Commissie heeft de ingebrekestelling na de vaststelling van het Beg en de Reg op 17 oktober 2007 geseponeerd.

2.7.

Richtlijn 2002/91 is met ingang van 1 februari 2012 ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (hierna: de “herziene EPBD” of “Richtlijn 2010/31”). Artikel 27 (“Sancties”) van de herziene EPBD bepaalt dat de lidstaten de regels vaststellen inzake de toepasselijke sancties en alle nodige maatregelen treffen opdat de (op de herziene EPBD gebaseerde) nationale regels worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten moesten de Commissie uiterlijk op 9 januari 2013 in kennis stellen van die bepalingen. Volgens artikel 28 herziene EPBD is de omzettingtermijn op 9 juli 2012 verstreken; de meeste bepalingen van de herziene EPBD dienden uiterlijk 9 januari 2013 door de lidstaten te worden toegepast.

2.8.

Op 24 september 2009 heeft het (toenmalige) Comité EnergyClaim klachten ingediend bij de Nationale Ombudsman (hierna: de Ombudsman) over de gedragingen van de overheid met betrekking tot de EPA-adviseurs. In zijn rapport van 29 november 2010 heeft de Ombudsman de klachten gegrond verklaard en, onder meer, geconcludeerd dat de overheid zich onbehoorlijk heeft gedragen door schending van het beginsel van rechtszekerheid en door onvoldoende rekening te houden met de belangen van de bij het Comité EnergyClaim aangesloten belanghebbenden bij de invoering van het energielabel en vervolgens bij (de uitvoering van) het beleid rond het energielabel.

2.9.

Naar aanleiding van het rapport van de Ombudsman hebben partijen geprobeerd om een minnelijke regeling te treffen. Dit is niet gelukt. De advocaat van EnergyClaim heeft bij brief van 14 oktober 2011 de Staat aansprakelijk gesteld. De Staat heeft bij brief van 1 november 2011 elke aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Toepasselijke wet- en regelgeving

Richtlijn 2002/91

2.10.

In de considerans van Richtlijn 2002/91 is, onder meer, het volgende vermeld:

“(…)

(1) In artikel 6 van het Verdrag is bepaald dat de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap.

(2) De natuurlijke hulpbronnen waarvan het behoedzame en rationele gebruik in artikel 174 van het Verdrag is vermeld, omvatten aardolieproducten, aardgas en vaste brandstoffen die essentiële energiebronnen, maar tevens de belangrijkste emissiebronnen van kooldioxide zijn.

(3) Verbetering van de energie-efficiëntie vormt een belangrijk onderdeel van het beleid en de maatregelen die nodig zijn ter naleving van het Protocol van Kyoto, en moet deel uitmaken van elk geheel van maatregelen om aan verdere verbintenissen te voldoen.

(4) Het beheer van de vraag naar energie is voor de Gemeenschap een belangrijk instrument om invloed uit te oefenen op de wereldenergiemarkt en daarmee op de continuïteit van de energievoorziening op middellange en lange termijn.

(…)

(10) De energieprestaties van gebouwen dienen te worden berekend volgens een methode, (…). Een gemeenschappelijke benadering van dit proces, uit te voeren door gekwalificeerd personeel en/of erkende deskundigen, wier onafhankelijkheid op basis van objectieve criteria wordt gegarandeerd, zal bijdragen tot gelijke voorwaarden wat betreft de inspanningen die in de lidstaten worden gedaan om energie in de gebouwensector te besparen en zal toekomstige eigenaars of gebruikers duidelijkheid verschaffen over de energieprestaties op de communautaire onroerendgoedmarkt. (…)”

2.11.

In artikel 7 Richtlijn 2002/91 is met betrekking tot de introductie van het energieprestatiecertificaat voor nieuwe en bestaande gebouwen, onder meer, het volgende bepaald:

“1. De lidstaten zorgen ervoor dat bij de bouw, verkoop of verhuur van een gebouw aan de eigenaar, of door de eigenaar aan de toekomstige koper of huurder, naar gelang van het geval, een energieprestatiecertificaat wordt verstrekt. Het certificaat is niet langer dan tien jaar geldig. (...)

2. Het energieprestatiecertificaat voor gebouwen bevat referentiewaarden, zoals geldende wettelijke normen en benchmarks, waarmee de consumenten de energieprestatie van gebouwen kunnen vergelijken en beoordelen. Het certificaat gaat vergezeld van aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie.

De certificaten zijn louter informatief. (...)“

2.12.

In artikel 10 Richtlijn 2002/91 is ter zake de uitvoering van de certificering door

gekwalificeerde en erkende deskundigen, onder meer, het volgende bepaald:

“De lidstaten zorgen ervoor dat de certificering van gebouwen en de daarbij behorende aanbevelingen, (...) op onafhankelijke wijze worden uitgevoerd door gekwalificeerde en/of erkende deskundigen die hetzij zelfstandig hetzij in dienst van een openbaar of particulier orgaan optreden.”

2.13.

Het begrip “certificaat” is in artikel 1.1 Beg als volgt gedefinieerd:

“certificaat: door een door Onze Minister aangewezen rechtspersoon erkende schriftelijke verklaring, afgegeven door een erkende deskundige; (…)”

2.14.

In artikel 1.1 van het Beg is een omschrijving gegeven van hetgeen wordt verstaan onder “energieprestatiecertificaat”:

“(…)

energieprestatiecertificaat: op een gebouw toegesneden certificaat dat niet ouder is dan tien jaar 1) waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de hoeveelheid energie die nodig wordt geacht voor de verschillende behoeften die verband houden met een gestandaardiseerd gebruik van dat gebouw, waaronder verwarming, warmwatervoorziening, koeling, ventilatie en verlichting, 2) waarin referentiewaarden zijn vermeld waarmee de energieprestatie van het gebouw kan worden vergeleken en beoordeeld, en 3) dat vergezeld gaat van aanbevelingen voor kosteneffectieve verbetering

van de energieprestatie. (…)”

2.15.

In artikel 2.1 van het Beg is met betrekking tot de verplichting voor een gebouweigenaar om bij de bouw van een gebouw een energieprestatiecertificaat te hebben of bij de transactie van een gebouw een energieprestatiecertificaat te verstrekken aan een koper of huurder, onder meer, het volgende bepaald:

“1. Bij de bouw van een gebouw heeft de eigenaar een energieprestatiecertificaat voor dat gebouw.

2. Bij de verhuur van een gebouw verstrekt de eigenaar afschrift van een energieprestatiecertificaat voor dat gebouw aan de huurder.

3. Bij de verkoop van een gebouw verstrekt de eigenaar een energieprestatiecertificaat voor dat gebouw aan de koper.

4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de verkoop van een deelnemings- of lidmaatschapsrecht dat recht geeft op het gebruik van een gebouw.”

2.16.

De Reg bevat nadere voorschriften voor de energiecertificering van gebouwen. In artikel 2 Reg is een aantal nadere eisen gesteld aan het energieprestatiecertificaat, dat in de Reg ook wel wordt aangeduid als “energielabel”:

“1. Een energielabel wordt afgegeven door een adviseur met een geldig NL EPBD procescertificaat als bedoeld in BRL 9500, delen 00, 01 en 03, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011 en volgens de bepalingsmethode zoals vastgelegd in de ISSO 75 en 82 publicaties, uitgave oktober 2011.

2. Een energielabel voor een woning wordt opgesteld volgens het als bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model ‘energielabel woning’. Een energielabel voor een ander gebouw wordt opgesteld volgens het als bijlage II bij deze regeling opgenomen model ‘energielabel gebouw’.

3. De bij de bepaling van de energie-index gebruikte rekenmethodiek voldoet aan BRL 9501, zoals vastgesteld op 6 december 2006, inclusief het wijzigingsblad zoals vastgesteld op 23 september 2011.

4. De energie-index wordt met behulp van de als bijlage III bij deze regeling opgenomen tabel omgezet in een als onderdeel van het energielabel opgenomen energieklasse.”

2.17.

Artikel 3 van de Reg bepaalt welke procedure de adviseur bij het afgeven van het energielabel moet volgen:

“1. Een adviseur geeft een energielabel niet af dan nadat hij het certificaat heeft afgemeld.

2. Deze afmelding vindt plaats aan een door de Minister aangewezen instelling.

3. Een door de Minister aangewezen instelling:

a. bezit rechtspersoonlijkheid;

b. heeft een vestiging in Nederland en

c. beschikt over een kwaliteitssysteem dat op schrift is gesteld.

4. De Minister kan aan de aanwijzing nadere voorschriften verbinden.

5. De Minister kan de aanwijzing intrekken indien een instelling de aan de aanwijzing verbonden nadere voorschriften niet naleeft of indien de desbetreffende instelling niet meer voldoet aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden.”

Richtlijn 2010/31/EU, de herziene EPBD

2.18.

In de overwegingen is, onder meer, het volgende vermeld:

“(34) De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot die bepalingen die ten opzichte van Richtlijn 2002/91/EG materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit die richtlijn.

(35) Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van Richtlijn 2002/91/EG onverlet te laten.”

2.19.

Voor zover hier van belang, luiden de bepalingen van de herziene EPBD als volgt:

Artikel 1, lid 3:

(…)

3. De vereisten in deze richtlijn zijn minimumvereisten en beletten niet dat een lidstaat verdergaande maatregelen handhaaft of treft. Zulke maatregelen moeten verenigbaar zijn met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht.

(…)

Artikel 27

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen opdat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 9 januari 2013 in kennis van die bepalingen en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen daarop.

Artikel 28

Omzetting

1. De lidstaten dienen uiterlijk op 9 juli 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan de artikelen 2 tot en met 18 en aan de artikelen 20 en 27 te voldoen.

Zij passen die bepalingen wat betreft de artikelen 2, 3, 9, 11, 12, 13, 17, 18, 20 en 27 toe vanaf ten laatste 9 januari 2013.

Artikel 29

Intrekking

Richtlijn 2002/91/EG, gewijzigd bij de in bijlage IV, deel A, genoemde verordening, wordt hierbij met ingang van 1 februari 2012 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de termijn voor omzetting in nationaal recht en de toepassing van de in bijlage IV, deel B, genoemde richtlijn.

Verwijzingen naar Richtlijn 2002/91/EG gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.”

3 Het geschil

3.1.

Energyclaim c.s. vordert, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

I. voor recht te verklaren dat de Staat in strijd handelt met Europees recht en/of artikel 6:162 BW door één of meer van de volgende gedragingen:

A. het in beginsel niet, te laat, niet volledig en/of niet juist implementeren van de EPBD in de Nederlandse wetgeving;

B. het niet bereiken van het in de richtlijn bepaalde resultaat en het hierdoor in strijd handelen met artikel 288 lid 3 VWEU;

C. het in de periode op en vanaf 16 oktober 2003 tot heden, of in een door de rechtbank vast te stellen ander deel of delen van die periode, in strijd handelen met artikel 4 lid 3 VEU en al dan niet in samenhang met het voornoemde punt 1.B.;

D. het in strijd handelen met het (op zichzelf staand) Europeesrechtelijke beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen;

E. het in strijd handelen met het (op zichzelf staand) Nederlandsrechtelijke beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen;

F. het niet tijdig en niet correct implementeren van de Richtlijn 2002/91 en het zo in strijd handelen met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is;

G. het in strijd handelen met één of meer “Aanwijzingen voor de regelgeving d.d. 18 november 1992” en in het bijzonder met de Aanwijzingen 256, 310 en 344;

H. het in strijd handelen met één of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het willekeurbeginsel;

I. het schenden van de publiekrechtelijke plicht tot regelstelling van de Staat en/of het ten onrechte nalaten om tijdig juiste regelgeving tot stand te brengen in het kader van de Richtlijn 2002/91;

en deswege te verklaren dat de Staat onrechtmatig handelt jegens één of meer eisers;

subsidiair

II. voor recht te verklaren dat indien de rechtbank oordeelt dat de Staat rechtmatig heeft gehandeld bij de implementatie van Richtlijn 2002/91, hij toch onrechtmatig handelt of heeft nagelaten te handelen jegens eisers omdat - onder meer in lijn met de jurisprudentie inzake het arrest-Leffers c.a. (Hoge Raad 18 januari 1991, NJ 1992, 638) - de Staat ten onrechte geen nadeelcompensatie aan eisers heeft aangeboden;

meer subsidiair

III. te bepalen dat indien de rechtbank oordeelt dat de Staat ten deze rechtmatig heeft gehandeld bij de implementatie van Richtlijn 2002/91, gedaagde gehouden is een vergoeding aan EnergyClaim c.s. te betalen als nadeelcompensatie en de Staat op die gronden te veroordelen tot het betalen van een vergoeding aan eisers ten bedrage van € 37.147.656,00, of een ander bedrag dat de rechtbank redelijk acht en te betalen aan EnergyClaim c.s.;

in alle gevallen

IV. de Staat te veroordelen om Richtlijn 2002/91 alsnog binnen zes (6) maanden nadat deze dagvaarding is betekend correct te implementeren, waaronder:

  • -

    de invoering van een geldig EnergiePrestatieCertificaat (onder welke naam dan ook gebezigd) en zoals omschreven in de Richtlijn 2002/91;

  • -

    de verzekering van de onafhankelijkheid van de bedrijven èn van de personen die verantwoordelijk zijn voor het maken van energieprestatiecertificaten en EPA maatwerkadviezen;

  • -

    de levering van energieprestatiecertificaten en EPA-maatwerkadviezen die zijn opgemaakt en geadministreerd met in achtneming van geldende privacy regels;

  • -

    de invoering van een adequaat handhaving- en sanctieregime;

  • -

    dan wel meer of anders zoals het de rechtbank juist acht,

één en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 132.111,00 per dag (€ 924.777,00 per week) (of een equivalent bedrag berekend op basis van de koopkracht van 14 november 2012 nadat de genoemde termijn van 6 maanden is verstreken - of binnen een termijn van 1 maand na betekening van het vonnis indien de uitspraak van de rechtbank wordt gedaan nà 14 mei 2013, dan wel met ingang van een door de Rechtbank in goede justitie vast te stellen ander tijdstip - en te betalen voor al de verbeurde bedragen aan EnergyClaim c.s. en zulks binnen 10 dagen nadat vorenbedoelde termijn of termijnen is of zijn verstreken, en dit met verwijzing van de Staat in de kosten, inclusief de nakosten.

3.2.

EnergyClaim c.s. legt hieraan ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers. De Staat heeft (i) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, waaronder het vertrouwensbeginsel, door in de periode 2003-2005 eerst met subsidieregelingen een vraagmarkt te creëren waarop eisers met hun bedrijfsactiviteiten inspeelden, investeringen hebben gedaan en lange termijnverplichtingen zijn aangegaan (o.m. het opleiden van EPA-adviseurs) om vervolgens vrijwel alle (financiële) prikkels voor gebouweigenaren voor het verkrijgen van een EPA weer weg te nemen en op die wijze de EPA-markt te ondermijnen. Daarnaast heeft de Staat (ii) in de periode vanaf 2006 de EPBD niet tijdig en niet juist in de Nederlandse wet- en regelgeving geïmplementeerd, in het bijzonder door het de facto niet verplicht maken van het energielabel, waardoor de marktvraag naar EPA en energiebesparende producten onvoldoende van de grond kwam. EnergyClaim c.s. stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de Staat artikel 7, artikel 10 en artikel 15 van de Richtlijn 2002/91 onjuist in nationaal recht heeft geïmplementeerd. EnergyClaim c.s. verwijt de Staat in dit verband dat het in 2007 ingevoerde energielabel, zoals dat via Reg en Beg is geïmplementeerd, vanwege de grote mate van vrijblijvendheid voor kopers en huurders van gebouwen en woningen en het niet-vereisen van certificering door onafhankelijke deskundigen op het gebied van energiebesparing, niet voldoet aan het wezen van het in de Richtlijn 2002/91 bedoelde EnergiePrestatieCertificaat. Het energielabel wordt door EnergyClaim c.s. vanwege die vrijblijvendheid ook wel “EPA light” genoemd. Dit terwijl EnergyClaim c.s. stelt forse investeringen te hebben gedaan in (onder meer) opleidingen voor certificering om te voldoen aan de verwachte marktvraag. Deze investeringen zijn voor niets geweest, aldus EnergyClaim c.s. De Staat is aansprakelijk voor de schade die EnergyClaim c.s. heeft geleden, nu de bij haar aangesloten bedrijven voor hun financieel-economische situatie volledig afhankelijk waren van een juiste implementatie van de Richtlijn 2002/91. Het door de Staat in 2007 geïntroduceerde energielabel was een onjuiste uitvoering van het door de Richtlijn 2002/91 vereiste EnergiePrestatieCertificaat.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer. De Staat voert aan dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de omstandigheid dat de markt voor energielabels zich niet heeft ontwikkeld zoals EnergyClaim c.s. hoopte; dit behoort tot het normale ondernemersrisico van eisers. Door de Staat is de Richtlijn 2002/91 tijdig en juist omgezet in de nationale regelgeving, namelijk de Reg en het Beg. Ter voorkoming van verdere verzwaring van de bestaande werklast van overheid en rechterlijke macht, en in verband met het minimaliseren van de regeldruk en administratieve lasten voor burgers, is ervoor gekozen om in het Beg geen expliciete handhavingssancties op te nemen. Daarnaast heeft de Staat het energielabel met flankerend beleid en subsidieregelingen gestimuleerd. De markt moet op enig moment op eigen benen staan. Voorts is van enige concrete toezegging dat de Staat de markt (financieel) zou blijven steunen, geen sprake. Evenmin heeft de Staat de (on)geschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dan wel enige andere (ongeschreven) norm geschonden.

3.4.

Op de relevante stellingen en verweren zal de rechtbank hierna bij de beoordeling ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank is allereerst – met de Staat – van oordeel dat [eiser 2] geen procesbelang heeft, nu hij zijn vordering jegens de Staat heeft overgedragen middels een cessieovereenkomst aan Stichting EnergyClaim. Enig gesteld afgeleid belang als investeerder in gedupeerde (EPA-)bedrijven, is door [eiser 2] niet, althans niet gemotiveerd, onderbouwd.

4.2.

De rechtbank zal hierna achtereenvolgens de vorderingen van EnergyClaim c.s. beoordelen. Gelet op het door de Staat gevoerde verweer omtrent het ontbreken van de vereiste (Europese) relativiteit en rechtstreekse werking van de EPBD, zal de rechtbank allereerst de daarmee verband houdende vorderingen van EnergyClaim c.s. beoordelen: (A) de vordering tot nakoming van de verplichting tot juiste implementatie van de Richtlijn 2002/91 en de vraag naar de directe werking van die richtlijn, en (B) de primaire vordering tot verklaring voor recht op grond van onrechtmatige daad van de Staat wegens niet-tijdige en niet-juiste implementatie van de Richtlijn 2002/91/EG en de beschermingsomvang van de gestelde geschonden richtlijnbepalingen (het relativiteitsvereiste). Voorts zal de rechtbank beoordelen of, zoals EnergyClaim c.s. stelt, de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel. Ten slotte zal de rechtbank (C) de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen bespreken tot het verstrekken van nadeelcompensatie in verband met schending van het beginsel van gelijkheid van openbare lasten (égalité devant les charges publiques).

A. Vordering tot nakoming implementatie EPBD

4.3.

De Staat heeft als (meest verstrekkend) verweer gevoerd dat – indien en voor zover al sprake zou zijn van een niet tijdige en niet juiste implementatie van de EPBD – de vorderingen van EnergyClaim c.s. reeds afstuiten op – kort samengevat – het ontbreken van (Europese) relativiteit. De milieurechtelijke normen in de EPBD strekken volgens de Staat niet tot bescherming van de vermogensbelangen en financiële (ondernemers)belangen van marktpartijen zoals EnergyClaim c.s., maar tot bescherming van milieu- en consumentenbelangen. Dit leidt ertoe dat de vordering tot nakoming van een juiste implementatie afstuiten op het ontbreken van directe werking van de betreffende richtlijnbepalingen, aldus de Staat.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU kunnen benadeelde particulieren in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, zich voor de nationale rechter op die bepalingen beroepen tegenover de staat, wanneer deze hetzij heeft verzuimd de desbetreffende richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan. De uitvoering van een richtlijn moet de volledige toepassing ervan verzekeren. Aldus moet zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten (i) de Europese relativiteit: de geschonden richtlijnbepaling strekt ertoe aan de desbetreffende benadeelde particulieren rechten toe te kennen, (ii) het gaat om een voldoende gekwalificeerde schending van die bepaling en (iii) er bestaat een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen deze schending en de door de benadeelde particulieren geleden schade (zie gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, Brasserie du Pêcheur en Factortame).

4.5.

EnergyClaim c.s. beroept zich, ter onderbouwing van zijn vorderingen tot nakoming van een (juiste) implementatie van artikel 7 EPBD, artikel 10 EBPD en artikel 15, lid 1 EPBD op de aanwezigheid van (Europese) relativiteit en directe werking van die bepalingen. De rechtbank is van oordeel dat aan de bedoelde bepalingen van de EPBD-richtlijnen geen rechtstreekse werking toekomt. Dit wordt hierna toegelicht.

4.6.

Uit artikel 1 EPBD en overwegingen (1), (2), (3) van de considerans van de EPBD blijkt dat het doel van deze richtlijn bestaat in het stimuleren van verbeterde energieprestatie van gebouwen in de Europese Gemeenschap teneinde bij te dragen aan milieubescherming. Voorts volgt uit overweging (4) van de considerans van de EPBD dat de continuïteit van de energievoorziening op middellange en lange termijn een rol speelt, evenals consumentenbelangen, zoals is vervat in artikel 7 lid 1 en 2 en overweging (10) van de EPBD. De EPBD ziet – blijkens de overwegingen van de considerans alsmede de genoemde bepalingen – niet op de bescherming van de vermogensbelangen van marktpartijen die werkzaam zijn op de energieadviesmarkt. De door EnergyClaim c.s. genoemde doelstelling, namelijk het creëren van werkgelegenheid, volgt als zodanig niet uit de considerans en de bepalingen van de EPBD. De rechtbank is van oordeel dat de enkele verwijzing door EnergyClaim c.s. naar paragraaf 6 van de Opinion of the Committee of the Regions aangaande het voorstel voor de EPBD, waarin het potentieel wordt benadrukt om werkgelegenheid te creëren, in samenhang gelezen met artikel 10 EPBD, onvoldoende is om aan te nemen dat de werkgelegenheid op zichzelf bezien als doelstelling van de EPBD moet worden aangemerkt. De door EnergyClaim c.s. ingeroepen bepalingen van de EPBD strekken er aldus niet toe aan EnergyClaim c.s. rechten toe te kennen.

4.7.

Weliswaar hanteert het HvJ EU in recente rechtspraak een ruime relativiteitsbenadering, echter daarbij geldt nog immer de eis dat in het concrete geval moet kunnen worden aangeknoopt bij (i) ofwel de interne marktregels en de desbetreffende richtlijn in onderling verband en samenhang bezien, (ii) dan wel de, al dan niet aanpalende, doelstellingen van desbetreffende richtlijn. Zo heeft het HvJ EU in de zaak C-445/06 van 24 maart 2009, AB 2009/229, Danske Slagterier aangenomen dat de desbetreffende richtlijnbepalingen omtrent de keuring van vlees rechtstreekse rechten aan particulieren toekennen, nu deze richtlijnen zijn vastgesteld in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt en het vrije verkeer van goederen (artikel 28 VWEU) aldus één van de doelstellingen is. Het HvJ EU overweegt als volgt: “Voornoemde richtlijnen preciseren en concretiseren dus het bij artikel 28 EG toegekende recht”. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in het geval van EnergyClaim c.s. geen sprake is. De EPBD was gebaseerd op de milieutitel van het EU-werkingsverdrag, in het bijzonder op artikel 175 EG-Verdrag (oud), thans artikel 192 VWEU, en is voorts niet (mede) vastgesteld in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt – dan wel het creëren en stimuleren van werkgelegenheid of interstatelijke handel –, noch gebaseerd op de titel van het EU-werkingsverdrag omtrent de interne marktbepalingen. Dat brengt mee dat het vrij verkeer van diensten en/of vrije vestigingsklimaat niet als één van de doelstellingen van de EPBD kan worden aangemerkt.

4.8.

In een andere (recente) zaak heeft het HvJ EU geoordeeld (zie HvJ EU 14 maart 2013, C-420/11, NJ 2013, 364, Jutta Leth) dat vermogensschade, bestaande uit de vermindering van de waarde van een door lawaai getroffen woning, als rechtstreeks economisch gevolg van het niet-uitvoeren van de vereiste milieueffectrapportage wél onder de beschermingsdoelstelling van de desbetreffende milieurichtlijn viel, nu – kort samengevat – naast de milieubescherming ook de leefkwaliteit van de mens en het voorkomen van aantasting van zijn gezondheid als één van de doelstellingen van de richtlijn expliciet was vermeld. Het ging daarbij echter niet om vergoeding van zuivere vermogensschade door de waardevermindering van onroerende zaken als gevolg van milieueffecten. Het HvJ EU heeft dit als volgt geformuleerd:

35. In omstandigheden waarin de blootstelling aan lawaai dat is terug te voeren op een (…) project, aanzienlijke gevolgen voor de mens heeft, in die zin dat een door dit lawaai getroffen woning haar functie minder goed kan vervullen en dat het milieu van de mens, de kwaliteit van zijn bestaan en eventueel zijn gezondheid worden aangetast, kan een vermindering van de waarde van dit huis immers een rechtstreeks economisch gevolg van dergelijke milieueffecten zijn, hetgeen per geval moet worden onderzocht.

36. Bijgevolg valt de voorkoming van vermogensschade onder de beschermingsdoelstelling van richtlijn (…) voor zover deze schade het rechtstreekse economische gevolg van de milieueffecten van een (…) project is. Voor zover dergelijke economische schade het rechtstreekse gevolg van dergelijke effecten is, moet zij worden onderscheiden van economische schade die niet rechtstreeks voortspruit uit milieueffecten en dus niet valt onder de beschermingsdoelstelling van deze richtlijn, zoals onder meer bepaalde concurrentienadelen.”.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat de vorderingen van EnergyClaim c.s. tot nakoming van de implementatie van de EPBD reeds moeten worden afgewezen wegens het ontbreken van directe werking van de bedoelde richtlijnbepalingen.

B. Onrechtmatige daad

4.10.

De vorderingen van EnergyClaim c.s. op dit punt betreffen een gestelde schending van Unierecht. Daarvoor gelden de door het HvJ EU gestelde minimum-voorwaarden, te weten een voldoende gekwalificeerde schending, causaal verband en voorts dient de geschonden rechtsregel ertoe te strekken particulieren rechten toe te kennen. De rechtbank zal de vorderingen van EnergyClaim c.s. voor wat betreft het gestelde onrechtmatig handelen van de Staat echter toetsen aan het Nederlandse overheidsaansprakelijkheidsrecht, nu de Staat naar Nederlands recht immers reeds onrechtmatig handelt en (wanneer aan de overige eisen van artikel 6:162 BW is voldaan) reeds aansprakelijk is voor de enkele vaststelling en handhaving van een nationale wettelijke regeling die in strijd is met hoger (Europees) recht (Hoge Raad 9 mei 1986, ECLI:NL:HR:AC0867, Van Gelder). In die zin is de Staat risicoaansprakelijk voor elke schending van Europees recht en wordt – anders dan in Europees recht – de eis van een “voldoende gekwalificeerde schending” niet gesteld.

4.11.

De Staat heeft ook op dit punt als meest verstrekkend verweer gevoerd dat de vorderingen uit onrechtmatige daad moeten worden afgewezen wegens het ontbreken van relativiteit. De Staat heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op vaste rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt (HR 7 mei 2004, NJ 2006/281, Duwbak Linda, HR 24 maart 2006, NJ 2009/485, Pharmacia/Cosmétique, HR 13 april 2007, NJ 2008/576, Iraanse vluchteling) en voorts gewezen op een uitspraak van het HvJ EU van 12 oktober 2004, C-222/02, AB 2005, 17, Peter Paul e.a.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 6:163 BW is bepaald dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. In de onderhavige zaak gaat het derhalve om de vraag of de gestelde niet-juiste dan wel niet-tijdige implementatie van de desbetreffende bepalingen van de EPBD, strekt tot bescherming van de vermogensschade van energieadviseurs en andere spelers op de markt voor energiebesparing, zoals de bij EnergyClaim c.s. aangesloten ondernemingen. Bij de beantwoording van de vraag of aan het in art. 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste is voldaan, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt (HR 7 mei 2004, NJ 2006/281, m.nt. J. Hijma, duwbak Linda, en HR 24 maart 2006, RvdW 2006/310, Pfizer/Cosmétique).

4.13.

De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor in 4.6 e.v. is overwogen tot de conclusie dat de wettelijke normschending waarop EnergyClaim c.s. zich beroept, niet strekt tot bescherming tegen de gestelde geleden vermogensschade c.q. omzetschade. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of er in casu wél sprake is van schending van de implementatieverplichtingen door de Staat, volgt uit de considerans alsmede de hiervoor genoemde richtlijnbepalingen dat die bepalingen niet zijn geschreven ter bescherming van de commerciële en/of financieel- economische belangen van EnergyClaim c.s., maar in het belang van milieubescherming.

4.14.

Vervolgens is aan de orde of – zoals EnergyClaim c.s. stelt – de correctie-Langemeijer van toepassing is, zoals verwoord in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 1958 (NJ 1961, 568, Tandartsen). Genoemde correctie bestaat daarin dat, hoewel de geschonden wettelijke norm niet strekt tot bescherming van de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, en de schending van die norm dus op zichzelf genomen geen aansprakelijkheid voor die schade schept, nochtans daarvoor aansprakelijkheid bestaat omdat onder de omstandigheden van het geval die schending bijdraagt tot het oordeel dat een zorgvuldigheidsnorm is geschonden die wél bescherming biedt tegen die schade. Volgens EnergyClaim c.s. heeft de Staat in strijd gehandeld met (onder meer) het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, hetgeen EnergyClaim c.s. bevestigd ziet in de beslissing van de Ombudsman, waarin (onder meer) is overwogen dat de Staat richting EPA-adviseurs en labelaars verkeerde verwachtingen heeft gewekt, door niet expliciet te spreken over het uitblijven van de verplichting tot het hebben van het energielabel, en EnergyClaim c.s. op basis van de informatiebijeenkomsten en het informatiemateriaal redelijkerwijs de overtuiging hebben gekregen dat het energielabel niet vrijblijvend is. Verder heeft de Ombudsman geoordeeld dat de Staat onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van EnergyClaim c.s., nu zij – mede op initiatief van de Staat – op grote schaal zijn gaan investeren in de noodzakelijke voorzieningen voor het invoeren van het energielabel. De Staat heeft naar de EPA-sector toe steeds gesuggereerd uitvoering te zullen geven aan de EPBD, door middel van cursussen, bijeenkomsten, verplichte certificering, brochures en financiële prikkels (zoals subsidies), waardoor een gerechtvaardigd vertrouwen bij EnergyClaim c.s. is gecreëerd, aldus de Ombudsman.

4.15.

De rechtbank is echter van oordeel dat ook toepassing van de correctie Langemeijer niet meebrengt dat het relativiteitsvereiste wordt opzijgezet. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.16.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de Staat in zijn algemeenheid een grote mate van vrijheid toekomt om wet- en regelgeving en beleid te wijzigen, ook als daardoor eerdere verwachtingen of vooruitzichten teniet worden gedaan. Alhoewel uit de goed gedocumenteerde stellingen van EnergyClaim c.s. genoegzaam valt af te leiden dat eisers mede op instigatie van de Staat – met name in de aanloopfase naar de verwachte implementatie van de EPBD – inspanningen hebben gepleegd teneinde de benodigde faciliteiten voor de invoering van het energielabel (zoals opleiding, certificering, software, administratie etc.) tijdig gereed te hebben, is de rechtbank van oordeel dat het uiteindelijk niet uitkomen van die verwachtingen, in beginsel tot het eigen ondernemersrisico van de bij EnergyClaim c.s. aangesloten bedrijven in de markt voor energiebesparing behoort. Dit geldt temeer nu sprake is van een markt die in belangrijke mate afhankelijk is van stimulering van overheidswege. Eisers hadden er rekening mee moeten houden dat het beleid ten aanzien van de energieprestatie van gebouwen aan veranderingen onderhevig zou kunnen zijn en dat in de loop der jaren stimuleringsbeleid (waaronder subsidieverstrekking) zou kunnen wijzigen, hetgeen van invloed zou (kunnen) zijn op hun bedrijfsvoering en terugverdiencapaciteit. EnergyClaim c.s. mocht er dan ook niet op vertrouwen dat het beleid ten aanzien van energieprestatie van gebouwen ongewijzigd zou blijven, en dat dientengevolge hun vermogensrechtelijke (ondernemers)belangen zouden worden beschermd. Dit geldt evenzeer voor de door EnergyClaim c.s. genoemde subsidieregelingen.

4.17.

Evenmin is sprake van een onvoorwaardelijke belofte of concrete en individuele toezegging van de zijde van de Staat aan enige individuele eisers. Veeleer is sprake – zoals de Ombudsman ook heeft geconstateerd – van verstrekking van algemene informatie.

4.18.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voorts heeft EnergyClaim c.s. niet gesteld, en evenmin is gebleken waaruit de gestelde concurrentievervalsing door staatssteun aan bepaalde marktpartijen concreet zou bestaan.

4.19.

Ook het standpunt van EnergyClaim c.s. dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de Aanwijzingen van de regelgeving, en de plicht tot regelstelling, wordt verworpen. De door EnergyClaim c.s. gestelde schendingen van de Aanwijzingen houden namelijk opnieuw de gestelde onjuiste en niet-tijdige implementatie van de EBPD in. De rechtbank heeft reeds geoordeeld geen sprake is van relativiteit en evenmin van schending van enige zorgvuldigheidsnorm als bedoeld in de correctie-Langemeijer.

C. Égalité-beginsel

4.20.

Onder bijzondere omstandigheden kunnen vanuit het algemeen belang noodzakelijke of wenselijk handelingen van de Staat die aan bepaalde burgers onevenredige schade toebrengen de overheid verplichten (een deel van) die schade te vergoeden. Uit de regel dat de onevenredig nadelige – d.w.z. buiten het normale maatschappelijke risico vallende, op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende – gevolgen van een overheidshandelen of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen doch gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld, vloeit voort dat het toebrengen van zodanige onevenredige schade bij een op zichzelf rechtmatige overheidshandeling jegens de getroffene onrechtmatig is (HR 30 maart 2001, NJ 2003/615, Staat/Lavrijsen). De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de bij EnergyClaim c.s. aangesloten ondernemingen geen sprake is van een (speciale) en abnormale last. Niet is gesteld, en evenmin is gebleken welk specifiek onderscheid bestaat tussen de situatie van de zojuist bedoelde ondernemingen en die van andere getroffen ondernemingen, met andere woorden: door EnergyClaim c.s. is niet concreet en onderbouwd betoogd met welke referentiegroep de individuele eisers zouden moeten worden vergeleken. De enkele stelling dat de beroepsgroep voor installateurs als referentiegroep genomen kan worden, is onvoldoende gemotiveerd en niet onderbouwd.

4.21.

Ten slotte zal de rechtbank EnergyClaim c.s. ten aanzien van de meer subsidiaire vordering tot betaling van nadeelcompensatie afwijzen, omdat het civiele recht, anders dan het bestuursrecht, geen grondslag biedt voor aansprakelijkheid van de Staat voor rechtmatig overheidshandelen.

4.22.

De overige stellingen en weren van partijen kunnen, gezien het voorgaande, verder onbesproken blijven.

4.23.

Energyclaim zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van dit geding worden veroordeeld. De rechtbank zal voor wat betreft de proceskosten aansluiten bij de onderliggende waarde van de zaak, zoals onder meer in de subsidiaire vordering vermeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op totaal € 10.043, waarvan € 3.621 aan griffierechten en € 6.422 aan salaris van de advocaat (2 punten à € 3.211, volgens tarief VIII). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt, evenals de nakosten, als onbetwist op de navolgende wijze toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt EnergyClaim c.s. tot betaling aan de Staat van de proceskosten, tot op heden begroot op € 10.043, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na dit vonnis, en de nakosten aan de zijde van de Gemeente forfaitair begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, met dien verstande dat ingeval van betekening van het vonnis de nakosten worden vermeerderd met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten van de betekening van het vonnis;

5.3.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L. Alwin, D.R. Glass en M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.