Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5582

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
C/09/460965 / KG ZA 14-226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Particuliere verhuurders moeten naar belastingrechter voor oordeel over verhuurderheffing

Particuliere verhuurders die het oneens zijn met de Staat over de zogenoemde verhuurderheffing, moeten een zaak aanspannen bij de belastingrechter. Dat is het oordeel van de voorzieningenrechter in Den Haag in een civiel kort geding dat de verhuurders hierover hadden aangespannen tegen de Staat.

De verhuurders wilden af van de verhuurderheffing, op grond waarvan verhuurders met meer dan tien huurwoningen in de gereguleerde sector een heffing dienen te voldoen, berekend op basis van de WOZ-waarde van deze woningen. Ze wilden ervan af omdat deze heffing naar hun zeggen tot gevolg zou hebben dat zij structureel verlies lijden op hun woningen en dat zij ten onrechte gelijk worden behandeld met de woningcorporaties, die al jarenlang profiteren van het rijksbeleid. Het is echter aan de belastingrechter om te beoordelen of dit mag. De verhuurderheffing is immers een belasting.

De voorzieningenrechter oordeelt verder dat een aantal andere maatregelen geen ontoelaatbare staatssteun ten gunste van de woningcorporaties opleveren. De verhuurders hadden dit proberen aan te tonen ten aanzien van onder meer de in Wet maatregelen woningmarkt II opgenomen mogelijkheid tot heffingsvermindering en de afspraken uit het zogenoemde Aedesakkoord. De voorzieningenrechter ging hier echter niet in mee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/868
V-N 2014/24.13 met annotatie van Redactie
FutD 2014-1094
De redactie annotatie in NTFR 2014/1397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/460965 / KG ZA 14-226

Vonnis in kort geding van 7 mei 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Metterwoon Holding B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1] Vastgoed Holding B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Queenstaete II B.V.,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

The Hague Management B.V.,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Laak Beheer B.V.,

alle gevestigd te Den Haag,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 2] Vastgoed Beheer B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

7. de naamloze vennootschap

Vastgoed Syndicering Nederland N.V.,

gevestigd te Driebergen,

eiseressen,

advocaat mr. A. de Groot te Den Haag,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Bootsma te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiseressen’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 april 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Eiseressen exploiteren vastgoedondernemingen (of zijn lasthebbers van exploitanten van vastgoedondernemingen) die in Nederland, al dan niet door middel van houdster- of dochtermaatschappijen, tienduizenden woningen in de gereguleerde sector (“sociale huurwoningen”) verhuren. Op de woningen in de gereguleerde sector zijn dwingendrechtelijke bepalingen van toepassing, waarbij wordt uitgegaan van een gemaximeerde ‘redelijke huurprijs’ en niet – zoals in de geliberaliseerde sector – van een marktconforme huurprijs. Huurwoningen met een huur lager dan de jaarlijks vastgestelde huurtoeslaggrens (de liberalisatiegrens) vallen binnen de gereguleerde sector. Het overgrote deel van de woningen in de gereguleerde sector is in handen van woningcorporaties.

1.2.

Bij beschikking van 15 december 2009 heeft de Europese Commissie vastgesteld dat bepaalde voordelen die woningcorporaties sinds de invoering van het huidige woonbestel genieten, zijn aan te merken als staatssteun, maar dat deze steun toelaatbaar is mits de door de Nederlandse autoriteiten gedane toezeggingen – in het bijzonder over het onderscheid tussen diensten van algemeen economisch belang (DAEB) en niet-DAEB – in wetgeving worden omgezet. De beschikking is nog niet onherroepelijk, maar heeft wel rechtskracht. Tot dusver heeft de verlangde omzetting, in de nieuwe Woningwet, niet plaatsgevonden. Een andere toezegging heeft betrekking op de zogenoemde 10%-norm: de waarborg dat 90% van de sociale huurwoningen wordt toegewezen aan personen behorend tot de doelgroep met een inkomen onder de jaarlijks vastgestelde huurinkomensgrens.

1.3.

Op 18 september 2012 heeft de regering een wetsvoorstel ter invoering van een verhuurderheffing aan de Tweede Kamer gezonden. Het voorstel houdt, verkort weergegeven, in dat verhuurders van woningen in de gereguleerde sector een bijdrage dienen te leveren aan de rijksuitgaven. Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3) is de achtergrond van het wetsvoorstel mede hierin gelegen dat de verhuurders in de gereguleerde sector profiteren van het gevoerde beleid, dat heeft geleid tot een marktsegment voor betaalbare huurwoningen met een hoge mate van stabiliteit en gewaarborgde inkomsten. Daarnaast is in de memorie van toelichting gewezen op het toen aanhangige wetsvoorstel voor een inkomensafhankelijke huurverhoging, waarmee de verdiencapaciteit van de verhuurders zou worden vergroot.

1.4.

In zijn advies over het toenmalige wetsvoorstel voor deze wet (zie Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 4) heeft de Raad van State te kennen gegeven in de toelichting een beschouwing over de mogelijke gevolgen van de verhuurderheffing voor andere verhuurders dan de corporaties te missen.

1.5.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer heeft het kabinet op een vraag omtrent de positie van de particuliere verhuurders als volgt geantwoord:

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de positie van particuliere verhuurders, die ongeveer 20% van de gereguleerde huurwoningen in bezit hebben. Particuliere verhuurders, zo stellen deze leden, verschillen fundamenteel van woningcorporaties, voor wat betreft hun doelstellingen, maatschappelijke rol, fiscale behandeling en draagkracht om de nieuwe belasting te kunnen betalen. Het kabinet wijst erop dat het nu en in het verleden gevoerde Rijksbeleid ertoe heeft geleid dat er een marktsegment voor betaalbare huurwoningen is ontstaan dat een hoge mate van stabiliteit en gewaarborgde inkomsten kent voor verhuurders. Voor de minst draagkrachtige huishoudens is bovendien de huurtoeslag in het leven geroepen, die vraagondersteunend en prijsondersteunend werkt. Dit geldt niet alleen voor de corporaties, maar ook voor andere partijen die op deze markt actief zijn. Het kabinet acht het tegen deze achtergrond redelijk dat alle verhuurders die op de gereguleerde markt actief zijn en een belang hebben bij stabiliteit en gewaarborgde inkomsten door middel van deze heffing een bijdrage leveren aan de uitgaven van het Rijk. Het maken van een uitzondering voor de heffing voor particuliere verhuurders op de gereguleerde markt is niet in overeenstemming met deze gedachte. Bovendien zouden corporaties door het creëren van ongelijkheid tussen particuliere verhuurders en woningcorporaties in een nadeligere positie komen te verkeren dan die particuliere verhuurders. De enige rechtvaardigheidsgrond voor een dergelijke ongelijke behandeling zou zijn gelegen in de wettelijke taak die corporaties hebben, en de voordelen die zij nu zouden hebben of zouden hebben gehad ten opzichte van andere partijen. Zoals ook in de Brede Heroverwegingen Wonen1 is opgemerkt, is het verschil tussen corporaties en commerciële verhuurders in de loop der tijd verminderd. Geconstateerd moet worden dat ook commerciële verhuurders in het verleden gebruik hebben gemaakt van overheidssubsidies en tevens ook baat hebben bij de huurtoeslag, zij het in mindere mate dan corporaties. Sinds 2008 betalen corporaties ook vennootschapsbelasting over al hun activiteiten, hetgeen een specifieke heffing voor alleen corporaties nog minder rechtvaardigbaar maakt. Ten slotte geldt ook voor particuliere verhuurders dat het voorgestelde ruimere huurbeleid de verdiencapaciteit verhoogt. Om deze redenen is het kabinet niet bereid, zoals de leden van de fractie van de PvdA zich afvragen, om voor particuliere verhuurders van gereguleerde huurwoningen een uitzondering te maken en deze uit te sluiten van toepassing van de Wet verhuurderheffing.” (Kamerstukken I 2012/13, 33 405, E, p. 13).

1.6.

Op 16 maart 2013 is wetgeving omtrent de inkomensafhankelijke huurverhoging in werking getreden. Deze wetgeving biedt verhuurders in de gereguleerde sector de mogelijkheid om op basis van het huishoudinkomen van de huurder(s), de huur te verhogen met bepaalde vastgelegde percentages, bovenop het inflatiepercentage, tot ten hoogste de huurtoeslaggrens. Hiertoe dient per woning een inkomensverklaring van de huurder(s) te worden opgevraagd bij de Belastingdienst. Voor de huurverhoging vanaf 1 juli 2014 konden verhuurders tussen 3 februari en 1 maart 2014 een account/inlogcode aanvragen.

1.7.

Bij wetten van 3 juli 2013 (Wet verhuurderheffing, Stb. 2013, 285 en de Wet houdende wijziging van de Wet verhuurderheffing, Stb. 2013, 284) is een verhuurderheffing geïntroduceerd over het jaar 2013. Deze verhuurderheffing bedraagt voor degene die op 1 januari 2013 het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan tien huurwoningen in de gereguleerde sector, 0,014% van het “belastbare bedrag” Dit is de som van de waarden van de huurwoningen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) verminderd met tienmaal de gemiddelde WOZ-waarde van die huurwoningen. De wet omschrijft de verhuurderheffing als een belasting.

1.8.

Twee eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen de verhuurderheffing 2013. De desbetreffende procedures zijn nog niet afgerond.

1.9.

Op 28 augustus 2013 heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst (hierna ‘de minister’) namens het kabinet afspraken gemaakt met Aedes, de branchevereniging van woningcorporaties. In dit zogenoemde Aedesakkoord is onder meer afgesproken dat voor investeringen van de corporaties extra middelen beschikbaar worden gesteld. De brief waarin het akkoord is neergelegd (bijlage bij Kamerstukken II, 2012/13, 29 453, nr. 328) vermeldt onder meer:

- De integratieheffing BTW vervalt. Dat betekent een voordeel voor corporaties van circa € 60 miljoen per jaar.

- Uit het Energieakkoord komt € 400 miljoen beschikbaar (2 x € 200 miljoen in 2018 en 2019) voor energiebesparende maatregelen door verhuurders in de sociale huursector.

Voor zover de verhuurderheffing dat mogelijk maakt zullen corporaties naar vermogen investeren in de sociale woningbouw.

1.10.

De verhuurderheffing over de jaren 2014 en volgende jaren is geregeld bij de wet van 18 december 2013, Stb 2013, 583 (Wet maatregelen Woningmarkt 2014 II). In deze wet (hierna ‘de Wet’) is de verhuurderheffing over 2014 vastgesteld op 0,381% van het belastbare bedrag dat op dezelfde wijze wordt berekend als de in 1.7 vermelde verhuurderheffing over 2013. De heffing dient op aangifte te worden voldaan en de aangifte over 2014 dient uiterlijk op 30 september 2014 te worden gedaan. In artikel 1.11 van de Wet (in samenhang met de Regeling vermindering verhuurderheffing, Stcrt. 2013, 34747) wordt tevens voorzien in heffingsverminderingen. Daarvoor komen verhuurders in aanmerking indien zij investeringen doen (door bouw, verbouw of sloop) in de in de Wet vermelde regio’s. Hierbij is bepaald dat de gedane investeringen slechts in aanmerking worden genomen indien de investeringskosten een beloop hebben van ten minste de in de Wet vermelde bedragen, die lager zijn dan de in de Wet vermelde heffingsverminderingen.

1.11.

Bij afzonderlijke vonnissen van 4 december 2013 heeft deze rechtbank in een civiele procedure tussen de stichting Fair Huur voor Verhuurders tegen de Staat (ECLI:NL:RBDHA:2013:16373) en in een civiele procedure tussen Nobel en anderen tegen de Staat (nog niet gepubliceerd) geoordeeld dat het samenstel van de Nederlandse wet- en regelgeving ten aanzien van huurprijsbeheersing, huurbescherming en huisvesting, alsmede de verhuurderheffing, niet in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna ‘het Eerste Protocol’).

1.12.

Het externe onderzoeksbureau Companen heeft in opdracht van Vastgoed Belang, een belangenvereniging van particuliere verhuurders, een onderzoek ingesteld naar de inkomsten (“extra huurruimte”) die particuliere verhuurders kunnen verwerven door de inkomensafhankelijke huurverhoging. In zijn rapport van 2 december 2013 concludeert Companen dat die extra huurruimte tussen 2013 en 2017 oploopt van € 45 miljoen tot € 234 miljoen per jaar. De totale omvang van de verhuurderheffing voor particuliere verhuurders wordt door partijen becijferd op 300 miljoen euro per jaar.

1.13.

Op 26 november 2013 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin de minister wordt verzocht om de mogelijkheid van een verhoging van de huurinkomensgrens van € 34.000,- naar € 38.000,- (prijspeil 2012) met de Europese Commissie te bespreken en de Kamer daarover uiterlijk bij de behandeling van de herziene Woningwet te informeren. Onderdeel van dat voorstel is dat 20% van de bestaande sociale woningvoorraad wordt bestemd voor huishoudens met een inkomen tussen € 34.000,- en € 38.000,- per jaar. (Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 750 XVIII, nr. 24.)

1.14.

De in het Aedesakkoord vermelde integratieheffing is per 1 januari 2014 afgeschaft.

1.15.

Het Energieakkoord, waarnaar verwezen wordt in het Aedesakkoord, houdt onder meer in dat woningeigenaren in aanmerking komen voor subsidie van in totaal € 400 miljoen, indien zij investeren in het energiezuinig maken van woningen in de gereguleerde sector.

2 Het geschil

2.1.

Na wijziging van eis vorderen eiseressen, zakelijk weergegeven:

primair: de Staat te gebieden de Wet buiten werking te stellen, dan wel alle artikelen en bepalingen in de Wet die betrekking hebben op de verhuurderheffing, buiten werking te stellen;

subsidiair: de Wet te schorsen totdat in een bodemprocedure is uitgemaakt of de Wet, althans de daarin opgenomen bepalingen die betrekking hebben op de verhuurderheffing, al dan niet definitief buiten werking moet(en) worden gesteld;

meer subsidiair: de Staat te verbieden om uitvoering te geven aan de verhuurderheffing, de afspraken uit het Aedesakkoord, de heffingsvermindering en de verhoging van de inkomensgrens voor sociale huurwoningen en de 10%-norm, althans hem te verbieden uitvoering te geven aan voormelde afspraken en maatregelen zolang de Europese Commissie niet heeft beslist dat die afspraken en maatregelen verenigbaar zijn met de interne markt;

primair, subsidiair en meer subsidiair voorts: een gebod aan de Staat om alle steun die is verleend op grond van de in hoofdstuk 4 van de dagvaarding vermelde wetgeving, afspraken en anderszins, terug te vorderen;

meest subsidiair: op basis van de door eiseressen betrokken stellingen in goede justitie een passende voorziening te treffen;

alles met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2.

Daartoe stellen eiseressen – verkort weergeven – het volgende. De Wet dient buiten werking te worden gesteld, althans te worden geschorst, aangezien de daarin opgenomen verhuurderheffing in strijd is met het eigendomsrecht van particuliere verhuurders zoals eiseressen. Aangezien de inkomsten uit de inkomensafhankelijke huurverhoging, die bovendien gepaard gaat met uitvoeringsproblemen en aanmerkelijke administratieve lasten, niet opweegt tegen lasten van de verhuurderheffing, worden de particuliere verhuurders geconfronteerd met negatieve rendementen en een structurele verliespositie en daarmee met een buitensporige individuele last. Dit is in strijd met artikel 1 Eerste Protocol. Voorts is de verhuurderheffing in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aangezien de particuliere verhuurders ten onrechte gelijk behandeld worden met de woningcorporaties. Anders dan de corporaties, kunnen de particuliere verhuurders feitelijk niet profiteren van de heffingsvermindering en de in het Aedesakkoord opgenomen afspraken. Van eiseressen kan niet worden gevergd dat zij de uitkomst van bestuursrechtelijke procedures afwachten, aangezien die weg thans nog niet openstaat en zij (al dan niet via hun dochtermaatschappijen) schade zullen lijden in de vorm van ten onrechte genomen besparingsmaatregelen, niet-gedane investeringen, onnodig gemaakte administratie- en uitvoeringskosten en gederfde winst.

Daarnaast zijn de heffingsvermindering, de in het Aedesakkoord opgenomen afspraken en het voorstel tot verhoging van de huurinkomensgrens in combinatie met de wijziging van de 10%-norm aan te merken als nieuwe, niet-aangemelde staatssteun ten gunste van de woningcorporaties, onder meer in de vorm van kruissubsidiëring. Op grond van artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet de Staat – totdat de Europese Commissie heeft beslist dat de steunmaatregelen wel toelaatbaar zijn – worden verboden uitvoering te geven aan deze steunmaatregelen en moet aan de Staat het gebod worden opgelegd de reeds uitgekeerde bedragen terug te betalen.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Eiseressen hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven.

3.2.

Het geschil van partijen betreft in het bijzonder twee vragen: in de eerste plaats de vraag naar de rechtmatigheid van de verhuurderheffing en in de tweede plaats de vraag of de in de Wet opgenomen heffingsvermindering, de afspraken opgenomen in het Aedesakkoord, het recent door de Tweede Kamer aangenomen voorstel tot wijziging van de huurinkomensgrens en de 10%-norm zijn aan te merken als ontoelaatbare staatssteun. Deze kwesties komen hierna achtereenvolgens aan de orde.

De verhuurderheffing

3.3.

Als meest verstrekkende verweer heeft de Staat aangevoerd dat eiseressen in hun vorderingen met betrekking tot de verhuurderheffing niet ontvankelijk moeten worden verklaard, aangezien een exclusieve en met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter en meer bijzonder de belastingrechter, voorhanden is. Hiertegenover hebben eiseressen het volgende betoogd. De bestuursrechtelijke rechtsgang ten aanzien van de verhuurderheffing 2014 staat voor hen nog niet open. Bovendien kunnen niet alle eiseressen gebruikmaken van die mogelijkheid. Gelet op hun grote financiële belangen in combinatie met de uitvoeringsproblemen en de administratieve lasten van de inkomensafhankelijke huurverhoging en de omstandigheid dat de in de Wet opgenomen heffingsvermindering is aan te merken als ontoelaatbare staatssteun, hebben zij er een groot en spoedeisend belang bij om duidelijkheid te verkrijgen over de verhuurderheffing. Van hen kan niet worden gevergd dat zij, dan wel hun desbetreffende dochter- of beheermaatschappijen, over enige maanden individueel een veelheid van procedures aanhangig maken.

Met betrekking tot dit geschilpunt overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.4.

Aangezien de verhuurderheffing jaarlijks op aangifte moet worden voldaan, staat daartegen het rechtsmiddel van bezwaar open, en vervolgens, afhankelijk van de beslissing op bezwaar, de mogelijkheid van beroep bij de belastingrechter. Na de beslissing op bezwaar bestaat ook de mogelijkheid om aan de belastingrechter bij wege van voorlopige voorziening schorsing van het besluit in kwestie te verzoeken. In deze speciale, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgang kunnen alle door eiseressen tegen de verhuurderheffing naar voren gebrachte bezwaren, waaronder het beroep op schending van het Eerste Protocol en het gelijkheidsbeginsel, worden beoordeeld. Hoofdregel is dat het bestaan van deze rechtsgang in beginsel in de weg staat aan de mogelijkheid om dezelfde vragen aan de burgerlijke rechter, ook die in kort geding, voor te leggen. Hierbij verdient aantekening dat in bijzondere gevallen niettemin toegang tot de burgerlijke rechter bestaat. Dit kan het geval zijn als van de betrokken eisers in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de gespecialiseerde rechtsgang volgen. Dit kan zich voordoen indien die andere rechtsgang in de gegeven omstandigheden hoogst omslachtig of onnodig belastend is, dan wel niet op voldoende korte termijn, gelet ook op het spoedeisende belang dat bij de gewenste voorziening bestaat, voorhanden is.

3.5.

De omstandigheid dat de bestuursrechter de verbindendheid van de Wet niet op voorhand en in algemene zin kan toetsen, is volgens vaste rechtspraak in beginsel niet te beschouwen als een rechtstekort waarin de burgerlijk rechter dient te voorzien. Dit betreft immers een door de wetgever gewilde beperking, die voortvloeit uit het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht. Ook de omstandigheid dat eiseressen individueel (en per belastingplichtige) moeten procederen, vloeit voort uit het wettelijk systeem. Het kan inderdaad, zoals eiseressen stellen, omslachtig zijn als alle (volgens eiseressen 40.000) particuliere verhuurders in de gereguleerde sector zich tot de belastingrechter (moeten) wenden, maar aan dit bezwaar is tegemoet te komen door met voorrang een of enkele zaken aan de gespecialiseerde rechter voor te leggen. Verwacht mag worden dat, als de Wet door de belastingrechter onrechtmatig wordt bevonden, de Belastingdienst dit oordeel ten aanzien van andere belastingplichtigen zal volgen. Tegen deze achtergrond bestaat thans geen grond voor ingrijpen door de civiele voorzieningenrechter.

3.6.

De omstandigheid dat niet alle eiseressen zelf de gang naar de bestuursrechter kunnen maken, levert ook geen grond op om een uitzondering te maken op de in 3.4 vermelde hoofdregel. Weliswaar ondervinden ook de eiseressen die niet zelf belastingplichtig zijn, de financiële gevolgen van de verhuurderheffing, maar hun belang is dan een afgeleide van het financiële belang van hun dochtermaatschappijen. Dit belang van deze eisers is niet te beschouwen als een bovenindividueel belang dat – via een omweg – ingrijpen door de civiele voorzieningenrechter mogelijk maakt. Hierbij kan in het midden blijven welke positie de afzonderlijke eiseressen in dit opzicht precies hebben ten opzichte van de belastingplichtigen in kwestie. De verwijzing naar lastgevingen en houdster- of dochtermaatschappijen roept vragen op die daardoor onbeantwoord kunnen blijven. Bij dit een en ander is overigens, anders dan de Staat heeft betoogd, niet relevant dat twee eiseressen bezwaar hebben gemaakt tegen de verhuurderheffing 2013. Mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen dienen eiseressen (of hun desbetreffende dochtermaatschappijen) met betrekking tot de verhuurderheffing 2014 dus individueel de rechtsgang bij de belastingrechter te volgen.

3.7.

In deze zaak is er geen grond voor het oordeel dat van eiseressen niet in redelijkheid kan worden verlangd het oordeel van de belastingrechter af te wachten. De Staat zal eventuele schade die zij hebben geleden door te voldoen aan (mogelijkerwijs) als onrechtmatig te beoordelen wetgeving, dienen te vergoeden. Er is geen reden om aan te nemen dat de Staat in een dergelijk geval niet bij machte is dat te doen.

3.8.

Het betoog van eiseressen dat zij kunnen worden ontvangen in hun vordering omdat thans nog geen bezwaar en beroep tegen de gewraakte heffingen openstaan en het door de Staat – en daarmee door de inspecteur – ingenomen standpunt onmiskenbaar onjuist of zonder grond is, kan niet worden gevolgd. Eiseressen hebben hierbij kennelijk het oog op het door de Staat aangehaalde arrest van de Hoge Raad (HR 12 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4548). In de onderhavige zaak is de in dat arrest vermelde uitzonderingssituatie evenwel niet aan de orde. Nog daargelaten dat de inspecteur nog geen standpunt heeft ingenomen, althans geen standpunt dat een rechtsgevolg teweegbrengt, is niet boven iedere twijfel verheven dat de verhuurderheffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol. Hierbij houdt de voorzieningenrechter rekening met de tussen partijen gevoerde discussie over de rechtmatigheid van de verhuurderheffing en met de in 1.11 vermelde vonnissen van deze rechtbank en twee recente arresten van de Hoge Raad (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:826 en ECLI:NL:HR:2014:827). Het oordeel over de rechtmatigheid van de verhuurderheffing is daarom voorbehouden aan de belastingrechter. De civiele voorzieningenrechter kan daarop niet vooruitlopen.

3.9.

Ten slotte is evenmin sprake van feitelijk of voorbereidend handelen door de Staat dat op zichzelf – los van de daarop volgende beschikking – onrechtmatig is. De praktische problemen en de administratieve lasten die eiseressen naar eigen zeggen ondervinden bij het uitvoeren van de inkomensafhankelijke huurverhoging, waarvan de omvang overigens door de Staat wordt bestreden, zijn niet aan te merken als voorbereidend of feitelijk handelen met betrekking tot verhuurderheffing. Als zou komen vast te staan dat het voor (bepaalde) verhuurders feitelijk onmogelijk is geweest om de inkomensafhankelijke huurverhoging over 2014 door te voeren, zou dit gegeven een rol kunnen spelen bij de individuele beoordeling van de verhuurderheffing door de belastingrechter. Dit is ook overwogen in het door eiseressen aangehaalde arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 februari 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:437). De gestelde onmogelijkheid om de huurverhogingen die de verhuurderheffing (mede) mogelijk maakt te kunnen doorvoeren, kan geen reden opleveren voor het algeheel terzijdestellen van de verhuurderheffing of van de Wet waarin deze is opgenomen. Hetzelfde geldt voor het betoog dat de verhuurderheffing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

3.10.

Het in 3.3-9 overwogene voert tot de slotsom dat eiseressen in hun vorderingen die betrekking hebben op de Wet, en meer bijzonder op de verhuurderheffing, niet ontvankelijk moeten worden verklaard.

Staatssteun: de heffingsvermindering, het Aedesakkoord en het Kamervoorstel met betrekking tot de 10%-norm

3.11.

De vorderingen die zich richten op de heffingsvermindering, het Aedesakkoord en het onder 1.13 vermelde voorstel stellen de vraag aan de orde of deze maatregelen ontoelaatbare staatssteun opleveren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval, en in elk geval in zodanig onmiskenbare mate dat ingrijpen in kort geding geboden is. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

3.12.

Artikel 108 lid 3 VWEU bepaalt dat elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen moet worden gemeld bij de Europese Commissie. Deze kan onderzoeken of sprake is van een steunmaatregel, en zo ja, of de maatregel, gelet op artikel 107 VWEU, verenigbaar is met de interne markt. Lidstaten van de Europese Unie hebben op grond van artikel 108 lid 3 VWEU de verplichting om voorgenomen steunmaatregelen niet tot uitvoering te brengen voordat een procedure over de verenigbaarheid van die maatregelen met de interne markt, zoals bedoeld in artikel 107 VWEU, tot een eindbeslissing heeft geleid. Deze verplichting kan meebrengen dat de nationale rechter moet beslissen over de vraag of een voorgenomen maatregel een maatregel in de zin van artikel 107 VWEU is. Wanneer nieuwe staatssteun wordt verleend in strijd met de procedurele voorschriften van artikel 108 VWEU, dus zonder vooraf bij de Europese Commissie te zijn aangemeld, is de staatssteun aan te merken als onrechtmatig. Een nationale rechter die een schending van artikel 108 lid 3 VWEU vaststelt, dient effectief rechtsherstel te bieden aan degenen die door de schending zijn gedupeerd, bijvoorbeeld door terugvordering van de verleende financiële steun. Nieuwe staatssteun dient te worden onderscheiden van bestaande staatssteun, dat wil zeggen: steunmaatregelen die vóór de inwerkingtreding van de toepasselijke Procedureverordening (EG 659/99, Pb. EG 1999, L 83/1) reeds bestonden. Voorts dient rekening te worden gehouden met het zogenoemde DAEB-vrijstellingsbesluit (EC 2012/21), waarin regels zijn gesteld met betrekking tot de vrijstelling (van aanmelding bij de Europese Commissie) van steunmaatregelen voor diensten van algemeen economisch belang.

3.13.

Maatregelen worden als staatssteun beschouwd als zij (cumulatief) aan de volgende vier vereisten voldoen:

  1. het gaat om een maatregel van een lidstaat of om een (rechtstreeks of zijdelings) met staatsmiddelen bekostigde maatregel die aan die lidstaat kan worden toegerekend;

  2. de maatregel houdt een begunstiging in van een bepaalde onderneming;

  3. de maatregel vervalst de mededinging of dreigt deze te vervalsen;

  4. e maatregel beïnvloedt het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig.

3.14.

Volgens eiseressen is de in de Wet voorziene heffingsvermindering aan te merken als nieuwe staatssteun ten gunste van de woningcorporaties, aangezien particuliere verhuurders, gegeven hun (commerciële) doelstellingen, daarvoor feitelijk niet in aanmerking komen. Hiertegenover heeft de Staat aangevoerd dat niet alleen de woningcorporaties maar ook de particuliere verhuurders voor deze vermindering in aanmerking komen, indien zij de in de Wet vermelde investeringen doen. Daarnaast heeft de Staat betoogd dat de heffingsvermindering voldoet aan alle vereisten van het DAEB-vrijstellingsbesluit, waaronder de waarborg dat het compensatiebedrag niet hoger is dan hetgeen nodig is ter dekking van de geleverde prestatie.

3.15.

Hoewel dat wel op hun weg lag, hebben eiseressen geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zonder verder feitelijk onderzoek zou moeten volgen dat de heffingsvermindering niettemin is aan te merken als ontoelaatbare staatssteun of staatssteun die dient te worden aangemeld bij de Europese Commissie. De omstandigheid dat de Staat het onderscheid tussen DAEB en niet-DAEB (kort gezegd: activiteiten in de commerciële sector) nog altijd niet in wetgeving heeft vastgelegd, levert wel een situatie op waarin hoogst waarschijnlijk sprake is van een overtreding van dwingende EU-regels, maar vormt onvoldoende grond voor de hier gevorderde voorzieningen. Hierbij is van belang dat de heffingsvermindering is te beschouwen als een compensatie voor investeringen in huurwoningen in de gereguleerde sector. De vraag of hierin ook feitelijk ontoelaatbare staatssteun besloten ligt, is zonder nader onderzoek, waarvoor in dit kort geding geen plaats is, niet met een voldoende mate van aannemelijkheid te beantwoorden.

3.16.

Ook met betrekking tot de afspraken in het Aedesakkoord hebben eiseressen onvoldoende geadstrueerd waarom de in 1.9 vermelde afspraken onrechtmatige staatssteun zouden opleveren. De integratieheffing is immers geheel afgeschaft en niet is gesteld of gebleken op welke wijze eiseressen daardoor zijn benadeeld. Nog daargelaten dat de uit het energieakkoord voortvloeiende maatregelen nog niet in detail zijn bekendgemaakt, valt ook van deze maatregelen niet a priori te zeggen dat de desbetreffende tegemoetkoming in de investeringskosten nadelig is voor eiseressen. Ook hier geldt dat op basis van het beperkte, in dit kort geding gevoerde debat niet met een voldoende mate van aannemelijkheid kan worden vastgesteld dat in dit opzicht sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

3.17.

Het in 1.13 vermelde verzoek tot verhoging van de inkomensgrens en de 10%-norm is slechts een voorstel aan de minister, ter bespreking met de Europese Commissie voordat de nieuwe Woningwet wordt ingevoerd. Ook hierin kan geen grond worden gevonden voor ingrijpen door de voorzieningenrechter.

De slotsom en de proceskosten

3.18.

De slotsom van het voorgaande is dat de eiseressen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen met betrekking tot de verhuurderheffing en dat hun vorderingen voor het overige moeten worden afgewezen.

3.19.

Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding en in de nakosten, zoals gevorderd.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1.

verklaart eiseressen niet-ontvankelijk in hun vorderingen met betrekking tot de buitenwerkingstelling en schorsing van de verhuurderheffing;

4.2.

wijst de vorderingen voor het overige af;

4.3.

veroordeelt eiseressen in de kosten van dit geding, aan de zijde van de Staat tot dusver begroot op € 1.424,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 608,- aan griffierecht;

4.4.

veroordeelt eiseressen tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,- aan salaris advocaat;

4.5.

bepaalt dat, indien niet binnen veertien dagen na heden aan voormelde proceskostenveroordeling is voldaan, de wettelijke rente daarover verschuldigd is;

4.6.

bepaalt dat, indien en voor zover eiseressen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en het vonnis om die reden door de Staat aan eiseressen is betekend, de nakosten worden vermeerderd met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van algehele voldoening, en met de explootkosten van de betekening van dit vonnis;

4.7.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2014.