Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5753

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
C-09-463678
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing voorwaardelijke machtiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: 14-2597

Zaaknummer: C/09/463678

Datum beschikking: 8 mei 2014

P- nummer: 1033625

Voorwaardelijke machtiging

Beschikking op het op 8 april 2014 ingekomen verzoek van:

de officier van justitie in het arrondissement Den Haag met betrekking tot:

[naam],

de betrokkene,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

doch thans vrijwillig verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis Rivierduinen, GGZ Duin- en Bollenstreek,

advocaat: mr. D.J. Ladrak te Leiden.

Procedure

Bij het verzoekschrift zijn de volgende stukken – voor zover van belang – overgelegd:

- een op 8 april 2014 ondertekende verklaring van R.W.M. Onna, psychiater, niet zijnde de behandelend psychiater van de betrokkene, welke verklaring inzicht verschaft in de actuele geestelijke gezondheidstoestand van de betrokkene;

- een door N.A.M. Ruigewaard, behandelaar van de betrokkene ondertekend behandelingsplan – als bedoeld in artikel 14a, vijfde lid, van de Wet Bopz – alsmede de voorwaarden voor het verkrijgen van een voorwaardelijke machtiging, welke als ingelast in het behandelingsplan dienen te worden beschouwd, en die zijn aangehecht aan deze beschikking.

De rechtbank heeft de betrokkene op 8 mei 2014 gehoord. De betrokkene werd bijgestaan

door zijn advocaat.

De rechtbank heeft zich in aanwezigheid van de betrokkene en zijn advocaat laten voorlichten door de behandelend arts Koolstra, een co-assistent en een psychiatrisch verpleegkundige.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging.

De advocaat van de betrokkene voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Op het verzoek zijn van toepassing de artikelen 8, 9, 14a en 14c van de Wet Bopz.

De advocaat heeft namens de betrokkene aangevoerd dat het verzoek met name is gebaseerd op de situatie dat de betrokkene thuis is. Hij heeft echter van de arts begrepen dat het de bedoeling is dat de betrokkene langer in het ziekenhuis opgenomen blijft. De advocaat stelt op basis van deze gegevens voor om het verzoek terug te geven in handen van de officier van justitie, zodat een ander soort machtiging kan worden verzocht, of anders te komen tot niet-ontvankelijk verklaring van het verzoek.

De arts heeft ter zitting verklaard dat de betrokkene moet blijven, wat hem (de arts) betreft op basis van vrijwilligheid.

De rechtbank overweegt het volgende.

Laatstelijk op 24 april 2013 is met betrekking tot de betrokkene een voorwaardelijke machtiging verleend, geldig tot en met 11 april 2014. Deze is vanwege de opname van de betrokkene anders dan op vrijwillige basis op 16 oktober 2013 van rechtswege (artikel 14d, tweede lid, van de Wet Bopz) geconverteerd in een voorlopige machtiging, geldig tot en met 11 april 2014. Op basis van een geneeskundige verklaring (met behandelingsplan) van 8 april 2014 heeft de officier van justitie een (bij de rechtbank op 8 april 2014, dus tijdig ingekomen) verzoek om een voorwaardelijke machtiging ingediend. Echter, op 22 april 2014 is de betrokkene wederom anders dan op vrijwillige basis opgenomen. Gegeven die situatie kan thans een voorwaardelijke machtiging niet meer aan de orde zijn.

Voor het in handen van de officier van justitie stellen van dat verzoek om deze dusdoende in staat te stellen een verzoek om een ander soort (in dit specifieke geval voorlopige) machtiging in te dienen, bestaat onvoldoende aanleiding. Immers, met name gelet op de verklaring van de arts, is er van de kant van de behandelaars voldoende vertrouwen in de bereidheid van de betrokkene om op vrijwillige basis in het ziekenhuis te blijven en aan zijn behandeling mee te werken. Bijgevolg is te verwachten dat een eventueel zodanig verzoek om die reden zal (moeten) worden afgewezen.

Voor niet-ontvankelijk verklaring van het thans voorliggende verzoek ziet de rechtbank onvoldoende grond, met name gelet op de omstandigheden dat dat verzoek tijdig is ingediend, de betrokkene op het moment van indiening nog thuis verbleef, de opneming anders dan op vrijwillige basis nadien heeft plaatsgevonden en het verlenen van een voorwaardelijke machtiging eerst vanaf dat moment niet meer aan de orde was.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

weigert de verzochte machtiging.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J.H. Doornewaard, rechter, bijgestaan door S.P.M. Flipse als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2014.

De rechter is buiten staat deze

beschikking mede te ondertekenen.