Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5441

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/30180
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:539, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inreisverbod; artikel 8 EVRM; artikel 3 IVRK; arrest Udeh tegen Zwitserland van 13 april 2013 van EHRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/30180

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 mei 2014 in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

gemachtigde: mr. M. Wiersma,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 oktober 2013 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 februari 2014. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eisers partner,[naam 2], was tevens aanwezig. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak éénmaal verlengd.

Overwegingen

1.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op[geboortedag] 1972 en de Rwandese nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sinds 1994 in Nederland. Eiser heeft sindsdien meerdere asielaanvragen ingediend, die alle zijn afgewezen.

In de periode van 2003 tot en met 2007 is eiser in het bezit geweest van een verblijfsvergunning op een valse naam, te weten,[naam 3], geboren op [geboortedag] 1977, te [geboorteplaats] (Burundi). Bij Koninklijk Besluit van 26 november 2007 is eiser onder deze valse naam het Nederlanderschap verleend. Bij besluit van 29 september 2010 is het Nederlanderschap ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), vanwege het gebruik maken van onjuiste persoonsgegevens. Bij vonnis van de Politierechter te Rotterdam van 12 februari 2010 is eiser veroordeeld tot 80 uur werkstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis, voor valsheid in geschrifte en oplichting.

2.

Op 15 maart 2011 heeft eiser onder zijn ware naam een aanvraag om toetsing aan het EU-gemeenschapsrecht ingediend. Bij brief van 2 maart 2012 heeft eiser aangegeven dat hij de aanvraag wenst om te zetten naar een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij partner’. Eiser beoogt verblijf bij zijn partner[naam 2], van Burundische nationaliteit, en hun drie minderjarige kinderen. Op 4 juli 2012 heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Bij brief van 22 november 2012 heeft verweerder het besluit van 4 juli 2012 ingetrokken. Op 2 juli 2012 is de aanvraag van 15 maart 2011 in overleg met verweerder gewijzigd in een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “gezinsleven conform artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)”. Bij brief van 28 augustus 2013 heeft verweerder een voornemen kenbaar gemaakt om eiser een inreisverbod voor de duur van vijf jaar op te leggen. Hierop heeft eiser bij zienswijze van 4 september 2013 gereageerd. Bij besluit van 17 september 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en eiser tevens met toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar.

3.

Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift van eiser daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM niet tot vrijstelling van het vereiste te beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv-vereiste) noopt. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser nimmer rechtmatig in Nederland heeft verbleven, alsmede dat hij en zijn partner gezinsleven zijn aangegaan en geïntensiveerd door de geboorte van hun drie kinderen in de wetenschap dat hij geen verblijfsrecht had en de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag dus voor eigen rekening en risico komen. Ten tweede is gebleken dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, nu hij onjuiste gegevens met betrekking tot zijn identiteit heeft verstrekt en hij op 12 februari 2010 is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. Ook de omstandigheid dat zijn partner, die sinds augustus 2010 in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier in het kader van de generaal pardonregeling, niet over voldoende middelen van bestaan beschikt nu zij een WWB-uitkering ontvangt, is in het nadeel van eiser meegewogen. Daarnaast is er geen sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, zijn de kinderen, gezien hun jonge leeftijd, niet zodanig geaard dan wel geworteld in de Nederlandse samenleving dat zij niet meer kunnen aarden in een ander land, en zijn ten aanzien van hen geen bijzondere belangen bekend. Eiser is een inreisverbod voor de duur van vijf jaar opgelegd omdat hij van een valse identiteit gebruik heeft gemaakt. Hetgeen door eiser hiertegen is aangevoerd, vormt geen aanleiding om van het opleggen van een inreisverbod af te zien. Het inreisverbod levert weliswaar een inmenging op in het recht op eerbiediging van zijn gezinsleven, maar verweerder acht deze inmenging in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten gerechtvaardigd.

4.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM toets niet in het voordeel van eiser en zijn gezin uitvalt, mede gezien het beroep dat tevens in bezwaar is gedaan op artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Niet in geschil is dat eiser reeds meer dan tien jaar in Nederland gezinsleven uitoefent met zijn partner. Naar de mening van eiser is het belang van de kinderen onvoldoende kenbaar en specifiek bij de besluitvorming betrokken. Met name het oudste kind is, anders dan verweerder heeft aangenomen, wel degelijk geworteld in de Nederlandse samenleving, nu hij hier naar school gaat. De kinderen hebben geen enkele binding met Rwanda of Burundi en doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan hun belang om het gezinsleven met beide ouders in Nederland te kunnen voortzetten. In dit kader heeft eiser ter zitting verwezen naar onder meer het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Nunez tegen Noorwegen (JV 2011, 402). Daarnaast geldt voor eisers partner een zwaarwegende belemmering om het gezinsleven in haar land van herkomst dan wel in Rwanda uit te oefenen, nu zij op haar 17e jaar Nederland is ingereisd en hier al meer dan 13 jaar verblijft. Aan de veroordeling vanwege identiteitsfraude is ten onrechte groot gewicht toegekend, nu het een relatief geringe straf betreft. In de belangenafweging is bovendien ten onrechte niet meegewogen dat ook eisers partner is veroordeeld tot een taakstraf wegens identiteitsfraude, dat aan haar wel een generaal pardonvergunning is verleend en dat eiser door een misverstand in die procedure een dergelijke vergunning is geweigerd.

Met betrekking tot het inreisverbod stelt eiser dat artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen het opleggen ervan. Gezien de beperkte financiële middelen van zijn partner, betekent het inreisverbod dat zij elkaar gedurende vijf jaar niet kunnen ontmoeten. Ter zitting heeft eiser in dit kader verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 november 2012 (JV 2013/137). Daar komt bij dat incidentele bezoeken aan eiser nooit tot een aanvaardbaar niveau van gezinsleven kunnen leiden. Eiser wijst in dit verband op het arrest Udeh tegen Zwitserland van 13 april 2013 van het EHRM (JV 2013/246).

Tot slot heeft eiser ter zitting aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte niet in de bezwaarfase heeft gehoord.

5.

Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan Onze Minister bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, onder andere indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 vaardigt Onze Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of

b. niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige besluit wordt uitgevaardigd dan wel een besluit die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.
Ingevolge het zevende lid kan, voor zover hier van belang, in afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling:

a. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

b. een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

Ingevolge het achtste lid kan, in afwijking van het eerste lid, Onze Minister om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Ingevolge artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren.

Ingevolge het vierde lid, onder b, bedraagt, in afwijking van het eerste tot het met het derde lid, de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren, indien het betreft een vreemdeling die gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel opzettelijk reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Procesbelang bij beoordeling afwijzing verblijfsvergunning regulier

6.

De rechtbank stelt vast dat eiser door verweerder is aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde, als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Gelet op de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 beschreven rechtsgevolgen van het opleggen van een (zwaar) inreisverbod, dient de rechtbank allereerst ambtshalve een beslissing te nemen over de vraag of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de beslissing op zijn aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning.

7.

De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij onderhavig beroep, voor zover dat ziet op de aanvraag van 15 maart 2011, nu dat nimmer kan leiden tot de door eiser beoogde verblijfsvergunning. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298). Of eiser voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning, kan ten volle in het kader van de toetsing van het inreisverbod aan de orde worden gesteld, aldus deze uitspraak.

8.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank dient te beoordelen of het inreisverbod terecht is opgelegd. Indien de rechtbank het inreisverbod vernietigt, herleeft het procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning.

Inreisverbod

9.

Wat betreft het beroep van eiser tegen het opgelegde inreisverbod van vijf jaar, overweegt de rechtbank als volgt.

10.

Eiser heeft aangevoerd dat het opgelegde inreisverbod een schending betekent van artikel 8 van het EVRM en van artikel 3 van het IVRK.

11.

Nu is tegengeworpen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, dienen bij de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM mede te worden betrokken de guiding principles die door het EHRM zijn geformuleerd in de arresten Boultif tegen Zwitserland (2 augustus 2001, nr. 54273/00, JV 2001/254) en Üner tegen Nederland (18 oktober 2006, nr. 46410/99, JV 2006/417).



12. Het uitgangspunt is dat sinds 2002 sprake is van een gezinsleven tussen eiser, zijn partner, en hun drie kinderen (geboortedata[geboortedag] 2004, [geboortedag] 2009 en [geboortedag] 2012).

13.

Een inreisverbod moet worden aangemerkt als een inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven van eiser. Beoordeeld moet worden of deze inmenging gerechtvaardigd is. Verweerder dient een volledige afweging te maken van de belangen van betrokkenen om hun gezinsleven in Nederland uit te oefenen en de belangen van de staat. Er moet na afweging van de belangen sprake zijn van een redelijk evenwicht (fair balance) tussen deze belangen, waarbij aan de staat een zekere beoordelingsruimte (margin of appreciation) toekomt.

14.

De rechtbank overweegt verder dat onder meer uit het door eiser aangehaalde arrest van het EHRM van 28 juni 2011 in de zaak van Nunez tegen Noorwegen blijkt dat uit artikel 3 van het IVRK voortvloeit dat bij de belangenafweging moet worden betrokken dat de belangen (best interests) van minderjarige kinderen een eerste overweging (primary consideration) vormen.

15.

De rechtbank stelt vast dat verweerder met betrekking tot de gestelde schending van artikel 8 van het EVRM in het bestreden besluit heeft volstaan met een verwijzing naar de overwegingen over de weigering een verblijfsvergunning en vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen. De rechtbank overweegt dat de belangenafweging in verband met artikel 8 van het EVRM bij de beoordeling van een inreisverbod voor de duur van vijf jaar een andere is dan bij de weigering van een verblijfsvergunning te verlenen, hetgeen ook door verweerder ter zitting is erkend. In dit kader is met name van belang dat, gezien de beperkte middelen van eisers partner, bezoeken aan Rwanda dan wel Burundi niet mogelijk zijn, zodat het gezinsleven voor de duur van vijf jaar niet mogelijk is. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze gevolgen niet kenbaar in de belangenafweging heeft meegewogen, zodat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet, anders dan verweerder ter zitting heeft verzocht, gelet op het hiernavolgende, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van dit vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten.

16.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder namelijk bovendien in onvoldoende mate bij de belangenafweging betrokken het grote belang van eisers kinderen om in de nabijheid van hun beide ouders op te kunnen groeien, een recht dat expliciet wordt beschermd door artikel 24, derde lid, van het Europese Handvest. Uit het door eiser aangehaalde arrest Udeh tegen Zwitserland van 13 april 2013 (de punten 52 en 53) blijkt voorts dat incidentele bezoeken, voor zover ze al tot de reële mogelijkheden behoren, nooit als compensatie kunnen gelden voor de inbreuk die gemaakt wordt in het recht om samen te leven, dat een van de fundamentele elementen vormt van het recht op respect voor het gezinsleven.

17.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder eiser ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd. De rechtbank zal dit onderdeel van het bestreden besluit vernietigen. Daarmee herleeft eisers procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de verblijfsvergunning.

Afwijzing verblijfsvergunning

18.

Niet betwist is dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. In geschil is of de vrijstellingsgrond genoemd in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 van toepassing is. Dat betekent dat ter beoordeling staat of artikel 8 van het EVRM ook aan het tegenwerpen van het mvv-vereiste in de weg staat. Nu eiser sinds zijn komst naar Nederland nimmer in het bezit is geweest van een verblijfstitel, levert de ontzegging van verblijfsrecht geen inmenging op in het recht op eerbiediging van zijn gezinsleven. Beoordeeld moet worden of er een positieve verplichting bestaat bij de staat om verblijf te toe staan. Dit neemt niet weg, dat ook bij die beoordeling een volledige belangenafweging moet worden gemaakt, zij het dat het gewicht dat aan de verschillende belangen toekomt kan verschillen al naar gelang er sprake is van eerste toelating of inmenging. De rechtbank verwijst voor de toetsing van het bestreden besluit, waarbij eiser zich op dezelfde feiten en omstandigheden heeft beroepen als ten aanzien van het inreisverbod, naar al hetgeen onder 16 en 17 overwogen is. Het bestreden besluit ontbeert ook op dit onderdeel een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Inreisverbod en afwijzing verblijfsvergunning

19.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het inreisverbod en de afwijzing van de aanvraag van eiser van 15 maart 2011 tot verlening van een verblijfsvergunning.

20.

Er is aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van eiser. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- (honderdzestig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 974,- (negenhonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.