Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5806

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
29-05-2014
Zaaknummer
AWB-14_9327
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Zoals volgt uit punt 16 van de preambule van Vo 604/2013 is onder de nieuwe verordening het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie, zoals in dit geval tussen verzoeker en zijn broer, een bindend verantwoordelijkheidscriterium geworden. Dit criterium is neergelegd in artikel 16 van Vo 604/2013. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat, indien een beroep wordt gedaan op een afhankelijkheidsrelatie, deze afhankelijkheidsrelatie vermeld dient te worden in het aan de betreffende autoriteiten voorgelegde overnameverzoek, nu het immers een bindend verantwoordelijkheidscriterium betreft.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemene wet bestuursrecht 8:83
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vreemdelingenwet 2000 30
Vreemdelingenbesluit 2000 3.118a
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/9327, AWB 14/9325, AWB 14/9324 en AWB 14/9322

uitspraak van 14 mei 2014 in de zaak tussen

[A], verzoekster, V-nummer [nummer],

[B], verzoeker, V-nummer [nummer], mede namens hun minderjarige kinderen

[C], geboren op [datum] 2002,

[D], geboren op [datum] 2004 en

[E], geboren op [datum] 2007, hierna samen te noemen verzoekers

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Op 6 maart 2014 hebben verzoekers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 15 april 2014 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Bij brief van 16 april 2014 hebben verzoekers tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Dit beroep is alhier geregistreerd onder zaaknummers AWB 14/9325 en AWB 14/9328. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt overdracht achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 mei 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J. Lakjaa, tolk in de Arabische taal.

Overwegingen

1

Aangezien beroep bij de rechtbank is ingesteld kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden.

2

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 604/2013).

3

Verzoekers hebben gesteld te zijn geboren op respectievelijk [datum] 1970 en [datum] 1956 en de Syrische nationaliteit te bezitten.

4

Verzoekers stellen dat verweerder de Zwitserse autoriteiten niet juist en onvoldoende heeft geïnformeerd, aangezien verweerder de Zwitserse autoriteiten niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat de zieke broer van verzoeker in Nederland verblijft en verzoekers naar Nederland zijn gekomen voor deze broer. Verzoekers verwijzen in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 25 november 2013, zaaknummer AWB 13/27226. Verweerder dient bij een terug- of overnameverzoek bij een ander Dublinland de betreffende autoriteiten volledig te informeren. In het onderhavige geval is de Dublin III- verordening van toepassing, waaruit volgt dat de eerbiediging van het familie- en gezinsleven voorop staat. Bovendien kan een lidstaat om humanitaire redenen of uit mededogen afwijken van de verantwoordelijkheidscriteria. Verweerder heeft dit niet betrokken bij zijn besluitvorming. Derhalve is sprake van onzorgvuldige en onvoldoende gemotiveerde besluitvorming. De medische situatie van de broer van verzoeker is slecht, wat ook blijkt uit de overgelegde medische stukken. De broer van eiser is, gezien zijn psychische gesteldheid, afhankelijk van de steun van zijn familie.

5

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1

Zoals volgt uit punt 16 van de preambule van Vo 604/2013 is onder de nieuwe verordening het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie, zoals in dit geval tussen verzoeker en zijn broer, een bindend verantwoordelijkheidscriterium geworden. Dit criterium is neergelegd in artikel 16 van Vo 604/2013. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat, indien een beroep wordt gedaan op een afhankelijkheidsrelatie, deze afhankelijkheidsrelatie vermeld dient te worden in het aan de betreffende autoriteiten voorgelegde overnameverzoek, nu het immers een bindend verantwoordelijkheidscriterium betreft. In het gehoor aanmeldfase van 6 maart 2014 heeft verzoeker vermeld dat zijn broer in Nederland woont. Vervolgens heeft verzoeker in het gehoor ander land verantwoordelijk tevens gehoor inzake Dublinclaim van 9 april 2014 gesteld dat zijn broer hem en zijn gezin nodig heeft en dat hij zijn broer bij wil staan tijdens zijn ziekte. Nu verzoekers een beroep hebben gedaan op een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16 van Vo 604/2013, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de Zwitserse autoriteiten hierover had moeten informeren bij het indienen van het overnameverzoek. Het standpunt van verweerder ter zitting dat de Zwitserse autoriteiten niet kunnen of willen toetsen of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie doet aan het voorgaande niet af, nu het aan de Zwitserse autoriteiten is wat zij met deze informatie doen.

Dat het gehoor ander land verantwoordelijk tevens gehoor inzake Dublinclaim, waarin verzoeker voor het eerst een beroep op de afhankelijkheidsrelatie heeft gedaan, heeft plaatsgevonden na indiening van het overnameverzoek bij de Zwitserse autoriteiten, en dat verweerder dus op het moment van het indienen van dit overnameverzoek hiervan niet op de hoogte was, maakt het voorgaande niet anders, nu verweerder het overnameverzoek niet had mogen indienen voordat het voornemen daartoe aan verzoekers was uitgereikt. Dit was voorheen neergelegd in artikel 3.118a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) vóór wijziging van dit wetsartikel. Dit artikel bepaalde dat indien verweerder oordeelt dat een ander land ingevolge een verdrag of een voor dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 en uit dien hoofde het andere land om overname of terugname zal verzoeken, hij het schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen, vooruitlopend op aanvaarding van het verzoek tot overname of terugname door het andere land, aan de vreemdeling uitreikt. De tekst van artikel 3.118a van het Vb 2000 is inmiddels gewijzigd. Het achtste lid van artikel 3.118a bepaalt thans, voor zover hier van belang ,dat het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, niet in de weg staat aan het verzoek om overname en evenmin aan het nemen van de beschikking bij aanvaarding van het verzoek tot overname. Deze wetstekst impliceert dat een verzoek om overname en het nemen van een besluit na aanvaarding van het overnameverzoek voorafgegaan dienen te worden door een voornemen, waarna de vreemdeling in de gelegenheid dient te worden gesteld om een zienswijze in te dienen. Dat geldt temeer nu uit de totstandkomingsgeschiedenis van het nieuwe artikel 3.118a niet blijkt dat met de wijziging van de wetstekst een inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van hetgeen was neergelegd in artikel 3.118a van het Vb 2000 vóór de wijziging van dit wetsartikel. Uit het voorgaande volgt dus dat een schriftelijk voornemen dient te worden uitgereikt voordat bij een ander land een verzoek tot overname of terugname wordt ingediend, dan wel uiterlijk voordat het andere land dat verzoek heeft aanvaard. Op 11 april 2014 heeft verweerder kenbaar gemaakt dat het voornemen bestaat om de asielaanvraag van verzoeker af te wijzen krachtens artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit voornemen is uitgebracht nadat het overnameverzoek was gedaan en op 12 maart 2014 reeds door de Zwitserse autoriteiten was aanvaard.

5.2

Nu het bestreden besluit is gebaseerd op een claimakkoord dat op zijn beurt is gebaseerd op onvolledige informatie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding verweerder gelegenheid te geven dit zorgvuldigheidsgebrek te herstellen nu de aard van de procedure zich daar niet voor leent en niet op voorhand duidelijk is binnen welke termijn dit gebrek hersteld kan worden.

6

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond.

7

Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, dient het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb gegrond te worden verklaard. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8

De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekers redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep inzake AWB 14/9325 en AWB 14/9322 gegrond;


- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;


- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,- te betalen aan verzoekers;

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening inzake AWB 14/9327 en AWB 14/9324 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Tijsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.