Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:5280

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
SHE 13 / 28872
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verleende verblijfsvergunning, doorprocederen, andere verleningsgrond, gezinshereniging, Richtlijn 2003/86/EG, Gezinsherenigingsrichtlijn, vluchtelingen, subsidiaire beschermingsstatus, vluchtelingenstatus, Eritrea, uniforme asielstatus, artikel 9, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, vluchtelingen wier gezinsband al vóór binnenkomst in de lidstaat bestond, artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw 2000, Nota van Toelichting, Besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vb 2000, implementatie , Stb. 2004, 496, transponeringstabel, geen betere rechtspositie.

Samenvatting:

De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij beoordeling van het beroep. Ten eerste kent de Vw 2000 een uniforme asielstatus. Het gevolg daarvan is dat een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 ook kan worden verleend ten behoeve van de gezinshereniging met een vreemdeling die de subsidiaire beschermingsstatus heeft. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wijkt daarmee ten behoeve van vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus in positieve zin af van de aanspraken die zij op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn zouden hebben. Hun recht op gezinshereniging heeft in het stelsel van de Vw 2000 dus dezelfde reikwijdte als dat van vluchtelingen.

Voorts kunnen lidstaten de toepassing van hoofdstuk V op grond van artikel 9, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn beperken tot vluchtelingen wier gezinsband al vóór binnenkomst in de lidstaat bestond. Die beperking geldt in Nederland inderdaad, en is neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst naar de pagina’s 5, 20 en 21 van de Nota van Toelichting op het Besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Stb. 2004, 496), en naar de bijlage (transponeringstabel) bij de Nota van Toelichting. Daarom bestaat ook in zoverre geen verschil in rechtsgevolg tussen de subsidiaire beschermings- en de vluchtelingenstatus.

Eiser kan dus door het verkrijgen van de vluchtelingenstatus niet een betere rechtspositie verkrijgen dan hij op grond van de subsidiaire beschermingsstatus heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/28872

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedatum], van [nationaliteit] nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2013 is eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) verleend, met ingang van 16 maart 2013 en geldig tot en met 17 maart 2018.

Tegen dit besluit heeft eiser op 11 november 2013 beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld op de zitting van 11 april 2014, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. drs. J.M. Walls, waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

In het bestreden besluit ligt de afwijzing besloten van eisers aanspraak op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (de vluchtelingenstatus). Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraken van 28 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002: AE1168, en van 15 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9103, volgt dat eiser eerst tegen die afwijzing kan opkomen ingeval de verleende verblijfsvergunning vanwege het vervallen van de gekozen verleningsgrond wordt ingetrokken dan wel niet verlengd. Uitgangspunt van de Vw 2000 is immers dat een vreemdeling niet kan doorprocederen voor een andere dan de gekozen verleningsgrond. Aan de orde is daarom eerst de vraag of eiser belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit.

2.

Eiser stelt dat zijn belang bij beoordeling van het beroep is gelegen in het verschil in aanspraken op gezinshereniging op grond van Richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de Gezinsherenigingsrichtlijn). Op grond van hoofdstuk V van de Gezinsherenigingsrichtlijn gelden voor vluchtelingen gunstiger bepalingen voor gezinshereniging dan voor vreemdelingen met de subsidiaire beschermingsstatus, zoals eiser. Eiser wijst er op dat hij gezinshereniging of gezinsvorming beoogt met zijn verloofde, [verloofde], van Eritrese nationaliteit. Een adviesaanvraag mvv tot toelating van zijn verloofde om in Nederland een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f te kunnen aanvragen, is afgewezen. De reden voor afwijzing was dat niet is aangetoond dat eisers verloofde in Eritrea tot het gezin van eiser heeft behoord. Zou eiser de vluchtelingenstatus hebben, dan zou het ontbreken van een gezinsband voorafgaand aan zijn binnenkomst in Nederland niet aan toelating van eisers verloofde in de weg staan. Eiser meent dat hoofdstuk V van de Gezinsherenigingsrichtlijn ook betrekking heeft op gezinsvorming met vluchtelingen, terwijl artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f gezinsvorming uitsluit. Daarom heeft eiser op grond van de subsidiaire beschermingsstatus wel degelijk een mindere rechtspositie dan wanneer hem de vluchtelingenstatus zou zijn verleend. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte en zonder enige onderbouwing de vluchtelingenstatus onthoudt.

3.

De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij beoordeling van het beroep.

4.

Ten eerste kent de Vw 2000 een uniforme asielstatus. Het gevolg daarvan is dat een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 ook kan worden verleend ten behoeve van de gezinshereniging met een vreemdeling die de subsidiaire beschermingsstatus heeft. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wijkt daarmee ten behoeve van vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus in positieve zin af van de aanspraken die zij op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn zouden hebben. Hun recht op gezinshereniging heeft in het stelsel van de Vw 2000 dus dezelfde reikwijdte als dat van vluchtelingen.

5.

Voorts kunnen lidstaten de toepassing van hoofdstuk V op grond van artikel 9, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn beperken tot vluchtelingen wier gezinsband al vóór binnenkomst in de lidstaat bestond. Die beperking geldt in Nederland inderdaad, en is neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst naar de pagina’s 5, 20 en 21 van de Nota van Toelichting op het Besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Stb. 2004, 496), en naar de bijlage (transponeringstabel) bij de Nota van Toelichting. Daarom bestaat ook in zoverre geen verschil in rechtsgevolg tussen de subsidiaire beschermings- en de vluchtelingenstatus.

6.

Eiser kan dus door het verkrijgen van de vluchtelingenstatus niet een betere rechtspositie verkrijgen dan hij op grond van de subsidiaire beschermingsstatus heeft.

7.

De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de stelling van eiser dat hem ten onrechte niet op grond van zijn desertie de vluchtelingenstatus is toegekend.

8.

Het beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

9.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

10.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.