Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5869

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
29-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_32361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderpardon. Gerechtvaardigdheid onderscheid asiel-regulier. Toetsing aan de artikelen 2, 3 en 6 van het IVRK.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Verdrag inzake de rechten van het kind 2
Verdrag inzake de rechten van het kind 3
Verdrag inzake de rechten van het kind 6
Vreemdelingenwet 2000 16
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 16-12-1966 26
Verdrag inzake de rechten van het kind 22
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/32361

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2013 in de zaak tussen

[A], eiseres 1, V-nummer [nummer], geboren op [datum] 1997,

[B], eiser 1, V-nummer [nummer], geboren op [datum] 2001,

[C], eiser 2, V-nummer [nummer], geboren op [datum] 2003,

[D], eiseres 2,V-nummer [nummer], geboren op [datum] 1966,

allen van Kameroense nationaliteit, hierna te noemen eisers

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van den Berg).

Procesverloop


Op 2 april 2013 hebben eisers een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de ‘definitieve regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen”.

Op deze aanvraag is door verweerder op 2 augustus 2013 afwijzend beslist. Eisers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 19 december 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 21 december 2013 hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 25 april 2014. Eisers zijn in persoon verschenen en werden bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eisers niet in het bezit zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), en zij niet behoren tot één van de categorieën vreemdelingen genoemd in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), die vrijgesteld zijn van de verplichting over een mvv te beschikken. Evenmin staat artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan het mvv-vereiste in de weg. Eiseres 1, de hoofdpersoon, voldoet voorts evenmin aan de vereisten van de Regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen (hierna: de Regeling), zoals opgenomen in het Wijzigingsbesluit 2013/1 van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 januari 2013, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), nu eiseres 1 nimmer een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. Aangezien eiseres 1 niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van de kinderpardonregeling, komen eiser, eiseres, eiseres 2 en eiseres 3 niet in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning. Eisers dienen allen Nederland onmiddellijk te verlaten. Voorts is met uitzondering van eiseres 1 aan alle andere eisers een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

2

Eisers stellen dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte zijn standpunt, dat zij niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, heeft gehandhaafd. Daartoe hebben zij – samengevat – het volgende aangevoerd.

Eisers stellen dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid omdat eisers in het kader van de beroepsprocedure niet zijn gehoord.

Voorts hebben eisers aangevoerd dat verweerder de aanvraag heeft afgewezen om de enkele reden dat noch door eiseres 1, noch door haar ouders, een aanvraag is ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft daarmee slechts beoordeeld of de hoofdpersoon voldeed aan de criteria zoals opgesteld in de regeling. Verweerder heeft echter nagelaten in de beoordeling mee te wegen dat in het bijzonder de omstandigheid dat eiseres 1, eiser 1 en eiser 2 in Nederland zijn geboren en hun verblijfsduur sedertdien, met zich meebrengt dat moet worden geconcludeerd dat er sprake is van zeer sterke banden met Nederland. Nu deze aspecten niet in de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM zijn betrokken, heeft verweerder een te beperkt toetsingskader gehanteerd zodat de belangenafweging onvoldoende evenwichtig was en de bestreden beschikking derhalve onvoldoende gemotiveerd is.

Voorts stellen eisers dat het handelen van ouders niet aan kinderen mag worden tegengeworpen, zodat slechts op concrete en feitelijke gronden rechtvaardiging van het onderscheid kan plaatsvinden. Daarbij stellen eisers dat illegaliteit door kinderen met een asielachtergrond op dezelfde wijze wordt beleefd als door kinderen zonder een asielachtergrond. Het is voor een kind puur toeval in welke procedures diens ouders verzeild raken. Sommigen doen een asielaanvraag in de wetenschap dat dit zinloos is of om uitzetting te frustreren. Deze groepen komen nu in aanmerking voor verblijf op grond van het Kinderpardon. Gelet hierop moet geconcludeerd worden dat in het bestreden besluit geen op feitelijkheden gebaseerde rechtvaardiging wordt gegeven voor het verschil tussen kinderen met en kinderen zonder een asielachtergrond, reden waarom het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging wegens schending van het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), artikel 14 van het EVRM en de bij het EVRM behorende protocollen.

Eisers stellen tevens dat verweerder het onderscheid tussen asielkinderen en niet-asielkinderen baseert op een politiek gemotiveerd standpunt dat in strijd is met gangbare wetenschap.

Tevens stellen eisers dat het onderscheid tussen asiel en niet-asielkinderen in strijd is met de artikelen 2, 3, en 6 van het IVRK. Uit deze artikelen blijkt dat het belang van het kind dient te prevaleren tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Discriminatie van enige soort is verboden en de belangen van het kind vorderen onder omstandigheden positieve actie door de staat. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met het internationale recht.

Verder stellen eisers zich op het standpunt dat ingevolgde de uitspraak van 6 november 2012 van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak Hode en Abdi het Kinderpardon op verdragsconforme wijze moet worden uitgelegd met het achterwege laten van het onderscheid tussen asielverleden en geen asielverleden. Gelet op deze uitspraak is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 8 en 14 van het EVRM en de bijbehorende protocollen alsmede met de artikelen 2, 3 en 6 van het IVRK.

Ten aanzien van het mvv-vereiste stellen eisers dat verweerder hun dit ten onrechte heeft tegengeworpen nu hun verzoek is gebaseerd op artikel 8 van het EVRM. Zoals eerder aangevoerd zijn eiseres 1, eiser 1 en eiser 2 in Nederland geboren, opgegroeid en ingeburgerd.

Naar aanleiding van de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 10 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:3464, en van deze zittingsplaats van 17 april 2013, ECLI:NL:RBDHA:2014:4901, hebben eisers aanvullende gronden ingediend die hieronder nader aan de orde zullen komen.

Ter zitting hebben eisers met name een beroep gedaan op artikel 6, tweede lid, van het IVRK. Eisers stellen dat onbetwist is dat zij bij terugkeer naar hun land van herkomst ernstige ontwikkelingsschade zullen lijden en dat zulks in strijd is met artikel 6, tweede lid, van het IVRK waarin is neergelegd dat verdragsstaten in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind waarborgen.

3

In artikel 8, eerste lid, EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

In artikel 14 EVRM is - voor zover hier van belang - bepaald dat het genot van rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

4

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van die wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

In artikel 17, eerste lid van de Vw 2000 en in artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 worden categorieën vreemdelingen opgesomd die vrijgesteld zijn van de verplichting over een (geldige) mvv te beschikken. Op grond van het derde lid wijst verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).


5 Ingevolge de Regeling, die van verweerders beleid deel uitmaakt, verleent verweerder een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:

a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode;

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, op de startdatum van de peilperiode tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag als bedoeld in artikel 28 Vw (asielaanvraag) heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

Verweerder verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op het moment van de beoordeling deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken. Verweerder beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B2. Het toetsmoment is het moment van de aanvraag.

Omtrent de voorwaarde onder a en b. is in de Regeling voorts opgenomen dat de IND als peilperiode de periode van 29 oktober 2012 (de datum van het Regeerakkoord) tot de datum inwerkingtreding van de overgangsregeling hanteert. Indien de vreemdeling tussen 29 oktober 2012 en de datum van inwerkingtreding van deze regeling 21 jaar wordt, werpt de IND dit niet tegen. Indien de termijn van vijf jaar verblijf in Nederland eerst wordt bereikt op de datum van inwerkingtreding van deze regeling, werpt de IND dit eveneens niet tegen. Indien de vreemdeling op startdatum van de peilperiode niet voldoet aan de overige voorwaarden, wijst de IND de aanvraag af.

De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend indien een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren. De overige voorwaarden gelden onverkort.

In paragraaf 3.3. van de Regeling, merkt verweerder, in aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1.1 van de Vc 2000, de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de regeling aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid (thans derde lid) van het Vb 2000, vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend. Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de Regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1.1, wijst verweerder de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv met toepassing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000.

6

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de bovengenoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 17 april 2013, als volgt.

Eisers stellen zich primair op het standpunt dat de Regeling een niet gerechtvaardigd onderscheid bevat tussen asielkinderen en kinderen van wie de ouders geen asielaanvraag hebben ingediend. De rechtbank overweegt in dit kader allereerst dat de Regeling begunstigend beleid behelst, zodat aan verweerder een grote mate van discretie toekomt ten aanzien van de bepaling welke groepen van personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Dit maakt dat niet licht geoordeeld kan worden dat het onderscheid dat daarmee ontstaat tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet onder de Regeling vallen niet gerechtvaardigd moet worden geacht. Dit laat echter onverlet dat ook begunstigend beleid niet strijdig mag zijn met de discriminatieverboden zoals neergelegd in onder meer artikel 14 van het EVRM, artikel 2 van het IVRK en artikel 26 van het IVBPR. De rechtbank zal dus de vraag moeten beantwoorden of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het in verweerders beleid gemaakte onderscheid naar de status van kinderen voor of door wie in het verleden een verblijfsvergunning asiel is aangevraagd en kinderen voor wie dat niet is gebeurd.

Zo een rechtvaardiging bestaat er, zo blijkt onder uit meer het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) van 27 september 2011 (in de zaak 56328/07, Bah tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:NL:XX:2011:BR5142), indien het onderscheid een legitiem doel dient en het onderscheid proportioneel is aan het gediende doel. Uit rechtsoverweging 47 van dit arrest blijkt verder dat staten een ‘margin of appreciation’ hebben bij het vaststellen van een verschillende behandeling, en dat deze ‘margin of appreciation’ groter wordt als het gaat om niet onvervreemdbare eigenschappen:

“The Court recalls that the nature of the status upon which differential treatment is based weighs heavily in determining the scope of the margin of appreciation to be accorded to Contracting States. As observed above at paragraph 45, immigration status is not an inherent or immutable personal characteristic such as sex or race, but is subject to an element of choice. In the applicant’s case, while she entered the United Kingdom as an asylum seeker, she was not granted refugee status. She cannot therefore be described as a person who was present in a Contracting State because, as a refugee, she could not return to her country of origin. Furthermore, she subsequently chose to have her son join her in the United Kingdom. Given the element of choice involved in immigration status, therefore, while differential treatment based on this ground must still be objectively and reasonably justifiable, the justification required will not be as weighty as in the case of a distinction based, for example, on nationality. Furthermore, given that the subject matter of this case – the provision of housing to those in need – is predominantly socio-economic in nature, the margin of appreciation accorded to the Government will be relatively wide (see Stec and Others, cited above, § 52).”

7

De rechtbank stelt voorop dat de verblijfsrechtelijke status en dus de status van het zijn van asielzoeker niet een onvervreemdbare eigenschap betreft, zoals bijvoorbeeld geslacht en etniciteit wel zodanige eigenschappen zijn. Hier ligt immers een keuze aan ten grondslag om al dan niet een asielaanvraag in te dienen. Dat de keuze om al dan niet een asielaanvraag in te dienen veelal door de ouder(s) van de minderjarige vreemdeling wordt gemaakt, maakt niet dat daarom sprake is van een onvervreemdbare eigenschap. Verweerder heeft dan ook een ruime ‘margin of appreciation’ daar waar het gaat om het vaststellen van een rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling van de groepen kinderen die een geslaagd beroep kunnen doen op de Regeling.

8

Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat dit niet opgaat voor het al dan niet onder de criteria van de Overgangsregeling of de definitieve Regeling vallen. Of men onder deze criteria valt berust immers niet op een keuze, maar – in de woorden van eisers- op stom toeval of puur geluk, omdat deze regelingen niet waren te voorzien. Eisers hebben zelfs een parallel getrokken met de Wet op de kansspelen. Voorts betogen eisers dat hun verblijfsstatus wél een onvervreemdbare eigenschap betreft, nu die status immers niet meer kan worden gewijzigd; de termijn waarop aan de criteria van de regelingen kon worden voldaan is immers gesloten. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Voor de vraag of het om een onvervreemdbare eigenschap gaat is niet bepalend of de verblijfsstatus wellicht op enig moment is bevroren en daarom feitelijk niet meer kan worden gewijzigd. Doorslaggevend is dat aan deze verblijfsstatus een keuze ten grondslag heeft gelegen.

9

De rechtbank is in het licht van de bovengenoemde ruime “margin of appreciation” van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat om te concluderen dat verweerder niet in redelijkheid de toepasselijkheid van de Regeling – mede nu dit reeds een begunstigend uitzonderingsbeleid betreft – heeft kunnen beperken tot vreemdelingen met een asielachtergrond. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bijzonder van belang kunnen achten dat zowel in nationale als in internationale wetgeving een onderscheid wordt gemaakt tussen asielzoekers en reguliere migranten. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in zijn uitspraak van 10 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG5060) ook heeft overwogen, is de Nederlandse staat verschillende internationale verplichtingen aangegaan, onder meer door toetreding tot het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen, het bijbehorende Protocol van New York van 1967 en verschillende mensenrechtenverdragen, zoals het EVRM, die in het bijzonder zien op de vraag of bescherming moet worden geboden aan vreemdelingen die op asielgerelateerde gronden hier te lande verblijf beogen. Deze internationale verplichtingen hebben ertoe geleid dat de Nederlandse overheid ten aanzien van vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend andere verantwoordelijkheden heeft dan voor vreemdelingen die dat niet hebben gedaan. Het internationaal recht kent voorts ook bijzondere bescherming toe aan kinderen met een asielachtergrond. Zo bepaalt artikel 22 van het IVRK, kort gezegd, dat een kind dat asiel zoekt of erkend is als vluchteling recht heeft op bijzondere bescherming en bijstand. Verweerder heeft dus ook een bijzondere verantwoordelijkheid ten aanzien van minderjarige kinderen met een asielachtergrond die afwijkt van de verantwoordelijkheid van de staat voor andere kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook reeds hierom niet worden gezegd dat het gemaakte onderscheid niet een legitiem doel dient of niet proportioneel is aan het gediende doel.

De stelling van eisers dat, voor zover er al een gerechtvaardigd onderscheid bestond gedurende de asielprocedure, dit is komen te vervallen met het beëindigen van die asielprocedure, en dat het onderscheid vanaf dat moment in ieder geval niet gerechtvaardigd is, slaagt evenmin. Deze stelling gaat er ten onrechte vanuit dat de bijzondere verantwoordelijkheid voor asielzoekers volledig ophoudt op het moment dat de asielprocedure is beëindigd. De rechtbank wijst in dit verband op de opvangverantwoordelijkheid van de staat voor minderjarige uitgeprocedeerde asielzoekers, welke op punten verschilt van de verantwoordelijkheid voor andere uitgeprocedeerde vreemdelingen (zie het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, 11/01153, JV 2012/458.

Verweerder heeft het van belang kunnen achten dat de positie van kinderen met een asielachtergrond een andere is dan de positie van kinderen met een reguliere achtergrond, zowel voor wat betreft de bij hen levende subjectieve vrees voor terugkeer naar het land van herkomst als voor wat betreft het verblijf van kinderen met een asielachtergrond in een asielzoekerscentrum. Uit de verschillende door verweerder genoemde onderzoeken blijkt immers dat de ontwikkeling van kinderen van asielzoekers die tijdens de asielprocedure in een asielzoekerscentrum verblijven schade kan oplopen als gevolg van dit verblijf. Ten aanzien van de stelling van eisers dat deze schade ook optreedt bij niet- asielzoekerskinderen, onder verwijzing naar de memo van 13 december 2013 van Prof.dr.mr. M.E. Kalverboer en Dr. A.E. Zijlstra getiteld: ‘De schade die kinderen oplopen als ze na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet’ overweegt de rechtbank dat de bevindingen in dit memo in het geheel niet zijn onderbouwd zodat deze memo niet noopt tot het oordeel dat de conclusies die in de eerdere rapporten zijn getrokken ten aanzien van kinderen van asielzoekers evenzeer van toepassing zijn op kinderen met een reguliere achtergrond. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat de overheid verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geboden opvang in een asielzoekerscentrum. Daarentegen heeft zij in beginsel geen verantwoordelijkheid inzake de opvang of huisvesting van reguliere vreemdelingen. Het verschil in verantwoordelijkheid voor de opvang leidt er ook toe dat verweerder deze factor, nog los van het aspect van de duur van een asielprocedure, heeft mogen meewegen ter rechtvaardiging van het onderscheid tussen vreemdelingen met een asielachtergrond en met een reguliere achtergrond.

10

De stelling van eisers dat het niet zo kan zijn dat kinderen de dupe mogen worden van de ‘verkeerde’ keuzes van hun ouders, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Uit het arrest van het EHRM inzake Butt tegen Noorwegen (4 december 2012, nr. 47017/09, www.echr.coe.int, rechtsoverweging 79) kan worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding kunnen zijn om het gedrag van de ouders van een vreemdeling toe te rekenen aan de desbetreffende vreemdeling in verband met het risico dat ouders de positie van hun kinderen misbruiken om een verblijfsrecht te verkrijgen. Ook uit de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2085) leidt de rechtbank af dat in de situatie waarin het verblijfsrecht van de ouders afhankelijk is van dat van hun kinderen, de keuzes van ouders mogen worden toegerekend aan hun kinderen.

De rechtbank volgt niet de stelling van eisers dat ouders niet door strategisch handelen misbruik kunnen maken van de Overgangsregeling of de definitieve Regeling. Bij het Kinderpardon ontlenen ouders nu juist bij uitstek hun verblijfsrecht rechtstreeks aan dat van hun kinderen.

11

Eisers hebben voorts gesteld dat artikel 2, tweede lid, van het IVRK eraan in de weg staat dat de keuzes van ouders aan de kinderen worden tegengeworpen. In artikel 2, tweede lid, van het IVRK is neergelegd dat de Staten die partij zijn, alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind. De rechtbank is van oordeel dat het tegenwerpen van een keuze als het doen van een asielaanvraag niet kan worden aangemerkt als of op één lijn kan worden gesteld met een bestraffing in de zin van dit artikel. Ten aanzien van het in dit artikellid genoemd verbod op discriminatie op grond van keuzes van de ouders verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven onder 10 is overwogen.


12 Met betrekking tot het beroep op artikel 3 van het IVRK overweegt de rechtbank dat uit de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2012 (LJN:BV3716) volgt dat artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, voldoende rekenschap gegeven van de belangen van eiseres 1, eiser 1 en eiser 2. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het juist de belangen van het kind zijn die de Regeling beoogt te regelen. Het beroep op artikel 3 van het IVRK slaagt dan ook reeds daarom niet.

13

Eisers hebben voorts een beroep op artikel 6, tweede lid, van het IVRK gedaan. In artikel 6, tweede lid, van het IVRK is bepaald dat de Staten die partij zijn in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind waarborgen. Eisers hebben in dit verband gesteld dat de twee oudste kinderen op het gymnasium zitten en dat ook het jongste kind daar naar toe zal gaan. Hun ontwikkeling kan alleen worden gewaarborgd door hen de gelegenheid te bieden hun schoolopleiding en hun daarop volgende opleiding in Nederland af te ronden. Het is volgens eisers evident dat de ontwikkelingsmogelijkheden van eisers in Kameroen aanzienlijk minder zijn. Zij zullen door de verhuizing naar Kameroen ernstige ontwikkelingsschade lijden. Zij gaan immers over van Nederland, waar zij geboren en getogen zijn en een goede opleiding volgen, naar Kameroen, een land dat zij niet kennen, waar zij geen huisvesting en inkomen zullen hebben en waar de schoolmogelijkheden aanzienlijk minder gunstig zijn.

De rechtbank overweegt dat het beroep van eisers op artikel 6, tweede lid, van het IVRK niet slaagt, omdat deze bepaling, gelet op de formulering ervan, geen norm bevat die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is.

14

Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM, voor zover dat ziet op het uitoefenen van gezinsleven, is de rechtbank van oordeel dat geen schending aannemelijk is gemaakt nu het gehele gezin terug dient terug te keren naar Kameroen. Voor zover eisers zich beroepen op hun privéleven is de rechtbank van oordeel dat verweerder van belang heeft mogen achten dat eisers ervoor gekozen hebben om illegaal in Nederland te verblijven, ondanks dat meerdere malen kenbaar is gemaakt dat zij Nederland dienden te verlaten. De banden die eisers stellen te hebben met Nederland zijn zij dan ook grotendeels aangegaan tijdens hun illegale verblijf hier te lande. In dit licht bezien heeft verweerder de omstandigheid dat eiseres 1, eiser 1 en eiser 2 in Nederland zijn geboren, volledig zijn ingeburgerd en geen enkele band hebben met Kameroen, mede gelet op het arrest van EHRM van 4 december 2012 in de zaak 477017/09, Butt tegen Noorwegen, JV 2013/85, en de uitspraak de Afdeling van 22 oktober 2012 (201111522/1/V1, www.raadvanstate.nl) onvoldoende mogen achten om een positieve verplichting aan te nemen op grond waarvan aan eiseressen hier te lande verblijf dient te worden toegestaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten nadele van eisers heeft mogen laten uitvallen.

15

De rechtbank stelt ten slotte vast dat het bestreden besluit tevens een terugkeerbesluit bevat. De rechtbank ziet geen aanleiding dit onjuist te achten reeds nu hiertegen in beroep geen gronden zijn aangevoerd.

16

Met betrekking tot de stelling van eisers dat zij ten onrechte niet op hun bezwaarschrift zijn gehoord, overweegt de rechtbank het volgende.

De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eisers in eerste instantie hebben aangevoerd en hetgeen in het primaire besluit daaromtrent is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat deswege van het horen van eisers kon worden afgezien. De beroepsgrond faalt derhalve.

17

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat geen redenen aanwezig zijn eisers vrij te stellen van het mvv-vereiste.

18

Het beroep is ongegrond.

19

Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Siderius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl)