Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5823

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
29-05-2014
Zaaknummer
AWB-14_9319 en AWB 14-9318
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden waarin hij komt te verkeren na overdracht aan Frankrijk dusdanig lijken op de omstandigheden in de zaak die ten grondslag lagen aan het arrest I.M. tegen Frankrijk, dat ook in het geval van verzoeker sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM. De uitspraak ziet immers, blijkens overweging 142 en 143, op de beoordeling van een eerste asielaanvraag. Het EHRM overweegt in voormelde overwegingen dat herbeoordeling van een asielaanvraag in de versnelde procedure van een asielzoeker in detentie niet een nauwgezette beoordeling van zijn aanspraken ontneemt voor zover de eerste aanvraag is beoordeeld in de normale procedure, hetgeen bij de betreffende aanvrager niet het geval was.

In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat verzoeker bij zijn eerste asielaanvraag in Frankrijk geen volledige procedure heeft gehad. Derhalve is geen sprake van een vergelijkbare situatie als in de uitspraak I.M. tegen Frankrijk en kan het beroep op die uitspraak niet slagen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 30
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemene wet bestuursrecht 8:83
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/9319 en AWB 14/9318

uitspraak van 14 mei 2014 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Op 11 maart 2014 heeft verzoeker een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 15 april 2014 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Op 16 april 2014 heeft verzoeker tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Dit beroep is alhier geregistreerd onder zaaknummer AWB 14/9318. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt overdracht te verbieden, totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 mei 2014. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn beiden met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1

Aangezien beroep bij de rechtbank is ingesteld kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden.

2

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 604/2013).

3

Verzoeker heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1985 en de Mongoolse nationaliteit te bezitten.

4

Verzoeker stelt dat Nederland de behandeling van zijn asielverzoek aan zich dient te trekken, aangezien verzoeker in Frankrijk bij zijn nieuwe procedure in de ‘fast-track procedure’ zal worden behandeld en derhalve een risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 februari 2012 (I.M. tegen Frankrijk, 9152/09) en naar de immediate measure van het ECSR van 25 oktober 2013. Aangezien verzoeker een afgeronde asielprocedure in Frankrijk heeft gehad, hij in Frankrijk een andere identiteit en nationaliteit dan in Nederland heeft opgegeven en hij niet in het bezit is van geldige identiteitsdocumenten, is het zeer waarschijnlijk dat verzoeker in de ‘fast-track procedure’ terecht komt. Verzoeker verwijst in dit kader naar het rapport van het Dublin Transnational Project van december 2012.

5

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker in Frankrijk een andere identiteit en nationaliteit heeft opgegeven dan in Nederland en dat verzoeker al een afgeronde asielprocedure in Frankrijk heeft gehad. Gelet hierop valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uit te sluiten dat verzoeker bij terugkeer in Frankrijk in de ‘fast-track procedure’ zal worden behandeld. Dit leidt echter, anders dan verzoeker stelt, niet tot het oordeel dat sprake is van een risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In het arrest I.M. tegen Frankrijk heeft het EHRM, voor zover hier van belang, overwogen dat de beperkingen die aan I.M. zijn opgelegd tijdens de versnelde Franse asielprocedure (de korte duur van het interview, het vergeefs proberen aan te vragen van asiel na binnenkomst in Frankrijk, de verkorting van de termijn om het asielverzoek naar voren te brengen en het gebrek aan juridische en linguïstische bijstand), samen met het feit dat hij in detentie verbleef, de mogelijkheden van I.M. ondermijnd hebben om de gegrondheid van zijn claim dat uitzetting artikel 3 van het EVRM zal schenden, te onderbouwen. Het EHRM verklaart de klacht van I.M. gegrond en neemt schending van artikel 3 en artikel 13 van het EVRM aan.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden waarin hij komt te verkeren na overdracht aan Frankrijk dusdanig lijken op de omstandigheden in de zaak die ten grondslag lagen aan het arrest I.M. tegen Frankrijk, dat ook in het geval van verzoeker sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM. De uitspraak ziet immers, blijkens overweging 142 en 143, op de beoordeling van een eerste asielaanvraag. Het EHRM overweegt in voormelde overwegingen dat herbeoordeling van een asielaanvraag in de versnelde procedure van een asielzoeker in detentie niet een nauwgezette beoordeling van zijn aanspraken ontneemt voor zover de eerste aanvraag is beoordeeld in de normale procedure, hetgeen bij de betreffende aanvrager niet het geval was.

In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat verzoeker bij zijn eerste asielaanvraag in Frankrijk geen volledige procedure heeft gehad. Derhalve is geen sprake van een vergelijkbare situatie als in de uitspraak I.M. tegen Frankrijk en kan het beroep op die uitspraak niet slagen.

6

Het beroep heeft geen redelijke kans van slagen, zodat het verzoek wordt afgewezen. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, tevens het beroep ongegrond.


7 De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep inzake AWB 14/9318 ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening inzake AWB 14/9319 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Tijsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.