Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5876

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/9622 en 13/29257
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV-plicht, 8 EVRM, antecedent, inreisverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/9622 en 13/29257

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 mei 2014 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. M.M.J. Pieters.

Procesverloop

Eiser heeft op 9 april 2013 beroep (met kenmerk AWB 13/9622) ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 april 2013, waarbij eisers bezwaar van 23 augustus 2012 ongegrond is verklaard.

De behandeling van dat beroep heeft plaatsgevonden op 17 juli 2013. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P. van Zijl.

De rechtbank heeft ter zitting besloten om de behandeling van het beroep voor de duur van twee maanden aan te houden.

Verweerder heeft eiser vervolgens gehoord, het besluit van 8 april 2013 ingetrokken en bij besluit van 12 november 2013 (het bestreden besluit) het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen wederom beroep (met kenmerk AWB 13/29257) ingesteld.

De behandeling van beide beroepen heeft plaatsgevonden op 5 maart 2014. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens was ter zitting aanwezig M.A. Diallo, tolk in de Pular taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak eenmaal verlengd.

Overwegingen

1.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1986 en de Sierraleoonse nationaliteit te bezitten. Op 23 augustus 2012 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend onder de beperking “verblijf bij partner [naam 1]”. Op 23 augustus 2012 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en aan eiser een inreisverbod voor de duur van vijf jaar opgelegd.

2.

Bij het besluit van 8 april 2013 is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Nadat de behandeling van het beroep door de rechtbank was aangehouden, is eiser in het kader van zijn beroep op artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in verband met het feit dat eiser het vaderschap van [naam 2], geboren op [geboortedag] 2011, eerst in beroep door middel van een DNA-test had aangetoond, alsnog gehoord. Verweerder heeft vervolgens het besluit van 8 april 2013 ingetrokken en vervangen door het bestreden besluit van 12 november 2013.

3.

Eiser heeft in beroep onder verwijzing hetgeen eerder is aangevoerd het volgende naar voren gebracht.

Er is sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen de gezinsleden. De Guinese partner van eiser gaat drie dagen per week naar school en eiser is de enige die kan zorgen voor de drie kinderen, van wie één zijn biologische kind is. Vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM is derhalve aangewezen. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiser ten onrechte één antecedent tegenworpen waarbij eiser een transactievoorstel van € 100,-- wegens heling van een fiets heeft aanvaard. Tijdens de hoorzitting is hij hiermee niet geconfronteerd hetgeen onzorgvuldig is.

Eiser heeft zich voorts beroepen op een uitspraak van 23 april 2013 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBDHA:CA0861), omdat de feiten in die uitspraak vergelijkbaar zijn.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat er sprake is van objectieve belemmeringen. Hij en zijn gezin kunnen zich niet vestigen in Sierra Leone omdat ze geen band hebben met dat land. Zijn partner en twee van de drie kinderen hebben bovendien de Guinese nationaliteit en zullen niet worden toegelaten in Sierra Leone. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen. Het oudste kind is negen jaar oud en geworteld in Nederland. Dit kind zal schade oplopen. Eiser heeft daartoe verwezen naar een rapport met de titel “De schade die kinderen oplopen als zij na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet” van Kalverboer en Zijlstra uit 2006. Ook is er in Sierra Leone sprake van seksueel geweld tegen vrouwen, waarbij wordt verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 mei 2011.

Ook valt het eiser niet te verwijten dat het gezinsleven tijdens het niet-rechtmatig verblijf van eiser is ontstaan omdat verweerder geen inspanningen heeft verricht om eiser uit te zetten naar Sierra Leone. Verder heeft eiser zich onder andere beroepen op het arrest Üner van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 18 oktober 2006 (ECLI:NL:XX:2001:AD3516), rechtsoverweging 58, vanwege zijn langdurig verblijf in Nederland, zijn integratie en sterke binding met Nederland. Tevens heeft hij zich vanwege zijn privéleven beroepen op het arrest Khan tegen Verenigd Koninkrijk van 21 januari 2010, LJN: BL4175.

In beroep heeft eiser ter onderbouwing van zijn band met Nederland een verklaring van de Vincentius Vereniging te Breda van 27 januari 2014 en een verklaring van het Steunpunt Ongedocumenteerden Breda e.o. van 26 januari 2014 overgelegd.

Tot slot heeft verweerder niet gemotiveerd waarom er een inreisverbod voor vijf jaar is opgelegd, aldus eiser.

4.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en zich op het standpunt gesteld dat er vanwege het opleggen van het inreisverbod weliswaar sprake is van inmenging in het gezinsleven maar dat er na afweging van alle belangen geen sprake is van schending. De door eiser ingeroepen uitspraak van zittingsplaats Roermond is op 5 februari 2014 in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) vernietigd (ECLI:NL:RVS:2014:433).

In reactie op de stelling dat verweerder geen pogingen heeft ondernomen om eiser uit te zetten heeft verweerder gesteld dat op eiser de plicht rust om zelf uit Nederland te vertrekken. Voldoende is gemotiveerd waarom een inreisverbod voor de duur van vijf jaar is opgelegd, aldus verweerder.

5.

In zijn reactie van 20 februari 2014 op het verweerschrift heeft eiser grotendeels herhaald wat hij eerder heeft aangevoerd. In zijn nadere reactie van 26 februari 2014 heeft eiser zich, vanwege het feit dat één antecedent aan hem is tegengeworpen, nog beroepen op uitspraken van deze rechtbank van 24 december 2009 (kenmerk AWB 08/43126) en van 20 december 2007 (kenmerk AWB 07/24925 en 07/25919). Voorts heeft eiser zich beroepen op de arresten van het EHRM van 23 juni 2008 inzake Maslov tegen Oostenrijk (ECLI:NL:XX:2008:BD2475) en van 28 juni 2011inzake Nunez tegen Noorwegen (ECLI:NL:XX:2011:BT2900).

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb 2000 is van het vereiste van een geldige mvv, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw 2000 vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM.

7.

Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan Onze Minister bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, onder andere indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 vaardigt Onze Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of

b. niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

Ingevolge het achtste lid kan, in afwijking van het eerste lid, Onze Minister om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Ingevolge artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren.

Ingevolge het vierde lid, onder c, bedraagt, in afwijking van het eerste tot het met het derde lid, de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren, indien het betreft een vreemdeling die reeds het onderwerp is geweest van meer dan één terugkeerbesluit.

8.

Niet in geschil is dat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

9.

Het geschil beperkt zich derhalve tot de vraag of eiser op grond van zijn gezinsleven moet worden vrijgesteld van de mvv-plicht. Daarbij worden de twee verklaringen van de Vincentius Vereniging te Breda van 27 januari 2014 en de verklaring van het Steunpunt Ongedocumenteerden Breda e.o. van 26 januari 2014 in de beoordeling betrokken, nu eiser daarmee zijn eerder gestelde banden met Nederland wil benadrukken en zijn gezinssituatie nogmaals wil toelichten.

10.

Tussen partijen is niet in geschil dat er tussen eiser, zijn partner en de drie kinderen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Evenmin is in geschil dat er sprake is van inmenging in het gezins- en privéleven nu aan eiser tevens een inreisverbod voor de duur van vijf jaar is opgelegd.

11.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

12.

Uit bestendige jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechtbank dient te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een “fair balance” tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.

13.

Eiser heeft terecht gesteld dat hij tijdens de hoorzitting van 28 augustus 2013 niet met de informatie van de Justitiële Informatiedienst is geconfronteerd. Echter, hij is hierdoor niet in zijn belangen geschaad nu het een klein onderdeel betreft van de gehele belangenafweging en hij hierop in beroep uitgebreid heeft kunnen reageren. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder het antecedent van eiser - hij heeft in 2009 een transactievoorstel van € 100,-- aanvaard wegens heling - slechts als één van de omstandigheden in de hier bedoelde belangenafweging betrokken en is het niet van doorslaggevend belang zoals eiser veronderstelt. Het beroep op de diverse nationale en internationale uitspraken slaagt om die reden niet. Hierbij is van belang dat verweerder aan de hand van de in het bestreden besluit genoemde “guiding principles” uit de arresten Boultif en Üner, een uitgebreide afweging heeft gemaakt. Daarbij zijn de geringe ernst van het misdrijf, de lange duur van zijn verblijf in Nederland, het tijdsverloop sinds het betrokken misdrijf en het onbesproken gedrag van eiser sindsdien, de nationaliteiten van alle gezinsleden, de gezinssituatie als zodanig, de ernst van de moeilijkheden van zijn partner en de kinderen als zij eiser zouden volgen naar zijn land van herkomst alsmede de hechtheid van de banden van eiser met Nederland en het land van herkomst afgewogen. Met betrekking tot de gezinssituatie en de rol van eiser in het gezin zoals ook beschreven in de verklaring van het Steunpunt Ongedocumenteerden Breda e.o., heeft verweerder het feit dat eiser in Nederland een gezinsleven heeft gevormd en geïntensiveerd op een moment dat hij niet in het bezit was van een verblijfsvergunning, van zwaarwegend belang kunnen achten en in zijn nadeel kunnen doen uitvallen. De gevolgen van deze keuze van eiser dienen immers voor zijn rekening en risico te komen. Zoals verweerder ook in het bestreden besluit heeft overwogen, leidt de stelling van eiser dat verweerder geen inspanningen heeft verricht om eiser, die sinds 15 juni 2004 illegaal in Nederland heeft verbleven, uit Nederland te verwijderen, niet tot de conclusie dat in eisers illegale verblijf moet worden berust. Eiser heeft immers zelf ook de plicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten. De verklaring die eiser in beroep heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn banden met Nederland, doet aan het voorgaande niet af, nu daaruit blijkt dat eiser eerst sinds september 2013 als vrijwilliger bij de Vincentius Vereniging werkt.

Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat van de partner en de kinderen in redelijkheid kan worden verwacht dat zij eiser naar Sierra Leone volgen. Daarbij heeft verweerder de duur van het verblijf van eiser in Sierra Leone, zijn leeftijd en achtergrond, het feit dat zijn Guinese partner een bijstandsuitkering ontvangt, de leeftijd van de kinderen en het volledige gezag van de partner over de kinderen terecht in aanmerking genomen. De omstandigheid dat Nederland mogelijk een beter toekomst perspectief biedt voor het gezin is terecht niet van belang geacht.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen niet gebleken, nu eiser in het verleden geen asielvergunning op basis van zijn individuele asielrelaas heeft toegekend gekregen. Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat de stelling dat zijn partner en de kinderen niet in Sierra Leone zullen worden toegelaten niet is onderbouwd en dat de vrees dat zijn partner slachtoffer zou kunnen worden van seksueel geweld, niet is geconcretiseerd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven van eiser, zijn partner en de minderjarige kinderen wordt gerechtvaardigd in het belang van de Nederlandse samenleving.

14.

De rechtbank stelt, onder verwijzing naar het bestreden besluit en de beslissing in eerste aanleg, vast dat aan eiser een zogenoemd “licht inreisverbod” met de rechtsgevolgen zoals bepaald in artikel 66a, zesde lid, van de Vw 2000 is opgelegd.

15.

Verweerder heeft in het besluit in eerste aanleg, onder verwijzing naar artikel 6.5 a, vierde lid, van het Vb 2000, reeds gemotiveerd waarom het inreisverbod voor de duur van vijf jaar is opgelegd. In het bestreden besluit heeft verweerder dit verder uitgebreid met een bespreking van de procedures die eiser sinds zijn komst naar Nederland heeft gevoerd en de drie terugkeerbesluiten die zijn opgelegd. Dusdoende heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom een inreisverbod is opgelegd en waarom de duur daarvan vijf jaar bedraagt.

16.

Gelet op het voorgaande wordt het beroep ongegrond verklaard.

17.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.