Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5510

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
09/767068-13 en 09/765038-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man krijgt twaalf jaar celstraf voor doodslag van een Haagse man. Daarnaast is hij ook schuldig aan meerdere gevallen van diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/767068-13 en 09/765038-13 (ttz. gevoegd)

Datum uitspraak: 2 mei 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [p.i.],

te Rotterdam.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 februari 2014 en 18 april 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P.P.E. van de Rivière en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.R. Ali, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

Parketnummer 09/767068-13 (hierna: dagvaarding I)

1.

hij op of omstreeks 07 maart 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel en/of hals van genoemde [slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgesnoerd en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgesnoerd gehouden, dan wel op andere wijze (verstikkend) geweld op de keel en/of hals van genoemde [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 maart 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel en/of hals van genoemde [slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgesnoerd en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgesnoerd gehouden, dan wel op andere wijze (verstikkend) geweld op de keel en/of hals van genoemde [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de diefstal van een pinpas en/of een of meer horloge(s) toebehorende aan genoemde [slachtoffer], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

hij op of omstreeks 07 maart 2013 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas en/of een of meer horloge(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks de periode van 07 maart 2013 tot en met 8 maart 2013 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een of meer pinautoma(a)t(en) heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door te pinnen met een bankpas tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, met bijbehorende pincode;

4.

hij op of omstreeks 11 november 2012 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (adres: [adres 1]) heeft weggenomen een (gouden) ring en/of tafelzilver en/of een horloge en/of een gouden tientje en/of een onderscheiding verbonden aan de Orde van Oranje Nassau en/of een of meer (zilveren) polsschakelband(en) en/of een (gouden) schakelarmband met naamplaat en/of een (gouden) sieraad met een sterrenbeeld en/of een (gouden) dasklem (met diamant) en/of een paar (gouden en/of platina) manchetknopen en/of een (gouden) hugenotenkruisje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door het verbreken van een raam;

Parketnummer 09/765038-13 (hierna: dagvaarding II)

hij op of omstreeks 20 maart 2013 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 292, althans een groot aantal, krasloten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (lokatie:[adres 4]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking houdt in dat verdachte zich op 7 maart 2013 heeft schuldig gemaakt aan moord dan wel (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer] (dagvaarding I, feit 1). Daarnaast ligt onder dagvaarding I nog een aantal feiten ter beoordeling aan de rechtbank voor. Het gaat om diefstal van de pinpas van het slachtoffer (feit 2) en het vervolgens met deze pinpas opnemen van geld (feit 3) alsmede een woninginbraak op 11 november 2012 aan de [adres 1] te Den Haag (feit 4). Onder dagvaarding II wordt verdachte nog verweten dat hij zich op 20 maart 2013 schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een groot aantal krasloten bij de Albert Heijn.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, zoals verwoord in zijn schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat verdachte degene is die het slachtoffer heeft gedood. Hij heeft vrijspraak geëist van de onder feit 1 primair ten laste gelegde moord, omdat naar zijn mening niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Ook heeft de officier van justitie gevraagd verdachte vrij te spreken van de onder feit 1 subsidiair (impliciet primair) ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag, nu er onvoldoende bewijs is voor het vereiste oogmerk zoals bedoeld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder dagvaarding I onder feit 1 subsidiair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag heeft begaan. Tevens heeft de officier van justitie ten aanzien van dagvaarding I gevorderd dat de rechtbank bewezen zal verklaren dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten 2, 3 en 4 en ten aanzien van dagvaarding II eveneens dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle aan hem onder dagvaarding I ten laste gelegde feiten, nu deze niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van de onder dagvaarding II ten laste gelegde diefstal van de krasloten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Dagvaarding I

Op vrijdag 8 maart 2013 is bij de centrale meldkamer van de politie Den Haag de melding binnengekomen dat een man in zijn woning, gelegen aan de [adres 2] te Den Haag, dood is aangetroffen door een buurman.2 Ter plaatse gekomen werd de surveillance-eenheid aangesproken door de betreffende buurman, genaamd [getuige 1]. Deze heeft verklaard dat hij samen met de zus van het slachtoffer en een benedenbuurvrouw de woning binnen was gegaan omdat het slachtoffer zijn telefoon niet opnam. De verbalisanten zijn vervolgens ook de woning binnen gegaan. Zij zagen dat het slachtoffer gekleed was en rechts in de gang lag. Links van het slachtoffer zaten meerdere bloedvlekken in het tapijt. Om de nek van de man zat een theedoek welke strak zat en vlakbij het hoofd van het slachtoffer lag een wit shirt/doek met een rode, vermoedelijke, bloedvlek. Tevens waren er sporen van letsel aan het gezicht, waaronder op het jukbeen, de neus en de bovenlip. Ook was bloed zichtbaar bij de rechter mondhoek en op de kleding van het slachtoffer. Links van het slachtoffer lag een tweetal bebloede washandjes en een kunstgebit. In de slaapkamer en de gang lagen verschillende goederen op de grond. Dit betroffen onder anderen lege sieradendoosjes en lege horlogedoosjes. De woning leek te zijn doorzocht.3

Aan de hand van een in de woning aangetroffen identiteitsbewijs alsmede op grond van herkenning van het slachtoffer door familieleden is vastgesteld dat het slachtoffer de heer [slachtoffer] betreft.4

Uit pathologisch onderzoek is gebleken dat bij het slachtoffer als gevolg van bij leven opgelopen samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals en de mondbodem een snoerspoor in de huid van de hals en bloeduitstortingen in de ondergelegen weke delen zijn ontstaan. Het snoerspoor kan zowel door ligatuurstrangulatie met de aangetroffen theedoek als door een andere vorm van manuele strangulatie dan wel een combinatie van beide zijn gevormd. Het overlijden van het slachtoffer kan goed worden verklaard als gevolg van verstikkingsverschijnselen die zijn opgetreden door het geweld op de hals. Daarnaast is uit de verrichte sectie gebleken dat sprake was van uitwendig inwerkend botsend geweld, huidkneuzingen en onderhuidse bloeduitstortingen in onder andere het gezicht, op het hoofd en links aan de borst. Daarbij waren links enkele ribben gebroken. Het oplopen van deze letsels is pijnlijk, maar is voor het intreden van de dood niet van betekenis geweest. Ook is aan de rechterhand en –elleboog afweerletsel geconstateerd. Het is aannemelijk dat het geweld op de hals vlak voor het overlijden heeft plaatsgehad. De conclusie van het pathologisch onderzoek behelst dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verstikking door bij leven opgelopen omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals.5

Hoewel niet onomstotelijk vast is komen te staan wat het exacte tijdstip van overlijden van het slachtoffer is geweest, acht de rechtbank het aannemelijk dat dit op 7 maart 2013 in de avond is geweest. Op 7 maart 2013 om 16:04 heeft het slachtoffer nog samen met verdachte boodschappen gedaan bij de Albert Heijn aan het [adres 3].6 Rond 21:00 uur heeft de benedenbuurvrouw, getuige [getuige 2], een doffe klap gehoord, alsof er iets of iemand viel.7 Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op vrijdagochtend 8 maart 2013 rond 11:00 uur heeft gezien dat ‘alles nog dicht was, dat er geen was op het balkon hing en de deur niet op een kier stond’, terwijl het slachtoffer altijd zijn ‘boeltje’ deed.8

Na het aantreffen van het slachtoffer in zijn woning is een grootschalig onderzoek gestart. Onder andere is onderzoek verricht naar de vaste telefoonaansluiting van het slachtoffer met het bijbehorende telefoonnummer. Hieruit is gebleken dat op woensdag 6 maart 2013 en donderdag 7 maart 2013 meerdere (inkomende) telefoongesprekken hebben plaatsgevonden naar het huisnummer van het slachtoffer met het nummer [telefoonnummer]. Uit nader onderzoek is gebleken dat dit nummer in gebruik is bij [verdachte 1] (hierna: verdachte). In de periode die loopt van 1 oktober 2012 tot en met 10 maart 2013 hebben alleen op eerdergenoemde woensdag 6 maart 2013 en donderdag 7 maart 2013 telefoongesprekken plaatsgevonden tussen het slachtoffer en het mobiele nummer van verdachte.9

Ook is uit onderzoek gebleken dat op 7 maart 2013 om 22:27 uur met de pinpas van het slachtoffer geld is opgenomen bij een geldautomaat die gevestigd is aan de [adres 5] te Den Haag. Op de camerabeelden van de bank is te zien dat op het moment van de pintransactie gebeld wordt door de man die de transactie verricht. Uit de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van verdachte is naar voren gekomen dat met deze telefoon op 7 maart 2013 om 22:27 uur is gebeld, waarbij zijn telefoon het sterkst heeft aangestraald op het basisstation behorende bij de locatie van de geldautomaat.10

Op grond hiervan alsmede op basis van een aanhouding van verdachte op 9 maart 2013 in Friesland waarbij verdachte warrig gedrag vertoonde en hij een wond aan zijn mond had, is verdachte aangemerkt als verdachte. Op 22 maart 2013 is hij buiten heterdaad aangehouden op verdenking van het doden van [slachtoffer].

De vraag die de rechtbank allereerst ter beantwoording voorligt is of verdachte de persoon is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan het doden van het slachtoffer [slachtoffer]. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, dient de rechtbank vervolgens een oordeel te geven over de juridische kwalificatie die daaruit dient voort te vloeien.

Bij de beantwoording van deze vragen zal de rechtbank de volgende stappen doorlopen:

  1. Aanwezigheid verdachte in de woning op 7 maart 2013

  2. Aangetroffen DNA van verdachte op de plaats delict

  3. Aangetroffen horloges van het slachtoffer bij verdachte

  4. Herhaaldelijk (pogen tot) pinnen met de pinpas van het slachtoffer

a. a) Aanwezigheid verdachte in de woning op 7 maart 2013

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich op 7 maart 2013 in de woning van het slachtoffer heeft bevonden. Zij acht daartoe de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Telecom

Wanneer met een mobiele telefoon wordt gebeld, maakt deze – kort gezegd - verbinding met het dichtstbijzijnde basisstation in de buurt. Uit meting is gebleken dat de basisstations gelegen aan de [adres 6] met de nummers [nummers] en [nummers] dermate sterk aanwezig zijn in de woning van het slachtoffer, dat indien een mobiele telefoon langere tijd in de woning aanwezig is, deze mobiele telefoon geen andere basisstations zal aanstralen bij aanvang van een gesprek.11

Op 7 maart 2013 om 12:04 uur en 12:36 uur heeft verdachte met zijn mobiele telefoon uitgebeld naar de huistelefoon van het slachtoffer, waarbij basisstations op de [adres 6] zijn aangestraald. Tot ongeveer 14:00 uur die middag maakt de telefoon van verdachte meermalen verbinding met een basisstation op [adres 6].

Vanaf 17:15 uur tot 22:04 uur wordt door verdachte vijftien maal met zijn mobiele telefoonnummer gebeld, waarbij alle gesprekken aanstralen op basisstations met de nummers [nummers] of [nummers].12 Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een sterke aanwijzing op voor de aanwezigheid van verdachte in de woning van het slachtoffer op 7 maart 2013.

Aangetroffen levensmiddelen

In de woning van het slachtoffer heeft een tactische doorzoeking plaatsgevonden waarbij verschillende levensmiddelen zijn aangetroffen. Ook is de vuilnisbak onderzocht. Hierin werd onder andere een aantal lege verpakkingen aangetroffen van ‘pittige Thaise roerbakmix’, een ‘Pizza Quattro Formaggi’ en een ‘Pizza AH Italiaans verse pizza Mozzarella’, allen afkomstig van het winkelbedrijf Albert Heijn.13

Ter terechtzitting heeft verdachte desgevraagd verklaard dat hij op 7 maart 2013 samen met het slachtoffer boodschappen heeft gedaan bij de Albert Heijn en dat zij daar Thaise roerbakgroenten en jus hebben gekocht. Het slachtoffer heeft dit contant betaald.14

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij een pizza Quattro Formaggi heeft gegeten tijdens zijn eerste en enige bezoek aan het slachtoffer, welk bezoek naar zijn zeggen rond 5 maart 2013 moet zijn geweest.15 In de woning van het slachtoffer zijn lege verpakkingen van pizzadozen aangetroffen. Daarnaast is in de woning van het slachtoffer een pizzabord aangetroffen met daarop een vingerafdruk van verdachte.16

Ophalen huisvuil

Meerdere getuigen die het slachtoffer goed hebben gekend, hebben verklaard dat het slachtoffer een zeer punctuele en gestructureerde man was. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard: ‘[slachtoffer] was een gestructureerd persoon, geconditioneerd zelfs.’17 Ook de zus van het slachtoffer, getuige [slachtoffer], en buurvrouw [getuige 2] hebben uitvoerig verklaard dat [slachtoffer] veel vaste gewoontes in zijn leven had waar hij niet van afweek.18

Uit onderzoek is gebleken dat iedere donderdagochtend het huisvuil aan de [adres 2] wordt opgehaald.19 Het slachtoffer zette daarom iedere woensdagavond rond 22:30 uur het afval buiten. Zo ook woensdag 6 maart 2013.20

Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij op 4 of 5 maart 2013 bij het slachtoffer thuis was en niet op 7 maart 2013, zou dit betekenen dat het slachtoffer, geheel tegen zijn gewoontes in, het afval van 4 of 5 maart 2013 niet op woensdagavond 6 maart 2013 met de rest van het afval buiten heeft gezet en dat hij ook die afwas 2 à 3 dagen heeft laten staan. De rechtbank acht deze gang van zaken gezien de verklaringen omtrent de leefstijl van het slachtoffer onaannemelijk en ziet ook hierin een aanwijzing dat verdachte op 7 maart 2013 in de woning van het slachtoffer is geweest.

Verdachte heeft op 7 maart 2013 meerdere malen – en als laatste persoon – telefonisch contact gehad met verdachte, waarbij zijn telefoon op die dag gedurende een zeer lange tijd – van 17:15 uur tot 22:04 uur – heeft aangestraald op de basisstations die de beste dekking bieden aan de woning van het slachtoffer. In dit tijdsbestek heeft de buurvrouw van het slachtoffer rond 21:00 uur een harde, doffe klap gehoord.21 De Thaise roerbakgroenten waarover verdachte heeft verklaard kunnen, blijkens onderzoek daarnaar door de politie, op zijn vroegst in de middag van 7 maart 2013 zijn verkocht.22 De restanten van de gegeten pizza, waarover verdachte eveneens heeft verklaard, bevonden zich op 8 maart 2013 nog in de woning van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer deze verpakkingen normaliter op 6 maart 2013 met de rest van het huisvuil aan de weg zou hebben gezet. Uit deze redengevende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte op 7 maart 2013 ’s avonds in de woning van het slachtoffer aanwezig is geweest.

b) Aangetroffen DNA van verdachte op de plaats delict

De woning van het slachtoffer is na het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] door de technische recherche onderzocht. Hieruit zijn de volgende resultaten verkregen.

Theedoek

Bij het aantreffen van het slachtoffer is door verbalisanten geconstateerd dat een theedoek strak om de hals van het slachtoffer gebonden zat en dat deze met een enkele knoop vastgeknoopt was aan de achterzijde van de nek. Gezien vanuit de liggende positie van het slachtoffer was het linker uiteinde (het stuk theedoek gezien vanaf de knoop) groter dan het rechter uiteinde. Tevens bevatte dit uiteinde een label. De zichtbare uiteinden van de theedoek waren bebloed. Door middel van het aanbrengen van twee kabelbinders is de locatie van het doorsnijden van de theedoek gefixeerd. Op het moment dat de theedoek vervolgens werd losgesneden was zichtbaar dat de halshuid enigszins ingesnoerd werd door de theedoek en tevens bleek dat de knoop hierdoor niet losser werd.23

De vier uiteinden van de theedoek zijn bemonsterd met als doel het verzamelen van celmateriaal. Aan de beide kanten van het linker uiteinde van de theedoek (de ‘lange kant’) is DNA van verdachte aangetroffen.24 De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een delictgerelateerd spoor nu de theedoek met kracht om de nek gesnoerd zat en het DNA op het lange deel van de theedoek is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat aan het lange deel van de theedoek is getrokken om de verwurging van het slachtoffer te bewerkstelligen.

De door verdachte aangevoerde verklaring dat zijn DNA wellicht op de theedoek is terechtgekomen omdat hij zijn handen aan de theedoek zou kunnen hebben afgedroogd gedurende een eerder bezoek, acht de rechtbank gezien de locatie van het aangetroffen DNA onaannemelijk. Het DNA bevindt zich precies op het uiteinde van de theedoek, hetgeen niet strookt met hoe normaal gesproken een persoon zijn handen aan een theedoek afdroogt.

T-shirt

Het slachtoffer droeg een wit T-shirt dat aan de rechterschouder bebloed was toen hij werd aangetroffen.25 Dit T-shirt is eveneens onderzocht op de aanwezigheid van celmateriaal waarbij het voorpand en het achterpand aan de buitenzijde ter hoogte van de hals zijn bemonsterd. Hierbij is op zowel het voorpand als het achterpand van het T-shirt DNA van verdachte aangetroffen.26

Hoofd slachtoffer

Uit bemonstering van de linkerzijde van het hoofd van het slachtoffer is DNA van verdachte aangetroffen.27

Verdachte heeft voor de aanwezigheid van zijn DNA op het lichaam van het slachtoffer en het T-shirt van het slachtoffer een verklaring gegeven, te weten dat zijn DNA nog op het lichaam aanwezig was als gevolg van seksueel contact dat verdachte een aantal dagen eerder met het slachtoffer heeft gehad. Gelet op de aangehaalde gewoontes van het slachtoffer acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het slachtoffer zich, uitgaande van de verklaring van verdachte, na 4 of 5 maart 2013 niet meer gewassen of gedoucht zou hebben, zodat die verklaring van verdachte niet aannemelijk is. Daar komt bij dat er bij dit DNA onderzoek naast het profiel van verdachte en van het slachtoffer geen DNA-profiel van een derde is aangetroffen.

c) Aangetroffen horloges van het slachtoffer bij verdachte

Op 9 maart 2013 is verdachte in Friesland aangehouden ten aanzien van een verdenking van het begaan van een ander strafbaar feit. Bij de insluitingfouillering had verdachte een geldbedrag van € 430,25 bij zich. Ook had hij een viertal bankpassen en twee creditcards op zak. Desgevraagd bleek dat in het verslag van de fouillering niet was opgenomen op welke namen deze bankpassen stonden, maar wel was duidelijk dat er in ieder geval twee ING bankpassen bij zaten. De betrokken hulpofficier van justitie heeft verklaard dat verdachte ten tijde van de aanhouding warrig en erg druk was. Ook gaf verdachte aan al drie dagen niet te hebben geslapen. Verdachte had op dat moment een zichtbare wond bij zijn mond.28

Het verweer van de raadsman dat verdachte de bankpas van het slachtoffer op 9 maart 2013 niet in zijn bezit had, omdat zulks niet zou blijken uit het fouilleringsproces-verbaal houdt geen stand. Dat proces-verbaal geeft daarover immers geen uitsluitsel, nu daarop de namen ontbreken van de bij verdachte aangetroffen bankpassen.

Vanaf 11 maart 2013 tot aan het moment van zijn aanhouding zijn de mobiele telefoongesprekken van verdachte opgenomen en uitgeluisterd. Op 18 maart 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verdachte en zijn ex-vrouw [ex-vrouw verdachte]. In dit gesprek heeft verdachte gesproken over zijn aanhouding van 9 maart 2013 en heeft hij aan [ex-vrouw verdachte] te kennen gegeven dat bij deze aanhouding bij de Jumbo een tas van hem aldaar is achtergebleven. Over de inhoud van de tas heeft verdachte verklaard dat er een horloge, een jas en een muts van een jas in zouden zitten.29

Naar aanleiding hiervan heeft de politie contact opgenomen met het betreffende filiaal van de Jumbo in Leeuwarden. De eigenaar van deze Jumbo heeft verklaard dat de persoon die op 9 maart 2013 was aangehouden door de politie een tas had achtergelaten. Deze tas is hierop overgedragen aan de politie en veiliggesteld. Het betrof een plastic tas van winkelbedrijf Blokker en deze was dichtgeknoopt.30 De inhoud van de tas is onderzocht en in de tas zaten onder andere een goudkleurig horloge van het merk “Junghans” voorzien van een metalen polsband met serienummer 981750 en een goudkleurig horloge van het merk “Olympic” met een bruine polsband.31

Deze horloges zijn getoond aan de zus van het slachtoffer, getuige [zus slachtoffer] en aan de buurvrouw van het slachtoffer, getuige [getuige 2]. Zij herkenden beide het horloge van het merk “Olympic” als eigendom van het slachtoffer.32

In de woning van het slachtoffer is een leeg horlogedoosje aangetroffen van het merk “Junghans” met daarop een sticker met het nummer [nummer 1]. Dit nummer komt overeen met het nummer dat op het gouden horloge “Junghans” staat gegraveerd.33

De getuige [getuige 4] is gehoord naar aanleiding van een afgeluisterd telefoongesprek tussen hem en verdachte d.d. 20 maart 2013 waarin verdachte aan [getuige 4] vraagt of hij bij hem ‘s nachts kan verblijven. [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte, die hij aanspreekt met ‘[verdachte 1]’, de nacht van 7 op 8 maart 2013 bij hem thuis is geweest en dat hij daar op de bank heeft zitten roken. In die nacht heeft verdachte aan [getuige 4] een horloge met een bruin leren bandje van het merk “Actua Dress” gegeven. De zus van het slachtoffer heeft dit horloge herkend als zijnde het eigendom van haar broer.34

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte aangevoerde alternatieve scenario dat hij deze horloges – bij verschillende gelegenheden – heeft gekocht op rommelmarkten op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.

d) Herhaaldelijk (pogen tot) pinnen met de pinpas van het slachtoffer

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 5 maart 2013 om 22:07 uur een geldbedrag van € 150,- heeft gepind met de pinpas van het slachtoffer. Verdachte heeft aangevoerd dat hij inderdaad op die dag een geldbedrag van € 150,- van het slachtoffer heeft ontvangen voor bewezen diensten, maar dat het slachtoffer degene is die dit bedrag heeft gepind. De rechtbank is, naar aanleiding van hetgeen zij heeft waargenomen op de camerabeelden van de betreffende pintransactie, alsmede gezien het feit dat de telefoon van verdachte op 5 maart 2013 vlak voor en vlak na de betreffende pintransactie heeft aangestraald op basisstations die in de buurt van de pinautomaat liggen, van oordeel dat verdachte de persoon is geweest die deze transactie verricht heeft.35 Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte kennis had van de pincode van het slachtoffer.

Op 7 maart 2013 om 12:58 uur is door verdachte met zijn eigen pinpas een saldocheck gedaan bij de pinautomaat gelegen aan de [adres 7] te Den Haag. De ex-vrouw van verdachte, [ex-vrouw verdachte], heeft aangaande de beelden van deze saldocheck verklaard: ‘Dit is [verdachte 1]. Zoals ik hem hier zie, heb ik hem heel vaak gezien. Ik herken ook de jas en de schoenen. Die hadden wij samen gekocht.’36 De telefoon van verdachte heeft een zendmast in de directe omgeving van deze pinautomaat aangestraald om 12:59 uur.37 Verdachte draagt op deze beelden witte schoenen.38

Op 7 maart 2013 om 21:53 uur is uit dezelfde pinautomaat gelegen aan de [adres 7] € 1.000,- opgenomen van de rekening van het slachtoffer. Om 21:56 uur heeft verdachte met zijn mobiele telefoon gebeld, waarbij zijn telefoon zowel bij aanvang als beëindiging van het gesprek heeft aangestraald op het basisstation [adres 6], welk basisstation in de directe omgeving van de pinautomaat ligt.39 Uit beelden van de Primera blijkt dat de persoon die deze transactie verricht, witte schoenen draagt.40

Vlak daarna, om 22:27 uur, wordt wederom een geldbedrag opgenomen van de rekening van het slachtoffer, te weten een bedrag van € 190,-, uit een geldautomaat die gevestigd is aan de [adres 5] te Den Haag. Op de camerabeelden van de bank is te zien dat deze beelden overeenkomen met de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van verdachte. Zo is op de beelden te zien dat de man die de transactie uitvoert een inkomende oproep gedurende minimaal 17 seconden laat overgaan en niet beantwoordt. Vervolgens is te zien dat gedurende enkele seconden de man zijn telefoon in zijn jaszak laat zitten. Vervolgens is waarneembaar dat de man zijn mobiele telefoon uit zijn jaszak haalt en gedurende enkele seconden naar zijn hoofd brengt. De historische gegevens hieromtrent komen overeen. De mobiele telefoon van verdachte is gedurende 20 seconden overgegaan, maar wordt niet opgenomen. Vervolgens vindt er enkele seconden geen mobiel telefoonverkeer plaats. Daarna wordt er door de mobiele telefoon van verdachte gedurende 3 seconden geprobeerd uit te bellen. De telefoon van verdachte heeft hierbij het sterkst aangestraald op het basisstation behorende bij de locatie van de geldautomaat.41

[ex-vrouw verdachte] heeft verdachte tijdens haar verhoor op 18 april 2013 herkend op de camerabeelden van de Rabobank die beschikbaar zijn van deze laatste pintransactie. Zij heeft hierover verklaard: ‘Ik heb [verdachte 1] gezien. Ik herken zijn schoenen, kleren en zijn G-star jas. Ik herken [verdachte 1] aan zijn bewegingen, ik bedoel hiermee hoe hij loopt. Ik herken [verdachte 1] voor 100%. Op het filmpje zie ik dat hij staat te pinnen, hij beweegt constant, dat doet [verdachte 1] thuis ook.’42

Vervolgens vinden om 22:37 uur en om 01:03 nog een pinpoging en een saldocheck plaats. Ook hierbij komen de gegevens van de bank overeen met de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van verdachte.43

De pinpas van het slachtoffer is uiteindelijk op 11 maart 2013 – na nog twee mislukte pogingen tot geldopname -, ingenomen door een pinautomaat aan het [adres 9] te Den Haag ten tijde van een poging een geldbedrag van € 240,- op te nemen. Ook hierbij heeft de telefoon van verdachte vlak na de mislukte pintransactie een zendmast in de buurt van de pinautomaat aangestraald.44 Nadat de pinpas is veiliggesteld is hierop een partieel DNA-mengprofiel aangetroffen waarbij het DNA-profiel van verdachte op 26 van de 29 DNA-kenmerken overeenkomt met het op de pinas aangetroffen DNA-profiel.45

Uit de verzamelde bankgegevens volgt dat verdachte intensief met geld bezig was.
Zo heeft verdachte in de periode van 5 maart 2013 tot en met 12 maart 2013 met regelmaat saldochecks uitgevoerd en pogingen tot geldopnames gedaan. Daarnaast kende verdachte de pincode van het slachtoffer, aangezien hij eerder met de pas van het slachtoffer geld heeft opgenomen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat in het dossier sprake is geweest van doelredeneren van de zijde van de politie omtrent de tijdsverschillen in de verschillende camerabeelden, banktransacties en de telecomgegevens van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal die zien op de uitleg en correctie van verschillende tijden van camerabeelden en banktransacties en de werkelijke tijden duidelijk zijn opgesteld. De rechtbank ziet geen redenen om niet uit te gaan van deze processen-verbaal.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de pinpas van het slachtoffer heeft gestolen en hiermee op 7 maart 2013 tweemaal een geldbedrag van de bankrekening van het slachtoffer [slachtoffer] heeft opgenomen.

Verdachte is op 7 maart 2013 ’s avonds in de woning van het slachtoffer aanwezig geweest. Er is een dadergerelateerd spoor van verdachte gevonden op de theedoek die om de nek van het slachtoffer was gebonden. Het slachtoffer is om het leven gekomen door geweld op de hals. Daarnaast is DNA van verdachte aangetroffen op het T-shirt dat het slachtoffer droeg en ook op zijn hoofd is DNA van verdachte gevonden. Verdachte had een drietal horloges in zijn bezit die toebehoorden aan het slachtoffer. Op 7 maart 2013 om 21:53 uur heeft verdachte met de pinpas van het slachtoffer een groot geldbedrag opgenomen en vervolgens om 22:27 uur nog een geldbedrag. De rechtbank is op basis van de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de persoon is geweest die op 7 maart 2013 [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het bewijs voor voorbedachte raad ontbreekt. Noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Ten aanzien van de gekwalificeerde doodslag overweegt de rechtbank dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte de doodslag heeft gepleegd met het specifieke doel zich het wederrechtelijk toe-eigenen van de goederen van het slachtoffer te verzekeren.

Van deze onderdelen zal de rechtbank verdachte derhalve vrijspreken.

Feit 4 – Woninginbraak [adres 1] Den Haag

Op 11 november 2012 heeft [aangever 1] (hierna: aangever) aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning. Hij heeft hierover verklaard dat hij vermoedt dat verdachte de diefstal heeft gepleegd. Verdachte heeft eerder spullen uit de woning van aangever weggenomen. Op zaterdag 10 november 2012 is verdachte voor de woning van aangever verschenen. Aangever heeft verdachte toen door het raam aan de voorzijde van zijn woning te kennen gegeven dat hij verdachte niet meer in zijn woning wilde zien. Verdachte heeft hierop aangegeven hoofdpijn te hebben en heeft een aspirine gevraagd. Aangever heeft hier gehoor aan gegeven en is de keuken in gelopen. Vlak daarna stond verdachte achter aangever in de keuken. Verdachte moet door het raam naar binnen zijn geklommen nu de voordeur dicht was. Op 11 november 2012 is aangever bij verdachte thuis geweest, omdat hij vermoedde dat verdachte zijn fototoestel in zijn bezit had. Hierbij heeft aangever aan verdachte te kennen gegeven dat hij ’s avonds niet thuis zou zijn omdat hij een concert zou bijwonen. ’s Avonds heeft de buurvrouw van aangever geconstateerd dat er glas op de grond lag bij de buurman. Hierop is zij naar het raam gelopen en heeft zij gezien dat het raam verbroken was.46 Bij de rechter-commissaris heeft aangever een aanvullende verklaring afgelegd waarin hij heeft verklaard dat de dader door het raam naar binnen is gekomen en dat dit hetzelfde raam betreft als het raam waardoor verdachte de dag ervoor naar binnen was gekomen. Ook heeft aangever bij deze verklaring een bijlage overgelegd waarop staat vermeld welke goederen exact zijn weggenomen omdat dit meer goederen bleken te zijn dan aangever in eerste instantie dacht.47

Aan de buitenzijde van het raam waardoor de inbreker naar binnen is gegaan, is bloed aangetroffen. Ook is bloed aangetroffen op een kussensloop dat in de slaapkamer van aangever lag.48 Onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut heeft uitgewezen dat het aangetroffen bloed van verdachte afkomstig is.49

Het door verdachte aangevoerde scenario dat hij vaker met bebloede handen in de woning van aangever is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Dagvaarding II

Diefstal krasloten

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal van 292 krasloten van de Albert Heij heeft begaan. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Op 20 maart 2013 is namens de Albert Heijn door [aangever 2] aangifte gedaan van diefstal van een sealbag met daarin 292 krasloten van de staatsloterij. De sealbag lag in een niet afgesloten lade onder de kassa bij de klantenservice. Om 12:45 uur constateerde een medewerker van de Albert Heijn dat de sealbag niet meer op de gebruikelijke plek lag.50

De politie heeft de camerabeelden die door de Albert Heijn zijn gemaakt uitgekeken en daarop is te zien dat een man naar de balie van de klantenservice van de Albert Heijn loopt. De man opent met zijn linkerhand de lade onder de kassa bij de balie van de klantenservice. Hij pakt uit de lade een zwarte plastic tas en loopt vervolgens uit beeld weg. Ook is te zien dat de man een opvallende geruite muts met bontrand draagt.51

Deze beelden zijn op TV-west uitgezonden en een verbalisant van de politie Den Haag heeft verdachte ambtshalve herkend op de beelden. Hij heeft daarbij verklaard dat hij op 22 maart 2013 verdachte had aangehouden inzake de dood van [slachtoffer]. Bij de insluitingsfouillering van verdachte zijn toen onder andere 42 krasloten, een muts met een ruitmotief en een bon van de Staatsloterij aangetroffen.52

Aan getuige [getuige 5], assistentmanager bij het filiaal van de Albert Heijn aan de [adres 8] in Den Haag, is deze laatste bon getoond. Zij heeft hierover verklaard dat op de bon te lezen valt dat het een bon is van verkooppunt [nummer 2]. Zij heeft verklaard dat dit nummer het verkooppuntnummer van deze Albert Heijn betreft en dat de betreffende bon, die op 19 maart 2013 is opgemaakt, in de sealbag moet hebben gezeten.53

Op grond van de hierboven besproken bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van 292 krasloten die toebehoren aan de Albert Heijn.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

Parketnummer 09/767068-13 (hierna: dagvaarding I)

1 subsidiair.

hij op 07 maart 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel en hals van genoemde [slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgesnoerd en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgesnoerd gehouden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 07 maart 2013 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas en horloges, toebehorende aan [slachtoffer];

3.

hij op tijdstippen op 07 maart 2013 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit pinautomaten heeft weggenomen geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer], zulks door de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door te pinnen met een bankpas tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, met bijbehorende pincode;

4.

hij op 11 november 2012 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, adres: [adres 1], heeft weggenomen een gouden ring en tafelzilver en een horloge en een gouden tientje en een onderscheiding verbonden aan de Orde van Oranje Nassau en zilveren polsschakelbanden en een gouden schakelarmband met naamplaat en een gouden sieraad met een sterrenbeeld en een gouden dasklem met diamant en een paar gouden en platina manchetknopen en een gouden hugenotenkruisje, toebehorende aan [aangever 1], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door het verbreken van een raam.

Parketnummer 09/765038-13 (hierna: dagvaarding II)

hij op 20 maart 2013 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 292 krasloten, toebehorende aan Albert Heijn, locatie:[adres 4].

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten zoals die naar het oordeel van de officier van justitie bewezen moeten worden, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van 12 jaren gevangenisstraf zoals deze is neergelegd door de officier van justitie te hoog is in vergelijking met soortgelijke feiten. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte dient te verdisconteren in de eventueel op te leggen straf als zijnde dit een verminderde verwijtbaarheid.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Hierbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, doodslag. Verdachte heeft op een gruwelijke en totaal respectloze manier van het slachtoffer het meest kostbare bezit - zijn leven - ontnomen. Dat heeft hij bovendien gedaan in de omgeving waar het slachtoffer zich bij uitstek veilig moest kunnen voelen, te weten zijn eigen woning. Verdachte heeft aan de nabestaanden onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht, zoals dit ter terechtzitting uit de door hen uitgesproken verklaring op indrukwekkende wijze is gebleken. Daarnaast is groot leed toegebracht aan vrienden en andere naasten van het slachtoffer. Bovendien wordt door een misdrijf als dit de rechtsorde zeer ernstig geschokt en brengt het grote onrust en gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid in de maatschappij teweeg, niet alleen in de directe omgeving van het slachtoffer, maar ook in de gehele samenleving.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan en naar haar oordeel kan op een dergelijk feit in beginsel dan ook niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het, na het overlijden van het slachtoffer, gebruik maken van zijn pinpas om geld op te nemen van de rekening van het slachtoffer, waaruit sterk naar voren komt dat verdachte enkel oog heeft gehad voor zijn eigen financiële situatie en geldelijk gewin, temeer nu verdachte direct na het doden van het slachtoffer geld heeft opgenomen.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Dit is een ernstig feit dat, naast schade en ongemak, gevoelens van stress en onveiligheid oplevert voor de slachtoffers. Een woning is het privédomein en een verstoring van het woongenot door een inbraak gaat vaak gepaard met een hevige impact op het dagelijks leven van de bewoners. Bewoners behoren zich in hun eigen huis veilig te voelen. Verdachte heeft er ook hier blijk van gegeven dat hij de eigendommen en privésfeer van anderen niet respecteert en dat hij in zijn handelen zijn eigen financieel gewin voorop stelt.

Tot slot heeft verdachte een winkeldiefstal begaan, hetgeen een vervelend feit is dat hinder en grote financiële schade met zich meebrengt voor de gedupeerde ondernemingen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 maart 2014 waaruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en eerder onherroepelijk is veroordeeld inzake geweldsmisdrijven.

De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de omtrent de persoon van verdachte opgestelde rapportages van psycholoog R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog d.d. 25 november 2013 en psychiater A. Banaei Kashani d.d. 27 november 2013. In deze rapportages is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de vorm van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheids- stoornis. Deze problematiek was ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Omdat verdachte de hem ten laste gelegde feiten ontkent, kan geen uitspraak worden gedaan over het eventuele verband tussen de stoornis en de ten laste gelegde feiten of de mate van toerekenbaarheid.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

[benadeelde], namens de erven van [slachtoffer], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.758,70.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.758,70, subsidiair 30 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] namens de Erven van [slachtoffer].

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard nu verdachte van alle feiten die betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het laten opstellen van de verklaring van erfrecht door de nabestaanden van [slachtoffer] onnodig is geweest nu het Burgerlijk Wetboek voorziet in erfopvolging van rechtswege. Daarbij rust, aldus de raadsman, op de gelaedeerde een schadebeperkingsplicht.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘Opname geld na overlijden door verdachte’ à € 1.000,- en € 190,- zijn door verdachte niet betwist en zijn voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de opgevoerde post ‘Verklaring van erfrecht’ à € 568,70 rechtmatig is opgevoerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat in het geval van overlijden een verklaring van erfrecht dient te worden overgelegd bij verschillende instanties, zoals bij banken, teneinde te kunnen aantonen dat de betrokkene een wettelijk erfgenaam is van de overledene.

De rechtbank zal derhalve de gehele vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.758,70.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 maart 2013, nu vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.758,70, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd Erven [slachtoffer].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding I onder 1 primair en 1 subsidiair (impliciet primair) tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I onder 1 subsidiair (impliciet subsidiair), 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Dagvaarding I

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

doodslag;

ten aanzien van feit 2;

diefstal;

ten aanzien van feit 3;

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4;

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Dagvaarding II

diefstal;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde] namens de Erven van [slachtoffer], een bedrag van € 1.758,70;

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.758,70, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] namens Erven [slachtoffer];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Timmermans, voorzitter,

mrs. C. Fetter en N.F.H. van Eijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Bruins, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 15TGO13601 Hotel 13, van de politie Haaglanden, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van bevindingen PL 1534 2013 049319 Hotel 13 Algemeen Dossier d.d. 13 maart 2013, p. 16.

3 Proces-verbaal van bevindingen PL1534 2013049319-6 Hotel 13 Algemeen Dossier d.d. 10 maart 2013, p. 18 en proces-verbaal van bevindingen PL1534 2013049319-4 Hotel 13 Algemeen dossier d.d. 9 maart 2013, p. 20-21

4 Proces-verbaal bevindingen 2013-0493149 Hotel 13 Algemeen Dossier d.d. 23 maart 2014, p. 69

5 Geschrift, te weten een rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het NFI d.d. 3 mei 2013 Hotel 13 Forensisch Dossier, p. 360-377

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 april 2013 Hotel 13 Algemeen dossier p. 208 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting 18 april 2014

7 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 8 mei 2013 Hotel 13 Getuigendossier p. 75

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 14 maart 2013 Hotel 13 Getuigendossier p. 179

9 Proces-verbaal van bevindingen historische verkeersgegevens 070-3239694 van 1 t/m 8 maart 2013 d.d. 24 maart 2013 Hotel 13 Algemeen Dossier, p. 34-35.

10 Proces-verbaal bevindingen Overeenkomst pinnen [adres 5] – historische verkeersgegevens d.d. 21 mei 2013 Hotel 13 Telecom Dossier p. 25-26

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2013 Hotel 13 Telecom Dossier, p. 15

12 Proces-verbaal bevindingen Historische verkeersgegevens [telefoonnummer] d.d. 18 april 2013 Hotel 13 Telecom Dossier p. 224

13 Proces-verbaal d.d. 26 maart 2013 Hotel 13 Algemeen Dossier, p. 203

14 Verklaring verdachte ter terechtzitting 18 april 2014 en proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 23 maart 2013 Hotel 13 Persoonsdossier p. 34, p. 124

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting 18 april 2014 en proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 23 maart 2013 Hotel 13 Persoonsdossier p. 124

16 Proces-verbaal identificatie van dactyloscopische sporen d.d. 6 september 2013 Hotel 13 Forensisch Dossier p. 456

17 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 9 maart 2013 Hotel 13 Getuigendossier, p. 43

18 Proces-verbaal verhoor getuige [zus slachtoffer] d.d. 9 maart 2013 en proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 9 maart 2013 Hotel 13 Getuigendossier, p. 24 en p. 56

19 Proces-verbaal huisvuilkalender d.d. 25 april 2013 Hotel 13 Algemeen Dossier, p. 206

20 O.a. Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 6] d.d. 21 maart 2013 Hotel 13 Getuigendossier, p. 156

21 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], d.d. 8 mei 2013 Hotel 13 Getuigendossier, p. 75

22 Proces-verbaal d.d. 13 april 2013 Hotel 13 algemeen Dossier, p. 240

23 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 4 september 2013 Hotel 13 Forensisch Dossier p. 52-54

24 Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Den Haag op 8 maart 2013 d.d. 10 juli 2013 Hotel 13 Forensisch Dossier p. 648 - 654

25 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 4 september 2013 Hotel 13 Forensisch Dossier p. 52-54

26 Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Den Haag op 8 maart 2013 d.d. 10 juli 2013 Hotel 13 Forensisch Dossier p. 648 - 654

27 Rapport van The Maastricht Forensic Institute d.d. 24 mei 2013 Hotel 13 Forensisch Dossier, p. 673

28 Proces-verbaal contact arrestenzorg Friesland [verdachte 1] d.d. 11 maart 2013 Hotel 13 Algemeen Dossier, p. 44-45

29 Proces-verbaal gevonden tas bij Jumbo supermarkt Leeuwarden d.d. 27 maart 2013 Hotel 13 Algemeen Dossier p. 144

30 Proces-verbaal bevindingen Blokker tas d.d. 21 maart 2013 Hotel 13 Algemeen Dossier p. 148

31 Proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 27 maart 2013 Hotel 13 Algemeen Dossier p. 155

32 Proces-verbaal verhoor getuige [zus slachtoffer] d.d. 5 april 2013 en proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 22 maart 2013 Hotel 13 Getuigendossier p. 34 en p. 67

33 Proces-verbaal overeenkomst vergelijking serienummer horloge en horlogedoosje d.d. 22 maart 2013 Hotel 13 Algemeen Dossier p. 198

34 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] d.d. 15 mei 2013 en proces-verbaal tonen horloge aan J [slachtoffer] d.d. 17 mei 2013 Hotel 13 Getuigendossier p. 379 - 385

35 Waarneming ter terechtzitting rechtbank d.d. 18 april 2014 en proces-verbaal beelden pintransactie 5/3/2013 d.d. 20 maart 2013 Hotel 13 Beeldendossier p. 29- 33

36 Proces-verbaal verhoor getuige [ex-vrouw verdachte] d.d. 9 april 2013 Hotel 13 Getuigendossier p. 264 – 266 en proces-verbaal beelden [adres 7] 7 maart 2013 12:59 uur d.d. 19 maart 2013 Hotel 13 Beeldendossier p. 55 -59

37 Proces-verbaal bevindingen Overeenkomst pinnen [adres 5] – historische verkeersgegevens d.d. 21 mei 2013 Hotel 13 Telecom Dossier p. 25-26 en proces-verbaal beveiligingsbeelden Rabobank [adres 5] d.d. 24 maart 2013 Hotel 13 Telecomdossier p. 56

38 Proces-verbaal beelden Primera d.d. 7 maart 2013, Hotel 13 Beeldendossier p. 7

39 Proces-verbaal pintransacties t.o.v. historische verkeersgegevens [verdachte 1] d.d. 21 mei 2013 Hotel 13 Telecomdossier p. 57

40 Proces-verbaal beelden Primera d.d. 7 maart 2013, Hotel 13 Beeldendossier p. 8

41 Proces-verbaal bevindingen Overeenkomst pinnen [adres 5] – historische verkeersgegevens d.d. 21 mei 2013 Hotel 13 Telecom Dossier p. 25-26 en proces-verbaal beveiligingsbeelden Rabobank [adres 5] d.d. 24 maart 2013 Hotel 13 Telecomdossier p. 44

42 Proces-verbaal verhoor getuige [ex-vrouw verdachte] d.d. 18 april 2013 Hotel 13 Getuigendossier p. 284

43 Proces-verbaal pintransacties t.o.v. historische verkeersgegevens [verdachte 1] d.d. 21 mei 2013 Hotel 13 Telecomdossier p. 47 - 69

44 Proces-verbaal pintransacties t.o.v. historische verkeersgegevens [verdachte 1] d.d. 21 mei 2013 Hotel 13 Telecomdossier p. 47 - 69

45 Rapport The Maastricht Forensic Institute d.d. 24 mei 2013 Hotel 13 Forensisch Dossier, p. 673

46 Proces-verbaal aangifte [aangever 1] PL1533 2012242080-1 d.d. 11 november 2013, p. 5-7

47 Proces-verbaal verhoor aangever [aangever 1] RC-nummer 13/1174 d.d. 11 februari 2014

48 Proces-verbaal sporenonderzoek PL 15J1 2012242080-2 d.d. 27 november 2012

49 Rapport NFI: Aanvullend rapport naar aanleiding van een DNA databank match d.d. 15 januari 2013, Hotel 13 Zaaksdossier 1 Inbraak [adres 1], p. 15

50 Proces-verbaal aangifte PL1512 2013056939-1 d.d. 20 maart 2013

51 Proces-verbaal uitkijken camerabeelden PL1512 2013056939-2 d.d. 13 april 2013

52 Proces-verbaal bevindingen PL15J6 2013056939-4 d.d. 31 mei 2013.

53 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] PL1512 2013056939-3 d.d. 28 mei 2013