Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5630

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
C-09-420579 - HA ZA 12-678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming van een no cure no pay projectovereenkomst met bijbehorende integriteitsovereenkomst. Strafbare feiten bij uitvoering door hulppersoon. Veel procesrechtelijke en matrieelrechtelijke civiele verweren en perikelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken), zittingsplaats Den Haag

Vonnis van 7 mei 2014

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/420579 / HA ZA 12-0678 van:

de besloten vennootschap ARBEIDSKUNDIG PROJEKTBURO [A] BV,

eiseres gevestigd te Venlo,

advocaat: mr. R.F.W. van Seumeren te Den Bosch,

tegen

de naamloze vennootschap AEGON NEDERLAND NV,

gedaagde gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr. T.S. Jansen te Amsterdam.

De rechtbank zal de twee procespartijen hierna kortheidshalve zo veel mogelijk [A] BV en Aegon NV noemen.

Het procesverloop

1.1 De rechtbank heeft bij het wijzen van dit eindvonnis rekening gehouden met de inhoud van de volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 4 augustus 2009 tegen de eerste rolzitting van 19 augustus 2009 bij de (vroegere) rechtbank Roermond, met de producties 1 t/m 13 van [A] BV;

  • -

    de “incidentele vordering houdende onbevoegdheid en verantwoording ex art. 7:403 lid 2 BW” van 28 oktober 2009, met de producties 1 en 2 van Aegon NV;

  • -

    de conclusie van antwoord in de twee incidenten van 11 november 2009, met 1 extra productie van [A] BV;

  • -

    het tussenvonnis van de rechtbank Roermond van 23 december 2009 in het eerste incident tot onbevoegd verklaring;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van de (rechtbank Roermond van 8 maart 2010;

  • -

    de conclusie na enquete van [A] BV van 28 april 2010;

  • -

    de “antwoord conclusie na enquete” met de producties 3 t/m 6 van Aegon NV van 26 mei 2010;

  • -

    de akte van [A] BV van 30 juni 2010;

  • -

    het vonnis in het eerste incident en in de hoofdzaak van de rechtbank Roermond van 15 december 2010, waarbij de rechtbank Roermond de procedure wegens relatieve onbevoegdheid heeft verwezen naar de (vroegere) rechtbank 's-Gravenhage;

  • -

    de oproeping na verwijzing van 23 mei 2012 tegen de eerste rolzitting bij de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juni 2012;

  • -

    de akte van [A] BV van 1 augustus 2012, met 1 extra productie (akte van cessie);

  • -

    de antwoordakte van Aegon NV van 1 augustus 2012;

  • -

    het vonnis in het tweede incident en in de hoofdzaak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 oktober 2012;

  • -

    de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van 14 november 2012, met de producties 7 t/m 16 van Aegon NV;

  • -

    het comparitievonnis van 12 december 2012 en de beschikking nadere datumbepaling van 21 december 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage;

  • -

    de op 1 mei 2013 ter civiele griffie van de (huidige) rechtbank Den Haag ontvangen brief van 26 april 2013 van de advocaat van [A] BV, met de producties 14 t/m 20 van [A] BV;

  • -

    het door de rechtbank Den Haag opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen van 14 mei 2013;

  • -

    de faxbrief van de advocaat van Aegon NV van 22 mei 2013;

  • -

    de conclusie van repliek met eiswijziging van 10 juli 2013, met de producties 21 t/m 25 van [A] BV;

  • -

    de conclusie van dupliek met antwoordakte op de eiswijziging van 2 oktober 2013;

  • -

    de rolbeslissing van deze rechtbank van 30 oktober 2013, waarbij het pleitverzoek van de advocaat van [A] BV is toegestaan en de daartegen gerichte bezwaren van de advocaat van Aegon NV zijn verworpen, met datumbepaling pleidooi;

  • -

    de op 17 januari 2014 ter civiele griffie ontvangen akte met de producties 17 en 18 van Aegon NV;

  • -

    het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van het pleidooi van 28 januari 2014, met de schriftelijke pleitnota’s van de advocaten van de twee procespartijen;

  • -

    de (zoals ter zitting van 28 januari 2014 verzocht) ter civiele griffie op 4 en 11 februari 2014 ontvangen schriftelijke informatie van beide advocaten over de omvang van de door beide advocaten in 2009 aan de rechtbank Roermond betaalde griffierechten.

1.2 Ter tweede zitting van 28 januari 2014 is vonnis bepaald op 12 maart 2014. Om organisatorische redenen is de vonnisdatum nader bepaald op vandaag, 7 mei 2014.

De vaststaande feiten

2.1 De rechtbank heeft op grond van alle processtukken met alle producties in deze civiele bodemprocedure de hierna volgende feiten tussen partijen vastgesteld, mede als enerzijds gemotiveerd en onderbouwd gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken. Onder meer wegens praktische redenen en het atypische procesverloop van deze civiele bodemprocedure in eerste aanleg (zie nader de voorgaande alinea 1.1), heeft de rechtbank daarbij in de hierna volgende alinea’s 2.2 t/m 2.39 de voor de beoordeling relevante feiten uitvoerig en zo veel mogelijk in chronologische volgorde vastgesteld vanaf 1 januari 2003 tot 1 januari 2014, dus inclusief de relevante procedurele feiten tot 1 januari 2014.

2.2 De heer [A] (hierna te noemen [A]) is oud-werknemer van het UWV. Hij dreef sinds 1 januari 2003 als zelfstandig ondernemer te Venlo een eenmanszaak op het gebied van advisering over arbeidskundige gebieden zoals arbeidsongeschiktheid en reïntegratie, zulks onder meerdere handelsnamen waaronder “Arbeids(des)kundig Projectburo & Reïntegratie ([A])”. Per 1 februari 2004 drijft [A] volgens de inschrijving bij de plaatselijke Kamer van Koophandel (KvK) zijn onderneming te Venlo als bestuurder van een besloten vennootschap met de handelsnaam Arbeidskundig Projectburo [A] BV, dat is eiseres [A] BV in deze civiele bodemprocedure.

2.3 Omstreeks juni 2006 is [A] door de heer [B] (een gezamenlijke kennis werkzaam bij het UWV Eindhoven) in contact gebracht met de heer [C], evenals [A] ook een oud-medewerker van het UWV. [C] handelde destijds ook als zelfstandig ondernemer en was bestuurder van Rococo Bedrijfsadvies BV te Eindhoven. [C] verrichtte voor eigen opdrachtgevers van [C](s BV) vanaf omstreeks maart 2006 met toestemming van toenmalige leidinggevenden van het UWV Eindhoven omvangrijke feitelijke werkzaamheden op kantoor en in de computersystemen van het UWV Eindhoven, zulks in het kader van de uitvoering van de kortingsregeling en de vrijstellingsregeling van de basispremies WAO ten behoeve van werkgevers van arbeidsgehandicapten zoals destijds bepaald in het tot 1 januari 2002 geldende wetsartikel 77b WAO. Die zogenaamde K&V-regeling moest in verband met onder meer de toenmalige wetsartikelen 11 en 13 CSV - sterk verkort weergegeven en naar de rechtbank uit d stukken begrijpt - worden uitgevoerd door een afdeling van het UWV Eindhoven, bij welke instantie formeel nog tot 1 januari 2007 door werkgevers van arbeidsgehandicapten uit de jaren 1998 t/m 2001 een aanvraag tot K&V premierestitutie ex art. 77b WAO kon worden gedaan.

2.4 Vanaf medio 2006 werkte [A] (BV) na de voornoemde introductie door Boudewijns samen met [C](s BV), waarbij kort gezegd [A] (BV) uit zijn (haar) netwerk meerdere opdrachtgevers bij [C](s BV) aanbracht en [C](s BV) voor die opdrachtgevers van [A] (BV) de benodigde feitelijke werkzaamheden voor het verkrijgen van de eventuele WAO premierestituties van de K&V-regeling bij en van het UWV Eindhoven verrichtte. Tussen [A] (BV) en [C](s BV) gold daarbij de mondelinge afspraak dat [A] (BV) aan [C](s BV) 60% van de door [A] (BV) geïncasseerde succes fee van de aldus via [C](s BV) bediende opdrachtgevers van [A] (BV) zou afdragen. Aldus hebben [A] (BV) en [C](s BV) vanaf medio 2006 voor meerdere opdrachtgevers van [A] (BV) forse WAO premierestituties van het UWV Eindhoven kunnen incasseren en daarvoor forse succes fees ontvangen en verdeeld, waaronder premierestituties voor Unirobe Groep BV en Meeùs Groep BV - twee dochtervennootschappen van gedaagde Aegon NV - en AXA Verzekeringen NV.

2.5 Medio november 2006 heeft de heer [D], destijds directeur HRM van Aegon NV te Den Haag, [A] gebeld met de vraag of [A] voor Aegon NV evenals voor Unirobe, Meeùs en AXA voornoemd ook WAO premierestituties bij het UWV zou kunnen regelen. [D] heeft in dat telefoongesprek de heer [E], destijds manager operations personeelszaken bij Aegon NV, als contactpersoon voor [A] aangewezen.

2.6 Op 23 november 2006 heeft [A] vervolgens een e-mail gestuurd aan [E] van Aegon NV met de volgende inhoud, die hierna zoals ook alle volgende citaten door de rechtbank in gecomprimeerde vorm wordt weergegeven, maar wel letterlijk wordt geciteerd inclusief de door de toenmalige schrijvers gemaakte typefouten en taalfouten:

Subject: Terugaven WAO premies Aegon.

Geachte heer [E],

Zoals vanmiddag besproken stuur ik u hierbij informatie over de regeling. (…) Indien u over de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001 een deel van uw loonsom hebt verloond aan mensen die de status arbeidsgehandicapte hebben, kunt u in aanmerking komen voor teruggave WAO basispremies. De drempel is 3% van het totale premieloon. Hogere percentages zorgen voor grotere progressieve teruggaven. Het was de bedoeling om de werkgever te stimuleren om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen. Blijkbaar is de regeling mislukt en heeft men de regeling per 2002 afgeschaft. Arbeidsgehandicapten zijn medewerkers die: 1. met een WAO uitkering en zijn blijven werken. 2. beoordeeld zijn voor de WAO maar geen uitkering hebben gekregen. 3. die de afgelopen 5 jaren een WAO uitkering hebben gehad. 4. die een voorziening hebben gekregen van het UWV (stoel, training, scholing, werkplekaanpassing, orthopedische schoenen, RSI werkplekken etc) 5. Die door hun handicap in ander werk zijn geherplaatst in uw organisatie.

Ik heb dit onderzoek uitgevoerd voor grote bedrijven zoals AXA verzekeringen, Unirobe, Mcdonalds, Accor Hotels, NH Hotels, Pontmeyer, Center Parcs en vele plaatselijke bedrijven. De resultaten van AXA en Unirobe zijn u bekend.

Om het onderzoek uit te voeren heb wij twee dingen nodig: (1) een machtiging om gegevens bij UWV op te mogen vragen en (2) een getekend contract. Na ontvangst van deze twee formaliteiten zal ik binnen maximaal 10 werkdagen het door jullie te ontvangen bedrag samen bespreken en de terugstorting in gang zetten. Verdere inspanning van de kant van uw bedrijf heb ik niet nodig. Alles is op basis van no cure no pay. Het is belangrijk om snel een beslissing te nemen. Per januari 2007 worden de UWV systemen overgeheveld naar de fiscus.

Ik doe u hierbij een no cure no pay contract toekomen. Voorbeeld van een machtiging: Hierbij machtigen wij de heer [A] van Arbeidskundig Projectburo [A] te Venlo om informatie in te winnen betreffende teruggave van de WAO premies van onze aansluitnummers bij het UWV

Kunt u mij uw telefoonnummer mailen ivm vragen. Verder heb ik al voorbereidingen getroffen voor het onderzoek. Tevens heb ik jullie UWV aansluitnummers nodig voor het onderzoek

Met vriendelijke groeten, [A], Register Arbeidsdeskundige

Arbeidsdeskundig Projectburo [A] (…)

2.7 Op vrijdag 1 december 2006 heeft de heer [E] namens Aegon NV aan [A] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

(…) Bij deze machtigen wij u (de heer [A] van Arbeidskundig Projectburo [A] te Venlo) voor het opvragen van informatie met betrekking tot UWV aansluitnummer (…) van AEGON Nederland NV, om informatie in te winnen betreffende teruggave van de WAO premies. Deze machtiging is onder voorbehoud van bijgevoegde geheimhoudingsverklaring. (…) mag een getekend exemplaar van deze verklaring faxen naar (…).

2.8 Daarna heeft [A] een faxbericht van eveneens vrijdag 1 december 2006 aan [E] (terug)gezonden met de volgende inhoud:

(…) Hierbij een getekend exemplaar van de geheimhoudingsverklaring. Denkt u nog aan mijn contract. Ik ben al voorzichtig gestart met de voorbereidingen en kan al extrapoleren naar een eindbedrag over 2000 en 2001. (…)

2.9 De hiervoor bij 2.7 en 2.8 genoemde, door Aegon NV opgestelde en door [A] op vrijdag 1 december 2006 per fax voor akkoord ondertekend aan Aegon NV teruggezonden standaard “geheimhoudingsverklaring” heeft onder meer de volgende inhoud:

GEHEIMHOUDINGS- EN INTEGRITEITSVERKLARING

De ondergetekende(n) [A],

(…) werkzaamheden verrichtende in opdracht van AEGON Nederland NV (…)

in aanmerking nemende dat:

- hij/zij in het kader van zijn/haar werkzaamheden gedurende enige tijd ten behoeve van AEGON (…) werkzaamheden zal verrichten;

- hij/zij zich er van bewust is dat hij/zij gedurende zijn/haar werkzaamheden mogelijk kennis kan nemen van informatie die door AEGON als vertrouwelijk wordt beschouwd;

- hij/zij zich in het kader van de uitoefening van zijn/haar werkzaamheden er tevens van bewust is en dientengevolge erkent dat zijn/haar werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd met inachtneming van de in het maatschappelijk verkeer geldende normen en waarden, in het bijzonder ten aanzien van de in de financiële dienstverlening noodzakelijke integriteit, welke door AEGON wordt uitgedragen: (…)

Verklaart derhalve uitdrukkelijk:

(…);

2.

Dat hij/zij met betrekking tot alle gegevens en kennis omtrent de bedrijfsaangelegenheden van AEGON (…) welke geacht kunnen worden een vertrouwelijk karakter te dragen, een strikte geheimhouding zal bewaren (…);

3.

Dat hij/zij de door hem/haar te verrichten werkzaamheden zal uitoefenen met inachtneming en onder eerbiediging van de in het maatschappelijk verkeer geldende normen en waarden, in het bijzonder de normen van integriteit;

(…)

(…)

(…)

ALDUS OVEREENGEKOMEN EN IN TWEEVOUD GETEKEND

(…) Datum: 01-12-2006

(…) Naam en handtekening: [A]

2.10

Op zondag 3 december 2006 heeft [A] vervolgens namens “Arbeidsdeskundig Projectburo [A]” een retour e-mail gezonden aan [E] op diens e-mail van vrijdag 1 december 2006 (zie hiervoor bij 2.7) met de volgende tekst:

Subject: Re: machtiging opvragen informatie UWV t.b.v. AEGON Nederland NV. (…) Hierbij bevestig ik onze afspraak op 12 december om 11.00. (…). Tevens doe ik u hierbij mijn no cure no pay contract toekomen. De procedure is identiek aan de procedure van AXA, Unirobe en Meeus. Bij een getekend contract zal ik de aanvragen opsturen en mogelijk hebt u nog voor Kerstmis de beslissingen over 2000 en 2001 in huis. (…).

2.11

Op of omstreeks (naar de rechtbank concludeert) maandag 4 december 2006 heeft [E] vervolgens namens Aegon NV het voornoemde, op briefpapier met logo van “Arbeidskundig Projectburo [A]” getypte “no cure no pay contract” voor akkoord ondertekend, overigens zonder daarbij de datum van ondertekening te vermelden. Deze door [A] opgestelde standaard overeenkomst heeft als inhoud onder meer:

PROJECTOVEREENKOMST

De ondergetekenden:

1.

AEGON Nederland NV kantoor houdend te Den Haag aan (…), hierna te noemen: “OPDRACHTGEVER”

2.

Arbeidsdeskundig Projectburo [A], kantoorhoudende te (…) Venlo aan (…), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [A] (functie: directeur), hierna te noemen: “HET BURO”

Overwegende dat:

A. HET BURO werkzaam is op het terrein van reïntegratie van arbeidsongeschikten,

B. OPDRACHTGEVER en HET BURO in het kader van de terugvordering van de korting en vrijstelling van de basispremie afspraken hebben gemaakt welke in deze overeenkomst zijn vastgelegd,

Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

1.

Artikel 1 – Beschrijving van de werkzaamheden.

1.1.

HET BURO zal in opdracht van de OPDRACHTGEVER op een door HET BURO zelf te bepalen wijze trachten om de kortings en vrijstellingsregeling van de basispremie over 1998/1999/2000/2001 van de OPDRACVHTGEVER te incasseren bij het UWV.

1.2.

HET BURO zal, indien van toepassing, bezwaar aantekenen tegen de beslissing van het UWV, indien het door het UWV berekende bedrag op de beslissing afwijkt ten opzichte van het door HET BURO berekende bedrag.

2.

Artikel 2 – Duur van de werkzaamheden

2.1.

De werkzaamheden vangen aan op 1-12-2006 en eindigen op het moment dat de OPDRACHTGEVER aan het BURO de afgesproken vergoeding heeft uitbetaald.

3.

Artikel 3 – Tarief en facturatie

3.1.

Het tarief waartegen HET BURO voor OPDRACHTGEVER de diensten onder 1.1. beschreven zal verrichten is op basis van “no cure, no pay”. De vergoeding zal 25% bedragen van de door het UWV op de definitieve beslissingen vermelde teruggaven aan de OPDRACHTGEVER Ter verificatie is HET BURO gerechtigd om een kopie van beslissingen van het UWV van de OPDRACHTGEVER te verlangen

3.2.

OPDRACHTGEVER betaalt het in 3.1 genoemde bedrag binnen 14 kalenderdagen na ontvangst van het totale bedrag.

(…)

7.

Artikel 7 – Aansprakelijkheid

7.1

HET BURO is niet aansprakelijk of verantwoordelijk voor schade die direct of indirect voortvloeit uit de werkzaamheden zoals deze door haar, haar werknemers of door HET BURO ingeschakelde derden zijn uitgevoerd, danwel nagelaten zouden worden. Voor zover althans geen sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld.

8.

Artikel 8 – Algemene voorwaarden

8.1.

Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van HET BURO van toepassing.

8.2.

De algemene voorwaarden van het BURO zijn als bijlage bij deze overeenkomst gevoegd en maken hiervan een geïntegreerd bestanddeel uit.

(…)

10.

Artikel 10 – Toepasselijk recht en bevoegde rechter

10.1.

Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

10.2

Geschillen, welke tussen beide partijen mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst, zullen, bij uitsluiting, worden beslecht door de rechtbank te Roermond.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt en ondertekend te ….. op ….. 2006.

Arbeidsdeskundig Projectburo [A] OPDRACHTGEVER

[A] [E]

2.12

Op of omstreeks vrijdag 1 of maandag 4 december 2006 heeft [C](s) BV (zie de voorgaande alinea’s 2.3 en 2.4) met vermelding van [A] (BV) als contactpersoon voor Aegon NV bij het UWV Eindhoven een aanvraagformulier K&V gedateerd 29 november 2011 ingediend, waarbij voor Aegon NV met behulp van het UWV aansluitnummer van Aegon NV premierestitutie voor de jaren 2000 en 2001 werd aangevraagd ingevolge art. 77b WAO wegens in totaal 494 werknemers die in die twee kalenderjaren de status van arbeidsgehandicapte zouden hebben gehad. [A] (BV) heeft daarbij niet aan Aegon NV gemeld dat hij (zij) de feitelijke werkzaamheden voor het (tijdig) verkrijgen van de premierestitutie overliet aan zijn (haar) hulppersoon [C](s) BV.

2.13

Op vrijdag 22 december 2006 heeft Aegon NV vervolgens van het UWV Eindhoven twee “nota’s” (die twee UWV beschikkingen naar de rechtbank uit productie 15 van [A] BV begrijpt gedateerd op 20 december 2006) ontvangen, waarbij het UWV Eindhoven aan werkgever AEGON NV over de kalenderjaren 2000 en 2001 wegens de toenmalige status van arbeidsgehandicapte van 494 werknemers van Aegon NV een korting en vrijstelling van de basispremie WAO heeft toegekend van in totaal € 784.636,82. Het UWV heeft vervolgens - zo concludeert de rechtbank uit de hierna door haar in de in alinea’s 2.14 en 2.15 vastgestelde feiten - deze toegekende premierestitutie WAO van in totaal € 784.636,82 omstreeks medio januari 2007 aan Aegon NV uitbetaald.

2.14

Op of omstreeks 1 februari 2007 heeft [A] op naam met logo en KVK nummer van “Arbeidskundig Projectburo [A]” een factuur verzonden aan Aegon NV met datum 1 februari 2007, waarbij aan Aegon NV “25 % van de beslissingen van het UWV zijnde

€ 784.636,82” in rekening werd gebracht en dus € 196.259,20 plus 19% BTW, dat is in totaal € 233.429,45 inclusief 19% BTW, met “betaling binnen 14 dagen na factuurdatum”.

2.15

Bij brief van 9 februari 2007 heeft [E] namens Aegon NV aan “Advieskundig Projectburo [A] t.a.v. dhr. [A]” onder meer geschreven:

(…) Uw rekening voor verrichte diensten van 1.2.2007 jl. ontvingen wij in goede orde.

De UWV nota’s over de jaren 2000 en 2001 met betrekking tot vrijstelling & korting premie WAO hebben ons verrast. Zowel de snelheid, het gemak als de hoogte van het bedrag ofwel het percentage arbeidsgehandicapte medewerkers vielen ons op. Tijdens uw bezoek op 17 januari aan AEGON hebben wij onze verbazing kenbaar gemaakt.

Wij hebben contact opgenomen met het UWV om de nota’s en het proces tot verkrijging daarvan te verifiëren. Dit contact heeft ertoe geleid dat wij meenden dat het verstandig was een onderzoek in te stellen naar de feiten. Dit alles om ons ervan te overtuigen dat AEGON correct handelt conform het daarvoor geldende beleid.

U zult zich kunnen voorstellen dat wij voornemens zijn de uitslag van dit onderzoek af te wachten alvorens wij tot betaling overgaan. Eerst willen wij ons ervan verzekeren dat wij het bedrag op een correcte wijze toegekend hebben gekregen. (…)

Bij brief van eveneens 9 februari 2007 [E] namens Aegon NV aan het UWV Amsterdam onder meer het volgende geschreven:

(…) Op 22.12.2006 jl. ontvingen wij van u een tweetal nota’s inzake vrijstelling en korting premie WAO ingevolge art. 77 WAO over de jaren 2000 en 2001.

De hoogte van de bedragen heeft ons verrast. Wij concluderen dat over deze jaren 10 % van ons personeelsbestand als arbeidsgehandicapte werknemers geregistreerd staat.

Ook het gemak en de snelheid van de toekenning heeft ons verrast. Enkel met het UWV aansluitnummer is deze verkregen, de uitkering volgde veel sneller dan wij van het UWV gewend zijn.

Wij hebben de afdeling AEGON Speciale Zaken in kennis gesteld voor het uitvoeren van een toedrachtonderzoek. De heer (…) behandelt deze zaak.

Bij deze stellen wij u in kennis van onze twijfels bij de correctheid van de door u afgegeven nota’s en verzoeken u te verifiëren of deze correct zijn. (…)

2.16

Bij brieven van 19 maart 2007 en 8 mei 2007 heeft het UWV Amsterdam aan Aegon NV bericht dat zij - samengevat - een diepgaand onderzoek heeft ingesteld naar mogelijk onjuiste procedures, de aanvragen K&V opnieuw zal beoordelen, aangifte bij Justitie heeft gedaan en terzake een persbericht heeft opgesteld. Daarna heeft de SIOD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.

2.17

Na een vergeefse sommatie van [A] van 7 juni 2007 aan Aegon NV om de factuur van 1 februari 2007 van € 233.429,45 (zie alinea 2.14) te betalen, heeft op 3 juli 2007 een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en de heren [F] en [D] (zie alinea 2.5) van Aegon NV. Bij brief van 11 juli 2007 heeft [A] vervolgens op briefpapier met logo van “Arbeidskundig Projectburo [A]” aan Aegon NV onder meer geschreven:

Geachte heer [F] en [D],

N.a.v. ons gesprek op 3 juli j.l. doe ik u hierbij mijn tegenvoorstel toekomen. (…).

Ik kan mij vinden in uw voorstel om de afgesproken fee te parkeren. Indien blijkt dat door mij geen strafbaar feit is gepleegd zal het bedrag, gebaseerd op de definitieve nota’s van het UWV, worden uitgekeerd conform de afspraken in ons contract. Het bedrag zal worden geparkeerd tegen de wettelijke rente voor handelstransacties vanaf datum ontvangst UWV gelden. (…)

[A], Register Arbeidsdeskundige (…).

2.18

Daarna heeft [A] zich gewend tot mr. Van Seumeren, advocaat van [A] BV in deze civiele bodemprocedure. Deze advocaat heeft bij brief van 14 augustus 2007 aan Aegon NV t.a.v. de voornoemde heren [F] en [D] onder meer geschreven:

Geachte heren,

Cliënte, Arbeidskundig Projectburo [A] B.V., verzocht mij in persoon van haar directeur, de heer [A], mij te wenden tot u terzake het volgende.

Cliënte heeft u op 1 februari 2007 een factuur toegezonden ad € 233.429,45 terzake vergoeding voor haar werkzaamheden verband houdende met de voor u teruggevraagde en ontvangen WAO-premie. De betalingstermijn van deze factuur is inmiddels ruimschoots verstreken.

Zoals u inmiddels bekend is loopt er tegen onder andere cliënte/de heer [A] een onderzoek door de SIOD. Cliënte/de heer [A] is er ten volle van overtuigd dat dit onderzoek zal uitwijzen dat er geen enkele betrokkenheid is aan de zijde van cliënte/de heer [A] bij enig vermoed strafbaar feit.

In verband met dit lopende onderzoek heeft cliënte u bij brief d.d. 11 juli jl. bevestigd zich er in te kunnen vinden dat uwerzijds de betaling van voormeld factuurbedrag wordt opgeschort tot het moment dat de door u van het UWV terug te ontvangen bedragen middels een eventuele correctiebeslissing definitief zijn vastgesteld. Cliënte verbindt hieraan wel de uitdrukkelijke voorwaarde dat uwerzijds de contractuele rente wordt vergoed over het bedrag dat u op basis van de definitieve beslissing van het UWV verschuldigd bent vanaf de vervaldatum van de factuur, althans, voor zover deze datum later zou zijn gelegen, vanaf de datum van ontvangst door u van de premierestitutie van het UWV. Betaling van het alsdan verschuldigde bedrag dient te geschieden binnen 14 dagen na de definitieve (correctie)beslissing door het UWV. (…)

2.19

Bij brief van 18 oktober 2007 heeft mr. Van Seumeren aan de heer [G] van Aegon NV onder meer het volgende geschreven:

Geachte heer [G],

In aansluiting op het telefonisch onderhoud dat ik op 16 oktober jl. had met u en de heer [F] bericht ik u als volgt.

Met de heer [F] heb ik gesproken over een mogelijke oplossing in der minne om uit de huidige bestaande impasse tussen cliënte en Aegon te komen.

De heer [F] heeft mij laten weten dat hij in het kader van onderhandelingen omtrent het komen tot een minnelijk vergelijk eveneens bevoegd is de belangen te behartigen van Unirobe Groep B.V. en Meeùs Groep B.V., op welke vennootschappen cliënte eveneens vorderingen heeft. (…)

De heer [F] heeft gevraagd om in de lijn van het voorstel van 11 juli jl. van cliënte een nieuw voorstel te formuleren. Ik heb aangegeven hiertoe bereid te zijn. Evenwel wens ik alvorens ik dit voorstel namens cliënte zal formuleren graag de navolgende gegevens te ontvangen:

- De beschikkingen van het UWV op grond van de vrijstelling- en kortingsregeling ex artikel 77 WAO (…) ontvangen door Aegon Nederland N.V., Unirobe Groep B.V. en Meeùs Groep B.V.

- Eventuele latere correctiebeschikkingen van het UWV inzake de vrijstelling- en kortingsregeling (…) ontvangen door Aegon Nederland N.V., Unirobe Groep B.V. en Meeùs Groep B.V. (…)

(…) Voorts dien ik namens cliënte te onderstrepen dat indien het UWV overgaat tot het toezenden van correctiebeslissingen deze beslissingen aanvechtbaar zijn. Om uw schade en daarmee de schade voor cliënte zoveel mogelijk beperkt te houden dient er formeel bezwaar ingediend te worden tegen deze correctiebeslissingen. Cliënte is in staat en bereid u daarbij zonodig van dienst te zijn. (…)

2.20

Bij e-mail van 10 december 2007 heeft [A] aan Aegon NV geschreven:

Geachte heer [F],

Voor zover het UWV u inmiddels correctiebeslissingen heeft toegezonden ben ik van mening dat deze correctiebeslissingen niet juist zijn en hiertegen bezwaar dient te worden aangetekend. Ik ben graag bereid u terzake van advies te dienen. Ik kan u op uw verzoek voorzien van een passende bezwaarbrief (per mail)

Ik ben er volledig van overtuigd dat met een redelijke kans op succes de correctiebeslissingen van het UWV kunnen worden aangevochten. Om uzelf niet te kort te doen dient u tot het indienen van bezwaar over te gaan, maar, voor mij nog relevanter, dient u tot indiening van bezwaar over te gaan ter bewaring van mijn aanspraken op basis van eerdere beslissingen toekomende fee.

(…) [A], Register Arbeidsdeskundige

Arbeidsdeskundig Projectburo [A] (…)

2.21

Bij faxbrief van 14 december 2007 heeft [G] namens Aegon NV aan mr. Van Seumeren als volgt gereageerd op diens brief van 18 oktober 2007 (zie bij 2.19):

(…) Zoals u bekend heeft AEGON al haar betalingsverplichtingen jegens uw cliënt opgeschort. De reden hiervoor is eenvoudigweg gelegen in het feit dat er – op zijn zachts gezegd – vragentekens kunnen worden geplaatst bij de handel en wandel van uw cliënt. Zulks blijkt al uit het feit dat de handelswijze van uw cliënt thans onderdeel is van strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie.

U geeft aan dat, mocht blijken dat uw cliënt (voor een gedeelte) zijn overeenkomst met AEGON op juiste wijze heeft uitgevoerd, AEGON voor dit gedeelte gehouden zou zijn om over te gaan tot betaling van de overeengekomen fee.

Allereerst moet worden vastgesteld dat uw cliënt de overeenkomst met AEGON op een juiste en integere wijze heeft uitgevoerd. Naar de mening van AEGON kan dit slechts bepaald worden na afloop van het strafrechtelijk onderzoek en de eventueel daarop volgende strafrechtelijke procedure. Tot die tijd zal Aegon al haar betalingsverplichtingen jegens uw cliënt opschorten.

Uw cliënt heeft AEGON benaderd met de mededeling dat hij van mening is dat AEGON een bezwaar zou moeten indienen tegen de door het UWV genomen correctiebeslissingen. AEGON meent dat de beslissing hieromtrent geheel bij haar ligt. AEGON vraagt zich overigens wel af waar de stelling van uw cliënt is gebaseerd.

AEGON stelt uw cliënt bij voorbaat aansprakelijke voor alle schade die AEGON leidt als gevolg van het - niet integer - handelen van uw cliënt.

Ik verzoek u alsnog een redelijk voorstel te doen voor een minnelijke regeling, welk voorstel recht doet aan de belangen van zowel uw cliënt als AEGON, zoals ook besproken in ons telefoongesprek van 16 oktober jongstleden. (…)

2.22

Bij faxbrief van 20 december 2007 reageerde mr. Van Seumeren daarop als volgt:

(…) Ik wijs u erop dat u ten onrechte meent u te kunnen beroepen op een opschortingsrecht. Van enige toerekenbare tekortkoming aan de zijde van cliënte bij uitvoering van de projectovereenkomst is tot op heden op geen enkele wijze gebleken. U kunt zich thans enkel baseren op vermoedens, hetgeen een opschorting van de opeisbare betalingsverplichting jegens cliënte niet rechtvaardigt.

Het is juist dat cliënte u heeft laten weten dat het in uw belang is om bezwaar in te dienen tegen de door het UWV genomen correctiebeslissingen. Deze beslissingen zijn volgens cliënte aantoonbaar onjuist. Cliënte is bereid u desgewenst bij de indiening van deze bezwaren te assisteren.

Cliënte geeft middels het voormelde blijk oog te hebben voor uw belangen. Uiteraard geldt ook voor u, gezien de contractuele relatie met cliënte, dat u oog dient te hebben voor de belangen van cliënte.

De inhoud van uw brief van 14 december jl. doet mij verder vermoeden dat u niet volledig kennis heeft genomen van de brief van mij aan u van 18 oktober jl. In deze brief heb ik aangegeven dat cliënte bereid is tot het doen van een schikkingsvoorstel, doch dat cliënte daarvoor eerst nog een aantal gegevens van u wenst te ontvangen. (…)

Graag verneem ik van u of ik de gevraagde gegevens alsnog binnen 14 dagen na dagtekening dezes tegemoet kan zien, bij gebreke waarvan ik het ervoor dien te houden dat u niet bereid bent mee te werken aan een constructieve oplossing van het geschil en ik cliënte in overweging zal geven een procedure op te starten. (…)

2.23

Bij faxbrief van 28 maart 2008 schreef mr. Van Seumeren daarna aan [G]:

Bij brief d.d. 18 oktober jl. heb ik u verzocht mij afschriften te verstrekken van een aantal genoemde bescheiden welke in uw bezit zijn. Dit in het kader van een mogelijk tussen cliënte en u te treffen minnelijke regeling. U heeft nagelaten de betreffende stukken cliënte te verschaffen. Voorts heeft u aangegeven in uw brief van 14 december jl. alle betalingsverplichtingen jegens cliënte op te schorten.

U zult begrijpen dat uw opstelling een mogelijke minnelijke regeling op voorhand frustreert. Cliënte ziet om deze reden ook weinig aanleiding meer om de mogelijkheden van een minnelijke regeling nader te onderzoeken. Het zal u toch duidelijk moeten zijn dat nu u nalaat enige deugdelijke onderbouwing te geven van de opschorting van het door u aan cliënte verschuldigde bedrag, u cliënte dwingt tot het nemen van rechtsmaatregelen over te gaan.

Cliënte heeft mij dan ook thans verzocht tot incasso van haar vordering jegens u over te gaan. Ik dien u hierbij dan ook te verzoeken en voor zover nodig te sommeren om binnen 7 dagen na dagtekening dezes het bedrag van de factuur van cliënte van 1 februari 2007 ad € 233.429,45 te doen bijschrijven op onder genoemde derdenrekening van mijn kantoor, bij gebreke waarvan cliënte aanspraak zal maken op vergoeding van contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten.

Ik wijs u er op dat blijkens informatie van derden u na de hercontrole door het UWV en het opleggen van correctiebeslissingen nog recht heeft op een totaalbedrag ad € 503.131,54. Het zal u toch duidelijk moet zijn dat, indien deze cijfers juist zijn, u in ieder geval al de met cliënte overeengekomen fee over dit bedrag verschuldigd bent. (…)

2.24

Bij faxbrief van 17 april 2008 reageerde [G] namens Aegon NV als volgt: Naar aanleiding van uw (verschillende) brieven van 28 maart jongstleden gericht aan AEGON Nederland N.V., Meeùs Groep B.V. en Unirobe Groep B.V. (…) bericht ik u als volgt. (…)

Ik merk op dat u in uw brieven de claims van uw cliënt en de hoogte daarvan op geen enkele wijze onderbouwt. Mocht er, met in acht name van het onderstaande, al aanleiding zijn voor AEGON om (toch) over te gaan tot uitbetaling van enig bedrag aan uw cliënt, dan lijkt het AEGON in de reden liggen dat uw cliënt deze claim deugdelijk onderbouwt.

Zoals u bekend heeft AEGON al haar betalingsverplichting jegens uw cliënt opgeschort. Uw cliënt heeft bij brief van 11 juli 2007 aangegeven zich te kunnen vinden in deze opschorting. Dit mede gezien de schade die is ontstaan en de schade en reputatierisico’s die verder nog in het verschiet liggen. Er is niets veranderd aan het standpunt van AEGON.

AEGON herhaalt voor de goede orde de aansprakelijkstelling van uw cliente voor alle schade als gevolg van onrechtmatig handelen aan de zijde van uw cliente. De op handen zijnde strafrechtelijke procedure wordt door AEGON met belangstelling gevolgd. (…)

2.25

Uit de inhoud van de voorgaande alinea’s 2.16 t/m 2.23 en uit de inhoud van een relaas proces-verbaal uit het strafrechtelijk onderzoek door de SIOD (productie 15 van [A] BV) concludeert de rechtbank dat het UWV op een (in dit griffiedossier onbekend gebleven exacte) datum in de periode van 19 maart 2007 tot 28 maart 2008 de eerdere beschikkingen en uitbetaling van € 784.636,82 K&V premierestitutie WAO aan Aegon NV na een door het UWV Amsterdam uitgevoerde hercontrole naar de status van de 494 al dan niet arbeidsgehandicapte werknemers van Aegon NV in de jaren 2000 en 2001 heeft gecorrigeerd tot € 503.131,54 en Aegon NV derhalve heeft gesommeerd om aan het UWV terug te betalen € 281.505,28. Aegon NV heeft daarna (op een in dit griffiedossier ook onbekend gebleven datum) die € 281.505,28 aan het UWV terugbetaald en dus per saldo nog € 503.131,54 K&V premierestitutie WAO in de eigen kas behouden. Aegon NV heeft geen bezwaar aangetekend tegen de voornoemde correctiebeslissingen van het UWV. Aegon NV heeft geen fee van 25% plus 19% BTW over de voornoemde premierestituties van € 784.636,82 of € 503.131,54 aan [A] (BV) betaald.

2.26

Bij strafvonnissen van 20 juli 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met de kenmerken ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ2962 en ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ2966, heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch kort weergegeven twee toenmalige medewerkers van het UWV Eindhoven veroordeeld tot werkstraffen en geldboetes wegens het in 2006 als ambtenaar aannemen van giften van medeverdachte [C] (zie de alinea’s 2.3, 2.4 en 2.8).

2.27

Bij dagvaarding van 4 augustus 2009 heeft mr. Van Seumeren namens [A] BV Aegon NV doen dagvaarden tegen de eerste rolzitting van de rechtbank Roermond van 19 augustus 2009 en aldus deze civiele bodemprocedure aanhangig gemaakt. [A] BV vorderde bij dagvaarding dat die rechtbank Aegon NV zal veroordelen om aan [A] BV te betalen primair € 310.580,16 of subsidiair € 199.429,96, met nevenvorderingen. De hoofdvorderingen waren gebaseerd op nakoming van de projectovereenkomst door de overeengekomen fee van 25% plus BTW over de door AEGON verkregen premierestituties WAO van primair € 784.636,82 of subsidiair € 503.131,54 te betalen, met de contractuele rente berekend vanaf 15 februari 2007 en met overige nevenvorderingen.

2.28

Bij incidentele conclusie van 28 oktober 2009 heeft mr. Jansen als advocaat van Aegon NV incidenteel gevorderd dat de rechtbank Roermond zich primair onbevoegd zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar de rechtbank ’s-Gravenhage en subsidiair dat de rechtbank Roermond [A] BV “ex art. 7:403 lid 2 BW (zal) veroordelen tot het doen van verantwoording van de wijze waarop hij zich van de uit de Projectovereenkomst voortvloeiende opdracht heeft gekweten”, met proceskostenveroordeling in die twee incidenten. Na conclusie van antwoord in de beide incidenten door [A] BV heeft de rechtbank Roermond bij incidenteel tussenvonnis van 23 december 2009 aan [A] BV bewijs opgedragen van “feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat het forumkeuzebeding (in de projectovereenkomst, zie alinea 2.11) tussen Arbeidskundig Projectburo [A] BV en Aegon Nederland N.V. is overeengekomen”, en dus niet tussen zoals de advocaat van Aegon NV in zijn primaire eerste incidentele vordering stelde tussen Aegon NV en [A] (in privé of als eenmanszaak). De rechtbank Roermond overwoog daarbij nog in rechtsoverweging 2.6 van haar niet gepubliceerde, incidentele tussenvonnis van 23 december 2009 als volgt:

Hoewel het niet gebruikelijk is dat in een incident een partij wordt toegelaten bewijs te leveren acht de rechtbank het in dit geval toch noodzakelijk, omdat een uitspraak over de vraag tussen wie het forumkeuzebeding geldt tevens de beslissing in de hoofdzaak zal beïnvloeden: komt de rechtbank tot het oordeel dat Aegon niet met [A] B.V. heeft gecontracteerd dan zal de vordering in de hoofdzaak afgewezen dienen te worden.

2.29

Bij faxbrief met ontvangstbevestiging van 29 december 2009 schreef mr. Van Seumeren aan mr. Jansen het volgende naar aanleiding van dit incidentele tussenvonnis van de rechtbank Roermond van 23 december 2009 met bewijsopdracht aan [A] BV:

Geachte confrère,

Inmiddels zult u ook kennis hebben genomen van het tussenvonnis van de rechtbank te Roermond inzake het door u namens uw cliënte opgeworpen incident. Aangezien de directeur van cliënte, de heer [A], op de geplande datum voor het te houden getuigenverhoor d.d. 18 januari a.s. verhinderd is wegens vakantie, wil ik u vriendelijk verzoeken mij nog deze week de verhinderdata van u en de vertegenwoordiger van uw cliënte in de maanden januari t/m april 2010 te doen toekomen.

Overigens wil ik uw cliënte nog in overweging geven gezien de tijd en kosten die thans gemoeid zullen zijn met de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht (…) haar primaire vordering inzake het opgeworpen incident alsnog te laten vallen, nu ik niet in kan zien welk voordeel uw cliënte hiermee denkt te kunnen halen. Immers, indien cliënte onverhoopt en onverwacht niet zou slagen in de haar gegeven bewijsopdracht, dan staat vast op basis van de eigen stellingen van uw cliënte dat uw cliënte gecontracteerd heeft met de heer [A] in privé en alsdan geldt toch het forumkeuzebeding in de met uw cliënte gesloten overeenkomst.

In dat geval zal uw cliënte opnieuw worden gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en is uw cliënte naar mijn oordeel niets opgeschoten. (…)

2.30

Bij strafvonnissen van 29 april 2010 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch vervolgens einduitspraak gedaan in de drie na 20 juli 2009 (zie alinea 2.26) nog lopende strafzaken tegen de verdachten [C], [A] en een derde medeverdachte. Deze derde medeverdachte is door deze rechtbank toen vrijgesproken van al het hem tenlastegelegde medeplegen van meerdere strafbare feiten, zie daartoe nader de publicatie met kenmerk ECLI:NL:RBSHE:2010:BM2842.

2.31

Ook verdachte [A] werd op 29 april 2010 door de rechtbank ’s-Hertogenbosch vrijgesproken van het hem tenlastegelegde medeplegen van meerdere strafbare feiten, waaronder strafbare feiten met betrekking tot de premierestituties door het UWV Eindhoven aan Aegon (NV) voor twee met name genoemde werknemers in de jaren 2000 en 2001 die op het K&V aanvraagformulier van 29 november 2006 (zie alinea 2.12) ten onrechte en valselijk zouden zijn aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de K&V regeling van art. 77b WAO tot 2002. De rechtbank Den Haag citeert de volgende relevante passage uit dit niet gepubliceerde strafvonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarbij verdachte [A] is vrijgesproken van al het hem tenlastegelegde medeplegen van strafbare feiten:

(…) Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verdachte ([A]) betrokken is geweest bij de feitelijke uitvoeringshandelingen van de strafbare feiten, begaan door medeverdachte [C]. Verdachte heeft naar eigen zeggen vertrouwd op de integriteit van [C]. Uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat verdachte ten aanzien van de hem verweten strafbare gedragingen strafbaar heeft gehandeld. Hij kende [C] en wist dat [C] tot 2005 teamleider is geweest van de afdeling Polis en Premie te Maastricht, een afdeling die belast was met onder meer de aanvragen in het kader van de K&V regeling. Gelet hierop mocht verdachte uitgaan van de kennis van [C] met betrekking tot de K&V regeling alsook van de juistheid van de door of namens hem opgemaakte K&V aanvragen. Tot dit oordeel komt de rechtbank omdat het dossier geen bewijsmiddelen bevat die aanleiding geven tot een ander oordeel. Omdat niet bewezen kan worden dat verdachte het opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de door [C] gepleegde valsheid in geschrift en de daarmee samenhangende oplichting, in deze zaak onder 1 en 2 tenlastegelegd, dient hij hiervan te worden vrijgesproken. Voorts mocht hij er van uitgaan dat hetgeen [C] hem heeft verteld over diens toestemming om de systemen binnen het UWV te mogen raadplegen en de betreffende gegevens te mogen gebruiken voor het indienen van aanvragen korting en vrijstelling ten behoeve van diens eigen onderneming. Deze mededeling spoorde met de feitelijke gang van zaken binnen deze UWV-afdeling. Uit het dossier kan niet volgen dat verdachte wist of zelfs maar redelijkerwijs had moeten vermoeden dat [C] strafbare handelingen in of met betrekking tot het geautomatiseerde systeem van het UWV heeft verricht. Uit andere bewijsmiddelen in het strafdossier kan evenmin volgen dat verdachte ([A]) (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het (mede-)plegen van de onder 3 tenlastegelegde computervredebreuk. (…)

2.32

Uit 2.31 volgt al dat de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij strafvonnis van 29 april 2010 (hoofd)verdachte [C] niet heeft vrijgesproken maar veroordeeld. Deze rechtbank legde [C] een gevangenisstraf op van 24 maanden met aftrek van voorarrest voor sterk verkort weergegeven de aan [C] tenlastegelegde en bewezen verklaarde strafbare feiten met betrekking tot “grootschalige fraude” bij de K&V premierestituties WAO, waaronder die aan Aegon (NV) voor de hiervoor bij 2.31 vermelde twee werknemers. Dit strafvonnis is gepubliceerd als ECLI:NL:RBSHE:2010:BM2901, naar de inhoud van welke publicatie de rechtbank nu kortheidshalve verwijst. Aegon (NV) is in die publicatie op www.rechtspraak.nl geanonimiseerd aangeduid als [bedrijf 7].

2.33

In de onderhavige civiele bodemprocedure heeft de rechtbank Roermond na haar tussenvonnis met bewijsopdracht van 23 december 2009 (zie alinea 2.28), na een getuigenverhoor en na conclusies na enquête (zie alinea 1.1.), bij vonnis van 15 december 2010 zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen van [A] BV tegen Aegon NV in de hoofdzaak kennis te nemen en de hoofdzaak verwezen naar de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel, met veroordeling van [A] BV in de proceskosten van Aegon NV in het bevoegdheidsincident. Samengevat overwoog de rechtbank Roermond daartoe onder meer het volgende in haar niet gepubliceerde vonnis van 15 december 2010:

(…)

2.2

Op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.1.1 tot en met 2.1.4 is [A] B.V. naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in het door haar te leveren bewijs van het feit dat zij met Aegon het forumkeuzebeding is overeengekomen. Dat betekent dat de vraag welke rechter bevoegd is van de onderhavige zaak kennis te nemen, moet worden beantwoord volgens de hoofdregel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Nu Aegon is gevestigd te ‘s-Gravenhage, is op grond van artikel 99 Rv niet de rechtbank Roermond bevoegd kennis te nemen van de onderhavige zaak, maar de rechtbank ’s-Gravenhage. De rechtbank Roermond zal zich derhalve onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen naar de rechtbank ’s-Gravenhage.

2.3

Uit het in rechtsoverweging 2.2 overwogene volgt dat aan het beoordelen van de subsidiaire incidentele vordering in de hoofdzaak, noch aan het beoordelen van overige inhoudelijk vragen wordt toegekomen. Ten overvloede wijst de rechtbank op rechtsoverweging 2.6 van het vonnis van 23 december 2009, waar zij overwoog dat de vraag of het forumkeuzebeding tussen [A] B.V. en Aegon is overeengekomen samenvalt met de vraag of de projectovereenkomst tussen [A] B.V. en Aegon is gesloten. Nu [A] B.V. niet is geslaagd in haar bewijsopdracht, is ook komen vast te staan dat [A] B.V. niet met Aegon de projectovereenkomst heeft gesloten en daarom vermoedelijk niet-ontvankelijk is in haar vordering in de hoofdzaak. (…)

2.34

In de strafzaken heeft de Officier van Justitie geen hoger beroep ingesteld van de vonnissen van 29 april 2010 waarbij [A] en een medeverdachte zijn vrijgesproken (zie de voorgaande alinea’s 2.30 en 2.31). [C] heeft in zijn strafzaak wel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 april 2010, waarbij hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest (zie alinea 2.32). Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in dat hoger beroep bij arrest van 22 november 2011 dat strafvonnis in eerste aanleg vernietigd en opnieuw rechtdoende [C] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest voor sterk verkort weergegeven de hem tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feiten met betrekking tot de premierestituties WAO. Kortheidshalve volstaat de rechtbank met een verwijzing naar de inhoud van de publicatie van dat arrest met kenmerk ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5240, waarbij Aegon (NV) – naar de rechtbank concludeert – is geanonimiseerd en aangeduid als [bedrijf 11].

2.35

De onderhavige civiele bodemprocedure heeft na het vonnis van de rechtbank Roermond van 15 december 2010 (zie alinea 2.33) bijna anderhalf jaar stilgelegen. De advocaat van [A] BV heeft daarbij geen (tussentijds) hoger beroep ingesteld tegen de beslissing in het bevoegdheidsincident van de rechtbank Roermond. Anders dan bij brief van 29 december 2009 aangekondigd (zie alinea 2.29) heeft hij ook niet namens [A] een nieuwe civiele bodemprocedure tegen Aegon NV uit hoofde van de onderhavige projectovereenkomst (zie alinea 2.11) aangebracht bij de rechtbank Roermond. Na die bijna anderhalf jaar “radiostilte” heeft de advocaat van [A] BV bij exploot van 23 mei 2012 Aegon NV doen oproepen tegen de eerste rolzitting van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juni 2012 (zie alinea 1.1) om na verwijzing voort te procederen.

2.36

Bij akte van 1 augustus 2012 heeft de advocaat van [A] BV in deze civiele bodemprocedure vervolgens aan Aegon NV een door hem opgestelde akte van cessie van 4 mei 2011 betekend, waarbij (naar de rechtbank met correctie van de kennelijke typefouten aan het slot van die akte van cessie en conform de aanhef van de akte van cessie begrijpt) [A] als cedent aan [A] BV als cessionaris heeft gecedeerd “de Vordering”. Die gecedeerde vordering op Aegon NV is in die akte van cessie gedefinieerd als volgt:

(i) Door Arbeidskundig Projectburo [A] B.V. (tevens zijnde de Cessionaris in deze, hierna ook te noemen “[A] B.V.”) is bij de rechtbank te Roermond bij dagvaarding van 4 augustus 2009 tegen AEGON Nederland N.V. (hierna te noemen: “AEGON”) een procedure aanhangig gemaakt, waarbij [A] B.V. op grond van een gesloten projectovereenkomst primair een vordering heeft ingesteld ten bedrage van € 310.580,16 te vermeerderen met contractuele rente vanaf 9 juli 2009, hierna te noemen “de Vordering”.

(ii) De rechtbank Roermond heeft zich bij vonnis in het incident d.d. 15 december 2010 onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen en verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank ’s-Gravenhage.

(iii) De Rechtbank Roermond heeft in bovenaangehaald vonnis overwogen dat [A] B.V. niet is geslaagd in haar bewijsopdracht dat [A] B.V. met AEGON de projectovereenkomst heeft gesloten, hetgeen impliceert dat de Rechtbank aanneemt dat het Cedent is geweest die met Aegon heeft gecontracteerd; en uit dien hoofde de vordering toekomt.

(iv) Cedent thans aan Cessionaris de Vordering wenst te cederen.

2.37

Beide advocaten hebben vervolgens aan de rechtbank ’s-Gravenhage ter rolzitting van 15 augustus 2012 eerst vonnis in het tweede (subsidiaire) incident ex art. 7:403 lid 2 BW gevraagd (zie alinea 2.28). Ter rolzitting van 5 september 2012 heeft de advocaat van [A] BV op verzoek van de rolgriffier alsnog de tot dan in het Haagse griffiedossier ontbrekende processtukken van het geding vóór verwijzing bij de rechtbank Roermond overgelegd, met uitzondering van het kennelijk te Roermond aan het proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 maart 2010 in kopie gehechte visitekaartje van [A] (BV). Bij tussenvonnis van 3 oktober 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de tweede, subsidiaire incidentele vordering van Aegon NV afgewezen met veroordeling van Aegon NV in de kosten van dat tweede incident aan de zijde van [A] BV, en met verwijzing van de procedure naar de rolzitting van 14 november 2012 voor conclusie van antwoord door Aegon NV in de hoofdzaak, laatste uitstel, en “met inachtneming van het procedurele feit van de recente overdracht van de vordering van [A] aan [A] BV”. Zie daartoe de inhoud van de publicatie van dat vonnis met kenmerk ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0037.

2.38

Gelet op het daarna bij conclusie van antwoord van 14 november 2012 in de hoofdzaak door de advocaat van Aegon gevoerde formele verweer tegen de eerste akte van cessie van 4 mei 2011 (zie nader de alinea’s 2.36, 3.2 en 4.13), heeft de advocaat van [A] BV bij conclusie van repliek van 10 juli 2013 zekerheidshalve een door hem opgestelde tweede akte van cessie van 1 juni 2013 aan Aegon NV betekend, waarbij de door [A] aan [A] BV gecedeerde vordering op AEGON NV ditmaal is gedefinieerd als “de vordering (van [A]) uit hoofde van de (…) projectovereenkomst en de op basis hiervan aan AEGON verzonden factuur van 1 februari 2007 met nevenrechten”.

2.39

[C] heeft cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarbij [C] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest (zie alinea 2.34). Bij conclusie OM van 1 oktober 2013 heeft A-G Jörg geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, zie daartoe nader de inhoud van de publicatie met kenmerk ECLI:NL:PHR:2013:1909. Bij arrest van 19 november 2011 heeft de Hoge Raad vervolgens met toepassing van art. 81 RO het namens [C] ingestelde cassatieberoep verworpen, zie daartoe ECLI:NL:HR:2013:1944.

De geschillen van partijen in de hoofdzaak vóór en ná verwijzing

3.1 Bij dagvaarding van 4 augustus 2009 vóór verwijzing van Roermond naar Den Haag vorderde (de advocaat van) [A] BV nog dat de rechtbank Aegon NV zou veroordelen tot betaling aan [A] BV van primair € 310.580,16 vermeerderd met de contractuele rente althans de wettelijke handelsrente over het factuurbedrag van

€ 233.429,45 vanaf 9 juli 2009, en subsidiair € 199.429,96 vermeerderd met de contractuele rente althans de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 149.681,63 vanaf 9 juli 2009, met nevenvorderingen. Die hoofdvorderingen van [A] BV waren gebaseerd op nakoming van de projectovereenkomst door Aegon NV door aan haar gestelde contractuele wederpartij [A] BV alsnog de overeengekomen en op 1 juli 2007 gefactureerde succes fee te betalen van primair € 233.429,45 (25% van de aanvankelijke premierestitutie door het UWV van € 784.636,82 plus 19% BTW) of subsidiair € 149.681,63 (25% van de na de correctiebeslissingen van het UWV door Aegon NV per saldo behouden premierestitutie van € 503.131,54 plus 19% BTW). In de toen nog door [A] BV primair en subsidiair gevorderde hoofdsommen waren ook begrepen de vervallen contractuele renten van 1% per maand vanaf 15 februari 2007 (de vervaldatum van de factuur) tot 9 juli 2009 en voorts de forfaitaire bedragen van primair € 4.000,- en subsidiair € 2.842,- voor incassokosten.

3.2 Bij conclusie van antwoord van 14 november 2012 ná verwijzing van Roermond naar Den Haag en na de hiervoor in de alinea’s 2.36 en 2.38 (slotzin) vermelde cessie (overdracht) van de vorderingen heeft (de advocaat van) Aegon NV daartegen meerdere uitvoerige verweren gevoerd. Samengevat voerde de advocaat van Aegon NV daarbij a) uitgebreid feitelijk verweer en beriep hij zich aan de hand daarvan vervolgens in meer juridische zin op b)) niet-ontvankelijkheid van [A] BV in de bij dagvaarding ingestelde vorderingen wegens de ongeldigheid van de voornoemde cessie, c) op verjaring van de vordering tot nakoming van haar contractuele wederpartij [A], d) op vernietiging van de projectovereenkomst wegens dwaling of bedrog, e) op ontbinding van de projectovereenkomst wegens wanprestatie van [A] en f) op meerdere verweren tegen de nevenvorderingen van [A] BV.

3.3 Ter comparitie van partijen in de hoofdzaak van 14 mei 2013 konden vooral slechts de voornaamste feitelijke geschilpunten van partijen nader mondeling besproken worden met nader onderzoek naar een eventuele schikking. Toen die schikking uiteindelijk niet mogelijk bleek, heeft de rechtbank de procedure verwezen naar de rol voor schriftelijke conclusies van repliek en dupliek. Die nadere schriftelijke conclusiewisseling van de advocaten van partijen was in dit specifieke geval naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk om de redenen zoals in alinea 4 van het proces-verbaal van de zitting van 14 mei 2013 vermeld, welke redenen voortvloeiden uit de aard en omvang van de feitelijke en juridische geschillen van partijen en het atypische procesverloop van de procedure.

3.4 Bij conclusie van repliek met eiswijziging van 10 juli 2013 heeft (de advocaat van) [A] BV schriftelijk inhoudelijk gereageerd op de omvangrijke schriftelijke feitelijke en juridische verweren van (de advocaat van) Aegon NV bij antwoord, zoals die hiervoor zijn samengevat onder a) t/m f) in alinea 3.2. Een en ander was voor (de advocaat van) [A] BV reden tot zekerheidshalve een tweede cessie van de vorderingen (zie alinea 2.38) en een wijziging van eis, die luidt dat [A] BV thans in de hoofdzaak vordert dat de rechtbank Aegon NV uit hoofde van nakoming van de projectovereenkomst veroordeelt tot betaling aan [A] BV van primair € 233.429,45 of subsidiair € 149.681,63 te vermeerderen met de contractuele rente althans de wettelijke handelsrente daarover met ingang van 15 februari 2007 (zie ook alinea 3.1) althans met ingang van 29 april 2010. Meer subsidiair vordert [A] BV na eiswijziging bij repliek ook nog betaling door Aegon NV van in ieder geval € 50.313,-, te vermeerderen met de voormelde rentevorderingen, alles met veroordeling van Aegon NV in de proceskosten van [A] BV, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en “voor het overige: tot persistit!”.

3.5 Bij conclusie van dupliek van 2 oktober 2013 heeft (de advocaat van) Aegon NV uitgebreid gereageerd op de inhoud van de conclusie van repliek met eiswijziging en voorts de al bij antwoord gevoerde verweren bij dupliek uitgebreid met g) een expliciet beroep op schending door [A] - via diens voor “grootschalige UWV fraude” strafrechtelijk veroordeelde hulppersoon [C] - van de door de rechtbank in de voorgaande alinea 2.9 vermelde “integriteitsovereenkomst” en h) een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW.

3.6 Bij rolbeslissing van 30 oktober 2013 heeft de rechtbank het door (de advocaat van) [A] BV verzochte pleidooi om te kunnen reageren op de nieuwe stellingen van (de advocaat van) Aegon NV bij dupliek toegestaan en aldus de tegen dat verzoek door (de advocaat van) Aegon NV gerichte bezwaren verworpen. Ter pleitzitting van 28 januari 2014 hebben beide advocaten hun schriftelijke pleitnota’s voorgedragen en ingediend en hebben partijen en hun advocaten nog kunnen antwoorden op enkele nadere feitelijke en juridische vragen van de rechtbank. Nadat een schikking wederom onmogelijk was gebleken, is ter zitting van 28 januari 2014 tot slot een datum voor eindvonnis door de rechtbank bepaald.

De beoordeling van de geschillen in de hoofdzaak door de rechtbank

4.1 Bij de beoordeling van de geschillen van partijen in de hoofdzaak - zoals die nog ter beoordeling en beslissing door de rechtbank Den Haag voorliggen na de beslissingen op de twee incidentele vorderingen, na de verwijzing door de (vroegere) rechtbank Roermond naar de (vroegere) rechtbank ’s-Gravenhage en na de eiswijziging bij repliek - zal de rechtbank hierna om praktische redenen gebruik maken van onderstreepte tussenkopjes.

De feitelijke geschilpunten van de procespartijen

4.2 Hierover heeft de rechtbank al zo veel mogelijk beslist bij en door haar uitgebreide feitenvaststelling aan de hand van het partijdebat in de voorgaande alinea’s 2.2 t/m 2.26, zulks tot de datum van dagvaarding van 4 augustus 2009 vermeld in alinea 2.27.

De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank en de contractuele wederpartij van Aegon NV.

4.3 Deze twee geschilpunten van partijen hangen gelet op de forumkeuze in artikel 10.2 van de projectovereenkomst (zie alinea 2.11) nauw samen. Hierop is al beslist door de rechtbank Roermond bij vonnis van 15 december 2010 in het bevoegdheidsincident, zoals volgt uit de inhoud van de voorgaande alinea’s 2.28 en 2.33. De advocaten van beide partijen lijken er in hun processtukken vanuit te gaan dat dit in zoverre een eindbeslissing en/of een gedeeltelijk eindvonnis in eerste aanleg van de rechtbank Roermond betreft waar de rechtbank Den Haag in het vervolg van de procedure aan gebonden is. De dogmatische vraag rijst echter bij de rechtbank of dit uitgangspunt van beide advocaten juist is, omdat in de vakliteratuur en jurisprudentie daarentegen ook wel wordt bepleit en ook al is beslist (zie Hoge Raad 30 juni 1989, NJ 1990, 382) dat incidentele beslissingen in het kader van een bevoegdheidsvraag de rechter in de hoofdzaak niet binden.

4.4 De rechtbank kan en zal deze procesrechtelijke dogmatische vraag in deze civiele procedure onbeantwoord laten. Ten eerste omdat (de advocaten van) beide partijen ter pleitzitting desgevraagd aan de rechtbank te kennen hebben gegeven dat zij beide(n) om meerdere praktische redenen in dit stadium van de procedure in eerste aanleg geen (terug)verwijzing door de (huidige) rechtbank Den Haag naar de (huidige) rechtbank Limburg meer wensen. Ten tweede omdat de rechtbank Den Haag alles afwegende het inhoudelijk oordeel van de (vroegere) rechtbank Roermond na bewijsopdracht deelt dat niet [A] BV maar [A] in dit geval moet worden aangemerkt als de contractuele wederpartij van Aegon NV bij de projectovereenkomst met forumkeuze voor de (vroegere) rechtbank Roermond, en omdat er voorts na verwijzing onvoldoende goede redenen en/of concrete feiten zijn gesteld of gebleken om daarover in dit stadium van de procedure in eerste aanleg nog anders te oordelen.

4.5 Uit de inhoud van de voorgaande alinea’s 2.2 t/m 2.20 blijkt immers dat [A] zowel voor, bij als ook na het sluiten van de beide samenhangende overeenkomsten van omstreeks 1 en 4 december 2007 (zowel de geheimhoudings- en integriteitsovereenkomst als de projectovereenkomst) aan Aegon NV nooit schriftelijk heeft gemeld dat hij handelde namens zijn besloten vennootschap [A] Arbeidskundig Projectburo [A] BV. [A] schreef en sprak toen daarentegen telkens over “ik” en/of “Arbeidsdeskundig Projectburo [A]”, hetgeen duidt op handelen in persoon en/of als eenmanszaak en niet op handelen namens een besloten vennootschap of andere rechtspersoon, terwijl uit de strekking van wetsartikel 2:186 BW volgt dat vermelding van de volledige naam en overige gegevens van een BV als rechtspersoon nu juist essentieel is in het externe maatschappelijk verkeer. Die eenvoudige maar duidelijke aanduiding van een BV ontbreekt nu juist in (bijna) alle stukken van de zijde van [A] voor, bij en na de contractsluiting met Aegon NV. De enkele vermelding van het KVK nummer in de kleine lettertjes onderaan de factuur van 1 februari 2007 (zie alinea 2.14) legt zonder nadere toelichting – die ontbreekt – onvoldoende tegengewicht in de schaal. De betrokken functionarissen van Aegon NV hebben dus destijds omstreeks vooral december 2006 maar daarna ook in 2007 naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet behoeven te begrijpen dat [A] bedoelde te handelen namens [A] BV. Zo hebben zij het destijds kennelijk namens Aegon feitelijk meestal ook niet begrepen, gelet op de inhoud van de alinea’s 2.7 t/m 2.24. Ook de destijds betrokken vertegenwoordigers van Aegon NV schrijven in geen enkel schriftelijk stuk immers over of aan de rechtspersoon [A] BV, maar vooral over “u”, [A]” en “uw cliënt”. Slechts in de laatste alinea van de brief van de heer [G] van 17 april 2008 vér na de contractsluiting duikt ineens de vermelding “uw cliënte” op in plaats van zoals steeds voorheen en ook nog in de voorgaande alinea’s van diezelfde brief “uw cliënt”. Ook dit enkele feit vormt zonder nadere toelichting - die ontbreekt - onvoldoende tegengewicht tegen de vele overige andersluidende aanwijzingen in het griffiedossier dat de betrokken functionarissen van Aegon NV destijds [A] en niet [A] BV als de contractuele wederpartij van Aegon NV beschouwden en/of mochten beschouwen.

4.6 Aldus beslist de rechtbank Den Haag om de voormelde redenen nu - voor zover nog nodig en procesrechtelijk toegestaan na de eerdere beslissing van de rechtbank Roermond van 15 december 2010 - op inhoudelijke gronden het verdere processuele debat van partijen over deze kwestie bij repliek en dupliek dat naar het oordeel van de rechtbank [A] en dus niet [A] BV moet worden aangemerkt als de contractuele wederpartij van Aegon NV. Terzijde merkt de rechtbank daarbij op dat dit geschilpunt sinds augustus 2007 (zie alinea 2.18) vooral de advocaten van de drie mogelijkerwijs betrokken contractpartijen bezighield en in deze procedure nog steeds bezighoudt (zie de volgende alinea’s 4.13 t/m 4.21), en dat de betrokken functionarissen van Aegon NV en [A] als niet-juristen destijds van november 2006 tot augustus 2007 en/of augustus 2009 zich vooral bezighielden met het tijdig van het UWV incasseren van een optimale premierestitutie WAO en een optimale 25% succes fee daarover, zonder zich te bekommeren om de juridische vragen of [A] dan wel [A] BV de contractuele wederpartij van Aegon NV zou zijn en of [A] (BV) daarbij al dan niet hulppersonen zoals [C] mocht inschakelen, waarover hierna meer.

De contractuele relatie tussen [A] en Aegon NV (hulppersoon [C]).

4.7 De advocaten van partijen verschillen van mening over deze kwestie, en dan vooral over de verhouding tussen de projectovereenkomst (alinea 2.11) en de overeenkomst van geheimhouding en integriteit (alinea 2.9) en de gevolgen daarvan, zulks in het licht van de door de hulppersoon [C] gepleegde strafbare feiten bij de tijdige incasso van de WAO premierestitutie bij het UWV Eindhoven in de periode van maart 2006 tot 1 januari 2007 voor - naast vele andere opdrachtgevers van [A] (BV) of [C](s BV) - ook Aegon NV. Uit alinea 4.6 en uit de feitenvaststelling in de alinea’s 2.5 t/m 2.11 volgt al dat enerzijds [A] en anderzijds de functionarissen van Aegon NV zich destijds vóór of bij het sluiten van deze formeel gezien twee afzonderlijke overeenkomsten van omstreeks 1 december 2006 ook met die achteraf gerezen (feitelijke en juridische) vragen niet of nauwelijks hebben beziggehouden. Vast staat ook (zie alinea 2.12) dat [A] tegenover Aegon NV niet voor of bij het sluiten van de beide overeenkomsten heeft gemeld dat anders zijn taalgebruik deed vermoeden standaard niet [A] zelf maar [C] de meeste feitelijke werkzaamheden die voortvloeiden uit de projectovereenkomst zou verrichten. Ook aldus is er aan beide zijden dus - scherp gezegd - ronduit slordig gecontracteerd.

4.8 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen beide zeer nauw samenhangende overeenkomsten van omstreeks 1 december 2006 niet los van elkaar worden bezien. De rechtbank kwalificeert alles afwegende in dit geval de door Aegon NV opgestelde en door [A] voor akkoord ondertekende standaard overeenkomst van geheimhouding en integriteit als een bij de door [A] opgestelde standaard projectovereenkomst behorende en daarvan aldus onderdeel uitmakende bijlage en/of voorwaarde. In de gegeven omstandigheden behoorde [A] immers te begrijpen dat Aegon NV de voor beide zijden mogelijk lucratieve projectovereenkomst met [A] slechts wilde ondertekenen op voorwaarde dat [A] die overeenkomst onder de voor Aegon NV in het maatschappelijk verkeer standaard vereisten van geheimhouding en integriteit zou uitvoeren of doen uitvoeren. In zoverre deelt de rechtbank het desbetreffende standpunt van Aegon NV en verwerpt zij de andersluidende standpunten van [A] BV.

4.9 Anderzijds moest Aegon NV in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs begrijpen dat [A] voor het overige de voor beide zijden bij tijdig succes lucratieve projectovereenkomst in de woorden van artikel 1.1 daarvan “op een door HET BURO zelf te bepalen wijze” wilde en mocht uitvoeren. Dat betekent dus dat [A] daarbij zo nodig of desgewenst en zoals ook gebruikelijk in het maatschappelijk verkeer ook hulppersonen mocht inschakelen, op voorwaarde althans dat die hulppersonen zich ook zouden houden aan de maatschappelijke en nader overeengekomen vereisten van geheimhouding en integriteit. Dat volgt bovendien ook uit de tekst en strekking van artikel 7 van de projectovereenkomst: “of door HET BURO ingeschakelde derden”. Over de vraag hoe veel of hoe weinig uren of inspanningen moesten worden geleverd door [A] en/of zijn eventuele hulppersonen om recht te hebben op de overeengekomen succes fee van 25% op basis van no cure no pay, bevatten de beide samenhangende overeenkomsten en hun in de alinea’s 2.3 t/m 11 vastgestelde totstandkomingsgeschiedenis geen enkele bepaling of voorwaarde. Indien Aegon NV dat anders had gewild, lag het op haar weg om dat destijds contractueel anders te bedingen. In zoverre deelt de rechtbank dus het desbetreffende standpunt van [A] BV en verwerpt zij de andersluidende standpunten van Aegon NV.

4.10 De contractuele relatie tussen [A] en Aegon NV houdt blijkens de tekst en strekking van de projectovereenkomst en de daarbij behorende integriteitsovereenkomst voor zover nu van belang en samengevat aldus als hoofdregel in dat [A] op basis van no cure no pay jegens Aegon NV recht heeft op betaling van een tarief van 25% (plus 19% BTW) voor door [A] en/of zijn eventuele hulppersonen geleverde diensten, die 25% te berekenen over de door het UWV op de definitieve beslissingen vermelde teruggaven aan Aegon NV door het UWV van de te incasseren premierestituties door de K&V regeling, zulks met inachtneming van de overeengekomen vereisten van integriteit maar overigens op iedere door [A] en/of de door hem ingeschakelde hulppersonen zelf te bepalen wijze.

De hoofdvorderingen tot nakoming door betaling van het overeengekomen tarief van 25%.

4.11 De voorgaande beoordeling door de rechtbank betekent in samenhang met alle hiervoor vastgestelde feiten dat [A] jegens Aegon NV naar het oordeel van de rechtbank bij wijze van nakoming van de projectovereenkomst en de daarbij behorende integriteitsovereenkomst recht heeft op betaling door Aegon NV aan [A] van 25% van de door Aegon NV van het UWV door de werkzaamheden van [A] (BV) en/of diens hulppersoon [C](s BV) te incasseren of geïncasseerde K&V premierestituties WAO en dus in dit geval in hoofdsom een succes fee van 25% van € 784.636,82 of € 503.131.54, nog te vermeerderen met het destijds geldende belastingtarief van 19% BTW. Voor de door en namens Aegon NV bepleite en herhaaldelijk in der minne aangeboden, in omvang veel geringere redelijke urenvergoeding aan [A] (BV) bestaat dus naar het oordeel van de rechtbank gelet op de contractuele relatie geen grond.

4.12 Daarentegen is bij wijze van tussenconclusie na en gelet op al het voorgaande de primaire of de subsidiaire hoofdvordering van (na een geslaagde cessie) rechtsopvolger [A] BV na eiswijziging bij repliek van primair € 233.429,45 of subsidiair € 149.681,63 in hoofdsom in beginsel toewijsbaar, indien en voor zover althans géén van de hierna nog te beoordelen overige gevoerde (en vooral juridische) verweren van Aegon NV zou slagen.

De akten van cessie en het beroep van Aegon NV op niet-ontvankelijkheid van [A] BV.

4.13 De advocaat van Aegon NV heeft tegen deze aldus in beginsel toewijsbare hoofdvordering van [A] BV van primair € 233.429,45 of subsidiair € 149.681,63 die strekt tot nakoming van de projectovereenkomst ten eerste het formele verweer gevoerd en gehandhaafd dat [A] BV niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Daartoe wordt namens Aegon NV samengevat betoogd dat de twee achtereenvolgens aan de schuldenaar Aegon NV in deze procedure betekende akten van cessie (zie de alinea’s 2.36 en 2.38) niet hebben geleid tot een rechtsgeldige overdracht van de vorderingen van de schuldeiser [A] tot nakoming van de onderhavige projectovereenkomst aan diens beweerde rechtsopvolger na cessie [A] BV. De advocaat van [A] BV bestrijdt dat verweer.

4.14 Aan Aegon NV kan en moet worden toegegeven dat de wijze waarop de advocaat van (in deze procedure) [A] BV de twee akten van cessie voor zijn feitelijke twee cliënten [A] en [A] BV heeft geformuleerd niet de schoonheidsprijs verdient. De advocaat van Aegon NV ziet echter over het hoofd dat deze rechtbank in haar tussenvonnis van 3 oktober 2012 al de bindende eindbeslissing heeft genomen dat er met de betekening aan Aegon NV op 1 augustus 2012 van de eerste akte van cessie van 4 mei 2011 - alles afwegende en welwillend gelezen - sprake was van een rechtsgeldige cessie (overdracht) van de vorderingen van [A] op Aegon NV aan [A] BV uit hoofde van de projectovereenkomst, waarna er moest worden doorgeprocedeerd door Aegon NV “met inachtneming van het procedurele feit van de recente overdracht van de vordering van [A] aan [A] BV.” Zie ook alinea 2.37 en zie nader de publicatie met kenmerk ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0037, en vooral de inhoud van de alinea’s 2.2, 2.4, en 2.9 van dat tussenvonnis van 3 oktober 2012. Er zijn namens Aegon NV daarna geen goede gronden of nieuwe feiten gesteld die ertoe kunnen leiden dat de rechtbank nog terugkomt op deze bindende eindbeslissing, die per definitie betekent dat [A] BV na die geslaagde cessie als rechtsopvolger van [A] in deze civiele bodemprocedure ontvankelijk is in haar vorderingen tegen Aegon NV. Dit formele verweer van Aegon NV wordt dus verworpen.

Het beroep van Aegon NV op verjaring van de vordering van [A] vóór de cessie.

4.15 Dit tweede formele verweer van de advocaat van Aegon NV hangt uit de aard der zaak nauw samen met het hiervoor verworpen eerste formele verweer. Namens Aegon NV wordt betoogd dat uit de stellingen van [A] BV volgt dat de vordering op Aegon NV van (vóór een eventueel geslaagde cessie) haar contractuele wederpartij [A] tot nakoming van de projectovereenkomst door betaling van de factuur van 1 februari 2007 opeisbaar werd op de vervaldatum van die factuur, dat is 15 (en dus niet zoals Aegon NV stelt 14) februari 2007. De verjaring van die opeisbare vorering tot nakoming van [A] was jegens Aegon NV na vijf jaar (zie art. 3:307 lid 1 BW) voltooid op (niet 14 maar) 15 februari 2012, waardoor de betekening van de akte van cessie op 1 augustus 2012 dus te laat kwam en de verjaring van de vordering van [A] jegens Aegon NV toen al was voltooid, aldus de advocaat van Aegon NV. De advocaat van [A] BV betwist dat tweede formele verweer van Aegon NV op meerdere, hierna te beoordelen gronden.

4.16 Ook op dit punt kan en moet aan Aegon NV worden toegegeven dat de advocaat van [A] (BV) voor zijn cliënt(en) in ieder geval risico’s heeft genomen door na de voor [A] BV negatieve beslissingen van de rechtbank Roermond van 15 december 2010 niet ofwel binnen drie maanden tussentijds hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ofwel zoals al aangekondigd bij confraternele brief van 23 december 2009 (zie alinea 2.29) Aegon NV opnieuw te dagvaarden voor de rechtbank Roermond maar ditmaal namens [A] als de juiste contractuele wederpartij van Aegon NV. In plaats daarvan koos mr. Van Seumeren zoals desgevraagd toegelicht bij pleidooi om praktische redenen waaronder besparing van extra giffierechten voor een (bepaald niet vlekkeloos geformuleerde) akte van cessie en een zeer laat uitgevoerde betekening daarvan na bijna anderhalf jaar radiostilte in de lopende civiele bodemprocedure na verwijzing.

4.17 Na afweging van alle door beide zijden daartoe pro en contra aangevoerde argumenten, zal de rechtbank het procedurele debat van partijen aldus beslissen dat de rechtbank - met na al in alinea 4.14 ook in deze alinea 4.17 en in de volgende alinea 4.19 een voor [A] BV welwillende lezing van de door haar advocaat destijds gebruikte schriftelijke bewoordingen - de hiervoor in alinea 2.29 geciteerde (en pas na toestemming van de plaatselijke Deken van de Orde van Advocaten ter comparitie van 14 mei 2013 geproduceerde) confraternele brief van 23 december 2009 aan de advocaat van Aegon NV zal kwalificeren als een voldoende duidelijke stuitingshandeling op 23 december 2009 van de op 15 februari 2007 aangevangen verjaringstermijn van de vorderingen van [A] op Aegon NV uit de projectovereenkomst. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.18 De wetgever heeft in art. 3:317 lid 1 BW bepaald dat de verjaring van een vordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De Hoge Raad heeft deze streng geformuleerde wettelijke maatstaf echter in meerdere arresten (zie onder meer Hoge Raad 8 oktober 2010, NJ 2010, 545) nader uitgelegd tot de door de rechter te hanteren soepeler maatstaf dat een stuitingshandeling naar de inhoud en strekking een voldoende duidelijke waarschuwing dient in te houden dat de schuldenaar ook na het verstrijken van de verjaringstermijn er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen de alsnog ingestelde vordering van de schuldeiser behoorlijk kan verweren. Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld, waartoe in elk geval de eis is dat de vordering zodanig is omschreven dat de schuldenaar kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren.”

4.19 Naar het oordeel van de rechtbank bevat alles afwegende de hiervoor in alinea 2.29 geciteerde confraternele brief van 23 december 2009 van de advocaat van feitelijk zowel [A] als ook [A] BV aan de advocaat van Aegon NV in de omstandigheden van dit geval in de derde alinea daarvan, gelezen in samenhang met de tweede alinea daarvan, een voldoende duidelijke waarschuwing in de hiervoor in alinea 4.18 geciteerde, door de Hoge Raad bedoelde zin. Dat oordeel van de rechtbank vindt voorts steun in het desbetreffende oordeel van de plaatselijke Deken in zijn brief van 9 april 2013 (productie 19 van [A] BV). Geen steun in het recht vindt het betoog namens Aegon NV dat dergelijke schriftelijke mededelingen (stuitingshandelingen) alleen door een schuldeiser zelf zou kunnen worden gedaan en niet door een derde (zoals zijn advocaat). Voldoende duidelijk volgt ook uit de brief en uit de context daarvan - het was immers de advocaat van Aegon NV die een juridisch-technisch bevoegdheidsincident had opgeworpen met de stelling dat niet [A] BV maar [A] de schuldeiser was van de beweerde vordering tot nakoming van de projectovereenkomst - dat de confraternele brief van mr. Van Seumeren niet slechts is geschreven namens [A] BV maar ook namens [A]. De brief van mr. Van Seumeren aan mr. Jansen bevat, ook gelet op die context en op de hoedanigheid van mr. Jansen als advocaat van Aegon NV in een over de desbetreffende vordering tot nakoming lopende bodemprocedure, naar het oordeel van de rechtbank naar inhoud en strekking een voldoende duidelijke waarschuwing dat Aegon NV haar gegevens en bewijsmateriaal diende te bewaren, opdat zij zich ook na verloop van vijf jaar vanaf 15 februari 2007 nog tegen een door [A] (of zijn rechtsopvolger) in plaats van [A] BV als juiste contractuele wederpartij ingestelde vordering tot nakoming van de door Aegon NV gesloten no cure no pay projectovereenkomst kon verweren.

4.20 Voor zover na het voorgaande nog nodig, overweegt de rechtbank voorts dat zij het met [A] BV en anders dan Aegon NV naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in dit specifieke geval in de hiervoor beschreven specifieke procedurele context van dit geval onaanvaardbaar acht dat aan Aegon NV jegens [A] BV als rechtsopvolger van de contractuele wederpartij [A] een geslaagd beroep zou toekomen op de verjaring van de onderhavige vordering tot nakoming van de voor Aegon NV door de geslaagde WAO premierestitutie van € 503.131,54 in beginsel lucratieve projectovereenkomst. Aegon NV leidt immers geen enkel relevant feitelijk nadeel door het extra tijdsverloop wegens de namens Aegon NV zelf pas in de procedure gestarte juridisch-technische discussie of [A] dan wel [A] BV als haar contractuele wederpartij moet worden aangemerkt. De advocaat van Aegon NV kan zich blijkens de eigen processtukken immers feitelijk uitgebreid verweren tegen de onderhavige vordering tot nakoming van de projectovereenkomst, en niet gesteld of gebleken is voorts dat enig relevant bewijsmateriaal of relevant gegeven door het extra tijdsverloop verloren is gegaan.

4.21 Dit alles brengt de rechtbank tot de slotsom dat aan Aegon NV in dit specifieke geval geen beroep toekomt op verjaring van de onderhavige vordering tot nakoming van de projectovereenkomst. De rechtbank verwerp dus ook het tweede formele verweer.

Het beroep van Aegon NV op ontbinding van de projectovereenkomst wegens wanprestatie.

4.22 Dit is het materiële kernverweer van Aegon NV in deze procedure. Samengevat door de rechtbank betoogt Aegon NV in deze procedure ten eerste uitvoerig en herhaaldelijk, zoals ook al in de correspondentie voorafgaand aan de procedure, dat Aegon NV niets met strafbare feiten en dus met de onderhavige door [A] (BV) en/of diens hulppersoon [C](s BV) gepleegde grootschalige UWV fraude te maken wil hebben. In de uitkomst van de strafzaak tegen [C] ziet Aegon NV samengevat de bevestiging dat bij de onderhavige K&V aanvrage premierestitutie WAO namens Aegon NV door in ieder geval [C] frauduleuze handelingen en strafbare feiten zijn gepleegd, en ook dat [A], hoewel vrijgesproken voor medeplegen, daaraan als oud-werknemer van het UWV met kennis van zaken tenminste medeplichtig moet zijn geweest waardoor [A] zelf evenals [C] ook niet integer heeft gehandeld. Aegon NV beschouwt vooral dit als een wanprestatie van [A] en/of diens hulppersoon [C] onder de bij de projectovereenkomst behorende integriteitsovereenkomst die ontbinding van de projectovereenkomst rechtvaardigt, zodat Aegon NV jegens [A], en na cessie zijn rechtsopvolger [A] BV, van haar contractuele verplichtingen tot betaling van de overeengekomen 25% succes fee is bevrijd.

4.23 Ten tweede ziet Aegon NV ook als een de ontbinding rechtvaardigende wanprestatie van [A] het vaststaande feit, dat [A] zelf vrijwel niets heeft gedaan en zich dus niet zoals volgens Aegon NV overeengekomen door behoorlijk eigen onderzoek heeft ingespannen om de WAO premierestitutie voor Aegon NV te incasseren. Ten derde herhaalt Aegon NV in de hoofdzaak haar subsidiaire tweede incidentele verweer dat opdrachtnemer [A] (BV) zich jegens opdrachtgever Aegon NV op de voet van art. 7:403 lid 2 BW niet behoorlijk heeft verantwoord over de wijze waarop hij en/of zijn hulppersoon de projectovereenkomst hebben uitgevoerd. Ook dit ziet Aegon NV als een wanprestatie van [A] die ontbinding van de projectovereenkomst rechtvaardigt, waardoor zij bevrijd is van haar contractuele verplichting tot betaling van de met [A] overeengekomen 25% succes fee.

4.24 Op haar beurt verweert [A] BV als rechtsopvolger van [A] zich in deze procedure uitgebreid tegen het beroep door Aegon NV (bij wijze van verweer tegen de vordering tot nakoming) op ontbinding van de projectovereenkomst wegens de hiervoor vermelde en door Aegon gestelde, maar door [A] BV betwiste drie wanprestaties.

4.25 Over dit materiële kerngeschil van [A] BV en Aegon NV oordeelt de rechtbank alles afwegende als volgt. Uit de inhoud van de voorgaande alinea 4.9 en 4.10 volgt dat naar het oordeel van de rechtbank [A] bij de uitvoering van de projectovereenkomst hulppersonen mocht inschakelen en dat contractueel irrelevant voor het recht op de 25% succes fee op basis van no cure no pay is hoe veel of hoe weinig uren, werkzaamheden en/of onderzoeken door [A] en/of zijn hulppersonen “op een door HET BURO zelf te bepalen wijze” met een eventueel voor Aegon NV geslaagde incasso WAO premierestitutie gemoeid zouden zijn. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat van de hiervoor in alinea 4.23 samengevatte tweede en derde door Aegon NV gestelde maar door [A] BV betwiste wanprestaties van [A] en/of zijn hulppersoon [C] geen sprake is. Deze twee verweren van Aegon NV tegen de vorderingen van [A] BV moeten dus worden verworpen.

4.26 Voorts en strikt genomen nu ten overvloede overweegt de rechtbank over de ten derde gestelde maar betwiste wanprestatie nog dat [A] in deze procedure wel degelijk alle verantwoording over de wijze van uitvoering van de overeenkomst aan Aegon NV heeft gegeven die van hem redelijkerwijs gevergd kan worden. Daar valt immers eenvoudigweg niet veel meer over te zeggen dan dat [A] nieuwe klanten uit zijn netwerk zoals Aegon NV met UWV aansluitnummer en machtiging bij [C] aanbracht, en dat [C](s BV) vervolgens met dat UWV aansluitnummer en machtiging alle feitelijke werkzaamheden in de systemen van het UWV Eindhoven verrichte om op de valreep vóór 1 januari 2007 tot een voor alle betrokken contractspartijen - met uitzondering van het UWV - winstgevende incasso van de WAO premierestitutie te kunnen komen. [A] heeft overigens, anders dan namens Aegon NV in deze procedure gesteld, blijkens de inhoud van de verklaring in de strafzaak van de destijds betrokken functionaris [E] van Aegon NV zelf (productie 23 van [A] BV) destijds op 10 maart 2007 de door [C] gebruikte lijsten met beweerdelijk arbeidsgehandicapte werknemers van Aegon NV aan Aegon NV overhandigd en in zoverre aan zijn eventuele informatieplicht jegens Aegon NV voldaan.

4.27 Over de ten eerste gestelde maar betwiste wanprestatie (zie alinea 4.22) oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de inhoud van de voorgaande alinea’s 4.8 t/m 4.10 volgt dat naar het oordeel van de rechtbank de contractuele relatie van [A] en Aegon NV redelijkerwijs aldus moet worden uitgelegd dat [A] en zijn hulppersoon [C] de projectovereenkomst op integere wijze moesten uitvoeren. Het contractuele begrip integer is nader gedefinieerd in de integriteitsovereenkomst als met inachtneming en onder eerbiediging van de in het maatschappelijk verkeer geldende normen en waarden, in het bijzonder ten aanzien van de in de financiële dienstverlening noodzakelijke (normen van) integriteit welke door AEGON wordt (worden) uitgedragen. Dit houdt vanzelfsprekend in dat contractuele wezenlijk voor Aegon NV was dat [A] en/of zijn eventuele hulppersonen bij de uitvoering van de projectovereenkomst geen strafbare feiten zou plegen ter incasso van de WAO premierestitutie ingevolge de K&V regeling.

4.28 Door de uitkomst van de strafzaak tegen [C] tot en met cassatie - zie daartoe de voorgaande alinea’s 2.32, 2.34 en 2.39 - staat gelet op art. 161 Rv behoudens tegenbewijs vast dat [C] als hulppersoon van [A] strafbare feiten heeft gepleegd bij onder meer de voor Aegon NV geïncasseerde premierestitutie. Reeds dat levert wanprestatie van [A] op onder de integriteitsovereenkomst en de daarmee nauw samenhangende projectovereenkomst. Handelingen van hulppersoon [C] komen immers op grond van art. 6:76 BW voor risico en rekening van [A]. Aan [A] BV moet echter worden toegegeven dat dit vooralsnog slechts vaststaat voor wat betreft 2 van de 494 werknemers van Aegon NV die als arbeidsgehandicapte werknemers in de jaren 2000 en 2001 staan vermeld op de door [C](s BV) voor [A] (BV) feitelijk verzorgde K&V aanvrage met datum 29 november 2006 namens werkgever Aegon NV. Meer “grootschalige fraude” dan ten aanzien van 2 volgens de strafrechter ten onrechte als arbeidsgehandicapt aangemerkte werknemers van Aegon NV is immers in de strafzaak tegen [C] niet tenlastegelegd en dus niet bewezen verklaard.

4.29 [A] BV betoogt voorts primair dat deze 2 werknemers anders dan in de strafzaak ten onrechte geoordeeld wel degelijk arbeidsgehandicapt waren in de complexe bestuursrechtelijke betekenis van het toenmalige art. 77b WAO, en dat dit waarschijnlijk ook geldt voor veel zo niet alle van de overige 492 werknemers, waarvoor Aegon NV volgens [A] dus wel degelijk in bestuursrechtelijke zin jegens het UWV recht had op de aanvankelijke premierestitutie voor primair 494 arbeidsgehandicapte werknemers van in totaal € 784.636,82. Van relevante strafbare feiten en schending van de integriteit is aldus geen sprake, en daardoor ook niet van de gestelde maar betwiste wanprestatie die algehele ontbinding van de projectovereenkomst zou rechtvaardigen, aldus primair [A] BV. Subsidiair neemt [A] BV bij repliek (zie de alinea’s 5.4 en 5.5 daarvan) en bij pleitnota (zie alinea 5.3 daarvan) voorts het standpunt in dat ten aanzien van de door Aegon NV uiteindelijk behouden premierestitutie van € 503.131,54 in ieder geval geen sprake is van “een frauduleuze reuk” zodat er in zoverre volgens het subsidiaire standpunt van [A] BV geen sprake is van wanprestatie die “(gehele) ontbinding” van de projectovereenkomst zou rechtvaardigen, waardoor [A] BV jegens Aegon NV in ieder geval recht heeft op de contractuele fee berekend over deze door AEGON NV behouden premierestitutie van
€ 503.131,54, aldus het subsidiaire standpunt van [A] BV.

4.30 Aegon NV betwist zulks door in al haar processtukken de ernst van de UWV fraude bij de K&V aanvragen door [C] en ook [A] te blijven benadrukken met alle negatieve gevolgen voor Aegon NV van dien. Zulks rechtvaardigt volgens Aegon NV algehele ontbinding van de overeenkomst, zelfs als er maar met betrekking tot 2 van haar 494 onderhavige werknemers sprake zou zijn van schending van de overeengekomen integriteit. Ook moet worden geoordeeld dat niet alleen [C], maar ook [A] niet te goeder trouw is geweest hetgeen een algehele ontbinding van de projectovereenkomst rechtvaardigt, aldus Aegon NV. Aegon NV neemt in haar eigen stellingen voorts tot uitgangspunt - en heeft desgevraagd door de rechtbank bij pleidooizitting nog eens bevestigd dat Aegon NV er van uit gaat - dat de correctiebeslissingen door het UWV Amsterdam na hercontrole van de K&V aanvrage door dit overheidsorgaan op goede gronden na behoorlijk onderzoek zijn genomen, dat Aegon NV dus materieel gezien wel degelijk recht heeft op de door haar behouden premierestitutie van € 503.131,54 en dat er dus in zoverre geen sprake was van relevante strafbare feiten en/of handelen in strijd met de integriteit. Dit geldt volgens Aegon NV niet voor de aanvankelijke premierestitutie van
€ 784.636,82, waarbij naar het uitgangspunt van Aegon NV wél sprake was van strafbare feiten en dus in zoverre een op niet integere wijze en materieel ten onrechte door Aegon NV verkregen WAO premierestitutie.

4.31 Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] BV in deze procedure dat feitelijke uitgangspunt van Aegon NV onvoldoende concreet betwist, hoewel zulks op haar weg lag en hoewel zij daartoe in deze procedure meer dan voldoende gelegenheid heeft gehad. Dat [A] BV in dit verband problemen met haar concrete stelplicht ondervindt, is voorts een rechtstreeks gevolg van het feit dat haar directeur en rechtsvoorganger [A] de K&V aanvragen voor opdrachtgevers zoals Aegon NV nu eenmaal niet zelf feitelijk verzorgde maar dat vrijwel geheel overliet aan [C], waardoor de rol van [A] bij de grootschalige incasso van de UWV premierestituties zich aldus beperkte tot vooral het aanbrengen van nieuwe klanten bij uiteindelijk [C](s BV). Dit feit moet aldus voor risico en rekening van [A] blijven in de contractuele relatie tot Aegon NV.

4.32 Evenals Aegon NV en subsidiair [A] BV neemt de rechtbank bij haar beoordeling derhalve tot feitelijk uitgangspunt dat er ten aanzien van de aanvankelijke premierestitutie van € 784.636,82 feitelijk wel maar ten aanzien van de uiteindelijk door Aegon NV behouden premierestitutie van € 503.131,54 feitelijk niet sprake is geweest van uitvoeringshandelingen die in strijd waren met de contractueel overeengekomen, door [A] en/of zijn hulppersoon [C] in acht te nemen in het maatschappelijk verkeer geldende normen en waarden, in het bijzonder ten aanzien van de in de financiële dienstverlening noodzakelijke integriteit. Aldus is er naar het eindoordeel van de rechtbank sprake van een in dit geval zeer specifieke wanprestatie onder de projectovereenkomst, die geen algehele ontbinding daarvan rechtvaardigt maar wel partiële ontbinding in zoverre, dat [A] en na cessie zijn rechtsopvolger [A] BV jegens Aegon NV in dit geval recht behoudt op de overeengekomen succes fee van 25% berekend over € 503.131,54 en niet over € 784.636,82. In zoverre slaagt dus het verweer van Aegon NV, maar ook het subsidiaire en impliciete beroep door [A] BV op slechts partiële ontbinding.

Het beroep van Aegon NV op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling of bedrog.

4.33 Dit materiële verweer van Aegon NV hangt uit de aard der zaak nauw samen met het in de voorgaande alinea’s 4.22 t/m 4.32 door de rechtbank beoordeelde materiële kernverweer. Voor zover het beroep namens Aegon NV op dwaling of bedrog berust op dezelfde feitelijke omstandigheden van dit geval als haar beroep op wanprestatie, slagen die verweren van Aegon NV en de daartegen aangevoerde argumenten van [A] BV dus eveneens gedeeltelijk in die zin, dat zulks naar het eindoordeel van de rechtbank leidt tot partiële vernietiging van de projectovereenkomst in die zin dat [A] BV als rechtsopvolger van [A] recht behoudt op de overeengekomen succes fee van 25% berekend over de naar feitelijk moet worden aangenomen door Aegon NV wel integer behouden premierestitutie van € 503.131,54. In zoverre mist dit tweede materiële verweer van Aegon NV zelfstandige betekenis.

4.34 Aegon NV heeft nog als zelfstandig feitelijk (en na al het voorgaande: extra) argument voor haar beroep vernietiging van de gehele projectovereenkomst wegens dwaling of bedrog betoogd dat [A] in dit geval als oud-werknemer van het UWV wel degelijk wist of moest weten dat [C] nooit formeel toestemming van het UWV zou hebben gekregen om als zelfstandig ondernemer op kantoor in de UWV systemen voor eigen opdrachtgevers zoals Aegon NV de onderhavige dubieuze incassowerkzaamheden te verrichten. Volgens Aegon NV heeft [A] dit alles bewust verzwegen bij de contractsluiting. [A] BV stelt daar tegenover dat [A], zoals ook bij de vrijspraak in zijn strafzaak is geoordeeld (zie daartoe het citaat in alinea 2.31), feitelijk niets wist of kon weten van de laakbare praktijken van [C] waardoor hij bij de contractsluiting geen mededelingsplicht jegens Aegon NV heeft geschonden of kon schenden, nog daargelaten dat Aegon NV volgens [A] (BV) destijds ook haar eigen onderzoeksplicht heeft geschonden door hem geen enkele vraag te stellen over de wijze waarop [A] de incasso van de WAO premierestitutie op de valreep voor 1 januari 2007 bij het UWV zou kunnen (doen) bewerkstelligen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Aegon NV dat feitelijk betoog van [A] BV onvoldoende concreet bestreden, en heeft Aegon NV aldus onvoldoende concrete feiten gesteld die na de gemotiveerde betwisting door [A] BV nog kunnen leiden tot de conclusie dat dit zelfstandige verweer van Aegon NV kan slagen.

Het beroep door beide procespartijen op de redelijkheid en de billijkheid (art. 6:248 BW).

4.35 Uit al het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank in beginsel de primaire hoofdvordering na eiswijziging van [A] BV van € 233.429,45 in hoofdsom moet worden afgewezen, maar ook dat in beginsel de subsidiaire hoofdvordering van
€ 149.681,63 uit hoofde van nakoming van de in zoverre rechtens in stand te laten projectovereenkomst moet worden toegewezen.

4.36 [A] BV doet echter vooral bij repliek (zie alinea 6.1 daarvan) nog een beroep op naar de rechtbank begrijpt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bepaald in art. 6:248 lid 1 BW. De advocaat van [A] BV betoogt in dit verband dat de correctiebeslissingen van het UWV die hebben geleid tot de terugvordering en tot de uiteindelijk door Aegon NV behouden premierestitutie van € 503.131,54 op onjuiste gronden zijn genomen. Volgens [A] BV had Aegon NV in de contractuele relatie tot [A] (BV) dus bezwaar moeten aantekenen tegen die correctiebeslissingen. Dat had er volgens [A] (BV) toe geleid, mede gelet op de vervaltermijn van het toenmalige art. 13 CSV en op de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie nader de publicatie met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2009:BK6865), dat in geval van tijdig bezwaar door of namens Aegon NV tegen de correctiebeslissingen de bestuursrechter uiteindelijk zou hebben geoordeeld dat Aegon NV recht had op de aanvankelijke premierestitutie van € 784.636,82, en [A] (BV) dus op 25% daarvan. Volgens [A] BV was Aegon NV gehouden ook rekening te houden met de belangen van haar contractuele wederpartij [A] (BV).

4.37 Aegon NV betwist dit betoog. Volgens haar was en is er onder meer niets onredelijks of onbillijks aan haar beslissing om destijds geen bezwaar aan te tekenen wegens de door het lopende strafrechtelijk onderzoek bevestigde twijfels aan de integriteit van (ook) Aegon NV, temeer omdat de projectovereenkomst met [A] voor Aegon NV geen contractuele verplichting bevat om bezwaar aan te tekenen tegen een door het UWV toegekende premierestitutie, en temeer omdat Aegon NV materieel gezien volgens haar jegens het UWV slechts recht had op € 503.131,54 en niet door [A] gedwongen kon worden om met behulp van een formeel vermoedelijk succesvol beroep op de vervaltermijn van art. 13 CSV jegens het UWV alsnog aanspraak te maken op € 784.636,82.

4.38 Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] BV na de voormelde gemotiveerde betwisting door Aegon NV onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid Aegon NV in de specifieke omstandigheden van dit geval - waarbij het feitelijk uitgangspunt voor de beoordeling blijkens de voorgaande alinea 4.32 moet zijn dat Aegon NV materieel en achteraf gezien jegens het UWV geen recht had op € 784.636,82 maar wel op € 503.131,54 - jegens haar contractuele wederpartij [A] desondanks gehouden was om op formele gronden toch tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de correctiebeslissingen van het UWV. Onvoldoende daartoe is in de gegeven toenmalige, voor beide zijden benarde omstandigheden van het lopende strafrechtelijke onderzoek, de enkele algemene omstandigheid dat Aegon NV niet alleen met haar eigen belangen maar ook met de belangen van haar contractuele wederpartij [A] rekening had te houden. Enig ander concreet argument is in en buiten rechte (zie daartoe ook de inhoud van de correspondentie die is geciteerd in de alinea’s 2.19 t/m 2.24 op de desbetreffende vraag van Aegon NV) door of namens [A] (BV) niet gesteld. Een voldoende duidelijke bepaling in de projectovereenkomst die nog kan leiden tot honorering van dit beroep door [A] BV op de aanvullende werking van d eredelijkheid en de billijkheid is tenslotte ook niet gesteld of gebleken. Artikel 1.2 van de door [A] ontworpen projectovereenkomst (zie alinea 2.11) kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet tot die verstrekkende conclusie leiden.

4.39 Op haar beurt doet ook Aegon NV een beroep op de redelijkheid en de billijkheid, maar dan op de beperkende werking daarvan in de zin van art. 6:248 lid 2 BW. Namens haar wordt daartoe samengevat betoogd dat [A] desgevraagd ter comparitie heeft verklaard dat de mondelinge afspraak tussen hem en [C] was dat [A] (BV) van de van zijn (haar) opdrachtgevers zoals Aegon NV geïncasseerde 25% succes fee 60% zou afdragen aan [C](s BV) en dus zelfs slechts 40% zou behouden (zie ook alinea 2.4). Het zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn indien de rechtbank eraan zou meewerken - zo wordt namens Aegon NV betoogd - dat [A] bij toewijzing van de vordering 60% daarvan moet afdragen aan de veroordeelde fraudeur [C], aldus samengevat Aegon NV. Gelet op dat verweer van Aegon NV heeft [A] BV haar vordering bij repliek meer subsidiair nog verminderd tot € 50.313,- in hoofdsom, dat is 40% x 25% = 10% van de door Aegon NV behouden premierestitutie van afgerond € 503.131,-, aldus [A] BV. Voorts bestrijdt [A] BV dit verweer van Aegon NV op meerdere, hierna door de rechtbank voor zover nodig te beoordelen gronden.

4.40 Naar het oordeel van de rechtbank miskent de advocaat van Aegon NV bij zijn beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid dat uit de eigen stellingen en feitelijke uitgangspunten van Aegon NV zelf volgt dat de door Aegon NV behouden premierestitutie van € 503.131,42 nu juist niet in relevant verband staat met gepleegde frauduleuze handelingen of schendingen van de overeengekomen integriteit. Zonder nadere toelichting van Aegon NV - die ontbreekt – is het naar het oordeel van de rechtbank onder die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid niet onaanvaardbaar dat Aegon NV alsnog de destijds overeengekomen 25% van € 503.131,42 aan [A] BV moet betalen, ook niet indien daarvan 60% zou worden doorbetaald, al dan niet via de door [A] bij pleidooi genoemde verrekening, aan [C](s BV).

4.41 De rechtbank is het daarentegen eens met het tegengestelde standpunt van [A] BV dat het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid juist onaanvaardbaar zou zijn, indien Aegon NV niet in hoofdsom in ieder geval alsnog de omstreeks 1 december 2006 overeengekomen 25% succes fee plus 19% BTW voor verleende diensten berekend over de door haar behouden premierestitutie van € 503.131,42 aan [A] BV als rechtsopvolger van [A] zou moeten betalen. De overeengekomen no cure no pay houdt als tegenpool daarvan immers vanzelfsprekend ook in cure = pay, althans op voorwaarde dat voldoende vaststaat dat de incasso heeft plaatsgevonden op integere wijze zoals nader bepaald in de bij de projectovereenkomst behorende integriteitsovereenkomst. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank – strikt genomen ten overvloede - eens te meer nu het initiatief tot de in beginsel vooral voor Aegon NV (met 75% winst) lucratieve projectovereenkomst op de valreep voor 1 januari 2007 van Aegon NV zelf is uitgegaan en niet van [A] (met 25% of 10% winst), zoals volgt uit de inhoud van de alinea’s 2.5 en 2.6.

De nevenvorderingen van [A] BV en de daartegen door Aegon NV gevoerde verweren.

4.42 De tussenconclusie van de rechtbank na al het voorgaande is dat de subsidiaire hoofdvordering van [A] BV op Aegon NV van na eiswijziging € 149.681,63 in hoofdsom moet worden toegewezen. Ter beoordeling door de rechtbank resteren dan nog de nevenvorderingen van [A] BV en de daartegen door Aegon NV gevoerde verweren.

4.43 [A] BV vordert de contractuele rente, althans de wettelijke handelsrente over deze toewijsbare € 149.681,63 met ingang van 15 februari 2007 (de vervaldatum van de factuur) althans met ingang van 29 april 2010 (de datum van de vrijspraak van [A]). Aegon NV voert daartegen meerdere, hierna te beoordelen verweren.

4.44 Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gesteld, gebleken of aannemelijk dat door of namens [A] (BV) in de correspondentie buiten rechte het contractuele recht op betaling van de contractuele rente over het juiste factuurbedrag binnen 14 dagen na de factuurdatum jegens Aegon NV is prijsgegeven of wilde worden prijsgegeven. De rechtbank verwijst daartoe nu kortheidshalve naar de inhoud van de in alinea 2.17 t/m 2.22 geciteerde correspondentie. Aegon NV heeft dit althans redelijkerwijs zo niet mogen opvatten bij de opschorting van haar per 15 februari 2007 in beginsel door [A] al opeisbare betalingsverplichtingen. De enkele - opnieuw ongelukkig geformuleerde - vermelding van “het parkeren van de afgesproken fee tegen de wettelijke rente voor handelstransacties” door [A] in zijn brief van 11 juli 2007 is daartoe onvoldoende, zulks afgewogen tegen de meerdere andere latere aanknopingspunten dat [A] jegens Aegon NV aanspraak bleef maken op de contractuele rente, maar in diezelfde brief ook al op de rente “conform de afspraken in ons contract”.

4.45 Die toewijsbare contractuele rente over de hoofdsom met ingang van 15 februari 2007 bedraagt onweersproken en ook blijkens artikel 8.2 van de (door Aegon NV overgelegde drie verschillende sets) algemene voorwaarden “1% per maand, tenzij de wettelijke rente hoger is in welk geval de wettelijke rente geldt”. Pas bij pleitnota heeft de advocaat van Aegon NV (alinea 2.8 daarvan) nog een beroep gedaan op de niet toepasselijkheid of vernietigbaarheid van deze bepaling uit de algemene voorwaarden. De advocaat van [A] BV heeft zich daar ter pleitzitting vervolgens mondeling formeel tegen verzet omdat hij dat beroep tardief en in strijd met de goede procesorde acht en er dus in eerste aanleg niet meer op kan en/of wil reageren. Reeds daarom zal de rechtbank dit zonder goede redenen (anders de advocaat van Aegon NV nog mondeling stelde) nieuwe verweer van Aegon NV passeren als zijnde gelet op het uitvoerige procesverloop tardief en in strijd met de goede procesorde. Ook inhoudelijk valt zonder nadere toelichting – die ontbreekt – overigens niet in te zien dat en waarom Aegon Nv destijds niet heeft beschikt of kon beschikken over die algemene voorwaarden, gelet op met name de inhoud van artikel 8 (zie alinea 2.11) van de door Aegon NV voor akkoord ondertekende projectovereenkomst.

4.46 Bij repliek met eiswijziging (zie alinea 3.4) heeft de advocaat van [A] BV met zijn slotconclusie “voor het overige: tot persistit!” blijkbaar bedoeld om de bij dagvaarding nog expliciet in de hoofdvordering begrepen buitengerechtelijke incassokosten (zie alinea 3.1) bij repliek niet prijs te geven, hoewel die incassokosten bij repliek formeel niet meer onderdeel uitmaken van die gewijzigde hoofdvorderingen en ook niet zijn geformuleerd als een expliciete nevenvordering. De rechtbank leidt dit af uit de inhoud van alinea 7.3 van die conclusie van repliek. Blijkbaar heeft de advocaat van Aegon NV dat bij dupliek ook zo opgevat, gelet op de inhoud van de alinea’s 8.1 t/m 8.4 van die conclusie van dupliek.

4.47 Anders dan Aegon NV en met [A] BV is de rechtbank alles afwegende over dit materiële geschilpunt van oordeel dat de inhoud en de omvang van de correspondentie buiten rechte zoals hiervoor geciteerd in de alinea’s 2.17 t/m 2.24 toekenning van de forfaitaire incassokosten van (2 x € 1.421,- =) € 2.842,- (dit forfaitaire tarief berekend derhalve over de toewijsbare subsidiaire hoofdsom van na eiswijziging € 149.681,63) in dit geval rechtvaardigt. Aldus zal worden beslist.

4.48 De rechtbank zal Aegon NV als de in relevante mate in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in de hoofdzaak van [A] BV, die de rechtbank zal begroten aan de hand van de toewijsbare hoofdsom na eiswijziging van € 149.681,63. Gelet op het uitvoerige procesverloop van de hoofdzaak betekent dit dat de rechtbank voor forfaitair salaris advocaat aan [A] BV zal toekennen (5 x € 1.421,- =) € 7.105,- en voor de gemaakte deurwaarderskosten van dagvaarding de daarop vermelde € 85,87. Voor het griffierecht heeft te gelden dat gelet op het verloop en de uitkomst van deze procedure van het destijds in augustus 2009 door [A] BV aan de rechtbank Roermond betaalde griffierecht van € 4.938,- in deze procedure redelijkerwijs toewijsbaar is (2,2% van
€ 149.681,63, naar boven of beneden afgerond op zoals in 2009 wettelijk bepaald € 5,-, dat is dus) € 3.295,-. Dit in beginsel voor betaald griffierecht aan [A] BV toewijsbare deelbedrag moet echter nog worden verminderd met het aldus gelet op het verloop en de uitkomst van deze procedure nodeloos door Aegon NV aan de rechtbank Roermond teveel betaalde gedeelte van het griffierecht van (het toenmalige maximum van € 4.938,- minus de voormelde € 3.295,- = ) € 1.643,-. Per saldo betekent deze rekensom dat Aegon NV nog
(€ 3.295,- minus € 1.643,- =) € 1.652,- voor de door [A] BV aan de rechtbank Roermond betaalde griffierechten moet terugbetalen. Dit alles brengt de rechtbank tot de slotsom dat Aegon NV aan [A] BV voor de proceskosten (€ 7.105,- + € 85,87 +
€ 1.652,- =) € 8.842,87 moet betalen. Aldus zal worden beslist.

4.49 De advocaat van Aegon NV heeft tot slot expliciet verweer gevoerd tegen de nevenvordering van [A] BV tot zo veel mogelijk uitvoerbaar verklaring bij voorraad van dit vonnis. Namens Aegon NV is zowel bij antwoord als bij dupliek betoogd dat Aegon NV deze in haar visie scherp gezegd “verjaarde fraudezaak” zeer principieel opneemt en - zo begrijpt de rechtbank - reeds daarom hoe dan ook hoger beroep zal willen instellen tegen elke veroordeling die meer omvat dan de in der minne al steeds aan [A] (BV) aangeboden redelijke vergoeding voor de ten behoeve van de onderhavige incasso bij het UWV van de K&V premierestitutie WAO door [A] (BV) voor Aegon NV gewerkte uren en gemaakte onkosten. Voorts betoogt Aegon NV dat er gelet op de benarde financiële situatie van [A] BV en haar directeur [A] en de beweerde 60% doorbetalingsverplichting aan [C](s BV) een reëel restitutierisico bestaat in geval van een voor Aegon NV gunstige afloop van dat door Aegon NV principieel wenselijk geachte hoger beroep. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de advocaat van [A] BV tegen die concrete argumenten van Aegon NV in deze procedure onvoldoende concreet verweer gevoerd. Daarom zal de rechtbank alles afwegende (de veroordelingen in) haar vonnis in dit specifieke geval niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4.50 Alle voorgaande rechtsoverwegingen van de rechtbank in al de voorgaande alinea’s brengen de rechtbank tot de hierna volgende beslissingen. De overige geschilpunten van partijen die hiervoor niet door de rechtbank zijn beoordeeld kunnen niet tot een andere beslissing leiden en zullen daarom bij gebrek aan belang onbeoordeeld blijven.

De beslissingen

De rechtbank:

5.1 veroordeelt Aegon NV om aan [A] BV (als rechtsopvolger van [A] na cessie) uit hoofde van de onderhavige projectovereenkomst te betalen een bedrag van

€ 149.681,63 (inclusief 19% BTW) in hoofdsom, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand (tenzij de wettelijke rente hoger is in welk geval contractueel die hogere wettelijke rente geldt) over € 149.681,63 met ingang van 15 februari 2007;

5.2 veroordeelt Aegon NV om aan [A] BV te betalen € 2.842,- voor incassokosten plus in totaal € 8.842,87 voor de proceskosten;

5.3 wijst al het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2014.