Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5413

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
06-06-2014
Zaaknummer
09-777405-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een straatroof.

De verdachte en zijn mededader zijn samen verantwoordelijk voor het gebruikte geweld en de bedreiging met het mes.

Een straatroof is zeer bedreigend voor het slachtoffer. Naast de geleden materiële schade kan het slachtoffer zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen.

Uit de toelichting zoals vermeld op het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces en uit de verklaring van het slachtoffer ter zitting blijkt ook dat de gevolgen van de straatroof voor het dagelijkse leven van het slachtoffer enorm zijn. Met name het ongemak na het verliezen van belangrijke papieren en het letsel wat zij ten gevolge van haar val heeft opgelopen maken dat het slachtoffer veel hinder van de straatroof heeft ondervonden. De rechtbank neemt dit de verdachte en zijn medeverdachte zeer kwalijk.

Bovendien nemen als gevolg van dit soort geweldsdelicten, op de openbare weg gepleegd, de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777405-13

Datum uitspraak: 24 april 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 10 april 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.A. Pronk en van hetgeen door de raadsman van de verdachte

mr. P.J.W. de Water, advocaat te Katwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 juni 2013 te [plaats], op of aan de openbare weg, te weten [adres], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (hand)tas (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het

- rukken en trekken aan die tas (waardoor die [aangever] ten val is gekomen)

en/of

- het (daarbij) tonen van een mes aan die [aangever] en/of

- stekende bewegingen maken in de richting van die [aangever] en/of

- hard met die tas tegen de borst van die [aangever] slaan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met uitzondering van de laatste twee gedachtestreepjes, te weten het maken van stekende bewegingen richting de aangeefster en het hard met de tas tegen de borst van de aangeefster slaan.

De officier van justitie heeft meegedeeld dat er wat haar betreft sprake is van medeplegen.
Hoewel de verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft gepleegd, wist hij - aldus de officier van justitie - van tevoren dat zijn medeverdachte iemand wilde beroven, omdat deze dit tegen hem heeft gezegd, is hij erbij blijven staan en is hij samen met zijn medeverdachte weggerend. Vervolgens heeft de verdachte, zoals door diverse getuigen is verklaard, samen met zijn medeverdachte in de tas gekeken.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om de verdachte te veroordelen voor medeplegen aan een beroving, nu er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte en ook niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op de delictsbestanddelen waarop zijn medeverdachte opzet had.

De raadsman heeft hiertoe gestel dat de medeverdachte [medeverdachte] degene is geweest die alle uitvoeringshandelingen, zoals die zijn weergegeven onder de gedachtestreepjes in de tenlastelegging, heeft gepleegd en hij dus degene is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de overval. De verdachte heeft de tas niet aangeraakt en hij heeft geen geld uit de tas gehaald, maar hij stond erbij en is met zijn medeverdachte mee gerend. Handelingen die echter na afloop van het voltooide delict zijn gepleegd, kunnen - aldus de raadsman - niet de vereiste samenwerking voor medeplegen van het delict opleveren.

De enige fout die de verdachte heeft gemaakt is dat hij zich niet van het voorval heeft gedistantieerd.

3.3.

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Op 24 juni 2013 omstreeks 23.15 uur, toen [aangever] (verder: de aangeefster) op [adres] te [plaats] liep, voelde zij dat er iemand achter haar haar tas pakte en eraan trok. De aangeefster hield haar tas stevig vast. Zij voelde dat de man hard aan haar tas trok en zag dat de man in zijn rechterhand een mes vast had. De man had de tas van de aangeefster met beide handen vast. De aangeefster schrok omdat zij dacht dat de man zou steken, nu het mes dicht bij haar borst kwam, en heeft haar tas losgelaten. Nadat de aangeefster de tas los liet, kwam zij op de grond terecht. Zij kwam ten val doordat de man haar tas eerst hard tegen haar aanduwde en er vervolgens hard aan trok.

De aangeefster heeft tijdens het incident nog een tweede persoon gezien, maar die deed verder niets. Beide mannen renden samen weg. Een passerende auto reageerde op het hulpgeroep van de aangeefster en samen met de inzittenden van deze auto is aangeefster achter de mannen aan gereden. Op de [straat] stonden de mannen stil en zochten zij in de tas. De aangeefster zag dat de man met de witte trui, die haar tas had gepakt, geld uit haar tas pakte. De bestuurder van de auto waarin de aangeefster zat, rende naar de mannen toe en op dat moment gooiden de mannen alles op de grond en renden ze opnieuw weg. De inzittenden van de auto gingen achter de man met de witte trui en aan kregen hem te pakken bij de tramhalte nabij de kruising met [straat].

De andere man, zijnde de verdachte, is in de richting van [straat] weggerend.2 De man met de witte trui, zijnde medeverdachte [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]), is vervolgens door de politie aangehouden.3

Getuige [getuige], die op 24 juni 2013 omstreeks 23.30 uur tussen de [straat] en de [straat] in de richting van het centrum liep, zag op het fietspad van de [straat] een zwart, half opgeklapt zakmes liggen. Deze locatie was op nog geen 10 meter van de locatie waar de jongen werd tegengehouden door omstanders.

De getuige heeft het mes met duim en vinger opgepakt en overgedragen aan de politie.4

[medeverdachte] heeft bij de politie het mes herkend als zijnde zijn eigendom.5

Enkele getuigen hebben gezien dat er twee mannen op de kruising van [straat] en de [straat] richting een electriciteitshuisje renden, daarachter een paar minuten bleven staan en vervolgens allebei een andere kant op

renden.67 Een andere getuige heeft daadwerkelijk gezien dat de mannen gebukt zaten bij het electriciteitshuisje op de [straat] (ter hoogte van nummer [X]) en dat zij een damestas doorzochten.8

Op de plek waar de jongens volgens de getuige de tas doorzochten, achter een electriciteitshuisje op de [straat] ter hoogte van perceel [X] werd op 25 juni 2013 omstreeks 00.35 uur een bruin/beige damestas aangetroffen. De inhoud van de tas lag rondom verspreid. De aangetroffen spullen, waaronder meerdere papieren en een VISA creditcard, zijn inbeslaggenomen9 en later onderzocht. Enkele spullen zijn te relateren aan de aangeefster10.

De verdachte wordt op 28 juni 2013 aangehouden11 en heeft verklaard dat [medeverdachte] de aangeefster heeft beroofd, dat het ook het idee van [medeverdachte] was en dat hij erbij stond te kijken en samen met [medeverdachte] is weggerend.12 Even later heeft hij wel samen met [medeverdachte] achter het electriciteitshuisje in de tas gekeken. [medeverdachte] gooide daarbij de inhoud van de tas op de grond.13

De aangeefster heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij haar tas stevig beet had, maar dat zij deze heeft losgelaten omdat zij angstig was toen zij, terwijl zij tegenover de man stond, iets scherps uit zijn hand zag steken en hierin de scherpe punt van een mes herkende. Even later heeft de aangeefster het mes half ingeklapt op de grond zien liggen.14

[medeverdachte] heeft bij de rechter-commissaris uiteindelijk bekend de straatroof te hebben gepleegd, maar ontkent hierbij stellig gebruik te hebben gemaakt van een mes.

Ook heeft hij verklaard dat het idee van de verdachte kwam, omdat hij geld wilde pakken, en dat de verdachte hem de bevelen gaf om de tas van de aangeefster af te pakken.

De verdachte was, aldus [medeverdachte], ook degene die aangeefster omver duwde waardoor zij ten val kwam en haar tas losliet. [medeverdachte] heeft de tas gepakt en is samen met de verdachte weggerend. Even later heeft de verdachte de tas open gemaakt en de spullen eruit gehaald. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat zijn zakmes uit zijn zak is gevallen toen hij werd aangehouden.15

Tijdens de behandeling ter zitting heeft de verdachte zijn verklaring bij de politie

gehandhaafd en aanvullend verklaard dat [medeverdachte] wel tegen hem heeft gezegd dat hij een tas zou pakken, maar dat hij dacht dat dit een grapje was. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij en [medeverdachte] die avond hadden geblowd en dat [medeverdachte] hem eerder op de avond een mes heeft laten zien. Desgevraagd heeft de verdachte meegedeeld dat hij zich niet van het voorval heeft gedistantieerd omdat hij zijn vriend niet in de steek wilde laten.16

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat [medeverdachte] degene is geweest die de tas van de aangeefster heeft weggenomen. De rechtbank is voorts van oordeel dat [medeverdachte] bij deze straatroof wel degelijk zijn mes heeft getoond. De rechtbank heeft geen reden aan de verklaring van aangeefster terzake te twijfelen. Bovendien heeft een getuige het mes half opgeklapt aangetroffen vlakbij de plaats waar de verdachte door omstanders is vastgehouden.

Gelet op het vorenstaande bewijsmiddelen is voorts, naar het oordeel van de rechtbank, sprake geweest van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] dat er sprake is van medeplegen.

Hoewel [medeverdachte] degene is geweest die de uitvoeringshandelingen heeft gepleegd, zoals het wegnemen van de tas, waarbij sprake was van duwen en trekken waardoor de aangeefster op de grond terecht is gekomen en [medeverdachte] ook degene is geweest die het mes heeft getoond, wist de verdachte van tevoren wat [medeverdachte] van plan was, stond de verdachte erbij, is hij samen met [medeverdachte] weggerend en heeft hij samen met [medeverdachte] de buit bekeken.

Anders dan de raadsman is de rechtbank derhalve niet de mening toegedaan dat het enige wat de verdachte te verwijten valt, is dat hij zich niet heeft gedistantieerd. De verdachte heeft, zoals reeds omschreven, een meer actieve rol gehad.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte samen met een ander voornoemde straatroof heeft gepleegd.

In de op te leggen straf zal het aandeel van de verdachte tot uitdrukking komen.

3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 24 juni 2013 te[plaats], op de openbare weg, te weten [straat], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een handtas met inhoud, toebehorende aan [aangever], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld

bestonden uit het

- rukken en trekken aan die tas waardoor die [aangever] ten val is gekomen en

- het tonen van een mes aan die [aangever].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie waarvan 50 uren subsidiair

25 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals reeds verwoord, primair vrijspraak bepleit en zich subsidiair, mocht de rechtbank tot bewezenverklaring overgaan, niet verzet tegen de eis.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een straatroof.

De verdachte en zijn mededader zijn samen verantwoordelijk voor het gebruikte geweld en de bedreiging met het mes.

Een straatroof is zeer bedreigend voor het slachtoffer. Naast de geleden materiële schade kan het slachtoffer zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen.

Uit de toelichting zoals vermeld op het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces en uit de verklaring van het slachtoffer ter zitting blijkt ook dat de gevolgen van de straatroof voor het dagelijkse leven van het slachtoffer enorm zijn. Met name het ongemak na het verliezen van belangrijke papieren en het letsel wat zij ten gevolge van haar val heeft opgelopen maken dat het slachtoffer veel hinder van de straatroof heeft ondervonden. De rechtbank neemt dit de verdachte en zijn medeverdachte zeer kwalijk.

Bovendien nemen als gevolg van dit soort geweldsdelicten, op de openbare weg gepleegd, de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De rechtbank weegt mee dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de verdachte zijn excuses heeft aangeboden aan het slachtoffer.

De rechtbank heeft kennis genomen van enkele voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) betreffende de persoon van de verdachte, waaronder het meest recente rapport d.d. 28 augustus 2013.

Blijkens dit rapport schat de Raad de kans op recidive als klein in en zijn er weinig zorgen over de ontwikkeling van de verdachte, behalve misschien op het domein attitude.

De ouders van de verdachte hebben echter adequaat gereageerd op de situatie en zijn omgeving is een belangrijke beschermende factor. Verdere begeleiding door de jeugdreclassering is niet geïndiceerd.

Geadviseerd wordt aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Van de zijde van de Stichting Bureau Jeugdzorg en de Raad is ter zitting bevestigd dat de ontwikkeling van de verdachte positief verloopt en dat er geen zorgen zijn en dat het eigenlijk in principe onbegrijpelijk is dat hij bij een dergelijk strafbaar feit betrokken is.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf een passende reactie is. De rechtbank weegt hierbij mee dat de medeverdachte de daadwerkelijke uitvoeringshandelingen heeft gepleegd en dat er verder geen zorgen zijn over de ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank ziet voorts, teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden, aanleiding aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen.

Met name de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer brengen de rechtbank ertoe een zwaardere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd en aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentiestraf op te leggen in plaats van een voorwaardelijke werkstraf.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.085,-, met het verzoek tot vergoeding van de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zitting heeft de benadeelde partij haar vordering gewijzigd in die zin dat zij naast voornoemde vergoeding voor materiële schade ook een redelijke vergoeding van de door haar geleden immateriële schade vordert, waarbij zij heeft aangegeven genoegen te nemen met een totaalbedrag van € 1.000,-.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,-, zijnde een bedrag van € 250,- aan materiële schade (cash geld) en voor het overige vergoeding van geleden immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair afwijzing van de vordering van de benadeelde partij bepleit gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering, nu de vordering niet aannemelijk genoeg is en niet voldoende is onderbouwd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering - hoewel deze namens de verdachte is betwist - voor zover deze betrekking heeft op de post Cash, toewijzen tot een bedrag van € 250,-. De rechtbank acht op basis van de aangifte aannemelijk dat de benadeelde partij dit geld is kwijtgeraakt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht de vordering voorts, voor zover deze na de toelichting van de benadeelde partij ter zitting betrekking heeft op een bedrag als vergoeding ter zake van immateriële schade, tot een bedrag van € 750,- naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 1.000,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 24 juni 2013 is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77i, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding

ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

DIEFSTAL, VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN EN OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS AAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD OP DE OPENBARE WEG DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de tijd van 60 uren

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 30 dagen;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

en voorts tot:

jeugddetentie voor de duur van 1 maand

bepaalt, dat dit gedeelte van de straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk hoofdelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangever], een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2013

tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer

genaamd [aangever];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Dam, kinderrechter,

en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier van Politie Haaglanden, met het nummer PL1511 2013123645, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 177.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever], pagina 48/49.

3 Proces-verbaal van aanhouding van verdachte [medeverdachte], pagina 19/20.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 68.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], pagina 30.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 72/73.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 74.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 66.

9 Proces-verbaal van bevindingen. pagina 57.

10 Proces-verbaal van bevindingen pagina 117.

11 Proces-verbaal van aanhouding van verdachte [verdachte], pagina 94/95.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 129/132.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte[verdachte], pagina 138/139.

14 Proces-verbaal van verhoor [aangever] als getuige bij de rechter-commissaris d.d. 29 november 2013.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 27 juni 2013.

16 Proces-verbaal van de terechtzitting van 10 april 2014, eigen verklaring van de verdachte.