Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5874

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
29-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_10236
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verjaring van de bevoegdheid tot invordering van een dwangsom. Invorderingsbeschikking is geen stuitingshandeling.

Wetsverwijzingen
Huisvestingswet 30
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 611g
Algemene wet bestuursrecht 5:35
Algemene wet bestuursrecht 4:105
Burgerlijk Wetboek Boek 3 316
Algemene wet bestuursrecht 4:106
Algemene wet bestuursrecht 4:112
Algemene wet bestuursrecht 4:111
Algemene wet bestuursrecht 5:37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/10236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. de Boorder),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.F.P Larive).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot invordering van een door eiser verbeurde dwangsom van € 5000,-.

Bij besluit van 7 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. C.I. Zaad als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 4 juli 2011 heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege de overtreding van artikel 30, eerste lid, sub c, van de Huisvestingswet in samenhang met artikel 45 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsgewest Haaglanden 2005 en overtreding van artikel 7.1.1 van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag. De dwangsom betrof € 5000,- voor onzelfstandige bewoning zonder vergunning, € 2000,- voor overbevolking en € 500,- aan opslagkosten.

Bij besluit van 5 augustus 2013 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan de last voor zover deze zag op de onzelfstandige bewoning zonder vergunning niet is voldaan, zodat een dwangsom van € 5000,- is verbeurd. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op een controle van 31 oktober 2012, waarbij door inspecteurs van de gemeente Den Haag is geconstateerd dat de overtreding betreffende onzelfstandige bewoning niet of onvoldoende was beëindigd. Verweerder heeft in het besluit vermeld dat hij geen bijzondere omstandigheden heeft gezien om niet tot invordering over te gaan. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het invorderingsbesluit van 5 augustus 2013 gehandhaafd.

2.

Ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de invorderingsbevoegdheid van verweerder is verjaard. Volgens eiser is de verjaringstermijn, gelet op artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zes maanden. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat indien artikel 611g Rv niet van toepassing is, de in artikel 5:35 van de Awb genoemde verjaringstermijn van één jaar niet is gestuit of verlengd.

3.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de verjaring is gestuit door de invorderingsbeschikking.

4.

Ingevolge artikel 5:35 van de Awb verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom in afwijking van artikel 4:104 door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Ingevolge artikel 4:105, eerste lid, van de Awb wordt de verjaring gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Ingevolge het tweede lid stuit erkenning van het recht op betaling de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.

Ingevolge artikel 4:106 van de Awb kan het bestuursorgaan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Ingevolge artikel 4:111, eerste lid, van de Awb wordt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan een bestuursorgaan verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft. Dit uitstel kan het bestuursorgaan krachtens artikel 4:94, eerste lid, verlenen.

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

Ingevolge artikel 8:72, zesde lid, van de Awb kan de rechtbank bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door haar aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a tot en met 611i Rv zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 611g, eerste lid, Rv verjaart een dwangsom door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is.

5.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de dwangsom is verbeurd op 31 oktober 2012, de datum waarop is geconstateerd dat niet was voldaan aan de last.

6.

De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan tot invordering van een verbeurde dwangsom op grond van artikel 5:35 van de Awb door verloop van een jaar verjaart. De stelling van eiser dat de termijn van zes maanden uit artikel 611g Rv van toepassing is volgt de rechtbank niet. Artikel 8:72, zesde lid, van de Awb ziet op de situatie dat de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan op straffe van een dwangsom moet voldoen aan de uitspraak van de rechtbank. Artikel 611g, eerste lid, Rv is niet van overeenkomstige toepassing op dwangsommen die zijn verbeurd naar aanleiding van een door het bestuursorgaan opgelegde last.

7.

De rechtbank is van oordeel dat de invorderingsbeschikking van 5 augustus 2013 niet kan worden aangemerkt als een stuitingshandeling. In dit verband verwijst de rechtbank naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 november 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:5332). In dit arrest is overwogen dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat invorderingsbeschikkingen als bedoeld in artikel 5:37 van de Awb niet een stuiting bewerkstelligen van de in artikel 5:35 van de Awb bedoelde verjaringstermijn. Hoewel op zichzelf ook uit de invorderingsbeschikking de bedoeling om tot invordering over te gaan kenbaar is, heeft de wetgever in het belang van de rechtszekerheid ten aanzien van het bestuursorgaan de stuitingshandelingen limitatief willen regelen in de artikelen 4:105 en 4:106 van de Awb. De invorderingsbeschikking valt daar niet onder. Voorts schrijft het in de Awb neergelegde systeem van invordering dwingend een bepaalde volgordelijkheid van door het bestuursorgaan uit te voeren handelingen voor. De wetgever heeft met artikelen 5:37 en 5:35 van de Awb nadrukkelijk voor ogen gehad dat eerst een invorderingsbeschikking met een daaraan gekoppelde bestuursrechtelijke rechtsgang dient te worden gegeven alvorens een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb kan worden verzonden. Daarbij geldt dat in de aanmaning dient te worden vermeld dat betaling kan worden afgedwongen door invorderingsmaatregelen, welke vermelding veronderstelt dat de invorderingsbeschikking, die voor bedoelde maatregelen nodig is, reeds is gegeven. Zo bezien vormt de invorderingsbeschikking in het wettelijk systeem een voorwaarde voor het rechtsgeldig kunnen stuiten via een aanmaning. In ieder geval geven de wettekst en haar ontstaansgeschiedenis onvoldoende grond om ook reeds de invorderingsbeschikking zelf als stuitingshandeling te kwalificeren. Dat de wetgever hierbij een omissie zou hebben begaan, ligt volgens het gerechtshof evenmin voor de hand.

De rechtbank verwijst voorts naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), waaruit kan worden afgeleid dat deze eveneens – zij het impliciet– heeft geoordeeld dat een invorderingsbeschikking niet kan worden aangemerkt als een stuitingshandeling (zie AbRS 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2626; 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1264).

8.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder geen handeling heeft verricht waarmee hij de verjaring heeft gestuit of de verjaringstermijn heeft verlengd. Ten tijde van het bestreden besluit op 7 november 2013 was de verbeurde dwangsom reeds verjaard en kon verweerder deze niet meer invorderen. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.

9.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal het invorderingsbesluit van 5 augustus 2013 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

10.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.